9 Verwarring

 

Klauw knipperde met zijn ogen.

Hij las weer in een Koninkrijks boek, ditmaal een kroniek over het leven van een koopman te Krondor, ene Rupert Avery. Vóór zijn dood had de koopman de opdracht voor dit boek gegeven en het laten publiceren - een sigaar uit eigen doos, naar Klauws bescheiden mening. Behalve slecht geschreven, was het ook nog een heel onwaarschijnlijk verhaal, en dat was nog zachtjes uitgedrukt, want als deze Avery mocht worden geloofd, had hij het Koninkrijk voor de ondergang behoed door vrijwel in zijn eentje de chaoszaaiers te verslaan die naar zijn land waren gekomen om het te veroveren.  

Klauw zou het een aardig verhaal voor bij het kampvuur hebben gevonden als er wat meer aandacht was besteed aan de krijgers en magiërs in het verhaal en wat minder aan de knaap die rijk werd. Klauw zat tegen de muur, achteroverleunend op twee poten van zijn stoel. Hij begon te begrijpen wat rijkdom was. Andere mensen leken er behagen in te scheppen om die te vergaren. Hij was een Orosini, en alles wat je niet kon eten, dragen of gebruiken vond hij luxe. En het verzamelen van luxe werd op een zeker moment een verspilling van tijd en energie.

Maar nu hij wist wat rijkdom was, begon hij ook te begrijpen wat macht was. Om redenen die hem vreemd waren, dorstten er mensen net zo naar macht als deze Avery destijds naar rijkdom. Mannen als de hertog van Olasko, die ernaar verlangde een kroon op zijn hoofd te dragen en koning te worden genoemd, ook al had Klauw van Caleb en Magnus begrepen dat de feitelijke macht van de hertog in zijn gebied nauwelijks onderdeed voor die van een koning.

Klauw liet zijn stoel terugvallen op vier poten en legde het boek op de tafel. Hij was al drie dagen alleen, aangezien Magnus op een van zijn geheimzinnige reizen was. Klauw had een aantal taken van de magiër gekregen: een bepaalde hoeveelheid lezen - wat Klauw leuk vond nu hij de vaardigheid goed beheerste - en het beoefenen van een reeks vreemde bewegingen, bijna als een dans, die de magiër hem had geleerd. De magiër had gezegd dat de dans een vorm van vechten met blote handen was, Isalani genaamd, als Klauw het goed had, en dat hij na jaren beoefening daarvan kundiger zou worden op andere gebieden van de krijg. Ook hield Klauw de hut schoon en zorgde hij voor eten voor zichzelf.  

Daarnaast had hij nog tijd om op verkenning uit te gaan, hoewel Magnus hem had opgedragen aan de noordkust van het eiland te blijven. In het zuiden, op misschien een halve dag wandelen, rees een heuvelrij op, en Magnus had hem verboden die heuvels in te gaan of er langs het strand voorbij te gaan. Magnus had er niet bij verteld waarom hij niet naar het zuiden mocht of wat er zou gebeuren als hij zich niet aan het gebod hield, maar Klauw liet het wel uit zijn hoofd de magiër te tarten.

Een groot deel van Klauws leven kwam nu neer op wachten. Wachten tot hij erachter kwam waartoe hij werd opgeleid, want inmiddels wist hij zeker dat Robert en de anderen iets met hem van plan waren.  

Zijn scholing verliep in hoog tempo: talen - hij sprak nu bijna vloeiend Koninkrijks, zoals de voertaal van het Koninkrijk der Eilanden werd genoemd, en bijna vlekkeloos Roldeems en was begonnen met het leren van de dialecten uit het Keizerrijk Groot Kesh - en aardrijkskunde, geschiedenis en muziek.  

Van muziek genoot hij het meest. Magnus kende een bezwering om uitvoeringen op te roepen van muzikanten die hij door de jaren heen had ontmoet. Sommige eenvoudige muziek klonk Klauw haast vertrouwd in de oren, terwijl complexere muziek, gespeeld voor de adel door volleerde musici, wel vreemd klonk maar hem evenzeer boeide.

Om zijn begrip van muziek te ontwikkelen had Magnus hem gezegd dat hij verscheidene instrumenten zou leren bespelen en hem laten beginnen met een eenvoudige fluit. Hij bewonderde de lange houten buis met zes gaatjes erin. Hij leek veel op de fluit die Klauws vader had bespeeld, en al gauw had Klauw er wat simpele melodietjes op kunnen spelen.  

Met een hand wreef Klauw over zijn gezicht. Er leek zand in zijn ogen te zitten, en zijn rug deed zeer. Hij stond op en keek uit het raam. De zon ging al onder, en Klauw besefte dat hij de hele middag had zitten lezen.

