1 Wending
Hij wachtte.
Rillend zat de jongen ineengedoken bij de dovende resten van zijn schamele vuurtje, zijn lichtblauwe ogen verzonken en donker van slaapgebrek. Met langzaam bewegende lippen herhaalde hij de smeekbede die hij van zijn vader had geleerd, zijn droge lippen pijnlijk gebarsten en zijn keel rauw van het dagenlange herhalen van de heilige woorden. Zijn bijna zwarte haar zat vol met stof van het slapen op de grond; ondanks zijn vastbeslotenheid om alert te blijven terwijl hij op zijn visioen wachtte, had de uitputting hem bij drie gelegenheden overmand. Zijn normaal al slanke bouwen zijn hoge jukbeenderen werden benadrukt door het snelle gewichtsverlies, dat hem uitgemergeld en bleek maakte. Hij droeg alleen de lendendoek van een visioen-zoeker. Na de eerste nacht had hij zijn leren tuniek en broek, zijn stevige laarzen en zijn donkergroene mantel al node gemist.
Boven gaf de nachtelijke hemel al toe aan het voorochtendlijke grijs en begonnen de sterren uit het zicht te verdwijnen. Bewegingloos leek de lucht de adem in te houden, als wachtend op de eerste roerselen van een nieuwe dag. De stilte was ongewoon, zowel onrustbarend als fascinerend, en even hield de jongen in eendrachtigheid met de wereld om hem heen de adem in. Toen raakte hem een iel windvlaagje, de zachtste zucht door de nacht geslaakt, en hij hervatte zijn eigen ademhaling. Terwijl in het oosten de hemel lichter werd, strekte hij zijn hand uit en pakte een kalebas op. Langzaam nipte hij van het water dat erin zat, het zo veel mogelijk koesterend, want het was alles wat hem was toegestaan tot hij zijn visioen had ervaren en op weg naar huis bij de kreek zou komen die een mijl lager het pad kruiste.
Al twee dagen zat hij aan de top van de Shatana Higo, op de manbaarheidsplaats, wachtend op zijn visioen. Twee dagen daarvoor had hij gevast, alleen kruidentheeën en water drinkend, toen het traditionele krijgersmaal gegeten van gedroogd vlees, hard brood en water met bittere kruiden, waarna hij een halve dag over het stoffige pad aan de oostzijde van de heilige berg omhoog was gelopen naar de kleine holte zo'n twaalf el onder de top. De plek kon amper zes mensen herbergen, maar ze kwam de jongen enorm en leeg voor, nu hij de derde dag van de plechtigheid inging. Zijn jeugd, die hij met veel familie in een groot huis had doorgebracht, had hem slecht voorbereid op een dergelijke afzondering, want dit was de eerste keer in zijn bestaan dat hij meer dan enkele uren achtereen zonder gezelschap was.
Volgens de traditie bij de Orosini was de jongen aan zijn manbaarheidsritueel begonnen op de derde dag voor de Midzomerviering, die door de laaglanders Banapis werd genoemd. Hier zou hij het nieuwe jaar, het einde van zijn leven als kind, begroeten, verdiept in de leer van zijn familie, zijn stam en zijn natie, op zoek naar de wijsheid van zijn voorouders. Het was een tijd van diepe zelfbespiegeling en meditatie, waarin de jongen zocht naar begrip van zijn plaats in de orde van het universum, de rol die de goden hem hadden toebedeeld. En op deze dag werd hij verondersteld zijn mansnaam te vinden. Als alles ging zoals het hoorde, was hij op tijd bij zijn familie en stam terug voor de avondviering van het Midzomerfestival.
Als kind had hij Kiëli geheten, een verkorting van K.iëlianapuna, de rode eekhoorn, de slimme en behendige bewoner van de wouden thuis. Het werd als een teken van geluk beschouwd wanneer iemand van de Orosini een van de schier onzichtbare, maar immer aanwezige diertjes zag. En Kiëli werd beschouwd als een gelukskind.
De jongen rilde hevig, want hij had in vier dagen tijd maar één keer gegeten, en zijn schamele voorraden lichaamsvet beschermden hem nauwelijks tegen de nachtelijke kou. Zelfs rond Midzomer was het op de topperi van de bergen der Orosini koud als de zon onder was.
Kiëli wachtte op het visioen. Hij zag de hemel oplichten, een langzame, geleidelijke verandering van grijs naar licht grijsblauw, vervolgens naar een roze tint toen de zon naderde. Hij zag de schittering van de zon in de verte boven de berg uitkomen, een witgouden bol die hem een volgende dag in eenzaamheid bracht. Toen de zonneschijf boven de bergen uitsteeg, wendde hij zijn ogen af om zijn gezichtsvermogen niet te verliezen. Het bibberen van zijn lichaam werd minder toen de zon in het oosten eindelijk hoog genoeg kwam om de kou wat te verjagen. Hij had gewacht, eerst verwachtingsvol, nu met een uit diepe vermoeidheid voortkomende hopeloosheid. Iedere mannelijke Orosini doorstond dit ritueel op de Midzomerdag die het dichtst bij zijn geboortedag viel, op een van de vele heilige plaatsen als deze, verspreid over het gebied. Reeds talloze jaren waren er jongens naar deze uitzichtspunten geklommen en als man teruggekeerd.
