8 Magie

 

Klauw veerde overeind.

Met kloppend hart hoorde hij voetstappen de trap op bonken, en even wist hij niet waar hij was. Meggie bewoog zich naast hem, en toen hij naar haar keek, voelde hij nog meer verwarring, zij het ditmaal van emotionele aard. Wat was het makkelijk geweest om in Meggies armen Lela een vage herinnering te laten worden!

De deur ging open, en daar stond Magnus. Hij had zijn vilthoed op en hield zijn staf in zijn hand, en aan een draagriem over zijn ene schouder hing een grote zwart-leren tas.

Meggie bewoog zich weer en keek op. Plotseling werden haar ogen groot en haar mond zakte open van verbazing. Snel trok ze de deken op tot aan haar kin.

Zonder acht op het meisje te slaan zei Magnus: 'Klauw, kleed je aan en pak al je spullen. We gaan meteen.'

'Huh?' wist de slaperige knul uit te brengen, maar de deur was al weer achter de vertrekkende Magnus dichtgeslagen. Klauw kwam stommelend uit bed en keek rond. Veel spullen had hij niet. Twee schone tunieken, een broek, de laarzen naast het bed en een beursje met wat munten die hij met extra werk voor de gasten had verdiend. Zelfs het zwaard en de dolk die hij gebruikte waren niet van hem maar van Caleb.

Hij keek naar Meggie, die verlegen naar hem glimlachte. Niet wetend wat hij anders moest zeggen, zei hij: 'Ik moet weg.'  

Ze knikte. Hij kleedde zich aan, raapte zijn schamele bezittingen bijeen en repte zich omlaag naar de gelagkamer.

Daar zat Magnus te wachten met Robert.

'Klauw, je gaat met Magnus mee,' zei Robert. 'Doe wat hij zegt alsof hij voor mij spreekt. Wij zien elkaar weer, maar voorlopig niet.'

'Waar ga ik heen?' vroeg de jongeman terwijl het laatste restje slaperigheid van hem af viel.  

'Alles wordt je uitgelegd als je op de plaats van bestemming bent.' Roberts houding belette verdere vragen.

Magnus liep in de richting van de keuken. 'Kom mee.'

Klauw ging achter hem aan door de keuken, waar Leo en Martha bezig waren met de maaltijden van die dag. Hij volgde Magnus het erf op, waar de magiër zei: 'Kom naast me staan en hou mijn staf vast.'

Klauw ging bij Magnus staan, stopte zijn beurs en schone kleren onder zijn linkerarm en pakte met zijn rechterhand de staf beet.

Zonder een woord haalde Magnus een toestel uit de plooien van zijn gewaad, een metalen bol met een glans als van brons, misschien zelfs wel van goud. Met zijn duim haalde Magnus een palletje aan de zijkant van het apparaat over, en ze werden omgeven door een geluid als van een zwerm woedende bijen.

Heel even had Klauw het gevoel alsof de wereld onder zijn voeten vandaan zakte, en zijn hart schoot hem in de keel. Zijn ogen werden verblind, maar in plaats van duisternis zag hij alleen een diep grijs, een leegte van absoluut niets. Toen was de grond terug onder zijn voeten, maar het voelde alsof die bewoog. Hij hield zich stevig vast aan Magnus' staf om niet te vallen. Plots drong het tot hem door dat hij ver bij de herberg vandaan was. Het was nog nacht, en er hing een vreemde geur in de lucht, iets prikkelends dat hij nog nooit had geroken. In de verte klonk een raar geluid, als een donderslag, maar dan zacht en rommelend, steeds opnieuw:  

Magnus keek even naar hem en zei: 'Je hoort de branding.'

In het donker keek Klauw hem aan. Zijn gezicht ging verborgen in de schaduw van de rand van zijn vilthoed, en het enige licht dat op hem viel was afkomstig van de kleine ondergaande maan. 'Branding?'

'Golven die tegen de rotsen slaan.'

'Zijn we aan zee?' vroeg Klauw, en meteen besefte hij dat het een domme vraag was.