Hij keek naar de haard met de grote ketel halfvol stoofpot die hij twee dagen geleden had gemaakt. Die was nog steeds goed, maar hij was het beu steeds dezelfde kost te eten. Hij had misschien nog een uur om op jacht te gaan of om aan de kust te vissen.

Zonsondergang was een goede tijd voor beide. Op korte afstand van de hut lag een plas waar het wild bij zonsopgang en zonsondergang kwam drinken, en de vissen achter de branding leken met zonsondergang actiever te worden.  

Even worstelde hij met de keus en besloot toen dat hij meer zin had om te vissen. Het vergde te veel concentratie om wild te besluipen, en momenteel had hij er behoefte aan op het zand te staan, met de wind in zijn gezicht en zijn ogen gericht op iets wat zich buiten handbereik bevond.  

Klauw pakte zijn hengel en kriel en ging de deur uit.

 

De zon was al onder tegen de tijd dat Klauw terug naar boven ging. In korte tijd had hij twee grote spieringen weten te vangen, meer dan genoeg voor zijn avondmaal. Hij zou ze bakken boven het houtvuur in de haard, op een metalen rooster, en er wat kruiden bijdoen die Magnus in een kistje bewaarde. Hij had er best wat rijst bij willen hebben. Hij besefte hoeveel hij had geleerd van Leo in de keuken van Kendricks Hofstee. Zijn moeder diende vis vaak op met wortelen of bessen die de vrouwen hadden verzameld, en soms kregen ze bij het wildbraad een maïskoek, gemaakt met honing, bessen of noten en gebakken in het vuur, maar dat was zo'n beetje de enige culinaire verfijning die zijn moeder kende. Klauw wist nu meer van voedsel dan zijn moeder zich ooit had kunnen voorstellen. Hij vond het wel leuk om te bedenken dat hij waarschijnlijk de beste kok in de geschiedenis van zijn volk was.

Toen hij een kleine bocht in het pad omsloeg, bijna boven aan het klif, bleef hij staan. De hemel werd nog steeds verlicht door de ondergegane zon, maar de duisternis trad nu snel in. Hij voelde iets.  

Hij luisterde. In de bossen rond de hut was het stil. Te stil. Er hoorden geluiden te zijn, zoals het scharrelen van dieren die hun holen opzochten, schuilend voor de roofdieren die in de schemering op jacht waren gegaan. En er hoorden nachtvogels rond te fladderen, op zoek naar insecten. In plaats daarvan was het zo stil dat het maar één ding kon betekenen: er waren mensen in de buurt.

Even vroeg Klauw zich af of Magnus terug was, maar op een of andere manier wist hij dat het dat niet was. Er klopte gewoon iets niet.

Klauw vermoedde wel dat er andere mensen op dit eiland woonden, ten zuiden van de heuvels, mensen die hij van Magnus niet mocht ontmoeten, nu nog niet, tenminste, maar Klauw achtte het niet erg waarschijnlijk dat die onverwachts op bezoek zouden komen.  

Hij zette zijn kriel neer, legde de hengel ertegenaan en besefte toen dat hij zijn wapens in de hut had achtergelaten. Hij haalde een schubmes uit de kriel; een armetierig wapen, maar beter dan niets. Langzaam liep hij naar de hut, al zijn zintuigen gespannen. Hij luisterde, hij keek, hij snoof de lucht op.  

Er was iets bij de hut, iets wat niet deugde, iets wat hij nog nooit had gezien of ervaren. Hij had verwacht dat er iemand bij of in de hut was, maar nu bedacht hij dat het iets was.  

Er glipte een gedaante de hut uit, heel snel, bijna te snel om het te zien, maar hij zag het, en in dat korte ogenblik herkende hij een mensachtige gestalte, maar dan zonder kenmerken. Zwart zonder detail, zonder hoofd of voeten, een silhouet die langs zijn bewustzijn heen de duisternis van de avond in flitste.

Hij bleef staan, ademde zo oppervlakkig mogelijk en maakte gebruik van al zijn zintuigen om te bepalen of het wezen weg was. Een geringe luchtverplaatsing achter hem waarschuwde hem dat er iemand snel en stil op hem af kwam, en hij liet zich op zijn knieën vallen en stak zonder aarzelen met het schubmes naar achteren, zodanig dat hij een mens ergens tussen knie en kruis zou hebben geraakt.  

Er schalde een onmenselijke kreet door de avond toen het lemmet iets trof, en Klauw werd omvergegooid door een ontzettende klap tegen zijn rechterschouder, alsof er iets groots tegen hem op was gebotst.

