20

Pas in de zomer voerden Jack Foley en Nan Mahon het gesprek waarvan ze allebei wisten dat het onontkoombaar was. Na een kort verblijf in het ziekenhuis van Ballylee was ze teruggegaan naar Dublin.

Dat was op haar uitdrukkelijk verzoek gebeurd. Ze was zo nerveus dat dokter Johnson er maar mee had ingestemd.

Jack werkte nog steeds op het kantoor van zijn oom, maar hij studeerde tegelijkertijd voor zijn propaedeutisch examen. Er bestond een mogelijkheid dat hij terugkwam en weer rechten ging studeren. Aidan had collegedictaten voor hem gemaakt.

Aidan en Jack zagen elkaar vaak, maar ze praatten nooit over wat hen het meest bezighield. Op de een of andere manier was het gemakkelijker om gewoon wat te kletsen en vrienden te zijn – om er niet over te beginnen.

Brian Mahon wilde gaan procederen. Hij zei dat om hem heen de mensen goddomme voor de kleinste onbenulligheden een proces begonnen. Waarom zouden zij er niet wat geld aan over houden? Dat dorpskind zou toch wel een of andere verzekering hebben?

Nan voelde zich erg zwakjes, maar haar wond genas goed. Het rode litteken zou mettertijd vanzelf wegtrekken.

Omdat ze tegen haar familie nooit uitgebreid had verhaald over haar zwangerschap, verwachtte nu ook niemand dat ze omstandig verklaarde waarom die nu voorbij was. Ze lag lange da\gen in het bed waarin ze ooit haar dromen had gekoesterd.

Ze wilde niet dat Jack Foley op bezoek kwam.

‘Over een tijdje,’ had ze tegen hem gezegd. ‘Over een tijdje, als we weer met elkaar kunnen praten.’

Hij was opgelucht geweest. Ze had dat aan zijn ogen gezien. Ze kon ook zien dat hij wenste dat het afgelopen was, uit, zodat hij kon doorgaan met zijn eigen leven.

Maar zij was er nog niet klaar voor om haar eigen leven op te nemen. Ze had zware verwondingen gehad. Hij moest haar de tijd gunnen om de zaken op een rijtje te krijgen.

‘Van jouw verloofde geen spoor,’ zei Nasey tegen haar.

‘Dat zit wel goed.’

‘Pap zegt dat we hem kunnen aanklagen wegens woordbreuk als hij je in de steek laat om je ongeluk.’

Ze sloot vermoeid haar ogen.

Heather vertelde aan haar schoolvriendinnen keer op keer het verhaal over de val door het glas en al het bloed. Ze wist dat ze nooit meer zo’n gretig publiek zou krijgen. Ze hingen aan haar lippen. Heather, twaalf jaar oud, was op een feestje van volwassenen geweest, met een koksmuts op, en had al dat bloed gezien. Niemand had haar snel naar huis gebracht of gezegd dat ze niet mocht kijken. Ze vertelde natuurlijk niet dat ze de grootste tijd duizelig was geweest en tegen Benny’s borst had staan huilen. Net zo min vertelde ze dat Eve met wit weggetrokken gezicht op de grond was gaan zitten en urenlang geen woord had kunnen uitbrengen.

Het kostte Eve veel tijd om zich over die avond heen te zetten. Ze vertelde maar aan drie mensen dat ze het vleesmes in haar hand had gehad. Ze vertelde het aan Benny, Kit en Aidan. Ze hadden alledrie hetzelfde gezegd. Ze zeiden dat ze Nan niet had aangeraakt, dat ze alleen had gedreigd. Ze zeiden dat ze zoiets nooit gedaan zou hebben en dat ze zich op tijd zou hebben inge houden.

Volgens Benny kon je niet tien jaar lang iemands beste vriendin zijn en zoiets niet weten.

Kit zei dat ze iemand niet in haar huis zou willen hebben als ze niet zeker wist hoe die iemand was. Eve kon hard schreeuwen en brullen, maar ze zou nooit een ander mens kunnen neersteken.

Aidan zei dat het allemaal onzin was. Ze had de hele avond al met dat mes in haar handen gestaan. Hij had toch zelf ook gevraagd of ze het neer wilde leggen? Hij zei dat de toekomstige moeder van zijn acht kinderen veel irritante eigenschappen had, maar een potentiële moordenares was ze niet.

Langzamerhand begon ze het te geloven.

Langzamerhand kon ze haar keuken binnengaan zonder in gedachten weer het bloed en de glasscherven te zien.

Al gauw daarna verdween ook de gespannen uitdrukking van haar gezicht.