Even werd hij jaloers, want de meisjes van zijn leeftijd in het dorp zaten nu in het rondhuis bij de vrouwen te kletsen, te eten, te zingen en te bidden. Op een of andere manier vonden de meisjes hun vrouwennaam zonder de ontberingen die de jongens moesten ondergaan. Kiëli liet het moment voorbijgaan. Het had geen zin om stil te staan bij de dingen waar je niets aan kon veranderen, zou zijn grootvader hebben gezegd.
Hij dacht aan zijn grootvader, Lachende Ogen, die als laatste met hem had gesproken voordat hij was vertrokken op het eenzame pad uit de vallei waar zijn volk verbleef. De oude man had geglimlacht als altijd - hij kon zich nauwelijks een moment herinneren waarop hij niet een glimlach had gezien op dat oude gezicht, leerachtig bruin van bijna tachtig jaar leven in de bergen, de stamtatoeages op zijn linkerwang nog steeds zwart, ondanks de jaren van zon. Zijn nog immer scherpe ogen en krachtige gelaatstrekken werden nog altijd omringd door staalgrijs haar dat tot op zijn schouders hing. Kiëli leek meer op zijn grootvader dan op zijn vader, want ze hadden allebei de licht getinte huid die in de zomer roodnotenbruin werd en nooit verbrandde en in zijn jonge jaren was het haar van zijn grootvader ook zo zwart als een ravenvleugel geweest. Anderen zeiden wel eens dat er generaties geleden een buitenlander in hun familie moest zijn geweest, want de Orosini waren een blond ras, en donkerbruin haar was al ongebruikelijk.
Kiëli's grootvader had gefluisterd: 'Als de kalebas leeg is, op Midzomerdag, bedenk dan dat als de goden je dan nog geen naam hebben gegeven, je er eentje mag kiezen die je mooi vindt.' Na een kameraadschappelijke mep op zijn schouder had het oude opperhoofd hem gesmoord in een vriendelijke maar nog steeds krachtige omhelzing en hem het pad op gestuurd.
Denkend aan de woorden van zijn grootvader vroeg Kiëli zich af of er wel iemand was die echt zijn naam van de goden had gekregen. Hij pakte de kalebas op en zag dat hij tegen de middag zonder water zou zitten. Halverwege omlaag langs het pad naar het dorp zou hij water vinden in een beek, maar dat hield in dat hij de richel moest verlaten als de zon op zijn hoogste punt stond.
In stilte bleef hij zitten terwijl de herinneringen aan zijn dorp door zijn hoofd sprongen als het spetterende schuim van de beek achter het langhuis. Misschien zou hij zijn visioen krijgen als hij zijn gedachten de vrije loop liet, als hij niet zo vreselijk zijn best deed het te vinden. Hij wilde zo dadelijk terug, want hij miste zijn familie. Zijn vader, Elands Ochtendroep, was precies zoals de jongen wilde zijn: sterk, vriendelijk, resoluut, onbevreesd in de strijd en zachtaardig met zijn kinderen. Hij miste zijn moeder, Fluisterende Nachtwind, en zijn zusje Miliana, en het meeste miste hij zijn broer, Hand van de Zon, die nog maar twee jaar geleden zelf van zijn visioen was teruggekeerd, zijn huid rood van de zon, met uitzondering van een witte afdruk van zijn eigen hand waar die de hele dag op zijn borst had gelegen. Hun grootvader had gegrapt dat Hand niet de eerste was die slapend zijn visioen had gekregen. Hand was altijd aardig voor zijn jongere broer en zuster geweest. Hij paste op hen als hun moeder voedsel ging verzamelen in het veld, of nam hen mee naar de beste plekjes om rijpende bessen te vinden. De herinneringen aan die bessen, geplet met honing op warm brood, deed hem watertanden.
Het zou een vrolijk feest worden, en de gedachte aan het eten dat beneden wachtte, bezorgde Kiëli krampen van de honger. Hij mocht in het langhuis zitten bij de mannen, en niet langer mocht hij het rondhuis in met zijn moeder en de andere vrouwen. Dat verlies stak hem wat, want het zingen van de vrouwen terwijl ze de klusjes van die dag deden, het lachen en kletsen, het geroddel en de grappen, dat alles maakte al sinds hij het zich kon herinneren deel uit van zijn dagelijkse leven. Maar hij zag er ook met trots naar uit om bij de mannen van de stam te mogen zitten.
Even rilde hij weer, toen slaakte hij een zucht en ontspande zich, verwarmd door de zon. Hij liet de stijve spieren in zijn lijf losser worden, ging op zijn knieën zitten en stookte het vuur op. Een paar nieuwe twijgen op de gloeiende kolen, erop blazen, en even later was hij klaar. Als de berglucht wat was opgewarmd, zou hij de vlammen laten doven, maar voorlopig was hij dankbaar voor de warmte.
