11
Eddie en Annabel Hogan keken elkaar verwonderd aan toen ze Patsy luid mopperend door de keuken zagen stampen om het ontbijt klaar te maken. Ze hadden geen idee wat er aan de hand was.
Soms konden ze wat van het gemopper ontcijferen... in al die jaren dat ze hier werkte was er nog nooit zo tegen haar gesproken, was er nog nooit zo tegen haar geschreeuwd en was ze nog nooit zo beledigd. Mopper, mopper. Pats, beng.
‘Misschien heeft ze ruzie gehad met Mossy,’ fluisterde Annabel op het moment dat Patsy naar buiten ging om de vier kippen in de kleine kippenren eten te geven.
‘Dan zou zij de eerste zijn die dat voor elkaar heeft gekregen. Ik heb van mijn leven nog nooit zo’n stille man gezien,’ fluisterde Eddie terug.
Ze waren inmiddels te weten gekomen dat Benny vanuit Dublin had gebeld, vlak voordat ze naar het bal zou gaan, terwijl zij een avondwandeling aan het maken waren.
Dokter Johnson had tegen Annabel gezegd dat ze meer moest bewegen en dat een dagelijkse wandeling haar goed zou doen. De vorige avond hadden ze met Shep een heel eind gelopen langs de weg naar Dublin en daarom hadden ze het telefoontje gemist.
‘Was het alleen maar om ons te bedanken voor de jurk, Patsy? Was dat alles?’ vroeg Annabel weer.
‘Dat zei ze,’ zei Patsy kwaad.
De ouders van Benny begrepen er niets van.
‘Misschien was ze een beetje over haar toeren,’ zei Eddie na lang nadenken.
‘Dat kunt u wel zeggen, ja,’ beaamde Patsy.
Clodagh Pine zei tegen haar tante dat ze tussen de middag open moesten blijven.
‘Kind, door jou komen we allemaal nog in het ziekenhuis terecht als we zo door blijven werken.’
Peggy Pine begreep absoluut niet meer hoe ze ooit had kunnen denken dat haar nichtje een luie donder zou worden. Ze had de omzet beduidend weten te verhogen en ondanks haar uiterlijk, dat op zijn minst excentriek te noemen was, slaagde ze erin de oude klanten aan zich te binden.
‘U moet het zo zien, tante Peggy. Wanneer kunnen mensen als Birdie Mac anders naar onze nieuwe jassen komen kijken? Wanneer moet mevrouw Kennedy onze nieuwe blouses bewonderen? Mevrouw Carroll sluit haar kruidenierswinkel tussen de middag, maar als je op haar magere verschijning afgaat, besteedt ze haar lunchpauze niet aan eten. Zou ze niet even tijd hebben om hier naartoe te wandelen en de nieuwe rokken te bekijken?’
‘Het lijkt me toch een beetje oneerlijk. Oneerlijk tegenover de anderen.’ Peggy wist dat ze een beetje verward klonk.
‘Zeg eens, tante Peg, heb ik tijdens mijn wandelingen door Knockglen soms iets over het hoofd gezien? Zijn er hier concurrerende damesmodezaken? Zijn er meer vrouwen die een winkel als de onze hebben en die het ongepast vinden dat wij tussen de middag open zijn?’
‘Dat heeft er niets mee te maken,’ zei Peggy.
‘In alle ernst. Wie kan er nou tegen zijn?’
‘Ze zouden kunnen denken dat we erop uit zijn om geld te verdienen. Dat is alles,’ verdedigde Peggy zich.
‘O jeetje, ja dat zou vreselijk zijn. Al die jaren hebt u natuurlijk geprobeerd om geen geld te verdienen. Of liever nog om geld te verliezen. Hoe kan ik zo stom zijn?’ Clodagh toverde een grijns op haar gezicht.
‘Dat wordt de benen uit ons lijf lopen.’
‘Niet als we een nieuw meisje in dienst nemen.’
‘Daar is geen geld voor.’
‘Loop met mij vandaag de boeken maar eens door en dan zult u zien dat het wél kan.’
Mevrouw Kennedy keek niet erg blij toen ze Fonsie in de deuropening zag verschijnen.
‘Hoe gaat het met de drogisterij, mevrouw K.?’ zei hij. Hij gaf haar altijd een klein knipoogje, alsof ze bij iets duisters was betrokken.
‘Wat kan ik voor u doen?’ vroeg ze met afgemeten stem.
‘Ik zoek een lekker stukje zeep.’
‘Ja... Nou.’ Het lukte haar om te suggereren dat die aankoop hoog tijd was ook.
‘Iets voor meisjes,’ zei hij.
‘Een cadeautje?’ Ze leek verrast.
‘Nee, voor het nieuwe damestoilet,’ zei Fonsie trots.
Hij had veel tijd nodig gehad om Mario ervan te overtuigen dat ze de twee schuurtjes als toilet moesten inrichten en dat het damestoilet er aantrekkelijk uit diende te zien. Meisjes vonden het leuk om zich op te maken en hun haar te doen. Fonsie was er een keer op uitgegaan en had een grote spiegel gekocht waar ze later een plank onder hadden gezet. Wat ze nu nog nodig hadden was een paar mooie handdoeken op een rol en om te beginnen... een lekker stukje zeep.
‘Zou “Appelbloesem” te goed zijn voor wat u in gedachten hebt?’ Mevrouw Kennedy haalde een doos met zeep tevoorschijn.
Fonsie bedacht zich dat hij Clodagh moest opjutten om zeep en talkpoeder haar winkel binnen te smokkelen voordat Peggy kon protesteren dat ze klanten afpakten van de drogisterij. Mevrouw Kennedy was een oude heks, en een hele kwaaie. Ze verdiende het niet om het monopolie op zeep te hebben in het dorp.
Daar zou een einde aan komen. Dat duurde niet lang meer. Maar ondertussen...
‘Dat is precies wat we zoeken, mevrouw Kennedy, hartelijk dank,’ zei hij met een stralende glimlach en schoof geld over de toonbank zonder ook maar met zijn ogen te knipperen toen hij de prijs hoorde.
Sean Walsh zag door het winkelraam dat mevrouw Healy bezig was de koperen naamplaat van het hotel te poetsen. Ze keek er kritisch naar. Zou de plaat misschien beschadigd zijn? Ze keek zo zorgelijk.
Er was niemand in Hogan’s Herenmode, dus ging hij even naar de overkant om te zien wat er aan de hand was.