Annabel Hogan zei tegen Peggy Pine dat ze nooit de ware toedracht van de gebeurtenissen op die avond in het huisje zouden vernemen, hoe ze er ook naar zouden vissen. Peggy zei dat het waarschijnlijk beter was er niet meer over te beginnen. Het was beter om aan positievere dingen te denken, zoals Patsy’s bruiloft en de vraag of ze het huis moest verkopen en boven de winkel zou gaan wonen. Zodra de mare rondging dat het huis te koop kwam, waren er een paar veelbelovende aanbiedingen gedaan. Er waren prijzen genoemd waarvan die arme Eddie Hogan zich zou omdraaien in zijn graf.

‘Maar dan zou hij zich wel met alle genoegen omdraaien,’ zei Peggy Pine. ‘Hij heeft altijd het beste gewild voor jullie tweetjes.’

Dat was de juiste benadering. Annabel Hogan begon de aanbiedingen serieus te overwegen.

Benny vond de zomerperiode aan de universiteit net zes weken vakantie in een andere stad. Het was zo anders dan anders. De dagen waren lang en warm. Ze namen hun boeken mee naar de achterkant van de universiteit en gingen zitten studeren in het park.

Ze was altijd van plan geweest om informatie in te winnen over deze tuinen van het St. Stephen’s Green en te vragen wie ze onderhield. Ze behoorden duidelijk toe aan de universiteit. Het park was even vredig als onbekend. Dat wil zeggen niet zo bekend als bijna iedere andere vierkante meter in Dublin, die ze met Jack associeerde.

Soms bleef ze bij Eve in Dunlaoghaire logeren, soms gingen ze samen met de bus naar huis. Er stond een divan in Eves huisje, daar sliep ze af en toe. Haar moeder, geheel in beslag genomen door haar winkel en de verhuizing, leek blij dat Benny bij Eve terecht kon. Ze noemden het studeren, maar in feite was het praten. Terwijl de fuchsia’s begonnen uit te komen en de rozen begonnen te bloeien, zaten de vriendinnen bij elkaar en praatten. Wat er was gebeurd met Nan en Jack kwam weinig ter sprake. Het was te recent, te vers nog.

‘Ik denk wel eens, waar zouden ze heengegaan zijn,’ zei Benny op een keer, zomaar. ‘Een paar mensen hielden vol dat ze die twee hier in Knockglen hadden gezien, maar waar kunnen ze dan geslapen hebben?’

‘Hier,’ zei Eve zonder omhaal.

Ze hoefde Benny niet te vertellen dat het buiten haar om was gebeurd en dat het haar hart had gebroken. Ze zag tranen in Benny’s ogen.

Er viel een lange stilte.

‘Ze moet een miskraam hebben gehad,’ zei Benny.

‘Ik denk het wel,’ zei Eve.

Ze moest opeens denken aan de vloek die haar vader over de Westwards had uitgesproken. En dat veel van hen inderdaad pech hadden gehad.

Zou dit er ook bij horen? Een Westward die nog niet eens zijn geboorte had gehaald?

Meneer Flood was verwezen naar een nieuwe, jonge psychiater, die een zeer vriendelijk jongmens bleek te zijn. Hij luisterde eindeloos naar meneer Flood en schreef toen medicijnen voor. De nonnen verdwenen uit de bomen. Zelfs was meneer Flood geschokt dat hij ooit had kunnen denken dat ze er hadden gezeten. Er werd besloten het op te vatten als een zinsbegoocheling door de lichtval. Iets dat iedereen kon overkomen.

Dessie Burns zei dat het probleem van dit land was dat iedereen geobsedeerd was door drank. Iedereen die je tegenkwam was of aan de drank of net van de drank af. Wat nodig was, was matigheid. Hijzelf bijvoorbeeld zou voortaan een matige drinker zijn. Voor hem hoefde die dronkelapperij niet meer. Het personeel van Shea’s kroeg zei dat het er maar van afhing wat je onder matig verstond, maar meneer Burns dronk in ieder geval niet meer tussen de middag en dat was al heel wat.

Knockglen kon mooi fluiten naar het huwelijk tussen mevrouw Dorothy Healy en meneer Sean Walsh. Aangezien mevrouw Healy voor de tweede keer trouwde en Sean Walsh geen naaste verwanten van betekenis had, besloten ze in Rome te trouwen. Het moest iets heel speciaals worden. Ze konden niet door de Heilige Vader zelf in de echt worden verbonden, maar ze zouden samen met een paar honderd pasgetrouwde stelletjes zijn zegen ontvangen.

‘Ze konden nog geen tien mensen bij elkaar krijgen voor hun bruiloft in Knockglen,’ zei Patsy tegen mevrouw Hogan.