Gebruik makend van de vaart van zijn val rolde hij verder en kwam overeind, en er ging een windvlaag vlak langs hem heen. Kennelijk had hij een klap van een onzichtbare belager weten te ontwijken. Intuïtief wist hij twee aanvallers achter zich, en hij sprong naar voren, in de richting van de hut. Als hij deze aanval wilde overleven, moest hij zijn zwaard hebben.

Het haar achter in zijn nek ging overeind staan toen hij bij de deur kwam, en zonder om te kijken dook hij naar binnen in plaats van te rennen. Hij kwam hard op de vloer terecht, en ter hoogte van de plaats waar zijn borst zou zijn geweest, suisde er iets onzichtbaars door de lucht.

Op zijn buik kroop hij onder de tafel door, draaide zich om en stond op met zijn zwaard in de hand. Vlug smeet hij de schede opzij en schopte de tafel naar de deur om de ingang te versperren.

De tafel sloeg ergens tegenaan, en Klauw zag in het donker van de deuropening iets bewegen. Er leek iemand te staan, wat hij alleen maar kon zien omdat er buiten van alles was verdwenen. In het avondlicht waren nog steeds takken en bladeren te zien, maar een zwart silhouet onttrok alle details aan het zicht.

Toen was het wezen in de hut. Klauw zag alleen maar een mensachtige gedaante, zwart zonder details, alsof er geen licht op weerkaatste. Hij wist dat er buiten nog een was, dus trok hij zich terug naar de haard. In een opwelling greep hij een brandijzer uit het vuur en hield die in zijn linkerhand.  

Het wezen haalde naar hem uit, en Klauw dook naar rechts. Pijn vlamde op in zijn linkerschouder. De arm van het wezen ging naar achteren, en heel even meende Klauw iets in de lucht te zien bewegen, alsof er een zweep werd ingehaald. Klauw hoefde niet te kijken om te weten dat hij door een onzichtbaar wapen was verwond. Hij voelde het branden op zijn schouder, en er droop bloed uit de snee.

Er flitste iets bij de deur, en Klauw begreep dat er nog een van deze onzichtbare moordenaars in de hut was. Een tweede flits in zijn ooghoek waarschuwde hem, en hij dook naar rechts. Pijn schoot door zijn arm. Was hij blijven staan, dan zou het nu zijn keel zijn geweest die bloedde in plaats van zijn arm.  

Hij stootte tegen de zwenkarm met de ketel toen hij op de vloer terechtkwam en wegrolde van de plek waar hij de moordenaar vermoedde. De ketel zwaaide met een zwiep de haard in en kiepte om, zodat de stoofpot in de vlammen viel. Stoom en roet wolkten door de kamer.  

Ineens zag Klauw een been voor zich, afgetekend in de lucht. Zonder aarzelen hieuw hij met zijn zwaard naar het wezen, en het gekrijs van pijn dat hij eerder buiten had gehoord, werd herhaald.

De hut stond nu vol stoom en roet, en Klauw zag drie gedaanten duidelijk afgetekend in de nevel. Ze hadden de vormen van een mens, en ze leken ongewapend, maar hij wist dat dat een valse indruk was. Het wezen dat hij had verwond, trok zich terug, en Klauw kroop naar de muur.

De andere twee leken rond te tasten, alsof ze hem niet konden zien. Klauw greep zijn zwaard, en zonder acht te slaan op de brandende pijn van de wond in zijn linkerschouder werkte hij zich overeind, met zijn rug tegen de muur. Hij stond gedeeltelijk verborgen achter een rij legplanken die Magnus hem had laten maken voor de boeken die hij bestudeerde.  

De twee wezens die door de deur waren gekomen, stapten naar voren. Het dichtstbijzijnde wezen liep zichtbaar mank, dus dat was degene die Klauw met het schubmes had geraakt.

Nu hij zijn zwaard had, vond Klauw de ruimte te klein om in te vechten. Hij moest naar buiten, tot net voor de deur, zodat er maar één wezen tegelijk op hem af kon komen. Hij zag de gedaante vlak bij hem een beweging maken alsof hij wilde aanvallen, en hij dook naar voren, stekend met zijn zwaard, eerder om het ding terug te drijven dan het te verwonden. Meteen daarop sprong hij over de omgevallen tafel heen, bracht zijn ongeschonden schouder omlaag en ramde het wezen dat voor de deur stond.

De pijn golfde over zijn rug en langs zijn linkerheup, en hij snakte naar adem. Het wezen links van hem had hem weten te raken, en Klauw voelde zijn knieën knikken. Terwijl hij op de grond viel, sloeg hij omlaag met zijn zwaard en werd beloond met een diepe, vlezige houwen een onmenselijk gekrijs dat abrupt stopte.