‘Je krijgt het vuil zo moeilijk uit de letters,’ zei mevrouw Healy. ‘Het blijft in de groeven plakken.’
‘Zoiets moet u toch niet doen, mevrouw Healy. Dat hoort niet,’ zei hij. ‘Laat iemand van uw personeel het koperwerk doen.’
‘U doet het toch ook aan de overkant. Ik heb het u zelf zien doen,’ antwoordde ze.
‘Maar dat ligt anders. De zaak is niet van mij.’
‘Nog niet,’ zei mevrouw Healy.
Sean deed alsof hij het niet had gehoord. ‘U moet toch iemand hebben die het voor u kan doen, mevrouw Healy. Iemand uit de keuken misschien?’
‘Die zijn zo onbetrouwbaar. Die gaan de hele dag met de voorbijgangers staan kletsen. Maar werken, ho maar.’ Mevrouw Healy leek zich niet te realiseren dat zij precies hetzelfde deed.
‘Als u wilt, doe ik uw bord ook, tegelijk als ik het onze doe,’ bood Sean aan. ‘Maar dan wel ’s morgens vroeg, als niemand het ziet.’
‘Dat is buitengewoon aardig van je.’ Mevrouw Healy keek hem verbaasd aan, alsof ze zich afvroeg waarom hij dit aanbood. Ze liet zich erop voorstaan dat ze mensenkennis had. In een hotel kwam je allerlei types tegen en leerde je de mensen in te schatten. Het was moeilijk te bepalen wat Sean Walsh voor iemand was. Hij had het duidelijk op de dochter van de baas voorzien. Een grote stevige meid, met een eigen willetje. Mevrouw Healy vond dat Sean Walsh er verstandig aan zou doen als hij zijn plannen wat vaster omlijnde. Benny Hogan was dan wel een fors meisje dat niet veel gevraagd zou worden, maar als ze eenmaal afgestudeerd was, kon er toch wel eens iemand met haar vandoor gaan. Dan vielen de plannetjes van Sean Walsh in duigen.
Moeder Francis was blij dat het een mooie stralende zaterdagochtend was en dat het niet motregende, zoals het de hele week had gedaan.
Nadat ze op school klaar was, wilde ze in het huisje gaan kijken wat er nog gedaan moest worden. Soms vond ze zichzelf net een klein meisje dat met een poppenhuis speelde. Misschien kwam op deze manier bij haar het verlangen tot uiting dat elk mens wel heeft naar een eigen huis. Ze hoopte niet dat dit de basis van haar roeping tot het religieuze leven aantastte. Je moest juist afzien van een eigen huis en familie en je alleen maar aan je roeping wijden. Maar er stond nergens geschreven dat je geen weeskind mocht helpen dat door de tussenkomst van God aan je was toevertrouwd.
Moeder Francis vroeg zich af hoe haar weesje het op het bal had gehad. Kit Hegarty had gebeld en verteld dat ze er prachtig uitzag. Het enige dat moeder Francis graag gewild had, was dat het geen geleende jurk was geweest, ongeacht hoe mooi en hoe diep de rode kleur ervan was. Ze wenste dat de schooltijd voorbij was, zodat ze de meisjes naar buiten kon laten. Die stonden te trappelen om naar de cafetaria van Mario te gaan en om Peggy Pine’s nieuwe etalage te bekijken. Zou het niet fantastisch zijn als ze nu de bel kon laten luiden, om half twaalf ’s ochtends, en roepen: ‘Jullie zijn vrij.’
De kinderen zouden dat hun hele leven niet vergeten. Maar moeder Clare zou er ongetwijfeld weet van krijgen. Wanneer ze aan haar medezuster dacht, kreeg ze altijd een bezwaard gemoed. Als moeder Clare niet was gekomen, hadden ze misschien Kit Hegarty kunnen uitnodigen voor Kerstmis. Nu kon dat niet. Moeder Clare zou zeggen dat ze het klooster in een pension veranderde.
Over tweeënhalf uur zou ze de sleutel van zijn plekje onder de steen halen en het huisje binnengaan. Ze zou de piano oppoetsen en de door rook verkleurde schoorsteenmantel met een prachtig goudkleurig wandkleed bedekken.
Een van de zusters had het meegenomen uit Afrika. Iedereen vond het heel mooi, maar het was geen religieuze afbeelding. Het leek niet echt geschikt om in een klooster te hangen. Misschien dat ze nog wat andere spulletjes in die kleur kon bemachtigen. Zuster Imelda kon misschien wat goudkleurige kussenovertrekken op de kop tikken.
Eve danste op en neer op haar bed toen ze over de lunchafspraak hoorde.
‘Ik zei het toch. Ik zei het toch.’ Ze bleef het maar herhalen.
‘Nee, niet waar. Je zei dat het leek alsof hij het leuk vond om met me te dansen. Dat was alles.’
‘Nou, volgens jou deed hij alsof het een marteling was en keek hij steeds smekend over je schouder of iemand hem alsjeblieft kwam redden.’
‘Dat heb ik niet gezegd,’ zei Benny. Maar ze had het wel bijna gedacht. Nadat ze de zes heerlijke dansen keer op keer in haar hoofd had afgedraaid, werd ze verscheurd door twee gedachten. Of hij had er net zo van genoten als zij of hij had het alleen maar als zijn plicht gezien. Nu leek het erop alsof hij het echt leuk had gevonden. Het overblijvende probleem was nu wat ze moest dragen om te gaan lunchen.
Alleen de jurk van gisteren was beschikbaar. Maar op een gewone zaterdagochtend kon je helaas geen avondjurk aandoen en overal je boezem laten zien.
‘Ik heb zeventien pond. Ik kan je wel wat lenen als je iets wilt kopen,’ zei Eve.
Maar kopen had geen zin. Niet voor Benny. Er waren simpelweg geen kleren in haar maat.
Als het om Eve was gegaan, dan waren ze zo naar Marine Road in Dunlaoghaire gerend en hadden in twee minuten iets bij Lee of McCullogh kunnen kopen. Als het om Nan ging, hoefden ze alleen maar een kast open te doen en te kiezen. Maar Benny’s kleren, de enige kleren die haar pasten, hingen vijftig kilometer verderop in Knockglen.
Knockglen.
Ze kon beter even haar ouders bellen om uit te vinden waar ze geweest waren en om door te geven dat ze met de avondbus kwam en om iets tegen Patsy te zeggen.