Patsy was zeer ingenomen met deze beslissing, die inhield dat haar eigen bruiloft geen concurrentie meer had.

Het verraste Eve dat ze een uitnodiging kreeg voor Patsy’s bruiloft. Ze was alleen van plan geweest om naar de kerk te gaan, om haar aan te moedigen, zoals Heather zou zeggen. Feit was dat zij en Patsy buren werden, daar aan het pad langs de steengroeve. Ze nam aan dat Mossy’s moeder afschuwelijke verhalen had vernomen over de toestanden tijdens het feest. Waarschijnlijk zou ze haar nu beschouwen als een schaamteloze del die dronkemanspartijen aanrichtte. Eve wist nog niet dat Mossy aan zijn moeder even weinig vertelde als aan wie dan ook. Ze werd bovendien steeds dover en omdat ze alleen wist wat hij haar toevertrouwde, wist ze opmerkelijk weinig.

Wat ze heel goed wist, was dat Patsy goed kon koken en geen eigen familie had die eisen kon stellen, dus Patsy zou haar handen vrij hebben om Mossy’s moeder op haar oude dag te verzorgen.

Moeder Francis zag dokter Johnson in zijn auto voorbijrijden. Ze stond uit het raam te kijken, zoals ze vaak deed als de kinderen aan een proefwerk bezig waren, en dacht na over het dorp. Hoe zou het zijn om uit Knockglen weg te moeten en in te trekken in een ander klooster? Iedere zomer werden de overplaatsingen bekendgemaakt. Het was altijd een opluchting om te horen dat ze weer een jaar mocht blijven waar ze zat. Heilige Gehoorzaamheid hield in dat je zonder sputteren ging waar je werd heengestuurd door degenen die boven je waren gesteld.

Op onwaardige wijze hoopte ze elk jaar dat moeder Clare niet naar hen toe zou worden gestuurd. Ze bad niet met zoveel woorden of moeder Clare in Dublin mocht blijven, want God kende haar opvattingen in deze. Elke dag konden nu de berichten van overplaatsingen binnenkomen. Het waren altijd een paar onrustige weken als ze op dat nieuws moest wachten.

Waar zou dokter Johnson heen gaan, dacht ze. Wat een vreemd, veeleisend leven, altijd op weg om iemand geboren te zien worden, te zien sterven of daar tussenin gecompliceerde dingen te zien doormaken.

Majoor Westward was al dood toen de dokter aankwam. Dokter Johnson drukte de ogen dicht, trok het laken over het vervallen gelaat en ging naast mevrouw Walsh zitten. Hij zou de begrafenisondernemer en de dominee bellen om hen op de hoogte te stellen, maar eerst moest iemand Simon Westward zien te vinden.

‘Ik heb hem vanmorgen aan de telefoon gehad. Hij is van Engeland op weg hier naartoe.’

‘Nou ja, dan kan ik niet veel meer doen.’ Hij stond op en pakte zijn jas. ‘Geen groot verlies.’

‘Wat zegt u, dokter Johnson?’

Hij had haar recht aangekeken. Ze was een vreemde vrouw. Ze hield van het idee om bij ‘het grote huis’ te horen, zelfs al was het nu alleen nog maar een groot gebouw, zonder iets groots meer. Ze zou waarschijnlijk blijven als Simon met een bruid thuiskwam. Ze zou hier oud worden en het gevoel hebben dat haar positie iets adellijks had gekregen door haar verbintenis met deze mensen.

Het was niet eerlijk van hem om zo hard te oordelen over de dode man. Hij had de oude Westward nooit gemogen. Hij had hem arrogant gevonden en gierig ten opzichte van het dorp dat naast zijn deur lag. Het ging zijn voorstellingsvermogen te boven dat Eve Malone door de oude potentaat was onterfd.

Maar hij moest de gevoelens van andere mensen niet kwetsen. Zijn vrouw had hem dat al duizend keer verteld.

Hij besloot zijn grafrede te veranderen.

‘Pardon, mevrouw Walsh, wat ik zei, was: “Wat een verlies, wat een groot verlies”. Wilt u Simon mijn condoléances overbrengen?’

‘Ik weet zeker dat meneer Simon u zal bellen, dokter, als hij terug is.’

Mevrouw Walsh trok een zuinig mondje. Ze had heel goed verstaan wat hij de eerste keer had gezegd.

Jack Foleys ouders zeiden dat hij zich uiterst onredelijk opstelde. Wat moesten ze ervan denken of zeggen? Ging het huwelijk nu wel of niet door? Omdat het blijkbaar niet dringend meer was en de drie weken voorbereidingstijd allang voorbij waren, namen ze aan dat Nan niet langer zwanger was. Jack had ben toegebeten dat hij dit onmogelijk met hen kon bespreken zolang ze nog herstellende was.

