2 Hofstee

 

Pijn doorboorde de duisternis.

Kiëli kreeg zijn ogen niet open, maar hij wist dat hij nog leefde. Hij voelde dat hij werd betast, en als van een grote afstand hoorde hij een stem mompelen: 'Deze leeft nog.'

'Laten we hem maar in de wagen leggen,' zei een andere stem. 'Hij heeft een hoop bloed verloren.'

Een deel van Kiëli registreerde dat hij woorden hoorde in de taal van de handelaren, gemeen spraak genoemd, en niet in de taal van de Orosini.

Hij voelde een tweede paar handen, en hij werd verplaatst. Hij kreunde en raakte weer buiten bewustzijn.

 

Zijn hele lichaam deed pijn toen Kiëli bijkwam. Alles was wazig toen hij met moeite zijn ogen opendeed en zijn hoofd probeerde op te tillen. Die inspanning bracht een golf van pijn teweeg, en zijn maag keerde zich om, maar hij had niets om over te geven. De folterende pijn die door hem heen zinderde deed hem kreunend naar adem snakken.

Hij kon nog steeds niet scherp zien toen hij door stevige maar zachte handen terug werd geduwd. 'Liggen blijven, knul. Langzaam ademen.' De spreker maakte geen gebruik van de taal van de Orosini maar van de handelaars taal, die door de meeste mensen gemeenspraak werd genoemd.  

Kiëli zag vormen, hoofden gehuld in schaduw, met een oplichtende hemel erboven. Hij knipperde met zijn ogen om scherper te zien, maar de droogheid ervan deed de poging mislukken.

'Hier,' zei een andere stem ergens boven hem, en hij voelde een kalebas met water tegen zijn lippen.

'Langzaam drinken,' sprak de eerste stem. Je hebt een hoop bloed verloren. We hadden niet gedacht dat je het zou halen.'

De eerste teug deed zijn lichaam weer stuiptrekken, en hij braakte het beetje water uit. 'Kleine slokjes,' instrueerde de stem.

Hij deed wat hem was gezegd, en het kleine slokje water bleef binnen. Plotseling kreeg hij een ondraaglijke dorst. Hij probeerde te drinken, maar de kalebas werd bij zijn lippen weggehaald. Hij probeerde ernaar te grijpen, maar zijn arm wilde hem niet gehoorzamen.  

'Kleine slokjes zei ik,' klonk de stem streng. De kalebas kwam terug, hij slikte langzaam, en het water sijpelde door zijn keel omlaag.

Met zijn schamele krachten spande hij zich in om het water binnen te houden. Hij richtte zijn ogen boven de rand van de kalebas en trachtte het gezicht van zijn weldoener te onderscheiden. Hij zag een vage vlek met daarboven een grijze haardos. Toen zakte hij de duisternis weer in. 

 

Op een zeker punt hielden ze een paar dagen halt. Hij zag dat hij in een gebouw lag, een schuur of een stal, dat wist hij niet zeker. Wel wist hij dat het had geregend, want hij rook heel duidelijk natte aarde en de muffe geur van schimmel op hout.

Daarna kwamen en gingen de beelden. Hij lag in een wagen, en op een middag merkte hij dat hij in de bossen was, maar niet de bossen van thuis. Hij ving een glimp op van bomen die niet overeenkwamen met de hoge balsems, ceders en espen van het hem vertrouwde woud. Er waren eiken en olmen, en bomen die hij niet herkende. Hij keerde terug tot zijn gekwelde sluimer.

Hij wist nog dat er iets te eten in zijn mond werd gestopt en dat hij slikte, waarbij zijn keel zich samentrok en zijn borst in brand vloog. Hij herinnerde zich koortsdromen en werd verscheidene malen badend in het zweet wakker, met bonzend hart, nadat hij zijn vaders naam had geroepen.  

Op een nacht droomde hij dat hij lekker warm thuis zat, in het rondhuis bij zijn moeder en de andere vrouwen. Hij voelde zich omgeven door hun liefde en troost. Plots schrok hij wakker, op de harde grond, met de geur van natte aarde in zijn neus, de rook van een pas ingerekend vuur nog in de lucht en twee mannen slapend aan weerszijden van hem. Hij kalmeerde en vroeg zich af hoe hij daar terecht was gekomen, tot zijn geheugen terugkeerde en hij zich de aanval op zijn dorp herinnerde.  