Ze pakte een stel muntjes en liep naar de telefoon.
Haar ouders waren blij dat het bal zo’n succes was geweest en ze wilden weten wat ze te eten hadden gekregen. Ze waren verbijsterd toen ze hoorden dat ze dispensatie hadden gekregen om vlees te eten. Ze waren uit wandelen toen ze belde. Heel lief van haar om op te bellen. Was de borrel bij de Foleys leuk geweest? En had ze nog eens benadrukt hoe dankbaar ze waren voor de uitnodiging?
Benny’s ogen werden vochtig.
‘Zeg tegen Patsy dat ik een paar nylons voor haar heb als cadeautje,’ zei ze plotseling.
‘Je had geen beter moment kunnen kiezen om haar wat te geven,’ zei de moeder van Benny op samenzweerderige toon. ‘Ze loopt de hele dag al rond met een gezicht als een oorwurm. Als een oorwurm die vreselijk de pest in heeft, zou je kunnen zeggen.’
Eve zei dat Kit wel een oplossing zou vinden voor het probleem met de kleren. Kit wist overal raad op.
‘Niet als het om grote maten gaat,’ zei Benny somber.
Maar ze zat ernaast. Kit bedacht dat een van de studenten in huis een prachtige smaragdgroene trui had. Die kon ze lenen. Ze ging zeggen dat-ie gestikt moest worden of zoiets. Jongens zien zulke dingen toch niet. En als hij hem vandaag aan wilde, dan kon dat mooi niet. Kit zou er een kanten kraagje van haarzelf aannaaien en Benny kon haar groene handtas lenen. Ze zou eruit zien om op te vreten.
Fonsie wilde dat Clodagh als eerste het nieuwe damestoilet zou zien.
‘God, het is prachtig.’ Ze was vol bewondering. ‘Roze handdoeken, roze zeep en paarse gordijnen. Het is geweldig.’
Hij maakte zich zorgen over de verlichting. Was die niet te fel?
Clodagh dacht van niet. Als het om jonge mensen ging in ieder geval niet. Als het om ouderen ging wel, want dan zag je hun rimpels zo goed. Maar die moesten de verschrikkingen maar onder ogen zien.
Clodagh hoopte dat ze haar tante zover kon krijgen dat ze twee paskamers liet installeren. Peggy vond dat in een dorp als Knockglen niet nodig. De mensen konden dingen op zicht meenemen. Als ze het niet mooi vonden, brachten ze het gewoon terug.
Dat was natuurlijk niet erg economisch en bovendien konden ze het met de groeiende hoeveelheid nieuwe kleren steeds moeilijker in de gaten houden. Clodagh had voor haar doel het oog laten vallen op een stuk van het magazijn. Er waren alleen nog spiegels, tapijt, licht en mooie gordijnen nodig.
Ze moesten er van zuchten, Clodagh en Fonsie, van al die gevechten om een beetje vooruitgang die ze met hun familie moesten leveren. ‘Laten we wat gaan drinken bij Healy’s,’ zei Fonsie plotseling.
‘Ik heb eigenlijk beloofd dat ik de nieuwe zending van vanmorgen nog zou uitpakken.’
‘Om mijn nieuwe toiletten te vieren en plannen te maken voor jouw nieuwe paskamers,’ smeekte hij.
Als twee vrienden liepen ze naast elkaar over straat. Clodagh droeg een korte jurk van witte wol over een flodderige paarse broek en een paars poloshirt heen. Onder haar vilten mannenhoed, versierd met een paarswitte band, dansten grote oorbellen van wit plastic.
De sponzige schoenzolen van Fonsie maakten geen enkel geluid op de stoep. Op zijn gekreukte, roodfluwelen jasje zat een gele ceintuur, de bovenste knoopjes van zijn overhemd stonden open en links en rechts van zijn kraag bungelden twee rode sliertjes als stropdas. Zijn donkerrode broek zat zo strak dat je het gevoel kreeg dat iedere stap hem pijn moest doen.
Tijdens lunchtijd op zaterdag leek de bar in Healy’s Hotel soms net een kleine sociëteit. Eddie Hogan kwam meestal een borreltje halen en praatte met dokter Johnson die net terugkwam van zijn huisbezoeken. Soms dook pater Ross op en als Dessie Burns weer eens van de drank af was dan dronk hij er slurpend een glas sinaasappelsap, in de prettige wetenschap dat hij hier welkom was.
Meneer Flood was de laatste tijd niet geweest. De verschijningen die hij zag hielden hem te veel bezig. Men had hem weer voor zijn winkel zien staan terwijl hij bedachtzaam naar de boom stond te kijken. Meneer Kennedy was een vaste klant geweest toen hij nog leefde. Zijn vrouw zou er niet eens over willen dromen om zijn plaats in dit gezelschap in te nemen. Soms wipte Peggy even binnen om samen met Birdie Mac snel een gin met vermout te drinken.
Clodagh en Fonsie hielden even stil in de deuropening. Ze wilden zich niet bij de ouwelui voegen, maar het zou brutaal zijn om ze botweg te negeren.
Maar ze hoefden geen beslissing te nemen.
Tussen hen en de bar in stond plotseling de in het korset geregen mevrouw Healy.
‘Kan ik iets voor jullie doen?’ Ze keek van de een naar de ander zonder haar walging te verbergen.
‘Vast wel. Maar ik denk dat we het op dit moment maar bij een drankje houden.’ Fonsie lachte en haalde een hand door zijn vette zwarte haar. Clodagh giechelde en keek naar omlaag.
‘Nou, misschien is het leuk om bij Shea wat te gaan drinken, of nog ergens anders,’ zei mevrouw Healy.
Ze keken haar ongelovig aan. Ze zou hen toch niet de toegang tot de bar weigeren?
De stilte bracht haar enigszins in de war. Mevrouw Healy had protesten verwacht.
‘Misschien dat jullie hier eens kunnen komen... hum... als jullie beter gekleed zijn,’ zei ze met een valse glimlach op haar gezicht.
‘Weigert u ons iets te schenken, mevrouw Healy?’ zei Fonsie met luide stem, zodat iedereen in de zaak het wel moest horen.
‘Ik geef jullie alleen maar de raad om gepaste kleding aan te trekken als jullie een drankje willen drinken in een hotel van dit kaliber,’ zei ze.