Hij rolde door, dook door de deuropening naar buiten en kwam overeind. Toen hij zich omdraaide naar de hut zag hij iets flitsen in de deuropening. Daar was de derde. Hij zwaaide met zijn zwaard in de richting van het wezen, toen er pijn opvlamde in zijn linkerwang, schouder en borst.

Zijn kortademigheid, zijn natte tuniek en zijn knikkende knieën zeiden hem dat hij te veel bloed verloor. Zijn hart bonsde. Als hij de wezens niet wist te doden, was hij er geweest.

Weer een flits bij de deur, en Klauw begreep dat er nu twee wezens bij hem buiten waren. Hij knipperde met zijn ogen en keek om zich heen, trachtend een glimp van de donkere gedaanten op te vangen, maar in de nacht waren ze zo goed als onzichtbaar.

Hij bespeurde beweging rechts van hem en dook naar links. Het was zijn bedoeling door te rollen op de grond en overeind te komen, maar zijn linkerbeen weigerde hem te gehoorzamen, en hij sloeg tegen het zand terwijl de pijn door zijn rechterbeen vlamde.

Zijn lichaam liet hem in de steek, want hij verloor nu ook zijn greep op het zwaard, en hoezeer hij zich ook inspande om weg te rollen om de afstand tussen hemzelf en de twee wezens te vergroten, hij wist zijn lichaam er niet toe te dwingen.

Weer een verzengende streep van vuur over zijn rechterschouder, en Klauw gilde het uit. Hij wist dat zijn laatste uur had geslagen. Zijn volk zou ongewroken blijven, en hij zou nooit weten wie zijn moordenaars waren of waarom hij had moeten sterven.  

Zijn laatste gedachten waren vervuld van diepe wanhoop en spijt toen er rondom hem verblindend wit licht ontplofte en hij wegviel in de vergetelheid.

 

Klauw dreef in een zee van pijn. Vuur brandde zijn huid, en hij was gedompeld in kwelling. Maar hij kon zich niet bewegen. Stemmen en beelden kwamen en gingen, enkele bekend, de meeste vreemd.

'...te veel bloed verloren. Ik weet niet...'

Duisternis spreidde zich over hem uit, en toen meer pijn. '...overleefd gaat mijn begrip te boven...'

Een hele tijd galmde er een vreemd geluid in zijn oor, en plotseling loste het op in muziek. Vlak bij hem speelde iemand fluit.

Toen meer duisternis.

 

De tijd verstreek in vlagen en schokken, met vaag herinnerde beelden, geluiden, geuren en dingen die hij op zijn huid voelde. Er verscheen een vrouwengezicht voor hem, herhaaldelijk. Het was een mooi gezicht, maar het stond streng, soms zelfs grimmig. Ze sprak met anderen vlakbij, maar vaak kon hij de woorden niet horen of verstaan.  

Hij werd door koortsdromen gegrepen, en er verschenen spookachtige gedaanten. Een tijdlang zweefde er een blauw wezen met zilveren horens boven hem, sprekend in een taal die klonk als getoeter en gefluit. Andere gezichten kwamen en gingen, sommige duidelijk van een mens, andere met subtiele verschillen: een oor te lang, een wenkbrauw van veren, of een neus met op de punt een kleine doorn.  

Er kwamen andere dromen, over zijn jeugd in het dorp Kulaam. Hij zag het gezicht van Oog van de Blauwe Taling, en haar honingkleurige ogen keken bedroefd op hem neer. Hij zag zijn grootvader, Lachende Ogen, zijn naam eer aandoen en glimlachend naar hem kijken. Hij zag zijn moeder en zuster en de andere vrouwen bezig met hun taken.  

Hij zag zichzelf van de berg af komen, uitgeput maar rennend zoals hij nog nooit had gerend.

Hij zag rook en dood en vuur. En hij zag een man op een zwart paard.

'Raaf!' schreeuwde hij en schoot overeind.

Een vrouw greep hem bij de schouders en zei: 'Kalm. Rustig. Het komt wel goed.'

Klauw merkte dat hij baadde in het zweet, en hij voelde zich licht in het hoofd. Zijn verbonden lichaam rilde van plotselinge kou, en hij kreeg kippenvel op zijn armen. Hij keek rond.

Hij lag in een witte kamer met verscheidene mooie meubelstukken, en door een groot raam zag hij een blauwe hemel. Het was buiten een warme dag. Een geurig briesje kwam door het raam naar binnen, en in de verte hoorde hij stemmen.

'Waar ben ik?'

De vrouw stond op. 'Bij vrienden. Ik zal Magnus halen.'

Klauw zakte terug op een drietal dikke kussens, vol zacht dons. Hij lag naakt tussen lakens van mooie witte stof zoals hij nog nooit had gezien. De lakens waren doornat, en hij wist dat hij zojuist een koortsaanval had overwonnen. Er zat verband om zijn schouder, rug, ribbenkast, beide bovenbenen en rechterkuit.  