De tranen liepen hem in de ogen, en huilend voelde hij hoop en vreugde sterven in zijn borst.

Hij kon de dagen die hij onderweg was niet tellen. Hij wist dat hij door twee mannen werd verzorgd, maar hij kon zich niet herinneren of die hem hun namen hadden genoemd. Ze hadden wel gesproken, hem vragen gesteld, en hij had antwoord gegeven, maar hij kon zich niet herinneren waarover het was gegaan.

 

Op een ochtend keerde de helderheid terug. Kiëli deed zijn ogen open, en al was hij nog zwak, hij begreep waar hij was.

Ze waren in een grote schuur, met deuren aan weerszijden. Vlakbij hoorde hij paarden eten in een stal. Hij lag op een stromatras, onder een dubbele deken met daaroverheen nog twee dekens. Het was nevelig van de rook van een klein kampkomfoor, een rechthoekig geblutst metalen omhulsel waarin kolen brandden. In een schuur vol hooi was dat veiliger dan een open vuur. Op zijn ellebogen kwam Kiëli overeind en keek rond. De rook prikte een beetje in zijn ogen, maar het meeste ontsnapte door een open deur op de hooizolder. Het was stil, dus nam Kiëli aan dat het niet regende.  

Zijn lijf deed zeer, en hij voelde zich stijf, maar zijn bewegingen had geen golven van pijn tot gevolg, zoals eerst.

Op een houten kruk zat een man naar hem te kijken. Zijn haar hing tot op zijn schouders en was aan de voorkant geknipt in een pony die bijna zijn hele voorhoofd bedekte. Het haar was bijna helemaal grijs, met hier en daar nog een paar zwarte lokken. Zijn donkere ogen waren op de jongen gevestigd. Hij had een grote hangsnor en zijn lippen waren iets getuit, alsof hij nadacht.

Kiëli knipperde de slaap uit zijn ooghoeken en zei: 'Waar ben ik?'

De man keek hem onderzoekend aan. 'Zo, dus je bent weer onder de levenden?' vroeg hij retorisch. Hij zweeg even. 'Robert!' riep hij over zijn schouder in de richting van de schuurdeur.

Even later zwaaide de deur open en kwam er een andere man de schuur binnen, die naast Kiëli neerknielde. Deze man was nog ouder, met kleurloos grijs haar, maar zijn ogen stonden krachtig, en hij hield de blik van de jongen een ogenblik vast. 'En, Klauw, hoe voel je je?' vroeg hij zacht.

'Klauw?'

'Je zei dat je Klauw van de Zilverhavik heette,' verduidelijkte de oudere man.

Knipperend met zijn ogen spande de jongen zich in om te begrijpen waarom hij dat zou hebben gezegd. Toen herinnerde hij zich het visioen en besefte dat het inderdaad zijn naamgevingsvisioen was geweest. Vanuit de verte galmde het door zijn hoofd: stijg op en wees een klauw voor je volk.  

'Wat kan je je nog herinneren?'

'Dat er gevochten werd...' In zijn maag opende zich een donkere put, en de tranen liepen hem in de ogen. 'Ze zijn zeker allemaal dood, hè?' vroeg hij, de droefenis van zich afzettend.

'Ja,' antwoordde Robert. 'Wat weet je nog van daarna?'

'Een wagen...' Hij deed zijn ogen even dicht. 'Jullie droegen me weg.'

'Ja,' beaamde Robert. 'We konden je moeilijk laten doodgaan aan je verwondingen.' Zachtjes voegde hij eraan toe: 'Trouwens, er zijn wat dingen die we over jou en de gevechten willen weten.'

'Wat dan?' vroeg Klauw;

'Dat kan wachten tot later.'

'Waar ben ik?' herhaalde Klauw;

'In de schuur op Kendricks Hofstee.'

Klauw probeerde het zich te herinneren. Hij had ervan gehoord maar kon zich geen bijzonderheden herinneren. 'Waarom ben ik hier?'

De man met de hangsnor lachte. 'Omdat we je het vege lijf hebben gered en we hier naar toe op weg waren.'

'En omdat dit een heel goede plek is om tot rust te komen en te genezen,' vervolgde Robert. Hij stond op en deed een paar stappen, zich bukkend voor het lage plafond. Dit is een boshut die al jaren leeg staat. We mogen hem van Kendrick gratis gebruiken.'