‘Weigert u ons omdat we er niet netjes genoeg uitzien om hier iets te drinken?’ vroeg Clodagh. Ze keek naar de hoek waar twee voddig geklede boeren de geslaagde transactie van een stuk land vierden.
‘Ik denk dat je uit respect voor je tante, die hier een zeer gewaardeerde gast is, beter op je woorden kunt passen,’ zei mevrouw Healy.
‘Ze maakt een grapje, Clodagh. Let maar niet op haar,’ zei Fonsie die langs de vrouw probeerde te komen.
Twee rode vlekken in het gezicht van mevrouw Healy waarschuwden dat ze absoluut geen grapje maakte.
Fonsie zei dat er in de bar vier mannen zonder stropdas zaten en dat hij best zijn das wilde strikken als dat zou betekenen dat hij een glas bier kon krijgen.
Clodagh wilde, als haar kleren bij mevrouw Healy niet in de smaak vielen, ze best een voor een uittrekken om uit te vinden of ze er in hemd of onderbroek misschien acceptabel uitzag.
Na een tijdje kregen ze genoeg van het spelletje. Overdreven gesticulerend en protesterend gingen ze de bar uit. Bij de deur draaiden ze zich nog een keer om, allebei met een gezicht als van een opgejaagde zware misdadiger, maar hun gelach was tot ver in de gang en op straat te horen.
Het groepje in de hoek keek elkaar verontrust aan. Het grootste probleem was Peggy, een van de meest gerespecteerde burgers van het dorp. Hoe zou zij het opnemen dat haar nichtje de toegang tot het hotel was geweigerd? Alle vaste klanten in het hotel van mevrouw Healy keken steels naar de grond.
Mevrouw Healy sprak met vaste stem: ‘Iemand moet toch ergens een grens trekken.’
Lilly Foley zei dat die verschrikkelijke ouders van Aidan Lynch niet wisten waar ze een grens moesten trekken.
Jack vroeg waarom ze niet waren gestopt met het verstrekken van drank. Dan zouden de Lynches wel naar huis zijn gegaan. Maar nee, dat was al vroeg op de avond even geprobeerd – de flessen waren letterlijk bij Aengus weggehaald – maar ze waren toch gebleven met hun gebulder.
‘Het ergerde je vader,’ zei Lilly tegen Jack.
‘Waarom heeft hij er dan niets aan gedaan? Hij had toch best “Lieve hemel, is het al zo laat” kunnen zeggen?’ Jack begreep niet waarom ze zich zo druk maakte over een paar ongezellige mensen die wat te lang bleven plakken.
‘Het is de taak van de vrouw om zulk soort dingen te regelen. Het werd gewoon aan mij overgelaten. Zoals ik altijd overal alleen voor sta.’ Lilly Foley leek aan het eind van haar Latijn.
‘Maar afgezien daarvan was het een leuke borrel. Bedankt.’ Jack grinnikte naar haar.
Het kalmeerde haar een beetje. Ze had gemerkt dat haar zoon alweer aan de telefoon had gehangen om een meisje mee uit lunchen te vragen. Ze had niet begrepen wie het was, maar ze veronderstelde dat het de aantrekkelijke Rosemary was, of dat jaargenootje dat een beetje opschepperig deed over haar relaties in de juridische wereld, of misschien dat hele mooie meisje, Nan, in die jurk met al die kleine pareltjes erop. Dat kind had bijna niets gezegd, maar toch had ze de hele tijd in het middelpunt van de belangstelling gestaan.
Lilly keek vertederd naar haar oudste zoon. Zijn haar zat in de war en hij rook naar zeep. Hij had een stevig ontbijt achter de kiezen en las de sportpagina’s van twee kranten. Hij had Aengus wat geld gegeven voor zijn goede hulp bij de borrel.
Lilly wist dat hij een hartenbreker was, net als zijn vader, en dat hij dat tot aan zijn dood zou blijven.
Hij had de naam van het restaurant genoemd alsof iedereen het moest kennen. Carlo’s. Benny had er wel eens van gehoord. Het was vlak bij de haven, waar ze vaak op de bus naar Knockglen had staan wachten. Het was een klein Italiaans restaurant. Ze had Nan ooit horen zeggen dat ze er een avond geweest was en dat ze er kaarsen in wijnflessen hadden staan, net als in de film.
Ze was natuurlijk veel te vroeg. In een parfumeriezaak ging ze wat naar de cosmetica kijken. Ze vond een groene oogschaduw en deed er wat van op haar oogleden.
Het was precies dezelfde kleur als de enorme trui van de student diergeneeskunde. Het winkelmeisje probeerde haar ervan te overtuigen dat het een ideale aankoop zou zijn, omdat het vaak zo moeilijk was om de juiste kleur oogschaduw te vinden. Vooral als je er op een cruciaal moment naar op zoek was.
Benny legde uit dat het haar eigen trui niet was, maar dat ze hem van een jongen had geleend. Ze vroeg zich af waarom ze zoveel vertelde tegen een vreemde.
‘Misschien leent hij hem nog eens aan je uit,’ zei het meisje. Ze droeg een kort, roze nylon jasje en nam haar taak als cosmeticaverkoopster kennelijk serieus.
‘Ik betwijfel het. Ik weet niet eens wie het is. Zijn hospita heeft de trui voor me achterover gedrukt.’
Benny wist dat ze erg vreemd klonk, maar een gesprek over wat dan ook maakte haar minder bang voor de lunch die haar te wachten stond.
Het was zo makkelijk geweest toen ze naar Joy geurde en in zijn armen kon dansen. Maar het was anders om in een groene sweater tegenover hem aan een tafel te zitten. Hoe moest ze glimlachen, hoe moest ze hem voor zich winnen en vasthouden? Gisteravond moest er toch iets geweest zijn dat hem in het bijzonder aantrok. Het konden toch niet haar halfnaakte borsten zijn geweest, of wel?
‘Denk je dat ik wat Joy op kan doen zonder een flesje te kopen,’ smeekte ze het meisje.
‘Dat is niet de bedoeling.’
Ze kreeg een vleugje. Genoeg om hem aan de vorige avond te doen denken.
Carlo’s had een smalle toegangsdeur. Dat was een slecht begin. Benny hoopte dat ze niet ook van die afschuwelijk nauwe stoeltjes hadden. Van die kerkstoeltjes die de laatste tijd zo populair waren. Het was verschrikkelijk moeilijk om je daarin te wurmen. Hoewel een koud winterzonnetje buiten alles in een scherp licht zette, was het binnen donker en warm.