Hij leunde met zijn rug tegen de rotsen, nu warmer door het zonlicht, ondanks de nog koude lucht, en nam nog een slok. Een diepe zucht slakend wierp hij een blik op de hemel. Waarom geen visioen? vroeg hij zich af. Waarom geen boodschap van de goden met zijn mansnaam?
Zijn naam was de sleutel van zijn na'ha'tah, de geheime aard van zijn wezen, dat wat alleen hij en de goden zouden kennen. Andere mensen kenden zijn naam, want die zou hij met trots verkondigen, maar niemand zou de aard van zijn visioen kennen en weten wat zijn naam hem zei over zijn plaats in het universum, zijn missie voor de goden of zijn bestemming. Zijn grootvader had hem eens verteld dat maar weinig mannen hun eigen na'ha'tah begrepen, ook al dachten ze van wel. Het visioen was slechts de eerste vingerwijzing van de goden met betrekking tot hun plannen met de man. Soms, had zijn grootvader gezegd, was het een simpel plan: een goed echtgenoot en vader zijn, goed zorgen voor het welzijn van het dorp en de natie, een voorbeeld zijn voor anderen om te volgen, want het kon zijn dat het zijn rol was om de vader te zijn van een uitverkorene, een Na'rif, en dat plan ontplooide zich pas lang na iemands dood.
Kiëli wist wat zijn grootvader nu zou zeggen: dat hij zich te veel zorgen maakte, en te vaak, en dat hij zijn zorgen gewoon van zich af moest zetten en het aan de goden moest overlaten om hem hun wil kenbaar te maken. Zijn vader zou hetzelfde zeggen, en eraan toevoegen dat wie wilde jagen, of raad wilde geven in het langhuis, of een goed echtgenoot wilde zijn, eerst moest leren geduld te hebben en te luisteren.
Terwijl de bergwand warm werd in de zon, kwam de lucht in beweging en leek de dag voor het eerst diep adem te halen na het ontwaken. Met gesloten ogen luisterde hij naar de geluiden van de bries door de bergen. Die sprak tot hem via bladeren, ruisend in de ceders en dennen. De wind, zelden zwijgend, was soms een wrede metgezel die met een bitterkoud mes dwars door de dikste pelzen sneed. En soms was hij een gezegende verlichting die koelte bracht op de heetste zomerdagen. De wind sprak met vele stemmen, had zijn vader hem geleerd, en om de taal van de wind te leren, moest je er één mee worden, zoals de haviken en adelaars die hun nesten tussen de onherbergzame toppen bouwden.
Er sneed een kreet door de ochtendlucht, en met een ruk keek Kiëli om en zag een zilverhavik neerdalen op een konijn, op nog geen twaalf el van de plek waar hij zat. Deze zeldzaamste der haviken uit de hoge bergen had in feite grijze veren, met wat donkerder spikkels, bijna zwart, rond de kop en schouders, maar door een olieachtige glans op de vleugels leek de vogel met zilveren tinten te glinsteren als hij door de heldere hemel scheerde. Met een enkele wiekslag greep de vogel het spartelende konijn stevig beet en sprong de lucht in. Als een poesje dat door zijn moeder werd gedragen, hing het konijn slap in de klauwen van de havik, als berustend in zijn lot. Kiëli wist dat het dier in een shocktoestand verkeerde - de vriendelijke manier van de natuur om pijn en gedachten te verzachten. Eens had hij een hert roerloos op de grond zien liggen, geveld door een niet-dodelijke pijl, wachtend op de genadeslag van het jagersmes.
In de verte zag hij andere vogels traag in de lucht cirkelen, stijgend op thermiek bellen van de snel opwarmende rotsen om zwevend te kunnen zoeken naar een maaltijd. Kalkoengieren, wist hij. Met hun grote spanwijdte konden ze zweven op de stijgende warme lucht, onder zich zoekend naar doden en stervenden. Zo lomp en lelijk als ze op de grond naar het karkas van een gevallen dier huppelden, zo majestueus waren ze in de lucht.
In het zuiden zag hij een zwartstaartwouw stil in de lucht hangen, de staart omlaag wijzend en vlug slaand met zijn vleugels, twee of drie keer, dan stoppend om iets te zakken, dan weer klapwiekend, om boven zijn beoogde prooi stil te blijven staan. Met verbijsterende snelheid dook hij toen omlaag, de klauwen gespreid, en met een welhaast onnatuurlijke precisie raakte hij in een strakke boog de grond, om zonder de geringste aarzeling weer op te stijgen met een gillende woelmuis in zijn klauwen.
Vanuit de verte bereikten hem geluiden uit het bos. De ritmes van dag en nacht verschilden van elkaar, en nu lieten de dagbewoners van het woud hun aanwezigheid gelden terwijl hun nachtelijke buren hun schuilplaatsen opzochten om te gaan slapen. Een specht zocht ijverig naar torren in de bast van een boom. Uit de geluiden maakte Kiëli op dat het de grote roodkop was die zijn maaltje aan het uithakken was. De roodkop tikte langzaam, luid en aanhoudend, in tegenstelling tot het verfijndere staccato van zijn kleinere blauwvleugelige neefje.
