Dag 6 - donderdag 19 augustus - zonnig met soms een bui
De volgende morgen word ik wakker met pijn in mijn nek en pijn in mijn linker elleboog. Mijn lichaam protesteert tegen de missie van gisteren.
Ook de fiets protesteert, al denk ik niet dat het iets met het lange doorrijden van de dag ervoor te maken heeft. Misschien wel met het slechte weer van de afgelopen dagen. Daar zoek ik in ieder geval eerst de oorzaak van een sponzige schakeling van de achterderailleur. Zo erg dat hij nu eens helemaal niet reageert, dan weer twee tandwielen tegelijk schakelt en dan weer tijdens het fietsen onbesteld naar een kleiner of groter tandwiel doorschiet. Onderaan het frame zit een klein plastic gootje dat de derailleurkabel naar achteren geleidt en in dat gootje zit zoveel troep van de modderige wegen, dat ik denk daar de oorzaak gevonden te hebben. Modder blokkeert kabel waardoor derailleur niet goed reageert. Oplossing: in hoog tempo door diep plassen rijden. Natte voeten, maar een schoon kabelgootje is de gedachte. Dat deed ik dus gisteren op het laatste stuk naar Kampen. Plassen genoeg, al hoorde ik andere fietsers die ik passeerde wel wat vragende zinnen over mijn verstandelijke vermogens uitwisselen. Erger was dat het niet hielp. Of niet echt. Soms dacht ik even dat het hielp omdat ik wilde dat het hielp, denk ik.
Voor ik uit Kampen vertrek, rijd ik daarom langs een fietsenmaker om te vragen of hij het gootje misschien beter schoon kan krijgen en of hij de kabel opnieuw wil smeren. Onder de hogedrukspuit vliegen hele klodders Achterhoek zijn werkplaats door, maar het probleem blijft. Bij het smeren ziet hij ook waarom: de kabel is bij de schakelaar op het stuur op een paar draadjes na doorgebroken. Tijd om hem te vervangen ‘moa dah zol vendoag nie goan. Mergen messchien’. Kampen is een heel leuk stadje, maar nog een hele dag, wachtend tot de fietsenmaker tijd wil vrijmaken, nou nee. Dus schakel ik naar een tandwiel ergens in het midden en rijd ik rustig en zo min mogelijk schakelend langs de zuidelijke oever van de IJssel terug naar Zwolle. Er schijnt voor het eerst sinds dagen weer een echt overtuigend zonnetje, ik heb de wind in de rug, voor me neemt het water alle ruimte en grazen de schapen in de uiterwaarden.
Bij Zalk luid ik een grote scheepsbel om de kapitein van het voetveer te waarschuwen. Terwijl hij even later zijn bootje een stukje met de stroom mee laat drijven, turen we samen naar de zon op het water van de IJssel. Prima, zo’n dag zonder missie.
Alhoewel. Eenmaal in Zwolle heb ik natuurlijk wel weer een nieuwe. Twee zelfs: een souvenir vinden voor mijn lief en nu eens zien of er geen betere schoenenhoesjes verkrijgbaar zijn. Pirsig zou dit niet zijn overkomen, ben ik geneigd te denken. Die zou de hoesjes eerst hebben getest. Pfeijffer zou het eerlijk gezegd ook niet zijn overkomen. Die was zo minimalistisch voorbereid dat er niets anders op zat dan bij de eerste regendruppels af te stappen en te wachten op betere tijden. Dat betekende soms meer dan een dag ergens in een grijs gat uit een raam zitten staren, wachtend op die ene bijzondere ontmoeting waardoor alles toch nog op zijn plaats zou vallen en bij gebrek daaraan op het eerste plekje licht in de lucht. Een frustrerende bezigheid, als ik zijn verslag zo lees.
Goed voorbereiden dus, dat ben ik met Pirsig eens. Maar ik ben het met Pfeijffer eens dat je niet alles kunt regelen en dat het zinloos is dat te willen. Perfectie bestaat niet in de wereld van materie en mechanica. Maar ik trek daaruit precies de tegenovergestelde conclusie als Pfeijffer doet. Het onverwachte hoef je helemaal niet uit te nodigen door niets voor te bereiden, het komt hoe dan ook op je pad. Sterker: van moment naar moment buitelen, zoals Pfeijffer beweert te doen door maar te zien hoe het loopt, bestaat helemaal niet. Als je in je hoofd zo’n planloze situatie al zonder zware drogering zou kunnen bereiken, zou je rond zweven in een beslissingsluchtledige. Je zou nergens iets mee hoeven en dus helemaal niets onverwachts meemaken. In de praktijk gaan banden lek, breken kabels, barsten stortbuien los en liggen veerboten stil aan de wal. Als je een plan hebt, moet je met die onverwachte gebeurtenissen mee bewegen, oplossingen bedenken en tevreden zijn met de keuzes die je maakt. Die situatie ontstaat niet omdat je geen plan hebt, maar juist omdát je een plan hebt.