Ze gaf haar jas af aan de ober.
‘Ik heb een afspraak met iemand,’ zei ze.
‘Hij is er al.’
Dat betekende dat Jack hier bekend was, dacht ze teleurgesteld. Misschien kwam hij hier steeds met een ander meisje.
‘Hoe weet u dat dat ik die persoon moet hebben?’ vroeg ze argwanend aan de ober. Denk je de vernedering eens in om voor het oog van iedereen naar de verkeerde tafel te worden geleid en dat Jack haar uit die situatie moest redden.
‘Er is hier maar één andere persoon,’ zei de ober. Hij kwam overeind om haar te begroeten.
‘Gelet op de vorige avond zie je er fraai en goed uitgerust uit,’ zei hij met duidelijke bewondering in zijn stem.
‘Dat komt door die struise wind in Dunlaoghaire,’ zei ze.
Waarom had ze dat gezegd. Er waren van die woorden, zoals ‘struis’, die je niet gebruikte. Zo’n woord deed denken aan grote, jolige meiden op trektocht. Net zoiets als het woord ‘potig’.
Maar hij had geen boodschap aan associatieve woordspelletjes. Hij bleef vol bewondering.
‘Wat het ook is, het werkt. Bij ons thuis hangt zo’n katterig gevoel, met glazen en asbakken die staan opgestapeld in de keuken.’
‘Het was een leuk feestje, nog bedankt.’
‘Ja, het was leuk. Aengus doet je de hartelijke groeten. Hij was erg van je onder de indruk.’
‘Volgens mij dacht hij dat ik gek was.’
‘Welnee, waarom zou hij dat denken?’ Dat had ze niet moeten zeggen. Waarom zei ze nu weer zoiets? Ze haalde zichzelf alleen maar naar beneden. Waarom had ze niet gewoon gevraagd hoe het Aengus de avond verder was afgegaan?
De ober kwam en ontfermde zich over hen. Het was een aardige man, een magerder versie van Mario. Benny vroeg zich af of ze familie van elkaar waren. Zoveel Italianen werkten er nu ook weer niet in Ierland. Benny besloot dat ze het hem wel kon vragen.
‘Hebt u familie die in Knockglen werkt?’
Hij herhaalde de naam van het stadje een aantal malen achtereen en kneep er zijn ogen steeds argwanender bij samen.
‘Waarom denkt u dat ik familie in Knocka Glenna heb?’
‘Daar woont een Italiaan die Mario heet.’
Benny wenste dat het paarse met rode tapijt onder haar voeten zou opensplijten, zodat ze erin kon verdwijnen.
Jack redde haar. ‘Het is waarschijnlijk net zoiets als “Bent u Amerikaan? Dan kent u mijn oom Mo uit Chicago zeker wel.” Ik vraag ook altijd dat soort dingen.’
Ze kon zich niet voorstellen dat hij dat ooit zou doen. Was er dan geen enkele manier om iets van de betovering van de vorige avond terug te halen?
Ze waren nog niet eens aan de lunch begonnen en hij had nu vast al spijt dat hij haar had gevraagd. Zij met haar praatjes over ‘struise’ wind in Dunlaoghaire, wat hem vast deed denken aan dikke dames op ansichtkaarten. En dan zeggen dat zijn broertje wel moest denken dat ze gek was... Waarom betrok ze de ober in een uitzichtloos en verwarrend gesprek over de vraag of hij een Italiaan kende die ver hiervandaan op het platteland woonde? Wat was ze toch een lolbroek. Er zat zelfs niemand in het restaurant die hem enige afleiding had kunnen verschaffen, zodat hij het gevoel kreeg dat het uitje nog wat voorstelde. Benny zou willen dat ze weer in de Dolfijn zat met half Dublin en al die Rosemary’s en Sheila’s en zelfs Carmel en Sean, die maar niet van elkaar af konden blijven en elkaar stukjes brood voerden.
Alles was beter dan dit.
‘Is het niet fantastisch om het restaurant voor onszelf te hebben?’ zei Jack plotseling. ‘Ik voel me net een sultan of een oliebaron. Die doen dat gerust, hoor, restaurants opbellen en alle tafels reserveren om ongestoord te kunnen eten.’
‘Echt waar?’ vroeg Benny belangstellend.
Uiteindelijk kwam er dan toch een gesprek op gang en hij leek het beste te willen maken van dit lege restaurant.
‘Dat heb ik vandaag natuurlijk ook gedaan! Carlo, we hebben de hele tent voor onszelf nodig. Heb je misschien een pianist bij de hand? Nee? Nou ja, laat maar. Een paar violisten aan de tafel dan maar. Laat in elk geval geen gepeupel binnen, geen afgrijselijke Dubliners die hier de lunch willen gebruiken of iets anders walgelijks.’ Ze lachten. Ze lachten net zoals de vorige avond. ‘Wat zei Carlo toen?’
‘Hij zei: “Voor jou, Signore Foley, ik doen alles wat oe wielen, maar alleen als Signorina ies bellissima”.’
De woorden beten zich in haar vast. Ze wilde bijna zeggen: ‘Nou, dan zal het zo meteen wel vollopen, denk je niet?’
Ze wilde zichzelf naar beneden halen uit pure angst dat ze zou kunnen gaan denken dat ze er misschien best leuk uitzag. Maar gelukkig hoorde ze ook het kleine stemmetje dat ‘Niet doen!’ zei. Ze hield haar hoofd een beetje schuin en glimlachte naar hem.
‘Toen je binnenkwam heeft hij gezien hoe mooi je bent en het bordje VOL op de deur gehangen,’ zei Jack.
‘Is dat Carlo zelf die ons bedient, denk je?’ vroeg Benny.
‘Geen idee,’ zei Jack. ‘Hij ziet er meer uit als iemand die een geheime neef in Knockglen heeft wonen, maar niet wil dat iemand daar achterkomt.’
‘Ik moet alles van deze tent onthouden, zodat ik Mario erover kan vertellen,’ zei Benny en keek innig tevreden in het rond.
‘Je bent mooi, Benny,’ zei Jack en legde zijn hand op de hare.
Clodagh vertelde aan haar tante dat ze Healy’s Hotel niet in mocht. Het maakte niet zoveel uit, omdat ze toch niet van plan was geweest om er vaak naar toe te gaan, maar ze vond dat Peggy het moest weten voordat ze het van een ander te horen kreeg.