De zon steeg hoger aan de ochtendhemel, en al gauw doofde het vuur uit, overbodig nu de warmte van de dag terugkeerde tot de rotsen. Kiëli weerstond de verleiding om zijn laatste beetje water op te drinken, want dat moest hij koesteren tot hij klaar was om langs het pad af te dalen. Beneden bij de beek kon hij zijn dorst lessen, maar eerst moest hij daar naar toe, en als hij zijn water nu verspilde, had hij geen garantie meer dat hij de beek veilig zou bereiken.
Zelden was er een jongen op de toppen omgekomen, maar het was voorgekomen. Iedere jongen werd door de stam zo volledig mogelijk voorbereid, en wie de naamsbeproeving desondanks niet overleefde, was kennelijk door de goden onwaardig bevonden, en de rouw van hun familie stond dan in bitter contrast met de viering van Midzomer.
Het werd heter, de lucht werd droger, en plotseling besefte Kiëli dat ze werden bezocht door een sa'tata. De wind uit het noorden was het hele jaar door koud, maar de zomerse westenwind zou met het moment heter en droger worden. In nog geen drie dagen tijd had de jongen in deze wind gras bruin en bros zien worden en fruit zien uitdrogen aan de tak. Mannen werden rusteloos en vrouwen lichtgeraakt als de sa'tata langer dan een paar dagen bleef waaien, en je kreeg er jeuk van. Als Kiëli met zijn broer op zulke dagen in een meer of een rivier had gezwommen, waren ze al droog voordat ze in het dorp terugkwamen, alsof ze het koele water niet eens in waren geweest.
Kiëli wist zich nu in gevaar, want de sa'tata zou al het vocht aan zijn lichaam onttrekken als hij bleef. Een blik op de hemel leerde hem dat hij nog twee uur voor de middag had. Hij keek naar de zon, nu meer dan halverwege zijn klim naar de midhemel, en knipperde de tranen weg die in zijn ogen opwelden.
Even liet Kiëli zijn gedachten de vrije loop, zich afvragend wie er was uitgekozen om naast hem te zitten. Want terwijl Kiëli op de berg verbleef, wachtend op het visioen van de goden, had zijn vader gesproken met de vader van een van de jonge meisjes uit de dorpen in de buurt. Uit zijn eigen dorp waren er drie kandidates voor Kiëli: Rapanuana, de dochter van Rook in het Woud, Janatua, de dochter van Veel Gebroken Speren, en Oog van de Blauwe Taling, de dochter van Zingt voor de Wind.
Oog van de Blauwe Taling was een jaar ouder en had haarvrouwsnaam een jaar geleden al gekregen, maar in de dorpen was er geen jongen van de juiste leeftijd geweest om aan haar te beloven. Dit jaar waren er zes, onder wie Kiëli. Ze had een vreemd gevoel voor humor, wat Kiëli zich meestal deed afvragen wat ze nu eigenlijk zo leuk vond. Vaak leek ze om hem te moeten lachen, en hij voelde zich altijd ongemakkelijk als ze in de buurt was. Hij hield het goed verborgen, maar hij was best een beetje bang voor haar. Maar Rapanuana was dik en chagrijnig, en Janatua had een mager gezicht en was zo verlegen dat ze geen woord tegen een jongen wist uit te brengen. Oog van de Blauwe Taling was lang en sterk en had felle, honingkleurige ogen, met rimpeltjes als ze lachte. Haar huid was lichter dan die van de andere meisjes, met sproeten, en haar hartvormige gezicht was omkranst door manen met de kleur van zomers koren. Hij bad tot de goden dat zijn vader met haar vader had gesproken, de avond voor Midzomer, en niet met een van de vaders van de andere meisjes. En met een golf van paniek bedacht hij dat zijn vader ook had kunnen praten met de vader van een van de meisjes uit nabijgelegen dorpen, van de domme Pialua of de knappe maar nooit tevreden Nandia!
Hij zuchtte. Er was niets wat hij eraan kon doen. Er gingen verhalen over mannen en vrouwen die naar elkander verlangden, sagen die door de vertellers bij het vuur werden verteld, vele ontleend aan zangers en troubadours uit de laaglanden die door de bergen van de Orosini trokken. Maar bij zijn volk was het te doen gebruikelijk dat de vader een bruid koos voor zijn zoon, of een echtgenoot voor zijn dochter. Zo nu en dan was er een jongen - nee, verbeterde hij zichzelf, een man - die van zijn godenvisioen terugkwam en ontdekte dat er geen bruid wachtte om naast hem te zitten bij zijn manbaarheidsfestival, en dan kon hij nog een jaar op een bruid wachten. Zelden kwam een man tot de ontdekking dat geen enkele vader zijn dochter met hem wilde laten trouwen. Na een paar jaar verliet hij dan het dorp, of hij schikte zich in zijn lot om alleen te wonen. Eén keer had hij gehoord dat een weduwe, wier vader eerder was gestorven dan haar echtgenoot, zo'n man bij zich in haar hut had genomen, maar zoiets werd niet als een fatsoenlijk huwelijk beschouwd.
Hij zuchtte nogmaals. Hij wou maar dat het voorbij was. Hij wilde eten en slapen in zijn eigen bed, en hij wilde Oog van de Blauwe Taling, ook al voelde hij zich niet op zijn gemak bij haar.