Pfeijffer heeft wel een punt met ‘laat het doel los’. Net als Pirsig dat heeft met zijn focus op de kwaliteit van wat je doet. En nu ik er goed over nadenk gaan ze eigenlijk ook prima samen. Het lijken alleen tegenstellingen als je ze toepast op het grote geheel van onderweg zijn, wat ze allebei doen. Maar als je het hebt over de simpele fysieke handeling van het fietsen zelf, of het rijden op een motorfiets, dan valt alles op zijn plek. Dan werkt het, geweldig zelfs. Dan hebben ze het allebei gewoon over stolpfietsen. Waarmee je uiteindelijk heel anders onderweg bent, maar wel in die volgorde.
Blij dat ik de twee boeken met gepaste eerbied samen terug kan zetten in de kast, kom ik daarna graag even ter zake over de regenhoesjes. Dat gaat natuurlijk niet zozeer over kwaliteit en gebeurtenissen op je af laten komen, maar simpelweg over spullen die niet doen wat ze beloven. Of liever: wat de fabrikant en de winkelier beloven. Man en paard. Regenhoesjes met de aanbeveling ‘Aqua-shield’ in strakke belijning erop afgebeeld van het op de intensieve fietser gerichte merk BBB, die een op diezelfde markt gerichte tweewielerspecialist (wat is er mis met het woord fietsenmaker eigenlijk?) voor bijna dertig euro per paar verkoopt als absoluut waterdicht, daar heb ik dus het misschien naïeve idee van dat ze tegen een bui moeten kunnen. Elke bui. Anders zeg je: kijk ze zijn waterafstotend dus een beetje regen prima, maar maak het niet te gek. Of: sorry, maar wat u nu wilt, dat kán gewoon niet. Bij ‘Lifestyle equipment for bikers’ in Zwolle (wát is er toch in hemelsnaam mis met het woord fietsenmaker?), kwamen ze daar na mijn niet-aflatende stroom vragen ook schoorvoetend op uit. Misschien kan het gewoon niet. Maar, zeg ik dan, als Ortlieb een tas kan maken die zelfs tijdens een generale repetitie voor de zondvloed van binnen kurkdroog blijft, waarom kan BBB dan alleen een regenhoesje maken dat na elke druppel regen eerst een half uurtje zon nodig heeft? En als hè, oké, áls het dan zo is dat er inderdaad geen materiaal bestaat dat én soepel genoeg is om langs de kant van de weg over een schoen te wurmen én je voeten nog een beetje lucht geeft én toch echt volledig waterdicht is, okéoké, áls dat zo is: VERKOOP HET MIJ DAN OOK NIET.
Nou goed. De vriendelijke meneer van de Lifestyle-fietsenmakerij kiest na een prettig gesprekje hierover inderdaad die route en frommelt zijn hoesjes van Vaude, Agu en wat heb je niet met peinzende gebaren weer terug aan de stangetjes van zijn display.
Die missie hangt dus nog.
Omdat ook in Zwolle, na een stralend begin van de dag de wolken zich rond de middag dreigend samenpakken, besluit ik bij museum De Fundatie, waar ik op dat moment net langs loop, naar binnen te gaan. Ik ben niet zo’n museumganger en kan de mevrouw achter de kassa dan ook niet één uit een heel menu aan mogelijke kortingskaarten overhandigen, maar de titel van een expositie van Jan Fabre trekt me: ‘De geleende tijd’. Want bij stolpfietsen gaat het uiteindelijk daarover: een moment van bewegen in geleende tijd. Of liever in een plooi van de tijd, zou ik het formuleren, maar je kunt niet alles hebben en de bui is inmiddels losgebarsten. Dus laat ik de mevrouw voor het volle pond een kaartje op haar tijdklok afstempelen. “Grappig, precies één uur”, zegt ze.
Net als op de weg, ben ik ook in gebouwen met meer dan één rechte gang, al snel dwalende. Vandaar dat de foto’s van mede-exposant Helmut Newton me pas opvallen wanneer ik ze voor de tweede keer zie (ben ik hier niet al eens eerder geweest?) en ze dit keer wat beter bekijk. ‘Das Glas im Kopf wird vom Glas’, is de titel. Juist. Er is één foto bij van een vrouw die er op een intrigerende manier tweemaal is terwijl ze haar haren als een capuchon om haar hoofd drapeert. Zonder uitleg, dat is beeldende kunst. Er fietst nog iemand met jou, bedenk ik er dan mijn woorden maar bij. In geleende tijd. En die iemand, dat ben jezelf.
Ik besluit beneden in de hal een reproductie van de foto te kopen. Missie souvenir volbracht. Ik dwaal nog wat verder langs de tekeningen en foto’s en keer, ditmaal gewild, nog eens terug naar de vrouw die zichzelf ontmoet in geleende tijd. Mooi.
Wanneer ik het museum tenslotte uitloop, slaat de klok van de Grote Kerk precies één uur.
Buiten schijnt de zon.
Delft, zomer 2010