Even later verscheen Magnus, gevolgd door de vrouw. 'Hoe voel je je?' vroeg de magiër met het witte haar.

Leunend tegen de kussens zei Klauw: 'Ik kan nog geen veer voor mijn gezicht wegblazen.'

Magnus nam plaats op de rand van het bed en legde een hand op Klauws voorhoofd. 'De koorts is gezakt.' Hij zette een duim op Klauws linkerooglid en trok het iets omhoog. 'De geelzucht ook.'

'Wat is er gebeurd?' vroeg Klauw.

'Dat is een lang verhaal,' antwoordde Magnus. 'In het kort komt het erop neer dat iemand drie dooddansers op me af heeft gestuurd om me te doden. Maar ze vonden jou.'

'Dooddansers?'

'Dat leg ik je allemaal nog wel uitgebreid uit, maar nu moet je rusten. Heb je honger?'

Klauw knikte. 'Ik lust wel iets.'

'Ik zal wat bouillon halen,' zei de vrouw en verliet de kamer.

'Hoe lang?' vroeg Klauw.

'Tien dagen.'

'Lig ik hier al tien dagen?'

Magnus knikte. 'Je was bijna dood, Klauw. Was je niet op dit eiland geweest, dan zou je vrijwel zeker dood zijn geweest. Misschien dat een machtig tempelpriester je had kunnen redden, maar buiten de bewoners van dit eiland zijn er maar weinigen met de vaardigheden die nodig waren om je in leven te houden. De aanraking van een dooddanser is giftig, dus ook al is een aanval niet dodelijk, het slachtoffer overleeft het maar zelden.'  

'Hoe ben ik hier gekomen?'

'Toen de dooddansers voet op het eiland zetten, wisten sommigen van ons meteen dat er iets mis was. We zijn onmiddellijk naar de hut gegaan toen het duidelijk werd dat die het doelwit was. De dooddansers hadden een magiër verwacht, alleen in een hut, maar ze troffen een zwaardvechter. Hadden ze het op jou voorzien, dan was je al dood geweest voordat je wist wat er gebeurde. Maar ze waren voorbereid op magische weerstand, niet op koud staal, en daardoor kregen we genoeg tijd om je te redden.'  

'Bedankt,' zei Klauw. 'Wie zijn ''we''?'

'Ikzelf en anderen,' zei Magnus. Hij stond op toen de vrouw terugkwam met een grote kom bouillon en een snee brood op een dienblad.  

Klauw kwam op zijn ellebogen overeind zodat hij kon eten, en zijn hoofd tolde van de inspanning. De vrouw kwam bij hem zitten en pakte de lepel. Zonder protest liet hij zich voeren. Het was een mooie vrouw, van zo te zien halverwege de dertig, met donker haar, opvallende blauwe ogen en een harde trek om haar mond waardoor ze er streng uitzag. Hij keek van haar naar Magnus en zei tussen twee lepels bouillon door: 'Ik zie dat jullie op elkaar lijken. Je hebt me nooit verteld dat je een zus hebt.'  

De vrouw glimlachte en Magnus ook, en de gelijkenis werd nog sterker. 'Dat is erg lief van je,' zei ze.

'Klauw, dit is Miranda, mijn moeder.'

Klauw slikte. 'Dat lijkt me sterk.' Ze leek eerder jonger dan ouder dan haar zoon.

'Geloof het maar,' zei Miranda. 'Er zijn hier wel meer opmerkelijke dingen.'

Klauw zei niets en at door. Toen hij genoeg had, knikte hij naar Miranda, die de kom neerzette. 'Wat -'

'Niet nu,' onderbrak ze hem. 'Later krijg je nog tijd genoeg om vragen te stellen, maar nu moet je rusten.'

Klauws nieuwsgierigheid werd verdrongen door zijn vermoeidheid, en nog voordat ze de kamer had verlaten, waren zijn ogen dicht en was zijn ademhaling langzaam en ritmisch. 

 

Twee dagen nadat hij bij bewustzijn was gekomen, mocht Klauw uit bed. Magnus leende hem een staf, waar Klauw op leunde, aangezien zijn benen zwak waren en nog steeds zeer deden. Terwijl hij met de magiër meehobbelde, zei die: 'Welkom in Villa Beata.'

'Heet het hier zo?'

'Ja. In een oude taal betekent het "gezegend huis".' Ze liepen in een grote binnenhof, omringd door een lage muur. De gebouwen rondom hen waren allemaal wit bepleisterd en hadden rode dakpannen. 

'Zoiets als dit heb ik nog nooit gezien.'

'De bouwers hadden meer oog voor comfort dan voor veiligheid. Er bestaan veel verhalen over het ontstaan ervan.'