'In de herberg zijn de kamers warmer, de lakens schoner en de maaltijden beter, maar daar zijn ook te veel ogen en oren,' besloot de eerste man.

Robert wierp de man een blik toe en schudde heel even zijn hoofd. Toen zei hij tegen Kiëli: 'Je blijft hier liggen op een stromatras tot je bent genezen.'

'Je hebt de naam van een man, maar ik zie geen tatoeages op je gezicht,' merkte de ander op.

'Het gevecht was op mijn naamdag,' verduidelijkte hij zwak.

De man die Robert was genoemd keek zijn metgezel even aan en richtte zijn aandacht weer op de jongen. 'Dat was nu meer dan twee weken geleden, knul. Je bent met ons onderweg geweest sinds Pasko je in jullie dorp heeft gevonden.'

'Zijn er verder nog overlevenden?' vroeg de jongen, zijn stem verstikt van emotie.  

Robert liep naar hem terug, knielde naast hem neer en legde zijn hand op zijn schouder. 'Dood. Iedereen.'

'Die schoften zijn grondig geweest,' zei Pasko, 'dat moet ik ze nageven.'

'Wie?' vroeg Klauw.

Zachtjes duwde Robert hem terug op de matras. 'Rust. Pasko zal straks wat soep voor je opwarmen. Je hebt op het randje van de dood gelegen. Een tijdlang dachten we dat je het niet zou halen. We hebben je er doorheen geholpen met wat slokjes water en koude bouillon. Het wordt tijd om je weer wat op krachten te brengen.' Hij zweeg even. 'Er is veel te bespreken, maar we hebben de tijd. We hebben alle tijd, Klauw van de Zilverhavik.'

Klauw wilde helemaal geen rust, hij wilde antwoorden, maar zijn verzwakte lichaam liet hem in de steek, en toen hij zich ontspande, kwam de slaap hem al snel weer halen.

 

Hij werd door vogelzang begroet toen hij met een razende honger wakker werd. Pasko bracht hem een grote aardewerken beker met hete bouillon en maande hem langzaam te drinken. De andere man, Robert, was nergens te zien.

Nadat hij zijn mond aan de hete vloeistof had gebrand, vroeg Klauw: 'Wat is dit voor een plek?'

'Kendricks Hofstee? Dat is een... herberg, ergens weggestopt in de bossen van Latagore.'

'Waarom?'

'Waarom wat? Waarom we hier zijn, of waarom je nog leeft?'

'Allebei, denk ik.'

'De tweede vraag eerst,' antwoordde Pasko. Hij nam plaats op het krukje en pakte zijn eigen mok met bouillon op. 'We vonden je te midden van een slachting zoals ik in mijn jeugd in Ver Lorin, als soldaat in dienst van de hertog van Dungarren, nog nooit had gezien. We zouden je als aas voor de kraaien bij de anderen hebben laten liggen, als ik je niet had horen kreunen... nou ja, echt kreunen was het niet eens, eerder hard zuchten. Het was puur een speling van het lot dat je nog leeft. Je zat zo onder het bloed en had zo'n grote jaap over je borst dat we allebei dachten dat je dood was, tot we je dus zachtjes hoorden kreunen. Maar goed, je ademde nog, dus zei mijn meester dat we je mee moesten nemen. Het is een teerhartige, zal ik je vertellen.'

'Dan moet ik hem bedanken,' zei Klauw, al voelde hij zich zo ellendig over het feit dat hij nog leefde terwijl zijn hele familie was omgekomen dat hij zich niet in het minst dankbaar voelde.

'Hij zal wel iets voor je verzinnen om terug te doen,' zei Pasko. Hij stond op. 'Zin om de benen te strekken?'

Klauw knikte. Hij kwam overeind en merkte dat zijn benen bibberden, zijn hoofd tolde en zijn lijf pijn deed. Hij had geen kracht.  

'Rustig aan, mijn jongen.' Vlug kwam Pasko hem een helpende hand bieden. 'Je bent zo zwak als een pasgeboren kuiken. Je moet nog rusten en meer eten voordat je weer enigszins de oude bent, maar nu moet je even een stukje lopen.'

