Dag 3 - maandag 16 augustus - wind en regen
Mooi bedacht, vond ik zelf. Het verschil tussen stoempen naar de top en mijn kunst van het vlakke land. Stolpfietsen noem ik het maar eens, zolang niemand met iets beters komt. Naar binnengekeerd fietsen, luisteren naar het geluid van je adem, zoeken naar de goede cadans, fietsen vanuit de gedachte ‘dit is het, zo blijft het’. En dan opeens draait de wind, of de weg, of ben je op de top en krijg je een cadeautje. Zomaar, zonder dat je er op zat te wachten en soms zonder dat je het helemaal begrijpt. Als het diapositief van een vals plat. Precies, een vriendelijk plat: het lijkt vlak maar het gaat naar beneden. Stoempen is boekhouden, het gaat over debiteuren en crediteuren, over investeren en incasseren. De afdaling of de wind mee is gewoon de uitbetaling van waar je recht op hebt. Bij stolpfietsen overkomt het je. En vervult het je met grote dankbaarheid.
Dat zullen we nog wel eens zien, moeten de fietsgoden gedacht hebben.
Wanneer ik ’s morgens mijn spullen op mijn fiets pak, vallen de eerste druppels van die dag uit een lucht die eruit ziet als het water van de Rijn waar ik even later langs fiets. Diep donkergrijs. Voor ik opstap, trek ik mijn regenjack en regenbroek aan. Uit mijn zadeltasje haal ik de regenhoesjes voor om mijn schoenen. En ontdek een tamelijk wezenlijke materiaalblunder. Ik hoor Pirsig in gedachten al met zijn tanden knarsen. Mijn fiets stond de hele nacht buiten en ook toen regende het vrijwel onafgebroken. Ik was al erg trots op mezelf dat ik eraan had gedacht om een plastic zak om mijn zadel te doen, zodat ik niet de hele dag op een verzadigde spons zou hoeven zitten. Maar, stomstomstom, het zadeltasje is wel grappig vormgegeven alsof je met de kloten van de bok onder je zadel fietst, maar waterdicht is het ding helaas niet. Wat een fabrikant daarbij in zijn hoofd heeft weet ik niet, maar wel dat de regenhoesjes die ik eruit te voorschijn haal netjes ingebed liggen in een tot de rand met water gevuld tasje. Het ding is blijkbaar toch nog een soort van waterdicht, maar op een wat frustrerende manier. De buitenkant van de hoezen is van een rubberachtig materiaal, dus dat is geen probleem. De binnenkant wel. Die is gemaakt van zo’n zacht, poezelig spul speciaal gekocht omdat ik (slimslimslim) op die manier dacht geen dichte schoenen mee te hoeven nemen. Lekker op mijn sandalen fietsen, sokken erin als het koud wordt, poezelige hoesjes erover als het nog kouder en nat wordt. Diezelfde poezelige binnenkant die nu aanvoelt als de spons van de glazenwasser net voor hij de ladder op gaat.
Ik heb geen keus en doe de doornatte hoesjes aan mijn voeten. Met enige moeite, want met natte stof wil het niet zo best.
Fietsen in een regenpak met een capuchon op is eigenlijk al bijna vanzelf stolpfietsen. Je zit in je eigen koepeltje, hoort vooral je eigen ademhaling en bent veel minder geneigd om in de verte te kijken. Maar ik ontdek meteen ook dat Pirsig een belangrijke voorwaarde voor stolpfietsen heeft aangedragen: goed materiaal. Goed materiaal is materiaal dat niet afleidt van wat je aan het doen bent, namelijk gewoon doorfietsen. Natte regenhoezen direct gedragen op dunne katoenen sokken voldoen niet aan die beschrijving. Maar goed. Ik ben onderweg om te leren en te ontdekken en deze les is een harde, maar binnen.
Door al het geknoei met die regenspullen ben ik wat te laat naar mijn zin onderweg, dus trap ik direct na de bebouwing van Rhenen even flink door. Dat blijkt geen goed plan. In elk geval niet op een paadje dat onverwacht stijl naar beneden gaat, onderaan een gemeen scherpe bocht maakt en vol ligt met modder. “Eerste lekker rijden, dan pas versnellen”, zei de instructeur altijd bij wie ik behendigheidstrainingen voor de motor volgde. Velen proberen het andersom, maar zelden met succes. Dat gold voor mij ook toen ik met mijn natte regenhoesjes diep in de modder wegzakte. In een geslaagde poging mezelf toch nog enigszins overeind te houden. Dat dan weer wel.
Evengoed begint het zo ergens op de Grebbedijk toch wat beter te lopen. Naast me kijkt een kudde schapen me met vergevende blik aan en ondanks de nattigheid fiets ik in een lekker ritme door.
Ik oefen op de blik die bij het stolpfietsen hoort en besluit dat het die is van Clint Eastwood in Rawhide wanneer hij, leunend op zijn zadelknop, Gil Favor het sein geeft ‘to move em up’. Maar dan nét daarvoor. Ogen die wel waarnemen, maar niet inzoomen. De blik, die je ook wel ziet bij een kakkende kat: geconcentreerd, het geheel overziend, maar tegelijkertijd naar binnen gekeerd. Bij die blik hoort een heel lichte schommelbeweging van hoofd en kont op het ritme van het trappen. Een zacht wiegende geruststelling, nauwelijks zichtbaar voor anderen.
Wanneer ik op die manier de Veluwezoom bereik, krijg ik een klopje van goedkeuring van de fietsgoden. De regen stopt en met een zuchtend geluid stroop ik de natte regenhoesjes van mijn voeten en hang ze aan mijn stuur te drogen. Als hulp daarbij, breekt even later de zon door.
Onder deze zachtaardige omstandigheden oefen ik met stolpfietsen op de flauwe maar venijnige hellingen van de Posbank. “Gewoon je pad blijven doen!” roept een moeder naar het jongetje dat voor haar uitfietst en angstig omhoog kijkt hoe lang die helling nog duurt. Ik knik naar hem in het voorbijgaan. “Stolpfietsen bedoelt ze”, fluister ik. Niet te hard. Vreemde mannen van middelbare leeftijd hebben toch al een beetje een naam.
Tegen een uur of drie ben ik in Vorden. Ik maak voor mijn doen, en die van mijn knieën, flinke afstanden. Dat voelt goed en ’s avonds zit ik in de ongelooflijke luxe van een huisje helemaal voor mezelf, met een eigen keuken en een schattig tuintje voor een boekje en een glaasje. Zoiets als thuis eigenlijk, maar onderweg is het een cadeautje.