‘Wat hebben jullie tweeën dan gedaan?’ vroeg Peggy.
‘Ik zou het echt wel zeggen als we iets hadden gedaan, dat weet u. Maar we kwamen gewoon binnenwandelen. Ons uiterlijk stond haar simpelweg niet aan.’
‘Volgens de horecawet mag ze zoiets helemaal niet doen.’
‘Volgens mij wel. De directie behoudt zich het recht voor om... Ik vond dat jij en Mario het moesten weten, maar Fonsie en mij maakt het niets uit. Dat is echt waar.’
Maar even waar was dat het Peggy en Mario wel uitmaakte. Veel zelfs. Geen van beiden was het eens met de manier waarop de twee jongelui zich kleedden. Dat was zelfs de bron van hun geregelde gemopper. Maar om ze daarom de toegang tot het enige hotel in het dorp te weigeren, was iets heel anders. Dat betekende oorlog.
Het duurde niet lang of mevrouw Healy ontdekte waar de grens moest worden getrokken. Meneer Flood, die een helder ogenblik had en zijn non in de boom eens niet ter sprake bracht, zei dat het tijd werd dat iemand een duidelijk standpunt innam. Die twee nozems waren een gruwel. Hij had in de krant gelezen dat er een internationale beweging gaande was die de beschaafde wereld wilde overnemen. De leden zouden elkaar herkennen aan de kleren die ze droegen. Het was geen toeval dat Clodagh en Fonsie zich tot elkaar aangetrokken voelden, zei hij en schudde daarbij ernstig het hoofd. Ook mevrouw Carroll was het met mevrouw Healy eens. Hoe eerder het dorp deze ongewenste elementen afstrafte, hoe beter. Deze twee jonge mensen hadden geen van beiden ouders die hen onder handen konden nemen, alleen een alleenstaande tante en een vrijgezelle oom. Geen wonder dat ze losgeslagen waren. Haar eigen dochter Maire, die haar in de zaak hielp en die een schriftelijke cursus boekhouden volgde, had zich ook al vaak aangetrokken gevoeld tot het felle licht van de cafetaria en de opzichtige kleren in de etalage van wat eens een respectabele winkel was. Heel goed van mevrouw Healy dat ze pal had gestaan.
Mevrouw Kennedy dacht er anders over. Waar haalt mevrouw Healy het lef vandaan, zei ze. Ze was niet eens in Knockglen geboren. Wie dacht ze wel dat ze was om iedereen in het dorp de regels voor te schrijven. Mevrouw Kennedy zei dat het op marktdag in de hoek van de bar vol zat met onsmakelijke figuren en dat handelsreizigers die duidelijk te veel hadden gedronken er in het hotel altijd nog wel iets bij konden bestellen. Mevrouw Kennedy, die de jonge weduwe nooit had gemogen en vond dat wijlen haar man veel te veel avonden in Healy’s had doorgebracht, was ziedend dat mevrouw Healy een nicht van Peggy Pine een drankje had durven weigeren, hoe dwaas het wicht zich ook had aangekleed.
Birdie Mac wist het allemaal niet precies. Ze was een timide vrouw die al heel lang haar bejaarde moeder verzorgde. Ook toen was het niet zo geweest dat ze die taak graag of met tegenzin op zich had genomen. Birdie Mac kon gewoon geen beslissingen nemen. Ze had nooit ergens een mening over. Ook al was ze een vriendin van Peggy, ze luisterde evengoed naar wat mevrouw Carroll zei. Mario was een goede klant van haar en kwam iedere dag koekjes kopen, maar ze was het toch met die arme meneer Flood eens dat de neef van Mario te ver was gegaan en dat je zoiets alleen maar een halt kon toeroepen als iemand halt riep.
Ze had niet veel op met mevrouw Healy als persoon, maar ze bewonderde de moed waarmee zij haar bedrijf leidde in deze mannenwereld, in plaats van nederig achter een kassa in een snoepwinkel te kruipen. En dan was dat nog het enige onafhankelijke waartoe Birdie Mac in haar leven in staat was geweest.
Dokter Johnson vond dat het mevrouw Healy vrijstond om te schenken of te weigeren wie ze maar wilde. Pater Ross wilde zich er niet mee bemoeien. Paccy Moore vertelde tegen zijn neef Dekko dat mevrouw Healy aan iedere voet een eksteroog had. Dat was zijn enige commentaar. Het werd uitgelegd als steun aan Clodagh en Fonsie.
Eddie en Annabel Hogan hadden het er tijdens hun zaterdagse lunch lang over gehad. Het was natuurlijk mogelijk dat Clodagh en Fonsie het dorp Knockglen niet begrepen en dat ze te ver waren gegaan. Beiden liepen vrijwel altijd rond in kleren die nog het best pasten op een mal feest. Maar het waren wel harde werkers, dat kon niet ontkend worden. Daardoor gingen ze uiteindelijk vrijuit. Als het types waren geweest die de halve dag op een straathoek sigaretten stonden te paffen, dan was er geen enkele steun voor hen geweest.
Niemand kon hen van luiheid beschuldigen. En in Knockglen praatte dat een groot aantal zonden goed, bijvoorbeeld die van het te rebels gekleed gaan.
‘Als er iemand de winkel binnenkomt, dan laat je het toch niet van zijn kleren afhangen of je hem helpt, Eddie?’
‘Nee, maar als het iemand is met poep aan zijn schoenen dan zou ik vragen of hij er niet mee naar binnen komt,’ zei hij.
‘Maar ze hadden geen poep aan hun schoenen,’ zei Annabel Hogan. Ze vond altijd dat mevrouw Healy voor mannen een speciaal glimlachje had, maar voor de vrouwen kon er amper een woord af. En Clodagh had zo’n mooie jurk voor Benny gemaakt dat het moeilijk was om niet haar kant te kiezen. Al dat brokaat had er zo prachtig uitgezien. Er zat wat kastanjebruin in, in dezelfde kleur als Benny’s haar, en dan dat prachtige witte vestje dat haar boezem bedekte. Het zag er zo luxueus uit. Zo elegant en vrouwelijk, niet in het minst in de stijl die je van Clodagh zou verwachten.
Ook moeder Francis had van de scène in het hotel gehoord. Peggy reed die middag naar het klooster voor een kop thee en goede raad.