Pasko hielp Klauw naar de schuurdeur, en ze gingen naar buiten. Het was een frisse ochtend, en Klauw begreep dat ze in een laaglandvallei waren. Het rook er anders en de lucht voelde anders aan dan op de hooglandse weiden. Klauws knieën knikten, en hij moest kleine stapjes nemen. Pasko bleef staan en liet de jongen om zich heen kijken.  

Ze bevonden zich op een groot stalerf, omringd door een hoge muur van op maat gehouwen stenen. Meteen herkende de jongen de constructie als een fort, want op korte afstand van het grote gebouw, waarvan hij aannam dat het de herberg was, liepen op verscheidene plekken stenen trappen gelijk met de muren omhoog. Langs de kantelen en schietgaten boven op de muren liep een galerij die breed genoeg was om twee verdedigers elkaar te laten passeren.  

De herberg was het grootste gebouw dat Klauw ooit had gezien, vele malen groter dan het rondhuis en het langhuis in zijn dorp. Het rees drie verdiepingen op, en in plaats van riet of hout lagen er stenen pannen op het dak. Het was wit geschilderd, en het hout van de deuren, raamluiken en kozijnen hadden een frisse groene kleur. Uit verscheidene schoorstenen wolkte grijze rook omhoog. Naast de schuur stond een wagen, en Klauw nam aan dat hij daarin hierheen was gebracht.

Klauw zag boomtoppen in de verte, dus nam hij aan dat het bos rondom de herberg was gekapt.

'Wat zie je?' vroeg Pasko onverwachts.

Klauw keek naar de man, die hem indringend opnam. Hij wilde iets zeggen, maar herinnerde zich toen dat zijn grootvader hem had gezegd altijd verder te kijken dan zijn neus lang was. Klauw gaf geen antwoord maar beduidde Pasko hem naar de dichtstbijzijnde trap te brengen. Langzaam liep hij omhoog tot hij op de muur stond, en keek naar buiten.  

De herberg stond midden op een natuurlijke open plek, maar aan de stronken van een redelijk aantal bomen was te zien dat die jaren geleden was vergroot. Ze waren overwoekerd door gras en bramen, maar de weg door de bossen was vrij gehouden.

'Wat zie je?' herhaalde Pasko.

Klauw gaf nog steeds geen antwoord en liep in de richting van de herberg. Onderwijl ontvouwde de ligging van de herberg die Kendricks Hofstee werd genoemd zich voor zijn geestesoog. Klauw aarzelde. Hij sprak net zo goed gemeenspraak als de andere jongens in het dorp, maar hij maakte er maar zelden gebruik van, eigenlijk alleen maar als er handelaren naar het... Hij dacht aan zijn dorp, en de koude hopeloosheid keerde terug. Zijn hartzeer onderdrukkend, dacht hij na over de woorden die hij zocht. 'Dit is geen herberg maar een fort,' zei hij tenslotte.  

Pasko grijnsde. 'Allebei, eigenlijk. Kendrick heeft het niet zo op een paar buren van hem.'

Klauw knikte. Het waren stevige muren, en aan alle kanten was het woud ver genoeg weggekapt om boogschutters op de muur een vrij schootsveld te geven. De weg vanuit de bossen maakte halverwege de herberg plotseling een bocht naar een poort die hij aan de andere kant van de herberg vermoedde. Het zou niet meevallen om een stormram of een brandende wagen naar de poort te laten rollen om binnen te komen.·

Hij keek naar de ligging van het gebouw: Boogschutters in de vensters van de bovenste verdieping konden een tweede gelid van verdedigers vormen om de soldaten op de muren te ondersteunen. Hij richtte zijn blik weer op de deuren en zag dat die met ijzeren banden waren verstevigd. Hij stelde zich voor dat ze makkelijk van binnen konden worden gebarricadeerd. Om daar doorheen te komen, had je stevige kerels met zware bijlen nodig. Hij keek hoger en zag boven elke deur een moordgat. Kokende olie of water of boogvuur zou korte metten maken met iedereen die voor de deur stond.

'Dan zullen het wel lastige buren zijn,' zei Klauw uiteindelijk.

Pasko grinnikte. 'Dat zijn het zeker.'

Terwijl ze boven op de muur naar de herberg stonden te kijken, ging er een deur open en er verscheen een meisje met een grote emmer in haar hand. Ze keek omhoog, zag hen en zwaaide. 'Hallo, Pasko!'