'Ken je het echte verhaal?'

Magnus glimlachte. 'Nee. Mijn vader beweert dat hij het ware verhaal van iemand heeft gehoord, maar de man die het hem vertelde, stond erom bekend dat hij de waarheid naar zijn hand zette wanneer het hem uitkwam, dus misschien zullen we wel nooit weten hoe het is ontstaan.'  

'Woon je hier?'

'Hier ben ik opgegroeid, ja,' antwoordde Magnus.

Klauw keek rond, en zijn ogen werden groot toen hij een wezen met een blauwe huid en zilveren hoorns de hoek om zag komen met een grote mand vol nat wasgoed, waarmee hij in een gebouw verdween. 'Wat was dat?'  

'Dat was Regar, een C'ahloziaan. Je zult hier wel meer mensen treffen die er heel anders uitzien dan jij en ik, Klauw: Maar denk eraan, het zijn en blijven mensen. Waar zij vandaan komen, zou jij net zozeer uit de toon vallen als zij hier in jouw ogen doen.'

'Voordat ik jou kende, Magnus, dacht ik dat zulke wezens alleen voorkwamen in de verhalen die rond het kampvuur werden verteld, en toen ik hem tijdens mijn ziekte zag, dacht ik dat het een koortsdroom was. Maar nu ik de waarheid ken, denk ik dat ik me niet zo gauw meer zal laten verrassen.'  

'O, denk dat maar niet te vlug, jonge vriend. Er wachten je nog verrassingen te over. Maar geniet eerst maar van de warme middagzon en wandel een beetje rond. Je moet aansterken.'

Langzaam liepen ze het terrein rond, en Klauw ving glimpen op van mensen die ergens naar toe op weg waren. De meesten zagen er heel gewoon uit, maar een of twee bepaald niet. Door de wandeling werd hij wat kortademig, zodat hij de meeste vragen voor later bewaarde, maar een ervan brandde hem op de lippen: 'Magnus, wie wilde jou doodmaken?'  

'Dat, mijn jonge vriend,' antwoordde de magiër, 'is een heel lang verhaal.'

Klauw glimlachte; hardop lachen deed te veel pijn. 'Het ziet ernaar uit dat ik voorlopig nergens naar toe ga, dus ik heb tijd zat.'

'Gevoel voor humor,' hoorde hij achter zich. 'Dat is mooi.'

Klauw keek om en zag een klein, broos mannetje staan, met een kale kop en gekleed in een eenvoudige tuniek die boven zijn linkerschouder sloot en de rechter bloot liet. Zijn voeten waren gestoken in gevlochten sandalen, en in zijn linkerhand hield hij een staf Over zijn schouder hing een tas, en hij had een grijns op zijn gezicht, dat er stokoud uitzag en toch een haast kinderlijke kwaliteit had. Donkere ogen namen Klauw in zich op, ogen met een vreemde amandelvorm.  

'Klauw, dit is Nakur.' Met een lichte verandering van toon die Klauw niet helemaal begreep, voegde Magnus eraan toe: 'Een van mijn... leraren.'

'Soms, ja,' knikte Nakur. 'Andere keren voelde ik me eerder een cipier. Magnus was vroeger nogal een herrieschopper.'

Klauw wierp een blik op Magnus, die zijn wenkbrauwen fronste maar de bewering niet tegensprak. Magnus leek iets te willen zeggen, maar Nakur was hem voor.

'En wat je vraag betreft, jongeheer, dat is een heel verhaal, dat je later beslist moet horen, maar niet nu.'

Klauw keek van de een naar de ander, zag dat er iets werd uitgewisseld en besefte dat het mannetje Magnus op een of andere manier opdroeg niet meer over de aanval te spreken.  

'Magnus, ik geloof dat je vader je wilde spreken,' zei Nakur. 'Ongetwijfeld,' reageerde Magnus met een iets opgetrokken wenkbrauw. Hij wendde zich tot Klauw, 'Ik laat je over aan de genade van Nakur en raad je aan je niet al te druk te maken. Je bent ernstig gewond geweest, en bovenal moet je eten en heb je rust nodig.'  

'Ik breng hem wel terug naar zijn kamer,' zei Nakur.

Klauw zei Magnus gedag en begon aan de terugweg. Zijn benen trilden tegen de tijd dat hij bij zijn bed was, en Nakur hielp hem erin.

Het broze mannetje had iets over zich dat Klauw intrigeerde. Hij wist zeker dat het mannetje een heleboel kracht in zich had, en meer. Maar Magnus' vroegere leraar zei niets.

'Nakur?'

'Ja, Klauw?'

'Wanneer mag ik het weten?'