Magnus berispte hem niet om zijn desoriëntatie. 'Kom,' zei hij. Ze liepen over een pad een helling op en kwamen terecht bij een kleine hut, een lemen gebouwtje met een dak van riet. In de verte klonk het geluid van golven die stuksloegen op de rotsen nu luider. 'Na zonsopgang kun je hiervandaan de noordkust van het eiland zien,' zei Magnus. Hij ging de hut binnen.

Klauw volgde hem naar een klein vertrek. De vloer leek van hard aangestampte aarde, maar toen hij eroverheen liep, zag hij een vage weerspiegeling van licht, afkomstig van het vuurtje in de stenen haard. Hij bukte zich en raakte de vloer aan.

Magnus zette zijn staf in de hoek, deed zijn hoed af en keek naar hem. Glimlachend liet hij de reistas van zijn schouder zakken. 'Wat vind je van de vloer?' vroeg hij.

'Waar is hij van gemaakt?'

'Rots. Het was modder, maar met een heel slimme bezwering is er steen van gemaakt.' Hij liet een flauw glimlachje zien. 'Eigenlijk had ik iets dichter in de buurt van marmer willen komen, maar ergens in de spreuk heb ik een paar woorden overgeslagen.' Hij haalde zijn schouders op. 'Een vorm van ijdelheid van mijn kant, eigenlijk.' Hij gebaarde met zijn hand naar de muren en het dak. 'De muren hoeven nooit te worden bijgewerkt en het dak behoeft geen vervanging.'  

In het kamertje stonden een enorme kist en een tafel met twee stoelen, en op de vloer lag een stromatras. 'Dat is mijn bed,' zei Magnus. 'Jij slaapt voor de haard.'

Klauw knikte en hield zijn spullen omhoog. 'Waar zal ik deze laten?'

Magnus keek met een opgetrokken wenkbrauw naar de schamele bezittingen van de jongeman. 'Gebruik de kleren als kussen, en berg die beurs maar ergens op.'

Klauw knikte weer en keek rond. In een hoek naast de haard stonden een tang, een ketel en een bezem, maar de andere hoek was leeg. Daar legde hij zijn bundeltje kleren neer.  

'Kom mee naar buiten,' zei Magnus.

Klauw volgde hem, en toen ze onder de nachtelijke hemel stonden, zei Magnus: je bent niet dom. Kijk naar de sterren en zeg me waar je denkt dat we zijn.'

Klauw staarde naar de hemel en vergeleek die met de hemel die hij kende uit zijn jeugd in de bergen. Hij zag de ondergaande kleine maan en keek naar het oosten, waar een gloed de komst van de grote maan aanduidde. 'Het is vier uur voor zonsopgang,' zei hij. 'Bij Kendricks Hofstee was het zonsopgang toen je mij wakker maakte.' Veel geografische kennis had hij niet, want in de hofstee had hij maar een paar landkaarten gezien, wanneer Robert die raadpleegde. Aan de hand van het beetje dat hij wist, zei hij tenslotte: 'We zitten op een eiland in de Bitterzee.'  

'Goed. Waar heb je dat uit afgeleid?'

'We zijn ten westen van de hofstee, want anders zou het al dag zijn geweest, en ver in het oosten zou het laat op de dag of nog vroeg in de nacht zijn en zou de kleine maan laag aan de oostelijke hemel hebben gestaan in plaats van onder te gaan in het westen. Maar we zijn niet zo ver in het westen dat we voorbij de Straat der Duisternis ergens op de Eindeloze Zee zijn. En we bevinden ons... zuidelijker dan de hofstee.'

'Goed,' herhaalde Magnus.

'Mag ik weten waarom ik hier ben?' vroeg Klauw.

'Hou je weer vast aan de staf,' zei Magnus, 'en laat onder geen beding los.'

Klauw greep de staf beet, en ineens voelde hij zich de lucht in schieten, alsof hij door een reuzenhand werd opgepakt. Met duizelingwekkende vaart viel de grond weg, en omhoog door de wolken schoten ze.  