‘Sta er boven, Peggy, sta er boven.’
‘Dat is niet makkelijk als je in de grote boze buitenwereld leeft, Bunty.’
‘Het is ook niet makkelijk als je in een klooster woont. Met kerst krijg ik moeder Clare over de vloer. Probeer je eens voor te stellen hoe het is om daar boven te staan.’
‘Ik ga er nooit meer iets drinken.’
‘Denk goed na, Peggy, denk na. Als je iets wilt drinken, waar ga je dan heen? Naar het gerochel en het zaagsel in de kroeg van Shea misschien? Of naar andere miezerige gelagkamertjes? Neem geen overhaaste beslissingen.
‘Tjonge, Bunty, voor een non weet je wel erg veel van alle kroegen in het dorp af,’ zei Peggy Pine bewonderend.
Ze spraken over het bal en hoe geweldig Aidan Lynch was geweest. Er was geen andere tafel die zoveel prijzen had gewonnen. Jack vertelde dat op een zeker moment een meisje aan een andere tafel was flauwgevallen. Toen ze haar kleren losmaakten om haar lucht te geven, waren er twee broodjes uit haar bh gevallen. Jack moest er hartelijk om lachen. Benny bedacht hoe het meisje zich vandaag moest voelen en dat haar herinneringen aan het feest altijd verbonden zouden blijven met gevoelens van schaamte.
‘Och, kom op, het is grappig,’ zei hij. Ze wist dat ze het grappige ervan moest inzien. ‘Ja, en met al die kruimels in haar jurk zal het flink krabben zijn geweest.’ Ze voelde zich als een judas tegenover dit meisje dat ze niet eens kende, maar ze werd beloond met zijn glimlach.
‘Zoiets zal jij nooit nodig hebben, Benny,’ zei hij en glimlachte nog eens vanaf de andere kant van de tafel.
‘Iedereen is anders.’ Ze voelde zich ernstig in verlegenheid gebracht en keek naar beneden.
‘Maar dan ben jij wel anders op de goede manier,’ zei hij.
Gelukkig had de student diergeneeskunde uit het pension van Kit een trui die ideaal slobberig was. Je kon de rondingen van haar borsten niet eens zien. Ze keek met opluchting op haar boezem neer. Wat kon ze nu zeggen om van onderwerp te veranderen?
Er kwam een ander stel binnen. Jack rechtte zijn rug.
‘Ik had gezegd dat er alleen familie uit Napels binnen mocht en dan uitsluitend als ze stil zouden zijn.’ Hij keek met waarschuwende blik naar de nieuwkomers.
Het was een stel Dubliners van middelbare leeftijd. Ze huiverden van de kou.
‘Waarschijnlijk twee ambtenaren die een verhouding hebben,’ fluisterde Benny.
‘Nee, twee schoolinspecteurs die een plan beramen om iedereen volgend jaar te laten zakken,’ was zijn tegenvoorstel.
Het grootste deel van de tijd was het makkelijk om met hem te praten.
Hij was zo normaal en ontspannen en er was niets in zijn manier van doen dat haar bang maakte. Het lag gewoon aan haar. Benny kwam tot het besef dat ze zich jarenlang anders had voorgedaan dan ze was en de clown had gespeeld. Maar nu ze een romantische rol moest spelen, had ze geen flauw idee hoe ze dat moest doen. Maar het ergste was dat ze niet wist of ze wel geacht werd die rol te spelen. Ze hoopte maar dat ze zijn signalen kon opvangen en zou begrijpen wat hij bedoelde.
Als dat nu maar duidelijk werd, dan kon ze reageren.
Het ijs werd geserveerd. De ober legde uit waaruit deze cassata bestond. Verrukkelijk Napolitaans ijs, zei hij, met heerlijke stukjes fruit, noten, gekonfijte sinaasappelschilletjes en bitterkoekjes. Fantastico.
Neem het ervan, zei iets in Benny, het is goed, denk niet aan dieet, calorieën of de lijn.
Ze zag dat het gezicht van Jack straalde. Hij had ook genomen. De ober zag ze naar elkaar lachen.
‘Het is een erg donkere middag. Ik steek een kaars aan zodat jullie elkaar beter kunnen zien als jullie praten,’ zei hij.
Het overhemd van Jack was lichtroze. Het zag er prachtig uit bij kaarslicht. Ze voelde opnieuw die behoefde om hem te strelen. Niet zijn lippen te kussen of zich tegen hem aan te drukken, maar gewoon haar hand uitstrekken naar zijn gezicht en zijn wang te strelen.
Ze had maar één glas wijn gedronken. Het gevoel kon niet door de drank zijn veroorzaakt.
Benny keek toe alsof het iemand anders was die driemaal over zijn gezicht aaide.
De derde keer pakte hij haar hand vast en bracht die naar zijn lippen. Met zijn hoofd voorover gebogen, zodat zij zijn ogen niet kon zien, kuste hij haar hand.
Toen liet hij haar los.
Het was onmogelijk dat hij de spot met haar dreef of een gek overdreven gebaar maakte, zoals Aidan Lynch dat kon doen.
Niemand hield je hand zo vast en kuste die zo lang, behalve als die iemand dat wilde.
En wilde hij dat dan? Wou hij dat echt?
Dessie Burns zei dat mevrouw Healy soms een beetje arrogant kon zijn en er waren inderdaad keren geweest dat ze hem feller had toegesproken dan nodig was. Maar om eerlijk te zijn was er dan drank in het spel geweest en misschien waren er mensen die zouden zeggen dat de vrouw in haar goed recht stond. Maar niemand was gewetensvoller en eerlijker dan Dessie Burns als hij droog stond.
Alles goed en wel, maar die Fonsie was een jonge hond, en een jonge hond moest zo nu en dan eens op zijn donder krijgen om een brave hond te worden, zo zat dat. Je moest Fonsie gewoon duidelijk maken dat hij niet in het dorp kon rondlopen alsof hij hier de baas was. Wat was-ie helemaal? De neef van een spaghettivreter. En van zijn spaghettivretermoeder en zijn sullige vader geen spoor vanaf het eerste moment dat hij een voet in het dorp had gezet. Het was een jochie zonder achtergrond, zonder geschiedenis, en nu in Knockglen. Hij kon beter maar wat op steken van zijn aanwezigheid hier. En wat de nicht van Peggy betrof, die was een regelrechte beproeving met haar wilde etalage-ideeën. Misschien werd ze hier wat rustiger van, zodat ze zich hier thuis kon gaan voelen.