'Hallo, Lela!'

'Wie is die vriend van je?' vroeg ze vriendelijk. Ze leek een paar jaar ouder dan Klauw, maar in tegenstelling tot de meisjes van zijn eigen volk was zij donker. Haar huid was licht getint, haar haar was zo zwart als de nacht en haar grote donkere ogen fonkelden als ze lachte.

'Een knaap die we onderweg hebben opgepikt. Je laat hem met rust, hoor je? Je hebt al genoeg mooie jongens.'

'Nooit genoeg!' riep ze plagerig terug, en met een zwaai van de emmer draaide ze zich om en vervolgde haar weg. 'Ik kan best wat hulp gebruiken om water te halen,' zei ze met een koket glimlachje. 'Je bent een gezonde stevige meid, en die jongen is gewond,' kaatste hij terug. 'Waar zijn Lars en Gibbs?'

'Weg, voor Kendrick,' antwoordde ze en verdween achter de schuur.

Een tijdlang nadat ze uit het zicht was verdwenen, bleef Klauw stil. 'Wat moet ik nu?' vroeg hij toen. Hij werd bevangen door een diepe hopeloosheid, een futloosheid die hij zijn hele jonge leven niet had gekend. Zonder zijn familie... De herinneringen aan zijn dorp deden de tranen in zijn ogen springen. Orosini konden emotionele mensen zijn, die graag luidruchtig feestvieren in tijden van vreugde en huilden in tijden van smart, maar in het bijzijn van vreemden neigden ze ertoe zich in te houden. Dat kwam hem nu echter zinloos voor, en Klauw liet de tranen over zijn gezicht stromen.

Pasko sloeg er geen acht op. 'Dat moet je maar aan Robert vragen als hij terugkomt. Ik doe gewoon wat me wordt opgedragen. Je hebt je leven aan hem te danken, en die schuld moet worden ingelost. Nou, nog even een stukje lopen, dan breng ik je weer naar binnen om te rusten.'

Klauw had zin om op verkenning uit te gaan, om de herberg in te gaan en zich te verbazen over de dingen die er te zien waren, want in zo'n groot gebouw moest dat zeker kunnen, meende hij.

Maar Pasko bracht hem terug naar de schuur, en tegen de tijd dat ze bij zijn stromatras waren, was Klauw blij toe, want hij voelde zich uitgeput tot in zijn botten. Zijn wonden zeurden en staken, en zelfs dit kleine stukje lopen had voor nieuw littekenweefsel gezorgd. Hij had tijd nodig om te genezen. Hij wist nog dat Beer Die Staat, die was gespietst door een wild zwijn, bijna een half jaar lang mank had gelopen voordat hij zijn been weer normaal had kunnen bewegen.  

Klauw ging op zijn matras liggen en deed zijn ogen dicht terwijl Pasko rondscharrelde in de schuur met wat spullen die hij uit de wagen had gehaald. Zo helder als hij was geweest toen hij amper een half uur geleden wakker was geworden, zo vlot sukkelde de jongen nu weer in slaap.

 

Geduldig als hij was liet Klauw de dagen voorbijgaan zonder Pasko met vragen te bestoken. Het was de jongeman duidelijk dat de bediende een zwijgzaam man was en bovendien de opdracht had niet veel los te laten. Wat Kiëli te weten kwam, zou hij te danken hebben aan zijn eigen observatievermogen.  

Het verdriet om de vernietiging van zijn volk was nooit echt uit zijn gedachten. Een week lang had hij elke nacht gehuild, maar met het verstrijken van de dagen maakte zijn verdriet langzaam plaats voor woede. Er liepen ergens mensen rond die de dood van zijn volk op hun geweten hadden, en uiteindelijk zou hij hen opsporen en wraak nemen; zo ging dat bij de Orosini.

Maar hij was reëel genoeg om te begrijpen dat een jongeman alleen weinig kans zou hebben om zich te wreken. Hij moest eerst herstellen. Hij had kracht nodig, kennis van wapens, vele dingen. Hij was een Orosini, en zijn voorouders zouden hem de weg wijzen. De Zilverhavik was zijn totem, en de jongen die eens Kiëli anapuna had geheten, zou een klauw voor zijn volk zijn.  