Toen bleven ze hangen, en zonder te kijken wist Klauw dat zijn knokkels wit waren, zo stevig hield hij zich vast aan de staf.

'Aanschouw de wereld, Klauw van de Zilverhavik,' zei Magnus.

In het oosten zette de opkomende grote maan het verre landschap in een zilverachtig reliëf. Er stond een frisse wind, maar Klauw huiverde om een andere reden. Hij was doodsbang.  

Maar hij beheerste zich en keek rond. Het eiland beneden lag verborgen achter wolken en in duisternis, maar hij had een idee van de omvang gekregen toen ze omhoog schoten. De hut stond aan de noordkust van het eiland, en naar het zuiden toe liep het land omlaag, misschien naar een vallei. Klauw wist niet veel meer over oceanen en eilanden dan wat hij op Roberts landkaarten had gezien, maar het leek hem best een groot eiland, met meer land dan de bossen rond Kendricks Hofstee, voor zo ver hij het kon bepalen.  

Even later nam zijn angst wat af, en hij keek alle kanten op. Het licht van de opkomende maan speelde op de wolken onder hem, en de fonkelende zee in het noorden toonde hem de kromming van de planeet.

'Zo groot,' zei hij uiteindelijk.

'Goed,' zei Magnus, en ze begonnen af te dalen. 'Je krijgt zicht op perspectief.'

Toen ze weer veilig op de grond stonden, zei Magnus: 'Je bent hier, Klauw van de Zilverhavik, om te leren.'

'Om wat te leren, Magnus?'

Magnus legde een hand op Klauws schouder en kneep zachtjes. 'Alles wat ik je maar kan leren.' Zonder een nader woord draaide hij zich om en ging de hut in, en na een korte aarzeling volgde Klauw hem naar de plek waar hij de komende tijd kennelijk zou wonen.

 

Voor de vijfde keer las Klauw de passage hardop terwijl Magnus aandachtig luisterde. Toen Klauw klaar was, zei Magnus: 'Zo klinkt het goed.'  

In de eerste maand sinds hun komst op het eiland moest Klauw steeds hardop voorlezen terwijl Magnus uitspraak, stembuiging en klank corrigeerde. Aangezien hij graaf DeBarges had horen praten, wist Klauw dat Magnus hem zo veel mogelijk probeerde te laten klinken als een edelman uit Roldem.

'Dit is iets nieuws.' Magnus hield hem een boek voor en Klauw zag dat het was geschreven in een taal die hij niet kende. 'Wat is het?'

'Een nogal saai boek over het leven van een van de minder bekende koningen van de Eilanden, Henry de Derde. Maar omdat het zo eenvoudig is geschreven, is het een mooie instap om te leren lezen en schrijven in het Koninkrijks.'  

Klauw zat in de hut aan tafel. 'Magnus, kan ik er niet even mee stoppen?'

'Stoppen?'

'Mijn hoofd tolt, en de woorden op de bladzijde zijn wazig. Ik zit al een week binnen. De laatste keer dat ik me buiten waagde was voor een middagwandeling naar het strand toen jij weg was.'

Klauws stem had een humeurige klank, en dat was ongebruikelijk voor hem. Magnus glimlachte. 'Rusteloos, hè?'

'Heel erg. Kan ik misschien op jacht?' Hij keek rond, en zijn stem werd zachter. 'Als je een boog had...'

'Heb ik niet,' zei Magnus. 'Maar kun je vissen?'

Klauw reageerde enthousiast. 'Ik viste thuis al in de meren en rivieren toen ik amper kon lopen.'

Magnus keek hem een poosje zwijgend aan. 'Goed dan. Ik zal je laten zien hoe je op de oceaan moet vissen.'

Met een zwaai van zijn hand liet Magnus een zwarte leegte in de lucht verschijnen. Hij stak er een hand door en leek ergens naar te tasten. 'Aha!' zei hij tevreden. Hij trok zijn arm terug en hield de punt van een hengel in zijn hand. Hij trok hem uit het zwarte gat en gaf hem aan Klauw.