‘Ik denk dat we wel eens mogen weten waarom je nu weer een reden hebt om dit overhaaste huwelijk te annuleren,’ zei zijn vader streng.

‘Ze heeft een miskraam gehad,’ zei hij. ‘Maar verder is er nog geen duidelijkheid.’

Hij zag er zo aangedaan uit dat ze hem met rust lieten. Op hun belangrijkste vraag was immers een antwoord gekomen, het antwoord waar ze op gehoopt hadden.

Paddy Hickey vroeg Kit Hegarty ten huwelijk aan een raamtafeltje in een groot hotel in Dunlaoghaire. Zijn handen beefden toen hij haar vroeg. Hij gebruikte formele woorden, alsof een aanzoek een soort toverspreuk was die niet zou werken tenzij hij haar vroeg ‘hem de eer te verschaffen’ zijn echtgenote te willen worden.

Hij zei dat al zijn kinderen wisten dat hij haar ging vragen. Ze zaten te wachten en hoopten op een jawoord, net als hijzelf. Hij praatte zo lang en in zulke bloemrijke bewoordingen dat Kit nauwelijks een gaatje kon vinden om ja te zeggen.

‘Wat zei je?’ vroeg hij een stuk later.

‘Ik zei dat ik graag wil en dat ik denk dat we samen heel gelukkig zullen worden.’

Hij stond op, kwam om het tafeltje heen naar haar toe en voor de ogen van alle aanwezigen in de eetzaal nam hij haar in zijn armen en kuste haar.

Zelfs midden in die omhelzing kreeg hij van de zenuwen nog het gevoel dat iedereen vork en mes had neergelegd en zijn glas vergat om naar hen te kijken.

‘We gaan trouwen,’ riep hij uit en zijn gezicht bloosde van genoegen.

‘Gelukkig vertrek ik naar de wildernis van Kerry. Ik zou me hier niet meer durven vertonen,’ zei Kit, terwijl ze de glimlachjes, de handdrukken en zelfs het hoera-geroep van de andere gasten in ontvangst nam.

Simon Westward vroeg zich af of zijn grootvader wel had geweten hoe slecht de dag, die hij had uitgekozen om te sterven, uitkwam. De regelingen met betrekking tot Simons huwelijk met Olivia bevonden zich in een beslissend stadium. Een overlijdensbericht kon hij daarbij missen als kiespijn. Aan de andere kant had hij misschien een betere onderhandelingspositie als hij ook in naam heer en meester over de Westwards was. Hij probeerde wat gevoel op te brengen voor de eenzame oude man, maar kwam niet verder dan de bedenking dat majoor Westward veel van zijn ellende zelf over zich had afgeroepen.

Waarschijnlijk was het niet gemakkelijk geweest om Sarah’s slechtgekozen echtgenoot, die klusjesman, in zijn huis te verwelkomen, maar hij had toch wel wat toeschietelijker kunnen zijn tegenover hun kind. Eve zou al die jaren ook voor hemzelf goed gezelschap zijn geweest. Als ze was geboren en getogen in het grote huis zou ze niet die blinde haat hebben ontwikkeld die door haar verbanning zo op de voorgrond was getreden.

Hij dacht niet graag aan Eve. Dat riep nare herinneringen op aan die afschuwelijke dag op de Westlands toen de oude man zo tekeer was gegaan.

En het deed hem aan Nan denken.

Iemand had hem een knipsel uit The Irish Times gestuurd met het bericht van haar verloving. De enveloppe was getypt. Eerst geloofde hij dat Nan het zelf gedaan had, maar later bedacht hij dat het haar stijl niet was om zoiets te doen. Ze was weggegaan zonder één keer om te kijken. En voor zover hij kon nagaan, had ze de cheque die hij haar had toegestopt nog niet verzilverd. Hij wist niet wie het knipsel had gestuurd. Misschien had Eve het gedaan.

Heather vroeg moeder Francis of Eve naar de begrafenis van grootvader zou komen.

Moeder Francis zei dat ze daar maar niet op moest rekenen.

‘Hij is altijd een heel aardige man geweest, maar toen hij ouder werd, werd dat anders,’ zei Heather.

‘Ik weet het,’ zei moeder Francis. Ze had zelf ook zorgen. Moeder Clare werd naar Knockglen gestuurd. Peggy Pine kon dan wel zeggen dat moeder Francis de zweep ter hand moest nemen en laten zien wie hier de baas was, plus nog een heleboel andere, stuk voor stuk niet erg religieuze instructies... het bleef een ramp voor de congregatie. Kon ze maar iets vinden waar moeder Clare belangstelling voor had, iets waar ze zoet mee zou zijn.