De dagen volgden een vast patroon. 's Morgens werd hij wakker, en als hij had gegeten, maakten Pasko en hij een wandeling, eerst alleen maar over het terrein rondom de enorme herberg, later ook door de nabije bossen. Zijn kracht keerde terug, en hij begon Pasko te helpen met klusjes zoals water halen, hout hakken en teugels, halsters en strengen voor de paarden repareren. Hij was slim genoeg, hoefde maar een of twee keer iets voorgedaan te krijgen om het te kunnen en deed zijn uiterste best om uit te blinken.

Zo nu en dan ving Klauw een glimp op van Robert, wanneer die zich rond de herberg repte, vaak in het gezelschap van drie mannen. Klauw vroeg Pasko niet wie ze waren, maar hij onthield hun gezichten. Een van hen, een lange man met grijs haar en een volle baard, leek hem Kendrick. Hij liep tenminste rond alsof hij de baas was. Hij had een mooie tuniek, en aan zijn ringvinger zat een ring met een in goud gevatte donkere steen, maar verder droeg hij een praktische broek en laarzen. Vaak bleef hij even staan om instructies te geven aan de bedienden, het meisje Lela en de twee jongere mannen, Lars en Gibbs. Lars en Gibbs brachten regelmatig een bezoek aan de schuur wanneer er reizigers logeerden, want zij verzorgden de paarden.  

De tweede man die Klauw zag, noemde hij in gedachten Sneeuwmuts, want zijn haar was wit als sneeuw, ook al zag hij eruit als iemand van hooguit dertig. Hij was niet zo lang als Kendrick of Robert, maar op een of andere manier leek hij op hen neer te kijken. Hij gedroeg zich als een opperhoofd of sjamaan, vond Klauw, en hij had een aura van macht om zich heen hangen. Zijn ogen waren lichtblauw, en zijn gezicht was door de zon gekleurd. Hij droeg een donkergrijze mantel met een ingewikkeld ingewoven patroon rond de mouwen en de zoom, die net hoog genoeg hing om een paar erg mooie laarzen te laten zien. Bij gelegenheid had hij een houten staf bij zich, en soms droeg hij een slappe vilthoed in dezelfde kleur als zijn mantel.

De derde man leek een beetje op de tweede, alsof ze familie van elkaar waren, maar zijn haar was donkerbruin, bijna dezelfde kleur als dat van Klauw: Ook zijn ogen waren diep bruin, en zijn houding en bewegingen duidden op een krijger of een jager. In gedachten noemde Klauw hem de Kling, want zijn linkerhand leek nooit ver verwijderd van het gevest van een zwaard met een smallere kling dan Klauw ooit had gezien. Hij droeg een blauwe broek met de pijpen in tot de knie reikende laarzen, een donkergrijs hemd en daaroverheen een dichtgeknoopt vest. Eén keer had Klauw hem met zonsopgang de herberg zien verlaten met een langboog, en die avond was hij teruggekeerd met een schoongemaakt hert over zijn schouders. Meteen had de jongeman bewondering voor hem gevoeld; de Orosini beschouwden jagen als een belangrijke vaardigheid. Hij droeg altijd een hoed, precies zo een als die van Sneeuwmuts, al was deze zwart.  

Robert, Pasko en Klauw werden behandeld alsof ze bij het meubilair hoorden. Alleen Lela nam af en toe een moment om Pasko en Klauw gedag te zeggen of te knikken of te zwaaien. Lars, een gedrongen roodharige knaap, en Gibbs, slank en iets ouder, spraken hen bij tijd en wijle aan om te vragen om wat paardentuig of hulp bij het vasthouden van een paard dat werd verzorgd. Maar geen van hen ging ooit een gesprek aan. Meestentijds had Klauw het gevoel alsof Pasko en hij voor de mensen in de herberg niet eens bestonden.  

Nadat er een volle maand was verstreken, werd Klauw op een ochtend wakker en zag Pasko in gesprek verwikkeld met Robert. De jongeman stond stilletjes op, kleedde zich aan en maakte zijn aanwezigheid bekend.  

'Ah, jongeheer Klauw ,' zei Robert, naar hem glimlachend. 'Pasko zegt dat je al aardig aan het opknappen bent.'

Klauw knikte. 'Mijn wonden zijn genezen, en erg stijf ben ik ook niet meer.'