Het was een hengel zoals Klauw er nog nooit een had gezien. Hij was lang, een voet langer dan zijn eigen zes voet lengte, en er zat een raar toestel aan vast, een trommeltje met een slinger en een pal, en een buitensporige hoeveelheid vislijn eromheen. De lijn liep door een reeks lussen - zo te zien van riet of bamboe - naar een metalen ring aan de punt. Boven op de spoel zat een metalen stang.

Magnus haalde er nog zo een te voorschijn en vervolgens een tenen mand aan een riem, die Klauw herkende als een visben of een kriel. 'Kom, dan gaan we vissen, maar onderwijl studeren we wel verder.' Met een zucht pakte Klauw de kriel en de twee hengels. De lessen gingen dus door, maar in elk geval was hij vanmiddag buiten.

Hij volgde Magnus over het rotsachtige pad van het klif naar het strand beneden. De wind veroorzaakte kleine schuimkoppen op het water en blies stuifnevel van de toppen van de golven. Klauw was het geluid van de branding op de rotsen gaan waarderen en vond de geur van zeelucht inmiddels even stimulerend als de geur van de dennen en espen thuis.

Toen ze op het strand kwamen, tilde Magnus de zoom van zijn gewaad op en stopte hem in zijn gordel. Het zou er komisch uit hebben gezien, ware het niet dat Magnus niets komisch had. Klauw zag zijn gespierde benen en begreep dat hij even krachtig gebouwd was als zijn jongere broer, ook al was hij een gebruiker van magie in plaats van een jager of krijger. Magnus liet Klauw zien hoe hij de hengel moest vasthouden. Hij benoemde de onderdelen van de molen, zoals hij het toestel aan de hengel noemde, en legde uit dat de stang een 'rem' was, waarmee je de molen langzamer kon laten draaien als je een grote vis aan de haak had geslagen die ervandoor probeerde te gaan. Met de pal kon je de vis binnenhalen, aangezien die dan niet kon trekken zolang de visser de rem niet losliet.

Klauw was gefascineerd, want zijn ervaring met vissen ging niet verder dan netten en een lijn aan het uiteinde van een lange stok. Hij zag Magnus wat gedroogd vlees uit de kriel pakken en vastmaken aan

een grote metalen haak. Met twee stappen en een huppelpasje zwiepte hij het uiteinde van de hengel in de richting van de golven en wierp de haak uit tot ver achter de branding.

'Zorg dat je weet waar de haak is voordat je uitgooit,' waarschuwde hij Klauw; 'Het is geen pretje om jezelf ermee te raken. Je moet dat rotding dwars door de huid heen steken en afsnijden om hem los te krijgen.'

Klauw begreep dat hij uit bittere ervaring sprak. Hij liep een stukje bij Magnus vandaan en deed het droge vlees aan de haak. Toen liet hij de lijn liggen op het zand, deed een paar passen naar voren, en met een zwiep van de hengel gooide hij de lijn verder uit dan Magnus had gedaan.

'Goed zo,' zei de magiër.

Bijna een half uur lang stonden ze daar in stilzwijgen. Geen van beiden was bang voor stilte. 'Wat is jullie wereldbeschouwing?' vroeg Magnus uiteindelijk.

'Ik weet niet of ik wel begrijp wat je bedoelt,' zei Klauw.

'Wat is het geloof van jouw volk over hoe de wereld in elkaar zit?'

Klauw dacht aan de verhalen die de oude mannen in de zomer rond het vuur vertelden of wanneer de sjamaan kwam en sprak over de geschiedenis van het ras. 'De Orosini geloven dat de wereld een droom is, gemaakt door de goden in de geest van de Slaper.'

'En de mensen?'

'Wij maken deel uit van die droom,' antwoordde Klauw, 'Maar voor ons is alles echt, want wie kan weten wat echt is voor een god?'

Geruime tijd zei Magnus niets. 'Dan heeft jouw volk misschien wel gelijk, want het geloof dat deze wereld een droom is, is niet in strijd met wat we erover weten. Maar zet voorlopig het geloof van je volk van je af en luister naar mij. Dit is wat we erover weten: de wereld is een grote bol van zand, modder, steen en water, met lucht eromheen. Zo groot als ze is, is het toch maar een piepklein stukje van een universum van onvoorstelbare omvang, vol met andere werelden, waarvan vele bewoond. Er zijn miljarden werelden in het heelal.'