Nakur keek de jongeman in de ogen, die hij slechts met moeite open kon houden, en terwijl de jongeling door uitputting werd overmand en zijn ogen dichtvielen, antwoordde Nakur: 'Binnenkort, Klauw.' 

 

Een week later was Klauw weer redelijk op krachten. Geïnteresseerd keek hij toe toen het verband er eindelijk werd afgehaald en een reeks littekens werd onthuld waar een ouder lid van zijn stam trots op zou zijn geweest. Op nog geen twintigjarige leeftijd zag hij eruit als een veteraan van vele veldslagen, een man van tweemaal zijn leeftijd. Even voelde hij zich diep triest toen hij besefte dat er niemand van zijn volk meer was aan wie hij de tekens van het krijgerschap kon laten zien.

Als vanzelf ging zijn hand naar zijn gezicht toen het tot hem doordrong dat hij zelfs niet de tatoeages op zijn gezicht had om te tonen dat hij tot het volk behoorde.

Miranda, die bezig was met het laatste verband, zag het gebaar. 'Denk je ergens aan?'

'Mijn volk,' zei Klauw:

Miranda knikte. 'Velen van ons hebben veel te lijden gehad, Klauw. De verhalen die je op dit eiland kunt horen, leren je dat je daarin niet alleen staat.' Ze ging op de rand van het bed zitten en pakte zijn hand. 'Sommigen zijn gevlucht voor moord en doodslag, en anderen zijn net als jij overlevenden die alles zijn kwijtgeraakt.'

'Wat is dit voor een plek, Miranda? Magnus ontwijkt mijn vragen, en Nakur stuurt het gesprek altijd naar iets...'

'Frivools?'

Klauw glimlachte. 'Hij kan soms wel grappig zijn.'

'Laat je niet door die grijns misleiden, jongen,' zei Miranda, hem op de hand kloppend. 'Het is misschien wel de gevaarlijkste man die ik ooit heb ontmoet.'

'Nakur?'

'Nakur,' echode ze en stond op. 'Blijf nog even liggen, dan komt er straks iemand naar je toe.'

'Waarvoor?' Hij voelde zich erg rusteloos en wilde de kamer uit.

'Om je ergens heen te brengen.'

'Waarheen?'

'Zul je wel zien,' zei ze, de kamer uit lopend.

Klauw ging weer liggen op het bed. Zijn lichaam was stijf en deed zeer, en hij had er behoefte aan om buiten iets te gaan doen, al was het maar om even zijn spieren te strekken en de lucht diep in zijn longen te zuigen. Hij wilde rennen, klimmen of een hert besluipen in het bos. Zelfs vissen zou hem welkom zijn, want van de wandeling naar het strand en terug ging je lekker zweten.

Klauw deed zijn ogen dicht en gleed weg in herinneringen, aan de mannen die verhalen vertelden bij een helder vuur in het langhuis. Hij dacht aan de reinigingsriten, waarvoor speciale bouwwerken werden gemaakt als de sneeuw zich terugtrok van de berghellingen, en aan de wolken stoom die opstegen van verhitte stenen in de zweethutten, waar mannen en vrouwen, jongens en meisjes in groepen van tien of meer bijeen kwamen om het nieuwe jaar te verwelkomen en het in de winter verzamelde vuil te verwijderen. Hij dacht aan zijn vader en zijn moeder, en de droefenis kwam weer naar boven. De woede en de bitterheid uit het eerste jaar na de vernietiging van zijn volk had plaatsgemaakt voor een stille melancholie, en de berusting dat hij de laatste der Orosini was en dat hem de last van de wraak toeviel en dat zijn toekomst voor het overige onbekend voor hem was.  

Hij dommelde in, tot hij plotseling iemands aanwezigheid in de kamer voelde.

Hij schrok op, en met bonzend hart keek hij in de ogen van een jonge vrouw die hij nog nooit eerder had gezien. Haar ogen waren groot en hadden de kleur van korenbloemen. Haar gezicht was verfijnd, met een smalle kin, volle mond en bijna volmaakt rechte neus. Haar haren hadden de kleur van lichte honing, met lokken die wit waren gebleekt door de zon. Ze droeg een eenvoudig blauw jurkje met blote armen en een diepe hals, waarin hij veel vrouwen hier had zien lopen. Maar haar stond het schitterend, want ze had een lang, slank lichaam en bewoog zich als een jager.  

'Ben jij Klauw?'

'Ja.' Hij moest dat ene woord tussen zijn tanden door wringen, ademloos als hij was.

'Kom mee,' zei ze.

Hij stond op en volgde haar de kamer uit. Buiten haalde hij haar in en ging naast haar lopen. 'Hoe heet je?' Hij fluisterde het bijna.