Van bovenwinds ving hij een geluid op dat hij herkende: een beer met jongen. Ze klonk geschrokken, en Kiëli begreep dat haar jongen al langs een boom omhoog aan het klimmen waren. Kiëli kwam overeind. Waar kon een zwarte beer zo dicht bij de berg van schrikken? Een grote katachtige, misschien, als er een luipaard of een poema in de buurt rondzwierf. Ze zaten te hoog voor de grote holenleeuw. Misschien was er een basilisk op jacht, bedacht hij, en voelde zich plotseling klein en kwetsbaar op het vlakke gesteente.
Om een basilisk, een kleinere verwant van de draak, te doden of te verjagen waren zes of meer bedreven jagers nodig. Een jongen met niet meer dan een ceremoniële dolk en een kalebas met water zou een zeer bevredigend ontbijt voor dergelijke beesten kunnen vormen.
Jagende troepen zouden de moederbeer ook bang kunnen maken; wilde honden en wolven bleven doorgaans bij beren uit de buurt, maar een jong was best een geschikte maaltijd als ze de moeder bij een van haar kleintjes vandaan wisten te lokken.
Maar het kunnen ook mensen zijn, dacht Kiëli.
In de verte werd de kring van gieren groter, en de jongen stond op om beter te kunnen kijken. Plots werd hij door duizeligheid gegrepen, want hij was te vlug overeind gekomen. Steunend met een hand op de rotsen staarde hij in de verte. De zon stond inmiddels zo hoog dat de ochtendnevel was opgetrokken, en hij kon de gieren en wouwen in de verte duidelijk zien rondcirkelen. Kiëli's gezichtsvermogen was legendarisch in zijn dorp, want maar weinigen konden zo ver kijken als hij, en in de heugenis van zijn stam had niemand scherper kunnen zien. Zijn grootvader grapte wel eens dat hij de ogen van een havik had.
Geruime tijd bleef Kiëli kijken zonder dat hij begreep wat hij zag, maar toen besefte hij met een schok dat de vogels boven het dorp Kapoma cirkelden! Als een vonk schoot de paniek door hem heen, en zonder aarzelen begon hij het pad af te lopen. Kapoma was het dorp dat het dichtst bij zijn eigen dorp lag.
Er was maar één verklaring mogelijk voor zo veel aaseters boven Kapoma, en de angst sloeg hem om het hart; er was strijd geweest. Bovendien was er niemand die de doden opruimde. Als er plunderaars door de vallei trokken, werd Kulaam als volgende overvallen!
Zijn hoofd tolde bij de gedachte aan zijn familie die zonder hem vocht. Tweemaal was hij als jongen in het rondhuis bij de vrouwen gebleven terwijl de mannen hun dorp hadden verdedigd tegen een aanval. Eén keer was het een stamgevecht geweest tegen de mannen uit het dorp Kahanama, en de andere keer waren het gnomen geweest die op jacht waren naar kinderen voor hun onzalige offerpraktijken. De stevige palissade was voldoende sterk gebleken om de indringers af te weren.
Wie konden het zijn? vroeg hij zich af terwijl hij het pad af strompelde naar de bomen beneden. De moredhel - die door de laaglanders de Broederschap van het Onzalige Pad werden genoemd - waren al sinds zijn grootvaders jeugd niet meer in deze gebieden gezien, en de trollen bleven meestal een flink eind uit de buurt van de dorpen van de Orosini. Momenteel werden er geen stamvetes uitgevochten. Met de volkeren in het Hoogbereik in het noordoosten was het momenteel vrede, en Latagore en het hertogdom Farinda in het zuiden hadden geen geschillen met de Orosini.
Overvallers! Slavendrijvers uit de stad Inaska of uit Wachterspunt in het zuidelijker gelegen Miskalon waagden zich soms in de bergen. De lange, sterke, rood- en blondharige Orosini brachten hoge prijzen op op de slavenblokken in het Keizerrijk Groot Kesh. Hij voelde een steek van paniek.
Hij dronk het beetje water met kruiden dat hij nog had, hing de kalebas aan een koord rond zijn middel, nam toen enkele onvaste stappen het pad af en gleed uit. De jongeling probeerde zich nog op te vangen door zijn rechterhand uit te strekken, maar hij draaide en sloeg tegen een groot rotsblok aan. De pijn schoot door hem heen, en met tollend hoofd bemerkte hij dat hij zijn linkerarm had verwond. Zo te voelen was hij niet gebroken, maar er liep nu al een enorme rode striem van de schouder tot aan de elleboog die een lelijke blauwe plek zou worden, en zijn arm deed zeer als hij hem bewoog. Hij probeerde op te staan. Zijn maag draaide zich om van de pijn, en hij ging weer zitten en braakte.
Alles begon om hem heen te draaien, en het landschap werd heldergeel. Hij viel weer op het pad. De hemel boven hem werd felwit, en de hitte verschroeide zijn gezicht terwijl hij ernaar keek, met wazige blik. De grond onder hem tolde, en alles werd weggevaagd toen hij door een tunnel de duisternis in viel.