'Miljarden?'

'Wat heeft Robert je over getallen geleerd?' vroeg Magnus.

'Ik kan optellen en aftrekken, en als ik me concentreer ook vermenigvuldigen en delen.'  

'Meer dan de meesten. Hoeveel cijfers?'

'Ik kan vier cijfers vermenigvuldigen met nog eens vier cijfers.'

'Dan weet je hoeveel duizend is.'

'Tien keer honderd,' antwoordde Klauw.

'En tien keer duizend maal tien is honderdduizend.'

'Ja, dat heb ik.'

'En dat maal tien is een miljoen.'

'Aha,' zei Klauw;

Magnus wierp hem een zijdelingse blik toe en zag dat Klauw het niet meer kon volgen. 'Luister, dan zal ik het anders uitleggen. Stel, ik geef je zandkorreltjes, één per seconde; dan heb je er na één minuut zestig in je hand.'

'En als je dat duizend seconden lang doet, heb ik er duizend. Ja, dat snap ik,' zei Klauw, begrijpend waar de les naar toe ging.

'Om je één miljoen zandkorrels te geven, moet ik je meer dan dertien dagen lang elke seconde één korrel geven zonder te stoppen.'

Klauw keek verbluft. 'Zo lang?'

'En een miljard duurt meer dan dertig jaar.'

Met een ongelovig gezicht keek hij Magnus aan. 'Kan er wel een getal zo groot zijn?'

'Groter,' zei Magnus, en er verscheen een glimlachje op zijn gezicht. 'Twee miljard.'  

Klauw schoot in de lach. 'En dan drie miljard en vier, ja, ik snap het.'

'Er zijn vele miljarden werelden in het heelal, Klauw; misschien wel zo veel dat zelfs de goden ze niet allemaal kennen.'

Klauw liet niets blijken, maar hij vond het idee fascinerend.

Magnus ging verder met het beschrijven van een universum met bijna oneindig veel variëteiten en mogelijkheden.

'En het leven op die andere werelden?' vroeg Klauw op een bepaald moment.  

'Ken je de verhalen uit de Oorlog van de Grote Scheuring?'

'Ja, van mijn grootvader. Hij vertelde dat er in het westen...' Klauw keek naar de zee. 'Ten westen van onze bergen. Maar misschien is dat wel ten oosten van hier.'

'Nee, het is nog steeds in het westen, aan de Verre Kust. Ga verder.'

'Hij vertelde dat er mensen van een andere wereld door middel van magie naar onze wereld kwamen om oorlog te voeren maar dat het Koninkrijk hen verdreef.'

'Dat is een van de versies,' zei Magnus met een spottende blik in zijn ogen. 'Ik zal je wel een keer vertellen wat er werkelijk is gebeurd.'

'Lijken die mensen op ons?'

'Net zo veel als de Orosini op de mensen in Roldem.'

'Niet erg veel, dus,' concludeerde Klauw.

'Toch nog zo veel dat we het uiteindelijk eens werden en vrede sloten. Op een dag zul je hun afstammelingen misschien ontmoeten.'

'Waar?'

'In Yabon, een provincie van het Koninkrijk der Eilanden. De meesten hebben zich in de stad LaReu gevestigd.'

'Aha,' zei Klauw alsof hij het begreep.

Er verstreek weer een half uur in stilte, tot Klauw zei: 'Volgens mij doen we het niet zo goed.'

'Wat, vissen?'

'Ja,' antwoordde de jongeman.

'Dat komt omdat we verkeerd aas gebruiken.'

Verbaasd keek Klauw zijn leraar aan. 'Verkeerd aas?'

'Misschien vangen we met gedroogd vlees een grondeling of een haai, maar als we iets lekkers willen, moeten we een verse makreel aan de haak doen.'

'Waarom doen we dan maar een beetje alsof?'