Mario zei dat hij voor het oog van iedereen de trap van het hotel zou beklimmen, in de deuropening zou gaan staan en eerst naar binnen en daarna naar buiten zou spuwen. Dan zou hij naar huis gaan en naar Fonsie spuwen.
Fonsie vond dat ze daar niets mee opschoten en dat ze beter naar Liverpool konden gaan om die tweedehands Wurlitzer-jukebox te kopen waarmee geadverteerd werd.
Mario ontwikkelde een geheel onverwachte loyaliteit tegenover Fonsie. Hoewel hij hem voorheen altijd bij iedereen afkraakte, zei hij nu dat het kind van zijn zuster het zout der aarde was, een steun voor zijn oude dag en de rijzende hoop voor Knockglen.
Iedereen die het maar wilde weten, vertelde hij ook dat hij nooit meer iets in Healy’s Hotel wenste te drinken. Gezien het feit dat hij er toch nooit iets dronk, lag het dreigende karakter daarvan meer in de woorden dan in de daad.
Simon Westward verscheen die middag in het hotel van mevrouw Healy om te vragen of ze maaltijden serveerde.
‘Iedere dag, meneer Westward.’ Het verheugde mevrouw Healy zeer om hem eindelijk in haar zaak te zien. ‘Mag ik u iets aanbieden van het huis om uw eerste bezoek hier te vieren?’
‘Erg aardig van u... eh... mevrouw... eh...’
‘Healy.’ Ze keek nadrukkelijk naar het naambord. ‘O, natuurlijk, dom van me. Dank u wel, maar ik heb nu geen tijd om iets te blijven drinken. U serveert dus maaltijden. Dat is fantastisch. Ik was er niet zeker van.’
‘Iedere dag tussen twaalf uur en half drie.’
‘O...’
‘Komt die tijd u ongelegen?’
‘Nee hoor, die tijden zijn prima. Maar ik dacht aan het diner, ’s avonds.’
Mevrouw Healy ging er prat op dat ze altijd klaar stond voor De Gelegenheid.
‘Tot nu toe, meneer Westward, serveerden wij meestal alleen ’s middags, maar nu Kerstmis voor de deur staat doen we ook ’s avonds een diner,’ zei ze.
‘Dat begint wanneer?’
‘Dat begint aanstaand weekend, meneer Westward,’ zei ze en keek hem recht in de ogen.
De ober vond dat ze een Sambuca moesten nemen. Dat was een Italiaanse likeur. Een rondje van de zaak. Hij deed er een koffieboon in en stak het drankje aan. Het was een verrukkelijk drankje voor na de maaltijd op een winterse dag.
Ze zaten daar en vroegen zich af of het humeurige paar er ook een zou krijgen of dat deze traktatie alleen bestemd was voor gelukkige mensen.
‘Zien we u volgend weekend weer?’ vroeg de ober gretig. Benny kon hem wel vermoorden. Het ging net zo goed. Waarom moest die ober over een nieuw afspraakje beginnen?
‘Zeker een ander keertje... hoop ik,’ zei Jack.
Ze wandelden langs de kaden, die er voor Benny vaak koud en mistroostig hadden uitgezien. Maar deze middag was er een prachtige zonsondergang, die alles in een roze gloed zette.
De winkels met tweedehands boeken hadden kraampjes buiten staan. ‘Het lijkt Parijs wel,’ zei Benny gelukkig.
‘Ben je daar wel eens geweest?’
‘Nee, natuurlijk niet,’ lachte ze goedgeluimd. ‘Ik schep alleen maar een beetje op. Ik heb er foto’s van gezien en ben naar films geweest.’
‘En je studeert natuurlijk Frans. Jij neemt dat er vast zo eventjes bij.’
‘Dat betwijfel ik zeer. Interessante gesprekken over Racine en Corneille voer ik heel wat beter in het Engels.’
‘Nonsens. Ik ga er zonder meer van uit dat jij mijn gids bent als ik in het Parc des Princes een wedstrijd moet spelen,’ zei hij.
‘Dat zal wel.’
‘Nee, nu schep ik op. Als ik zo door blijf eten als gisteravond en vandaag dan speel ik nooit meer rugby. Het is eigenlijk de bedoeling dat ik train. Hoewel dat niet erg opvalt.’
‘Je hebt geluk dat je vandaag niet hoefde te trainen. Dat doe je toch vaak op zaterdag, of niet?’
‘Dat klopt, ja. Ik heb de training overgeslagen,’ zei hij.
Met een ruk keek ze hem aan. De oude Benny zou een grapje gemaakt hebben. De nieuwe Benny deed dat niet.
‘Ik ben blij dat je dat hebt gedaan. Het was een heerlijke lunch.’
Ze kocht een buskaartje in een winkel vlakbij het busstation. Samen liepen ze naar de bus.
‘Wat ga je vanavond doen?’ vroeg hij.
‘Ik ga naar Mario om iedereen over het bal te vertellen. En jij?’
‘Geen idee. Ik hoop dat er een paar uitnodigingen zijn als ik thuiskom.’ Hij lachte loom. Hij was iemand die zijn leven niet hoefde te plannen. Ze stapte in de bus en overhandigde haar kaartje. Benny hoopte vurig dat Mikey geen cynische opmerkingen zou plaatsen.
‘Hé, Benny, daar ben je. Ik kon wel merken dat je gisteren niet meereed. De bus lag een stuk lichter op de weg,’ zei hij.
Jack had het niet gehoord of hij had het gemompel van Mikey niet begrepen. Dat hield ze zichzelf voor toen de bus wegreed en zij naar de stad keek, waar de lichten aangingen, en vervolgens naar het schemerduistere platteland.
Ze had dicht tegen Jack Foley aan gedanst, die haar daarna voor de lunch had uitgenodigd. Ze had niet al te stomme dingen gezegd. Hij had gezegd dat hij haar maandag in de Annexe zou zien. Hij had haar hand gekust. En hij had gezegd dat ze mooi was.
Ze was volkomen uitgeput. Ze had het gevoel alsof ze kilometers lang een zwaar gewicht had moeten dragen voor een of andere wedstrijd. Maar wat voor wedstrijd het ook was geweest en wat de regels ook waren, ze had het gevoel dat ze had gewonnen.