Met een ernstig gezicht keek ze hem aan, haar hoofd iets scheef als om hem beter te kunnen zien. Toen glimlachte ze, en plots leek haar gezicht te stralen. Ze antwoordde op zachte, bijna muzikale toon: 'Mijn naam is Alysandra.'

Hij wist niets terug te zeggen. Ze ontnam hem de woorden. Alle herinneringen aan Lela of Meggie waren vervluchtigd bij het zien van de schoonheid van deze jonge vrouw, en plots schrijnde er iets diep in zijn buik.

Ze staken een grote binnenplaats over en liepen in de richting van een deel van het grote huis dat Klauw nog nooit had bezocht. Maar al te snel draaide ze zich om, wees op een deur en zei: 'Hier is het.'

Zonder te wachten vertrok ze, en met open mond bleef hij haar staan nakijken terwijl ze over de binnenplaats terugliep. Na enkele schijnbaar zeer korte ogenblikken, waarin de knoop in zijn maag alleen maar strakker werd, verdween ze door een deuropening en stond hij alleen.

Hij draaide zich om en keek naar de deur, een eenvoudig geval van hout met een enkele kruk. Hij duwde de kruk omlaag en ging naar binnen.

Drie mannen stonden in een lege kamer. Twee van hen herkende Klauw: Nakur en Robert.

'Meester!' riep Klauw verrast uit.

Robert knikte. 'Ga daar staan, Klauw;' Hij wees naar een plek in het midden van de kamer.

De derde man was klein, met een baard en donker haar, en de blik waarmee deze man naar Klauw keek, bezorgde hem een enigszins ongemakkelijk gevoel. Deze man bezat onbetwistbaar macht. Dat bleek alleen al uit zijn houding, maar er was meer. In de tijd die hij met Magnus en daarvoor met Robert had doorgebracht, was Klauw gevoelig geworden voor de uitstraling van mensen die de magische kunsten beoefenden, en deze man stonk er haast naar.  

Hij sprak: 'Mijn naam is Puc. Ik word ook wel de Zwarte Tovenaar genoemd.'

Klauw knikte, maar zei niets.

'Dit is mijn eiland,' vervolgde Puc, 'en iedereen die erop woont is mijn vriend en leerling.'

'Puc is mijn leraar geweest,' sprak Robert, 'en Nakur ook, Klauw.'

Klauw bleef stil.

'De aanval van de dooddansers heeft een hoop veranderd, jongen,' zei Nakur. 'We hebben je vanaf het begin gevolgd, wachtend tot het tijd was om je te beoordelen.'

Nog steeds zei Klauw niets, maar zijn ogen stelden vele vragen.

'Er moest worden bepaald of je in mijn dienst zou blijven tot ik je van je bloedschuld ontsloeg, Klauw, of dat je misschien begaafd genoeg was om te worden uitgenodigd je te voegen bij dit gezelschap, hier op het eiland,' zei Robert.

'Welk gezelschap, meester?' zei Klauw eindelijk.

De drie mannen keken elkaar aan. 'Wij zijn het Conclaaf der Schaduwen, Klauw,' zei Robert. 'Wat dat is krijg je vanzelf te horen als je in onze gelederen wordt opgenomen. Wat we doen wordt je dan ook duidelijk gemaakt.'  

'Maar voordat we je dat, en veel andere dingen, kunnen vertellen, moet je kiezen of je je al dan niet bij ons wilt aansluiten,' zei Puc. 'Je schuld aan Robert wordt je dan kwijtgescholden, en je zult vrij zijn om te doen wat je geweten je ingeeft, maar je zult ook verplichtingen aan het Conclaaf hebben. Met die verplichtingen komen echter ook privileges. We zijn bemiddeld, voldoende om voor de rest van je leven in al je behoeften te voorzien. We hebben machtige bondgenoten, zodat je je makkelijk tussen edellieden en machthebbers kunt begeven als dat nodig is.'  

'Maar we hebben ook machtige vijanden,' vervolgde Nakur. 'Die dooddansers waren slechts één van vele pogingen om een van ons te vernietigen. Was het hun gelukt om Magnus te doden, dan zou onze zaak daar nog jaren onder te lijden hebben gehad.'

'Wat wordt er van mij gevraagd?' vroeg Klauw.

'Je wordt gevraagd trouw te zweren,' zei Robert. 'Niet aan mij, maar aan het Conclaaf. Je verlaat deze kamer als een lid van ons genootschap, en daarmee met de voordelen en verantwoordelijkheden waar we nu slechts op hebben gezinspeeld.'  

'Het klinkt alsof ik een keus in deze kwestie heb,' merkte Klauw op.

'Die heb je ook,' zei Nakur.

'Wat is dan mijn andere mogelijkheid?'

Puc wierp een blik op Robert en Nakur en zei: 'De dood.'