Met toegeknepen ogen keek Magnus hem aan. 'Omdat vissen niets te maken heeft met het vangen van vis.' Hij keek in het water, en Klauw voelde de haartjes op zijn armen overeind komen, wat betekende dat Magnus magie ging gebruiken. 'Daar,' zei hij, wijzend. Met zijn rechterhand gebaarde hij omhoog, en er leek iets groots uit het water op te springen. Het had de grootte van een klein paard, rode schubben en een reeks levensgevaarlijk ogende tanden. Midden in de lucht sloeg het met zijn staart, bijtend naar de onzichtbare vijand die hem omhoog hield.  

Met een korte polsbeweging liet Magnus de vis terug in het water vallen. 'Als ik vis wil, dan pak ik er een.'

'Waarom staan we hier dan met die hengels?'

'Omdat het leuk is,' antwoordde Magnus. 'Het is een manier om te ontspannen, om na te denken, om te peinzen.'

Nu voelde Klauw zich pas echt voor gek staan met de hengel in zijn handen. Niettemin richtte hij zijn aandacht weer op het door de branding trekken van de haak. De middag was al aardig op streek toen hij vroeg: 'Magnus, mag ik je iets vragen?'

'Hoe moet ik je lesgeven als je dat niet doet?'

'Nou....' begon hij langzaam.

'Voor de draad ermee,' zei Magnus, opnieuw uitwerpend in de branding. Er stak een wind op die het witte haar van de magiër deed wapperen.

'Ik snap iets niet.'

'Wat dan?'

'Vrouwen.'

Magnus staarde Klauw een tijdlang aan. 'Iets bijzonders over vrouwen, of vrouwen in het algemeen?'

'In het algemeen, denk ik.'

'Je bent niet de eerste die met dat probleem worstelt.'

'Dat heb ik inmiddels begrepen,' zei Klauw; 'Het is alleen dat bij mijn volk de dingen tussen mannen en vrouwen... voorspelbaar waren. Je bruid werd gekozen terwijl je op je visioen wachtte, en kort daarna ging je trouwen. En je bleef bij die ene vrouw...' Met zachtere stem sprak hij verder: 'Ik heb al met twee vrouwen geslapen, en ik trouw met geen van beiden.'  

'Zit je dat dwars?'

'Ja ... nee ... ik weet het niet.'

Magnus plantte zijn hengel in het zand en liep naar Klauw toe. 'Ik kan je weinig vertellen, mijn jonge vriend. Mijn ervaring op dit gebied is zeer beperkt.'

Klauw keek de magiër aan. 'Hou je niet van vrouwen?'

Magnus glimlachte. 'Nee, dat is het niet. Ik had wel wat ervaring toen ik jong was... ongeveer jouw leeftijd. Het is alleen dat sommige beoefenaars van de magie ervoor kiezen zich verre van die zaken te houden. Hartstochten kunnen je in verwarring brengen.' Zijn blik zwierf over zee. 'Ik kan helderder nadenken als ik dergelijke dingen vermijd, althans, dat idee heb ik.' Hij keek Klauw weer aan. 'Maar jij en ik volgen verschillende paden. Wat was je vraag?'

'Ik was... met Lela, een tijdje. Ik dacht dat we misschien...' Verlegen keek hij naar het zand. 'Ik dacht dat we misschien zelfs zouden gaan trouwen...' Hij wierp een blik op Magnus en zag even een zweem van geamuseerdheid op het gezicht van de magiër, maar toen verscheen het onbewogen masker weer.

Klauw sprak verder: 'Maar toen ik met Caleb terugkwam uit Latagore, was ze weg. En ik had amper de tijd gehad om erover na te denken dat ik haar nooit meer zou zien, of Meggie...'  

'Aha,' zei Magnus. 'Ze was bij jou toen ik je die ochtend wakker maakte, dat klopt.'

'Ja, maar hoe kan ik zulke sterke gevoelens voor Lela hebben terwijl ik toch zo makkelijk met Meggie kan gaan? En ik dacht niet eens de hele tijd aan Lela.'