'Voel je je goed genoeg om op jacht te gaan?'

'Ja,' antwoordde hij zonder aarzelen.

'Mooi, kom dan maar mee.'

Hij verliet de schuur, en Klauw ging naast hem lopen, en terwijl ze zich naar de herberg begaven, vroeg Klauw : 'Meneer, ik ben u iets verschuldigd, nietwaar?'

'Dat klopt,' antwoordde Robert. 'Hoe kan ik deze schuld inlossen?'

Robert bleef staan. 'Ik heb je leven gered, toch?'

'Ja,' antwoordde de jongen.

'Als ik de gebruiken van jouw volk goed heb begrepen, heb jij een levens schuld aan mij, of niet?'

'Ja,' zei Klauw kalm. Een levens schuld was een ingewikkeld begrip dat betrekking had op jaren van dienstbaarheid, direct of indirect. Als iemand van de Orosini het leven van een ander had gered, stond de geredde tot de beschikking van de ander. Het was alsof hij diens familielid was geworden, maar dan zonder de privileges die familieleden bezaten. Zijn eer gebood hem ervoor te zorgen dat het gezin van zijn redder te eten had, ook al leed zijn eigen gezin honger. Hij was verplicht te helpen bij de oogst van zijn redder voordat hij zijn eigen oogst kon binnenhalen. In alle opzichten stond de geredde bij de ander in de schuld. Dus Robert vertelde Klauw nu in feite dat Klauw hem diende te beschouwen als zijn meester, totdat Robert hem uit zijn dienst ontsloeg.  

'Dat is een grote schuld, nietwaar?'

'Ja,' antwoordde Klauw vlak.

De wind woei zachtjes, de bladeren ruisten aan de bomen in de verte, en Robert was stil, alsof hij nadacht. 'Ik zal kijken wat je waard bent, jongeheer Klauw ,' zei hij toen. 'Ik zal je op de proef stellen om te zien of je goed genoeg bent.'

'Goed genoeg waarvoor, meneer?'

'Voor allerlei dingen. En het zal nog jaren duren voordat ik je daar de helft van heb verteld. Voldoe je niet, dan zal ik je voor een aantal jaren overdragen aan Kendrick, zodat je voor jezelf kunt leren zorgen in een andere wereld dan de hooglanden van de Orosini, want dat leven is je nu voor altijd ontzegd.'

Toen Klauw die woorden hoorde, was het alsof hij een klap kreeg, maar hij hield zijn gezicht in de plooi. Het was waar wat Robert zei. Als niemand de aanval had overleefd en de bergen in was gevlucht, was hij nu de laatste der Orosini, en niemand kon zich alleen in die bergen in leven houden.

'En als ik wel voldoe?' vroeg Klauw uiteindelijk.

'Dan zul je dingen zien en leren die geen Orosini zich kon voorstellen, mijn jonge vriend.'  

Hij draaide zich om toen er iemand anders naar hen toe kwam. Het was de Kling. Hij droeg een langboog over zijn rug en had er nog een in zijn hand, met een heupkoker vol pijlen.

'Aha, daar is hij.' Robert wendde zich tot Klauw ; 'Deze man heb je vast al eens gezien, want je bent een scherp waarnemer, dat is me al wel duidelijk geworden. Klauw; dit is Caleb, net als zijn broer Magnus een compagnon van me.'

Klauw knikte naar de man, die hem zwijgend en onderzoekend opnam. Van dichtbij zag Caleb er jonger uit dan Klauw aanvankelijk had gedacht, misschien hooguit tien jaar ouder dan hijzelf. Maar hij bewoog zich met het zelfvertrouwen van een ervaren krijger.

Hij gaf de boog en de heup koker aan Klauw; die de gordel om zijn middel bond en de boog inspecteerde. Hij was langer dan de boog waarmee hij had leren schieten, en toen hij de spanning controleerde, zag hij dat Caleb hem nauwlettend in de gaten hield. Klauw zag slijtage aan één kant van de pees, maar die was nog niet zo ver gerafeld dat het al een probleem zou gaan vormen. 'Extra boogpees?' vroeg hij niettemin.  

Caleb knikte.

Klauw hing de boog op zijn rug. 'Op jacht, dan.'

Caleb draaide zich om en ging voorop, en al gauw draafden ze over het pad de bossen in.

