De overpeinzingen
Is er zoiets als een algemeen geldend advies over plezier beleven aan, ja aan wat niet eigenlijk? Maar bij wijze van handzaam voorbeeld: aan onderweg zijn.
‘Zen en de kunst van het motoronderhoud’ las ik daarover, in de tijd dat ik vaak met de motor onderweg was. De laatste jaren fiets ik meer, dus kreeg ik ‘De filosofie van de heuvel’ voor mijn verjaardag. Met zo’n glimlach erbij van ‘lees dat maar eens’.
Eerder al was het mij opgevallen dat mensen die met de motor of op de fiets langere tochten maken, daar om heel verschillende redenen plezier aan beleven. Of juist niet. De een vindt een minutieuze voorbereiding eigenlijk het leukste deel van de tocht of in elk geval onmisbaar om er met vertrouwen aan te beginnen. De ‘kwaliteit’ van Robert Pirsig’s Zen en de kunst van, zeg maar. Motorfiets helemaal afgesteld, ketting gesmeerd, het juist gereedschap in een exact passend tasje achterop en watervaste kaarten van het juiste schaalniveau om de weg te vinden. Om over modernere navigatievarianten nog maar even te zwijgen.
En dan is er de ‘we zien wel waar de weg leidt’ reiziger. Ilja Leonard Pfeijffer, de auteur van ‘De filosofie van de heuvel’ is er zo een. Daags voor zijn vertrek naar Rome koopt hij een aftandse Batavus racefiets en een paar autokaarten van Frankrijk en Italië en samen met zijn vriendin, die overigens beduidend beter is uitgerust, kijken ze wel hoe het loopt. Of rijdt. Ze willen ‘van moment naar moment buitelen’, zoals Ilja zelf schrijft. “Als je alles van tevoren hebt bedacht, gebeurt het toch anders. En als het precies zo gebeurt als je had bedacht, is het saai als het gebeurt.”
Het aardige is dat beiden, Pirsig en Pfeijffer, zich op oosterse filosofieën beroepen om hun inzichten kracht bij te zetten. Boeddha en zen blijken kneedbaar. Wat ook opvalt is dat ze allebei niet echt eerlijk zijn. Of tenminste niet helemaal. Ze beweren een algemeen geldende waarheid ontdekt te hebben, maar hun eigen verhalen zijn er regelmatig mee in tegenspraak. Het gaat om onderweg zijn, beweert Pfeijffer, het doel is onbelangrijk. Maar elke ochtend vergadert (zijn woord!) hij met zijn vriendin over route en reisdoel van die dag en als een van beide dreigt te mislukken omdat dingen onderweg inderdaad altijd anders uitpakken dan je van tevoren kunt bedenken, raken ze regelmatig danig gefrustreerd. Zo rijden ze de laatste dag tientallen kilometers over de vluchtstrook van de snelweg naar Rome. Glas van weggeworpen bierflesjes aan de ene kant, toeterende vrachtwagens aan de andere kant en levensgevaarlijke manoeuvres wanneer zij rechtdoor willen en het snelverkeer uit- of invoegt. Alles om het doel te halen. Heel begrijpelijk overigens, want zonder enig verlangen ergens te komen, hadden ze net zo goed in hun vertrekplaats Leiden rondjes rond de Burcht kunnen blijven rijden.
Ook Pirsig is niet helemaal eerlijk. Ja, hij gaat voor kwaliteit door permanent te luisteren naar elk pingeltje en begin van een rateltje bij zijn motorfiets. Maar voor iemand die zo kwaliteitsgericht is, gaat dat ding vervolgens wel ontzettend vaak stuk. Hij maakt een tocht van Minnesota naar Californië, volgens mijn berekeningen niet zoveel verder dan Pfeijffer en zijn vriendin fietsten, maar op dat stuk stelt hij de cilinderkleppen, plaatst hij andere sproeiers, past hij de mengverhouding van de carburateur aan, vernieuwt hij de contactpuntjes en monteert hij een hele nieuwe ketting. En dan nog blijft het getob over de temperatuur van het motorblok en telkens nieuwe verdachte geluiden. Het lijkt meer op een obsessie dan op een verlichte kwaliteitsbeleving. Bovendien blijkt zijn streven naar kwaliteit wel heel eenzijdig gericht: de narigheid van zijn zoontje Chris waar hij de reis mee maakt, gaat volstrekt aan hem voorbij. Als hij al nadenkt over de vrijwel constante buikpijn van het joch, dan doet hij dat af als aandachttrekkerij die hij wel op school geleerd zal hebben. Ook de vriend waar Pirsig mee reist, en die zijn motorfiets gewoon gezellig bij de dealer heeft gebracht en zonder problemen achter zijn vriend aantuft, zet hij op vele momenten in zijn verhaal weg als iemand die geen kwaliteit in zijn leven heeft. De Boeddha is voor Pirsig kennelijk wel in een setje steeksleutels te ontdekken, maar veel lastiger in zijn zoontje en zijn vriend.
Ook Pfeijffer geeft graag af op mensen die zich er wel in verdiepen hoe ze de snelweg kunnen vermijden en daarvoor ‘dikke pakken fietskaarten’ bestuderen. Ook hier houdt de eigen ontspannen kijk op het leven op zodra iemand daarvoor andere keuzes maakt, culminerend in de bijna spreekwoordelijke ‘stomme wielrenners’ die alleen maar hard rondjes fietsen. Schoon gewassen fietspakken, aerodynamische helmpjes en lichte cabonfietsen zijn voor Pfeijffer voldoende om iemand op het punt van geestelijke rijkdom direct te diskwalificeren.
Kortom. Bestaat er wel zoiets als een algemeen geldende waarheid voor met plezier onderweg zijn? En valt die zo te formuleren dat het werkelijk een positief advies is en niet een afzetten tegen anderen die het anders doen?
Wat is een betere manier om daarover na te denken dan tijdens een fietstocht.