Magnus knikte. 'Zeg me eens, als ik een van de meisjes in een oogwenk hier naar toe kon halen, wie zou je dan willen zien?'

Klauw zweeg, hield zijn vishengel vast en dacht na. 'Dat weet ik niet,' antwoordde hij tenslotte. 'Ik dacht dat ik van Lela hield en ik hou ook van haar. Maar Meggie heeft zo'n aparte manier van bewegen. Ze is... vurig. Dat is het woord, toch?'

'Ja, dat is het woord.' Magnus viel even stil. 'De wegen van het hart zijn complex.' Zijn blik ging weer naar de oceaan. 'De golven kolken en slaan te pletter op de rotsen, Klauw. Net als de gevoelens van de mens. Hartstocht kan je ondergang betekenen. Hartstocht hoort hand in hand te gaan met wijsheid, want anders geef je je vijanden een wapen in handen.'

'Dat begrijp ik niet.'

'De meeste mannen zijn op een bepaald moment in hun leven vol van iets,' begon Magnus. 'Dat kan een vrouw zijn van wie ze houden, of een roeping of ambacht, of het kan een ideaal zijn.'

'Een ideaal?'

Magnus knikte. 'Er zijn mannen die bereid zijn hun leven op te offeren voor een idee. Mannen die het algemeen belang boven hun eigen gewin plaatsen.' Hij keek Klauw aan. 'En aan de andere kant van het spectrum bevinden zich de duistere passies: ambitie, hebzucht, wellust, machtshonger. Wat jij voor Lela en Meggie voelt, ligt ergens tussen die uitersten in, tussen het streven naar een ideaal en de zucht naar genot. In het ergste geval handel je uit blinde wellust, zonder rekening te houden met de eigenschappen van de vrouwen die je najaagt. Of je hebt zulke hooggestemde idealen dat je te gemakkelijk door vrouwen betoverd raakt en voor hen allemaal een grenzeloze bewondering koestert. Beide uitersten zijn een vergissing.'

Klauw knikte dat hij het begreep.

'Je bent nog jong. Er zullen nog vele vrouwen in je leven komen als je dat wilt. Maar de omstandigheden kunnen je ook dwingen de waarheid onder ogen te zien: is het wellust wat je voelt, of is er sprake van liefde? Beide vrouwen die je hebt gekend zijn grotendeels goed. In ieder geval hadden ze geen kwade plannen met je. Ze zorgden voor je op hun manier, en jij voor hen. Maar ik weet nog hoe het was om zo oud te zijn als jij en in een paar mooie ogen te staren en zo te worden meegesleurd door gevoelens dat je denkt dat je hart zal stoppen met slaan. Maar een paar dagen later heb je precies dezelfde gevoelens als je in een ander paar ogen staart. Zo is het hart van een jongeman, Klauw. Het moet worden getemd en beteugeld, als een onwillig veulen. Het moet leren het verstand te volgen, want liefde, zul je ontdekken, is een moeilijk iets.'  

'Ik weet niet of mijn vraag hiermee wel is beantwoord.'

'Ik weet niet of je wel hebt begrepen wat je vroeg,' kaatste Magnus terug. Hij pakte zijn hengel, haalde de lijn in en wierp hem weer uit in de branding. 'We praten er binnenkort verder over. En het zal niet lang duren voordat je er ook anderen naar kunt vragen. Anderen die je er veel beter mee kunnen helpen dan ik.'

'Dank je, Magnus.'

'Het is niets. Je zult nog veel meer vragen voor me hebben voordat onze tijd op dit eiland erop zit.'

'Hoe lang blijf ik dan nog hier?'

'Zo lang als nodig is.'

'Nodig waarvoor?'

'Om te komen waar we moeten zijn,' antwoordde Magnus.

Klauw wilde nog een vraag stellen, maar bedacht zich.

 

De middag verstreek, en Klauw kreeg honger. 'Zouden we nog iets te eten vangen, hier?'

'Heb je honger?'

'Eigenlijk wel.'

'Weet je hoe je vis moet bereiden?'