Hij werd wakker van de pijn. Toen hij zijn ogen opendeed, trok er scheut door zijn linkerarm. Zijn gezichtsveld vernauwde zich en werd vervolgens weer breder terwijl hij door duizeligheid werd overspoeld. Toen zag hij het.
Op zijn arm rustte de klauw van een vogel, de scherpe nagels in zijn huid, doch zonder die te doorboren. Kiëli hield zijn hoofd stil en bewoog slechts zijn ogen. Letterlijk vlak voor zijn neus stond een zilverhavik, een poot gebogen, met de klauw rustend op Kiëli's arm. Weer spande de klauw zich, als om de bewusteloze jongen bij te brengen.
Het draaide Kiëli voor de ogen, en hij keek in de zwarte ogen van de vogel. De klauw van het dier spande zich weer, en andermaal vlamde de pijn door zijn arm. Kiëli's blik boorde zich in die van de vogel, en hij hoorde een stem. Stijg op, broertje. Stijg op, en wees een klauw voor je volk. Voel mijn klauw op je arm, en denk eraan:je kunt vasthouden en beschermen, of je kunt wreken en verscheuren. Kiëli hoorde de woorden alsof er een stem in zijn hoofd sprak. Opeens kwam hij overeind en stond op, met de havik op zijn arm. De vogel sloeg zijn vleugels uit om zijn evenwicht te behouden.
Even was de pijn vergeten terwijl ze elkander aan bleven kijken. De kop van de vogel ging op en neer, alsof het dier instemmend knikte. Met een kreet sprong de vogel toen op, en met een enkele wiekslag vloog hij vlak langs het hoofd van de jongeman. Weer voelde hij een lichte pijn, en zijn hand ging omhoog naar zijn rechterschouder. Daar zag hij de kleine speldenprikken van de vogelklauw.
Was dit mijn visioen? vroeg hij zich in stilte af. In heel de geschiedenis van zijn volk had geen havik zich ooit zo gedragen. Toen herinnerde hij zich de reden voor zijn haastige tred de berg af.
De hitte van de dag straalde nog steeds van de rotsen om hem heen, en hij voelde zich zwak. Zijn linkerarm klopte, en telkens wanneer hij hem bewoog schoot de pijn erdoorheen, maar zijn hoofd was helder, en hij wist dat hij de kreek kon bereiken. Voorzichtig plaatste hij zijn voeten tussen de stenen, zoekend naar vaste grond om niet opnieuw te vallen en zich verder te verwonden. Hij was nu een man, en als er tegen zijn volk werd gevochten, dan zou hij met zijn vader, ooms en grootvader standhouden en zijn dorp verdedigen, gewonde arm of niet.
Kiëli strompelde over het stoffige pad omlaag, en bij elke beweging schoten er vlammen van pijn door zijn linkerarm naar zijn schouder. Hij zocht zijn toevlucht tot een smeekbede, een inspannende oefening die de pijn zou verminderen, en zei die zachtjes en ritmisch op. Al gauw werd de pijn minder, al werkte de smeekbede niet zo goed als zijn grootvader hem had gezegd. Zijn arm deed nog pijn, maar hij werd er niet meer duizelig van.
Hij bereikte de kreek en liet zich er voorover in vallen. Dat bleek geen verstandige keus, want plots vlamde de pijn in alle hevigheid op. Hij snakte naar adem en gulpte een mondvol water naar binnen. Spuwend en sputterend liet hij zich op zijn rug rollen, kwam overeind en blies zijn neus vrij. Hij hoestte. Toen ging hij op zijn knieën zitten en dronk. Vlug vulde hij de kalebas en bond hem om zijn middel, en toen hij genoeg had gedronken om weer een helder hoofd te hebben, stond hij op en hervatte zijn tocht.
Hij rammelde van de honger, maar nu zijn dorst was gelest, kon hij weer rustig nadenken. Het was twee uur lopen naar zijn dorp. Als hij in gestaag tempo rende, kon hij er in een derde van die tijd zijn. Maar met zijn gewonde arm en in zijn verzwakte conditie hield hij dat nooit vol. Voorbij de kreek ging hij de dichte bebossing binnen, waar het minder warm was. Hij koos voor een snelle wandelpas, soms rennend over de rechte, vlakke stukken in het pad, en liep zo zachtjes als hij kon, zich concentrerend op de komende strijd.
Toen Kiëli zijn dorp naderde, hoorde hij dat er werd gevochten. De geur van rook kwam hem tegemoet. De gil van een vrouw sneed door zijn hart alsof hij met een zwaard werd gestoken. Kon dat zijn eigen moeder zijn? Maar het maakte niet uit wie het was, want hij kende haar al zijn hele leven.
Hij pakte de ceremoniële dolk en hield hem stevig in zijn rechterhand. Had hij maar twee goede armen en een zwaard of een speer, en zijn gebruikelijke kleren. Met de warmte overdag had hij er geen behoefte aan gehad, al had hij 's nachts zijn mantel en tuniek gemist, maar nu voelde hij zich kwetsbaar.