‘Bent u in een slechte bui, moeder?’ vroeg Heather.

‘O Heere, kind, je bent duidelijk Eves nichtje. Je hebt precies hetzelfde talent om het op te merken als er iets mis is. De rest van de school kan voorbij hollen en geen moment ergens iets van merken.’

Heather keek haar bedachtzaam aan.

‘Ik denk dat u meer geloof moet hechten aan de novene. Zuster Imelda zegt dat die altijd werkt. Ze heeft voor mij een novene gebeden toen ik was weggelopen en kijk eens hoe goed hij heeft gewerkt.’

Moeder Francis maakte zich soms zorgen over de bezetenheid waarmee Heather zich juist de meer gecompliceerde aspecten van het katholieke geloof eigen maakte.

Nan belde Jack met de vraag of ze elkaar konden treffen.

‘Zeg jij maar waar,’ zei hij.

‘Je kent het Herbert Park? Het is bij jou in de buurt.’

‘Is dat voor jou niet te ver weg?’ Ze deden merkwaardig formeel.

Als iemand dit knappe stel had zien lopen, zouden ze hebben gedacht dat het zo’n vakantieliefde op z’n einde was en hebben geglimlacht.

Er was geen ring om terug te geven. Er waren weinig regelingen die teruggedraaid moesten worden.

Ze zei dat ze naar Londen ging. Ze hoopte daar een cursus modeontwerpen te kunnen volgen. Ze moest een tijdje weg. Ze wist eigenlijk niet precies wat ze wilde, maar ze wist in ieder ge\val wat ze niet wilde. Ze sprak op vlakke toon, zonder intonatie in haar stem. Jack probeerde schuldbewust het overweldigende gevoel van opluchting te onderdrukken. Opluchting dat hij niet met deze mooie meid hoefde te trouwen en niet zijn hele verdere leven met haar hoefde te delen.

Toen ze het parkje met zijn kleurige bloemenrijen en tennisbanen verlieten, wisten ze dat ze elkaar waarschijnlijk nooit meer zouden zien.

De dag van Patsy’s bruiloft begon helder en zonnig. Eve en Benny waren gekomen om haar te helpen kleden. Clodagh was er ook, om te controleren of die twee grapjassen niets verkeerd zouden doen.

Paccy Moore zou als vader van de bruid optreden. Hij had gezegd dat hij zich niet beledigd voelde als ze iemand wou die niet mank liep, want misschien zou hij in de kerk te veel herrie maken met die poot van hem, maar Patsy wou niemand anders.

Zijn neef Dekko zou getuige zijn en zijn zuster Bee bruidsmeisje. Zo leken ze net één familie.

Het mooiste zilver was tevoorschijn gehaald, ondanks Patsy’s waarschuwing dat een paar neven van Mossy wellicht lange vingers hadden. Er was kip, ham, aardappelsalade, allerlei soorten gebak en roomsoezen.

Het zou een groot feest worden.

Clodagh had Patsy’s wenkbrauwen geëpileerd. Ze stond erop om haar ook op te maken.

‘Zou m’n moeder me kunnen zien vanuit de hemel?’ vroeg Patsy zich af. Een moment wist geen van de drie meisjes iets te zeggen. Ze waren stuk voor stuk ontroerd door de gedachte dat Patsy steun zocht bij een moeder die ze nooit had gekend en dat ze er zo zeker van was dat die vrouw in de hemel woonde.

Benny snoot luidruchtig haar neus.

‘Ik weet zeker dat ze je kan zien. Ze zegt waarschijnlijk dat je er schitterend uitziet.’

‘Zeg Benny, wil jij je neus niet zo hard snuiten als we in de kerk zijn. Je zou de helft van de congregatie uit de banken blazen,’ mopperde Patsy.

Dokter Johnson reed het gezelschap naar de kerk.

‘Fraai zo, Patsy,’ zei hij, terwijl hij Paccy en de bruid achterin zijn Morris Cowley hielp. ‘Je steekt die oude taart daarginds vast de ogen uit.’ Dat was precies de goede opmerking, dit partijdige complimentje, om Patsy te laten merken dat ze alle winst voor het grijpen had en dat Mossy’s moeder geen schijn van kans maakte.

Dessie Burns had die ochtend afgezien van matiging. Hij probeerde de bruidsstoet vanuit zijn deuropening zwierig te groeten, maar dat was niet eenvoudig met een fles in de ene en een glas in de andere hand. Hij raakte volledig uit balans en stortte ter aarde. Dokter Johnson wierp hem een grimmige blik toe. Dat zou het volgende medisch ingrijpen zijn dat hem te doen stond: de kop van die idioot dichthechten.