Ze liepen zwijgend tussen de bomen door. Caleb had nog geen woord tegen Klauw gesproken. Na een half uur nam Caleb hem mee het pad af, over een wildspoor. Klauw keek rond en lette op sporen die hem de weg terug naar het pad konden wijzen, mocht dat nodig zijn.

Caleb hield er een stevige pas in die vóór Klauws verwondingen geen probleem voor hem zou zijn geweest. Maar nu hij nog steeds verzwakt was, begon het tempo hem na het eerste uur wat moeilijk te vallen.

Hij overwoog net om een pauze te vragen toen Caleb bleef staan. Op zijn linkerheup, waar gewoonlijk zijn zwaard hing, droeg hij nu een waterzak, die hij losmaakte en aan Klauw gaf. Klauw knikte en dronk spaarzaam, net genoeg om mond en keel te spoelen. Verfrist gaf hij de zak terug aan Caleb. De zwijgzame man maakte een gebaar als om te vragen of Klauw niet nog wat wilde drinken, en Klauw schudde zijn hoofd. Te oordelen naar de groene bossen om hem heen konden ze nooit erg ver verwijderd van een waterbron zijn, maar als je uit de hoge bergen kwam, waar water veel moeilijker te vinden was, dan dronk je uit gewoonte weinig tijdens de jacht.

Ze hervatten hun tocht, maar nu in wandelpas. Vooroplopend speurde Caleb de grond af naar wildsporen. Even later betraden ze een weide, en Klauw bleef staan. Het gras, licht geelbruin van de zomerzon en de overvloedige regenval, reikte bijna tot aan zijn middel.  

Vlug maakte hij zijn boog los en tikte Caleb ermee op de schouder. Hij gebaarde met zijn linkerhand, en Caleb keek waarheen hij wees. Na een hoofdknik ging de oudere jager Klauw voor door het gras in de richting die de jongeman had aangegeven. Het gras was uiteengeduwd, en hier en daar geknakt en geplet. Klauw knielde neer en zocht naar prenten. In een kuil in de vochtige aarde vond hij er een.  

'Beer,' zei hij zachtjes. Hij stak zijn hand uit en betastte de geknakte sprieten. Op het breekpunt waren ze nog vochtig. 'Vlakbij.'

Caleb knikte. 'Goede ogen,' zei hij zachtjes.

Langzaam volgden ze het beerspoor, tot ze bijna de helft van de weide waren overgestoken. Caleb hief zijn hand op, en ze bleven staan. Toen hoorde Klauw het, in de verte: het gesnuffel van een beer en een doffe bons.

Ze slopen verder, tot ze bij een beekje kwamen. Aan de overkant stond een grote bruine beer, sleurend aan een schommelende dode boomstronk in een poging een bijenkorf bloot te leggen. Met zijn klauwen scheurde hij het dorre hout open om bij de honing te kunnen komen. De bijen staken vruchteloos in de dikke vacht van de beer, maar af en toe wist er eentje de enige kwetsbare plek van het dier te vinden: de zachte neus. De beer brulde van woede als hij daar werd gestoken, maar even later probeerde hij toch weer bij de honing te komen.

Klauw tikte Caleb op de schouder en gebaarde naar de beer. Caleb schudde zijn hoofd en wees in de richting waaruit ze gekomen waren.  

Stilletjes lieten ze het tafereel achter zich, en op enige afstand gekomen verhoogde Caleb het tempo en nam Klauw mee terug naar het pad. 

 

Tegen de avond keerden de twee jagers terug naar de herberg, Caleb met een hert over zijn schouders en Klauw met een paar wilde kalkoenen die hij aan de poten droeg.  

Bij de poort stond Robert te wachten. Toen ze daar kwamen, verscheen Gibbs, die de kalkoenen van Klauw overnam. Robert keek Caleb aan.  

'Hij kan jagen,' zei Caleb.

Klauw lette op Roberts gezicht en zag een flits van tevredenheid. Hij wist niet zeker wat er was besproken, maar het had in ieder geval met meer te maken dan alleen maar jagen op wild in het bos.

Caleb volgde Gibbs langs de zijmuur van de herberg, in de richting van de keukendeur.

Robert draaide zich om naar Klauw en legde een hand op zijn schouder. 'Zo, dan beginnen we.'