Hij had echter geen andere keus dan samen met de andere mannen het dorp te verdedigen. Hij rende verder. Door de opwinding van de strijd werd de pijn in zijn arm minder en was zijn vermoeidheid verdwenen.
Verstikkende rookwolken, die gepaard gingen met het geknetter van vlammen, waarschuwden hem voor de verwoesting die hij een ogenblik later aantrof. Hij bereikte het punt waar het pad de bossen verliet en tussen de grote moestuinen door naar de palissade liep. De poort stond open, zoals altijd als er vrede heerste. Geen vijand had ooit op Midzomerdag de aanval ingezet. Het was een dag van welhaast universele vrede, zelfs in tijd van oorlog. Aan de conditie van de houten afscheidingen en de omringende aarden fundering kon de jongen zien dat de vijand door de poort was gestormd voordat er alarm was geslagen. De meeste dorpelingen zouden op het plein zijn geweest voor de voorbereidingen van het feest.
Overal waar hij keek zag hij vlammen en rook. In de rook zag hij mensen, velen te paard, en op de grond zag hij de silhouetten van lichamen. Kiëli bleef staan. Als hij het pad af rende, was hij een makkelijk doelwit. Hij kon beter rondtrekken langs de bosrand tot hij vlak bij het dorp kwam, achter het huis van Veel Mooie Paarden.
Terwijl hij naar rechts liep, woei de rook bij hem vandaan en kon hij de slachting in het dorp zien. Velen van zijn vrienden lagen roerloos op de grond. Mannen te paard, in verschillende kleren en wapenrustingen, reden door het dorp, enkelen met fakkels waarmee ze de huizen in brand staken. Huurlingen of slavenhandelaren, wist Kiëli. Toen zag hij voetsoldaten met het wapenkleed van de hertog van Olasko, de heerser over het machtige hertogdom in het zuidoosten. Kiëli aarzelde een ogenblik. Waarom zouden die zich aansluiten bij overvallers in de bergen van de Orosini?
Aangekomen achter het huis van Veel Mooie Paarden sloop Kiëli verder. Vlak bij het gebouw zag hij een soldaat van Olasko roerloos op de grond liggen. Hij gooide zijn mes weg. Dat zwaard kon hij beter gebruiken, en zolang niemand hem nog had gezien, kon hij ook proberen het ronde schild van 's mans linkerarm te halen. Dat schild zou zeer doen aan zijn gewonde arm, maar het kon ook het verschil uitmaken tussen leven en dood.
De geluiden van het gevecht kwamen van de andere kant van het dorp, dus hij achtte het mogelijk dat hij de indringers van achteren kon aanvallen. Ternauwernood kon hij verderop mensen in de rook onderscheiden. Van achter de rook hoorde hij geschreeuw van woede en pijn van de dorpbewoners die de indringers van zich af trachtten te slaan.
De scherpe rook prikte in zijn ogen, en toen hij de tranen wegknipperde zag hij een gesneuvelde soldaat liggen. Hij rolde het lichaam om, maar toen hij het zwaard bij het gevest pakte, deed de soldaat zijn ogen open. Een ogenblik stond Kiëli als aan de grond genageld. Op hetzelfde moment dat hij een ruk aan het zwaard gaf, haalde de soldaat uit met zijn schild en sloeg de jongen in het gezicht.
Kiëli viel achterover. Alles danste voor zijn ogen, en de wereld leek onder zijn voeten te schommelen. Zijn aangeboren snelheid was zijn redding, want de soldaat sprong overeind met een getrokken dolk en sloeg ermee naar Kiëli, die net op tijd bij zijn positieven kwam.
Even dacht hij dat hij het lemmet had weten te ontwijken, maar plotseling vlamde er pijn over zijn borst, en hij voelde bloed vloeien. Het was geen diepe wond, maar wel een lange, van vlak onder zijn linkersleutelbeen onder zijn rechtertepel langs naar zijn onderste ribben.
Kiëli sloeg met het zwaard en voelde een schok door zijn arm gaan toen de soldaat de klap behendig opving op zijn schild. Nog een houw, en de jongen wist dat de soldaat geen partij voor hem was toen hij ternauwernood aan de dood ontsnapte. Had de soldaat een zwaard gehad in plaats van zijn kortere dolk, dan lag Kiëli nu leeg te bloeden op de grond.
Angst dreigde hem te overweldigen, maar die onderdrukte hij met gedachten aan zijn familieleden, die vochten voor hun leven, vlakbij maar door de rook aan het zicht onttrokken. Gegil en geschreeuw van woede maakten hem des te vastbeslotener zich aan de zijde van zijn vader te voegen.
De soldaat kneep zijn ogen tot spleetjes en klemde zijn kaken op elkaar. Toen hij de jongen zag aarzelen, viel hij aan .. Kiëli's enige voordeel was de lengte van zijn wapen, dus bood hij zijn reeds gewonde borst aan als doelwit, onhandig met beide handen het zwaard heffend alsof hij de soldaat ermee het hoofd wilde klieven. Zoals Kiëli hoopte, bracht de soldaat in een reflex zijn schild omhoog om de klap op te vangen en hield hij zijn dolk in de aanslag voor de doodsteek.