Klauw had met Leo enkele malen een visschotel gemaakt. 'Ja, maar je hebt alleen maar een ketel en een spit om mee te koken. Ik denk dat ik wel een soepje kan maken...'

'Nee,' zei Magnus. 'Ik dacht aan iets verfijnders. We eten nu al dik een maand soep en gebraad. Laten we vanavond eens een keer lekker dineren.'

'Hoe moet ik zo'n maaltijd bereiden zonder keukengerei?'

'Maak je geen zorgen,' zei Magnus. 'Eerst moeten we een goed hoofdgerecht voor je zoeken.' Hij deed zijn ogen dicht, en toen ze weer opengingen, meende Klauw er een vage schittering in te zien. Magnus stak een hand uit, met de palm naar boven, en bracht hem omhoog. Uit de zee steeg een vis op van bijna vier voet lengte. Magnus gebaarde, en het beest zweefde door de lucht en viel aan Klauws voeten neer. Daar lag hij te spartelen op het zand.

'Voorzichtig. Je kunt je snijden aan die vinnen als je hem te stevig vastpakt.'

Klauw keek Magnus aan. 'Moet ik hem naar de hut dragen?'

'Hoe wou je hem anders daar krijgen?' vroeg de magiër.

Klauw probeerde het spartelende dier op te pakken, maar het was behalve glibberig ook zwaar. 'Is er iets waarmee ik kan zorgen dat hij stil ligt?' vroeg hij na enkele mislukte pogingen om zich over de vis te ontfermen.

'O,' zei Magnus, en na een snelle beweging van zijn hand lag de vis stil. 'Hij leeft nog, zodat hij vers is als je hem flieert. Dit beestje is een tonijn, en je kunt het vlees zachtjes grillen, met verschillende kruiden erbij. Met een licht gekruide rijstschotel en een assortiment gestoomde groenten erbij is het een complete maaltijd. En wat koele witte wijn, misschien een niet te droge uit Ravensburg.'  

Klauw pakte de enorme vis op en keek naar het steile pad dat langs het klif omhoog liep. 'Verder nog iets?'

'Als ik nog iets bedenk, laat ik het je wel weten.'

Langzaam wandelde Klauw terug het pad op, en tegen de tijd dat hij bij de hut kwam, zaten de spieren van zijn armen en schouders in de knoop, trilden zijn knieën en was hij ervan overtuigd dat de vis even zwaar was als hijzelf.

Hij vroeg zich af wat hij met het beest aan moest. Hij kon hem schoonmaken op de tafel, maar dat gaf rommel. Misschien buiten op de grond, dan kon hij het afval wegspoelen met water uit de put. Dan was ook meteen het zand van de vis gespoeld. En als de filets groot genoeg waren, kon hij ze aan het spit rijgen en roosteren.

Maar hoe kwam hij aan rijst, of aan kruiden? Tot dusver was de kost in Magnus' hut nogal simpel geweest, om het vriendelijk uit te drukken.

Hij legde de vis neer, blij toe, en toen hij overeind kwam, liet zijn rug hem middels een pijnscheut weten dat hij zo'n stom tochtje niet nog eens moest proberen. Met de knokkels van zijn ene hand wreef hij over de zere plek terwijl hij met de andere hand de deur van de hut opendeed.

Hij stapte de hut in en viel bijna om van verbazing. In plaats van in het kleine interieur dat hij zo goed had leren kennen, stond hij in een grote keuken. Groter dan de hut. Hij wierp door de deur een blik naar buiten en zag het vertrouwde landschap voor de hut, maar binnen zag het er heel anders uit.

Er stond een grote keukentafel met een pomp waar hij de vis kon schoonmaken, en erachter stond een stenen fornuis. Naast het fornuis brandde een vuurtje onder een metalen grill. Hij zag legplanken aan de achtermuur en twijfelde er niet aan dat hij daar kruiden en rijst kon vinden. En die deur daar leidde natuurlijk naar een wijnkelder waar hij precies de goede koele witte wijn zou vinden om bij de maaltijd te drinken.

Zachtjes mompelde Klauw: 'Hoe doet hij dat?'