Het was een geweldige bruiloft. Patsy moest een paar keer tegen\gehouden worden om niet te gaan opruimen of in de keuken de volgende gang voor te bereiden.

Om vier uur nam het bruidspaar afscheid.

Ze zouden met Dekko naar de bushalte gaan, maar Fonsie zei dat hij toch naar Dublin reed, dus hij kon hen wel bij Bray afzetten.

‘Fonsie zou heilig verklaard moeten worden,’ zei Benny tegen Clodagh.

‘Goed idee. Ik zie zijn beeld al in alle kerken staan. Misschien kunnen we van Knockglen wel een speciaal bedevaartsoord maken. Lourdes zou nergens meer zijn.’

‘Ik meende het echt,’ zei Benny.

‘Dacht je dat ik dat niet wist?’ Een zeldzaam zachte uitdrukking verscheen op Clodaghs gezicht.

Die avond vroeg Annabel Hogan aan Benny of ze er geen bezwaar tegen zou hebben als het huis van haar vader werd verkocht.

Benny wist dat ze niet te enthousiast moest reageren. Daarom zei ze bedachtzaam dat het haar geen slecht idee leek. Dan zouden ze geld hebben om de winkel op te knappen. Vader zou het ermee eens zijn geweest.

‘We hebben altijd gewild dat je vanuit dit huis zou trouwen. Dat is nog het enige dat me tegenhoudt.’

De sporen van Patsy’s bruiloft waren nog overal te zien, de zilveren versierselen van de taart, de papieren servetten, de confetti, glazen die nog overal stonden.

‘Ik wil nog heel lang niet trouwen, moeder. Dat meen ik.’ En vreemd genoeg was dat echt zo.

De pijn die ze om Jack had gevoeld, was al veel minder geworden.

Even voelde ze weer hoe ze alleen al bij de gedachte aan hem had geleden, lichamelijke pijn had gevoeld, en hoe graag ze degene had willen zijn die naast een glimlachende Jack Foley de kerk was binnengeleid.

Die pijn was nu een stuk minder.

Rosemary opperde dat ze een feest in Dublin moesten houden om te laten zien dat er ook buiten Knockglen iets georganiseerd kon worden. Misschien konden ze na afloop van alle tentamens een barbecue houden bij White Rock, op het strand tussen Killiney en Dalkey.

Ze zouden een groot kampvuur maken en zorgen voor worstjes, lamskoteletten en grote hoeveelheden bier.

Sean en Carmel zouden dit keer niet de leiding hebben. Rosemary wilde voor het eten zorgen en haar vriend Tom moest het geld inzamelen. De jongens begonnen meteen geld te storten.

‘Zullen we Jack ook vragen?’ vroeg Bill Dunne. ‘Misschien dit keer maar niet,’ zei Rosemary.

Eve en Benny wilden volgend jaar samen een flatje betrekken. Het studentenhuis in Dunlaoghaire zou worden opgedoekt. Ze waren er erg opgewonden over en keken voor de vakantie al goed rond, zodat ze de horde in september voor waren.

Ze stikten van de plannen. Benny’s moeder zou komen logeren en zelfs moeder Francis zou misschien op bezoek komen. Er was goed nieuws gekomen uit het klooster. Moeder Clare had haar heup gebroken. Niet dat moeder Francis het goed nieuws noemde, maar het betekende wel dat moeder Clare in de buurt van een ziekenhuis en een fysiotherapeut moest blijven en dat alle trappen en de tamelijk grote afstanden in St. Mary niet aan te raden waren. Moeder Francis was juist halverwege haar novene toen het gebeurde. Ze vertelde Eve dat dit haar grootste geloofscrisis tot dusverre had veroorzaakt. Zou het gebed te krachtig zijn?

Op een dag nadat ze een flatje hadden bezichtigd, liepen ze Jack tegen het lijf.

Hij had alleen oog voor Benny. ‘Hoi, Jack.’

Eve zei dat ze er echt vandoor moest en dat ze Benny later wel in Dunlaoghaire zou zien. Ze was weg voordat iemand iets had kunnen terugzeggen.

‘Wil je vanavond met me uit?’ vroeg hij.

Benny dacht na. Haar ogen dwaalden over het gezicht waar ze zoveel van had gehouden. Elke lijn, elke onregelmatigheid was haar lief geweest.

‘Nee Jack, liever niet.’ Haar stem was beleefd, vriendelijk zelfs. Haar antwoord was niet bedoeld als spelletje. ‘Ik heb vanavond al een andere afspraak.’