Kiëli liet zich op zijn knieën vallen, bracht zijn zwaard omlaag en hieuw met een krachtige zwaai in op de benen van de soldaat, die schreeuwend achterover sloeg terwijl het bloed uit de doorgesneden slagaderen vlak onder de knie spoot. Kiëli sprong overeind, zette een voet op de hand met de dolk en stootte de punt van het zwaard recht omlaag in de keel van de man.
Kiëli probeerde zijn zwaardhand droog te vegen en merkte dat het bloed nog steeds uit de lange snee in zijn borst liep. Hij zou snel verzwakken als de wond niet werd verbonden. Hij putte enige troost uit de wetenschap dat de wond er een stuk ernstiger uitzag dan hij was.
Hij rende in de richting van de geluiden van het gevecht. Even blies een windvlaag de rook opzij en had hij helder zicht op het dorpsplein. De tafels, die zwaar beladen met spijzen en bier waren geweest, waren omver gegooid, en het feestmaal voor die dag lag verspreid over de grond. De bloemenkransen waren vertrapt in de brei van zand en bloed. Een moment aarzelde Kiëli, walgend van afgrijzen. Hij knipperde tranen uit zijn ogen, van de rook dan wel van pure razernij. Iets verderop lagen de lichamen van drie kinderen, duidelijk van achteren neergemaaid toen ze naar de beschutting van het rondhuis waren gerend. De rook sloot zich weer, en hij dwong zichzelf verder te rennen naar de indringers.
Een volgende windvlaag blies de rook weer weg, en hij zag dat de mannen van zijn dorp zich voor het rondhuis hadden geposteerd. De vrouwen en kinderen zaten binnen, de vrouwen gewapend met messen en dolken om de kinderen te verdedigen, mochten de mannen sneuvelen.
Mannen die hij zijn hele leven al kende werden afgeslacht, al vochten ze met de moed der wanhoop om hun vrouwen en kinderen te beschermen. De soldaten hadden een muur van schilden gevormd en rukten op met geheven speren terwijl achter hen bereden soldaten kalm hun kruisbogen laadden en afschoten op de dorpelingen.
De boogschutters van de Orosini schoten terug, maar de uitkomst van de strijd stond al vast, zelfs voor een jongen als Kiëli. Hij wist dat hij deze dag niet zou overleven, maar hij kon ook niet achter de indringers blijven staan zonder te doen wat er in zijn macht lag.
Op onvaste benen liep hij verder, zijn doelwit een man op een zwart paard, duidelijk de leider van deze moordenaars. Hij zat naast een andere ruiter, die gekleed was in een zwarte tuniek en een zwarte broek, zijn haar even donker als zijn kleren, naar achteren gekamd en achter zijn oren langs vallend tot op de schouders.
Kennelijk voelde de man iets achter zich, want hij keek om toen Kiëli op hem af begon te rennen. Kiëli zag het gezicht van de man duidelijk. De donkere baard was kortgeknipt, de naar hem kijkende ogen waren tot spleetjes geknepen. Een lange neus gaf hem een hard en ongevoelig voorkomen, en hij had zijn lippen getuit, alsof hij in gepeins verzonken was geweest toen hij Kiëli hoorde aankomen. Zijn ogen werden iets groter toen hij de gewapende en bebloede jongen van achteren zag naderen; verder bleef zijn gezicht onbewogen. Kalm zei hij iets tegen de leider, die omkeek, terwijl de man in het zwart langzaam zijn arm omhoog bracht, met in de hand een kleine kruisboog. Rustig mikte hij op Kiëli.
Kiëli zag de beweging en wist dat hij moest toeslaan voordat de man de trekker overhaalde. Maar toen hij nog maar twee stappen van de ruiter verwijderd was, werden zijn knieën slap en begon hij te wankelen. Het zwaard in zijn hand voelde aan alsof het van lood en steen was in plaats van staal, en zijn arm weigerde gehoor te geven aan zijn bevel om de indringer een dodelijke slag toe te brengen. In plaats van het zwaard omhoog te brengen verloren zijn vingers hun vermogen om vast te houden.
De jongen was nog één stap verwijderd toen de man in het zwart zijn wapen afschoot. Kiëli's knieën knikten van vermoeidheid en bloedverlies, en de kruisboogschicht trof hem in de borst, hoog in de spier onder zijn eerste wond.
De lucht werd hem uit de longen geslagen, en door de klap draaide hij helemaal rond. Het bloed dat uit de wond spoot, bespatte beide mannen. Het zwaard vloog naar achteren uit Kiëli's krachteloze vingers, zijn knieën sloegen tegen het zand en hij viel achterover. De wereld werd een waas toen hij door pijn en schrik werd overmand.
Stemmen schreeuwden, maar ze klonken gedempt, en hij kon niet verstaan wat er werd gezegd. Heel even zag hij iets: hoog in de hemel boven hem cirkelde een zilverhavik, en het kwam Kiëli voor dat die strak naar hem keek. Weer hoorde hij de stem in zijn hoofd. Hou vol, broertje, want je tijd is nog niet gekomen. Wees mijn klauwen verscheur onze vijanden.
Zijn laatste gedachte gold de vogel.