‘Maar die is alleen met Eve. Zij vindt het heus niet erg.’

‘Nee, het gaat niet. Toch bedankt voor je uitnodiging.’

‘Morgen dan of in het weekend?’ Hij hield zijn hoofd scheef. Benny herinnerde zich opeens hoe zijn vader en moeder die avond op de stoep van hun huis hadden gestaan. Zijn moeder argwanend en verbaasd.

De kleine dingen die haar de afgelopen maanden van de Foleys waren opgevallen, hadden haar doen beseffen dat het waarschijn\lijk altijd zo zou blijven gaan.

Benny had er geen zin in om Jack de rest van haar leven in de gaten te moeten houden en te wantrouwen. Het zou zo makkelijk zijn om nu met hem uit te gaan. Ze konden doorgaan waar ze waren opgehouden. Over een tijdje was Nan vergeten, net zoals ook het incident in Wales min of meer was vergeten.

Maar ze zou zich altijd zorgen maken over de volgende.

De volgende keer dat zij, altijd vrolijk en beschikbaar, weer even niet in de buurt was. Het was te veel gevraagd.

‘Nee.’ Haar glimlach was nog altijd hartelijk.

Hij keek verrast en bedroefd. Meer bedroefd dan verrast. Hij wilde iets zeggen.

‘Ik heb alleen gedaan wat...’ Toen stopte hij.

‘Het was nooit mijn bedoeling...’ Hij stopte weer.

‘Het geeft niet, Jack,’ zei Benny. ‘Echt, het geeft niet.’

Ze dacht tranen in zijn ogen te zien en keek gauw de andere kant op. Ze wilde niet herinnerd worden aan die dag bij het kanaal.

Het vuur knetterde en ze gooiden er steeds meer houtblokken op. Aidan vroeg zich af of Eve en hij niet te laat begonnen met het verwekken van hun acht kinderen. Ze verzekerde hem dat hij gerust kon zijn, dat het fout was om overhaast te werk te gaan. Hij zuchtte pathetisch, maar had kunnen weten dat ze dit zou zeggen.

Rosemary zag er blozend en knap uit. Tom maakte haar de meest buitensporige complimenten. Johnny O’Brien was bij het collectief in ongenade gevallen omdat hij met een brandend stuk hout had gegooid, waardoor de punch in brand was gevlogen. De vlammen waren spectaculair geweest, maar de drank smaakte een stuk minder.

Fonsie en Clodagh waren uit Knockglen overgekomen. Hun uitvoering van een duizelingwekkende jive op een grote platte rots zou niet licht meer worden vergeten.

Sean en Carmel zaten met elkaar te knuffelen zoals ze al sinds onheuglijke tijden deden. Sheila van de rechtenfaculteit had een nieuw kapsel en zag er veel gelukkiger uit. Benny vroeg zich af waarom ze haar vroeger niet zo had gemogen.

Het had waarschijnlijk allemaal met Jack te maken gehad. Zoals alles. De wolken die de maan aan het gezicht hadden onttrokken, dreven voorbij en het was bijna zo licht als overdag.

Ze lachten verrukt naar elkaar. Het was alsof er een enorm zoek licht boven hen was aangegaan. Toen kwamen er weer wolken en werd alles weer geheimer, knusser misschien.

Ze waren moe van al het zingen en dansen op de muziek van de kleine pick-up waar Rosemary voor had gezorgd. Iemand riep dat ze iets stemmigs moesten zingen.

Niet iets waarop Fonsie weer zou gaan dansen. Ergens zette een meisjesstem een traditionele Ierse ballade in. Diverse stemmen klaagden dat het zo’n vreselijk ouderwets lied was, maar ze zongen allemaal mee omdat ze de woorden kenden.

Benny leunde half tegen een rots en half tegen Bill Dunne, die naast haar zat. Ze genoot van de hele avond. Hij verloor haar geen moment uit het oog en kwam steeds aandraven met worstjes aan een prikker en ketchup om erop te doen. Bill was een echte vriend. Je hoefde hem niet je hele leven in de gaten te houden en je zorgen te maken. Je hoefde niet de hele nacht wakker te liggen en te piekeren of hij zich wel vermaakte of zich niet al te veel vermaakte.

Ze zat er net aan te denken hoe warm en lekker makkelijk hij was, toen ze Jack zag afdalen naar het strand.

Het was erg donker en voor de anderen was hij waarschijnlijk niet meer dan gewoon een figuur in de verte. Maar zij wist dat het Jack was die naar het zomerfeest kwam. Om te vragen of hij er weer bij mocht horen.

Ze verroerde zich niet. Ze keek toe. Af en toe bleef hij staan, waar schaduw was, alsof hij zich afvroeg of hij wel welkom zou zijn.

Maar Jack Foley aarzelde nooit lang. Hij wist dat hier zijn vrienden zaten. De lange kronkelende trap lag een eindje af van de rotsen waar ze hun kampvuur hadden. Het was niet zo heel ver, maar het leek hem nogal wat tijd te kosten om hen over het zand te bereiken.

Het duurde lang genoeg voor haar om te bedenken hoe vaak ze zijn gezicht overal had gezien. In gedachten kon ze hem altijd zien glimlachen of fronsen, praten of nadenken. Maandenlang kon ze zijn gezicht zien zoals meneer Flood visioenen zag, boven in de bomen en in de wolken. Ze zag hem in de patronen die de schaduw van de bladeren op de grond vormden. Als ze wakker was, als ze sliep – Jack Foley was het enige beeld dat haar voor ogen zweefde. Niet omdat ze dat opriep, maar gewoon omdat het maar niet wilde verdwijnen.

Zo was het lange tijd gegaan. Toen het goed ging en toen het afgelopen was.

Maar vanavond had ze moeite om zijn gezicht te zien. Ze zou moeten wachten tot hij in het licht van het vuur stond om zich te kunnen herinneren hoe hij eruitzag. Dat was merkwaardig rustgevend.

Iedereen zat nog steeds uit volle borst te zingen toen iemand Jack opmerkte. Ze zongen door. Ze waren allemaal flink aan het overdrijven en aan het lachen. Een paar zwaaiden er naar hem.

Hij stond nu net buiten de groep.

Jack Foley stond buiten de groep. Niemand wenkte hem in de kring. Hij keek glimlachend rond, blij om weer terug te zijn. Zijn nachtmerries waren vervlogen, zijn zonden, naar hij hoopte, vergeven. Hij leek gelukkig om weer bij de hofhouding te mo -gen horen. Zelfs zijn ergste vijand zou hem er nooit van hebben beschuldigd dat Jack koning had willen zijn. Dat was hij slechts bij toeval geworden.

Over het vuur heen zochten zijn ogen die van Benny. Het was moeilijk uit te maken wat hij van haar wilde. Toestemming om hier te mogen zijn?

Vergiffenis voor alles wat er was gebeurd? Of zijn rechtmatige positie als haar minnaar?

Benny lachte de brede, vriendelijke lach waardoor hij verliefd op haar was geworden. Haar welkom was oprecht gemeend. Ze zag er heel lief uit in het licht van de vlammen en ze deed wat niemand anders deed: ze wees hem waar de drank stond en waar de vorken lagen om het vlees aan te roosteren. Hij maakte een pilsje open en kwam voorzichtig op haar af. Dat was een aanmoediging geweest, toch?

Er was niet veel plek op het kleed waar ze tegen Bill Dunne en het stukje rots zat geleund.

Niemand schoof op. Ze vonden dat hij maar moest gaan zitten waar hij plaats zag.

Na enkele ogenblikken deed Jack Foley dat dan maar. Hij ging op een rots zitten. Op het randje.

Bill Dunne, die zijn arm losjes om Benny’s schouder had liggen, haalde die niet weg, omdat ze niet was gaan verzitten, hoewel hij dat wel had verwacht.

Het lied was uit, maar meteen zette iemand een ander oud volksliedje in. Ze zongen met overdreven hartstochtelijke gebaren en rare accenten. Benny staarde in het vuur.

Het was hier vredig. Er zouden meer van zulke avonden komen. Je kon het vergelijken met iets als een rustig meer, niet zoals de snelstromende rivier die het met Jack was. Ze keek toe hoe haar vrienden hun vorken ronddraaiden in het vuur en ze zag vonken opspatten tot in de lucht boven de donkere bergen, maar Jacks gezicht kon ze niet zien.

Ze zag alleen vlammen en vonken, lange schaduwen in het zand en de vloedlijn met zijn kleine schuimende golfjes die uitstroomden over de stenen en het strand.

En ze zag haar vrienden, die in een grote kring zaten. Ze zagen eruit alsof ze voor altijd zouden blijven zingen, voor altijd zouden blijven, een leven lang.

De stemming werd steeds sentimenteler. Fonsie ging hen voor in hartverscheurende liederen over liefde en eeuwige trouw.

Hun stemmen stegen met de rook en de vonken op in de lucht en nergens aan de hemel kon Benny Hogan het gezicht van Jack Foley ontdekken.

Benny zong mee met alle anderen. Ze wist dat Jacks gezicht zich ergens tussen al die gezichten rond het kampvuur bevond en nooit meer de hele nachtelijke hemel in beslag zou nemen.