Dag 4 - dinsdag 17 augustus - veel wind, veel regen
De volgende morgen besef ik dat het de dag daarvoor nat was, maar nu régent het. Hard. En dankzij de buienradar op mijn telefoon weet ik dat er nog heel veel meer in aantocht is, in combinatie met een harde wind tegen. Ik ga dus eerst maar eens broodjes bakken, want deze B&B heeft een doe-het-zelf ontbijtsysteem. Net als thuis, zeg maar. Althans, thuis pak ik gewoon brood, hier moet ik het zelf afbakken. En daarna mijn bed afhalen. En de vuilnis afvoeren, en de afwas doen en ook verder alles onberispelijk achterlaten en zeker het grijswit geblokte tafelkleed niet gebruiken om op te eten, want dat is voor het netjes, benadrukken de zeven pagina’s met instructies die voor me klaarliggen. De gebakken eieren met spek, vriendelijk aangeprezen, laat ik maar achterwege, dat scheelt weer in de afwas. Met de lege wijnfles van gisteravond sta ik vervolgens even aarzelend in mijn handen. Dan duw ik hem in de vuilniszak en laat hem met een doffe bonk landen in de grijze container die buiten staat (‘deksel graag goed sluiten’).
Enigszins opgelucht dat ik de oven toch nog uit heb weten te krijgen (gewoon stekker eruit) en de aardewerken botervloot nog net van een fatale tuimeling op de romantische stenen vloer heb weten te behoeden (‘laat bij schade even een briefje achter en uiteraard een redelijke vergoeding’), stap ik na mijn huishoudelijke taken op de fiets. Mijn regenkleding heb ik meteen maar aangetrokken.
Ik moet vandaag een flink stuk en dat op zich vereist enige toelichting. Ik heb namelijk de dag ervoor tijdens het fietsen een geweldige leidraad ontworpen voor het grote dilemma ‘reserveren of niet reserveren’. Het maar zien hoe het loopt van Pfeijffer tegenover de kwaliteit van goede plannen van Pirsig. Als antwoord daarop heb ik de weg van het midden bedacht. Het midden tussen het houvast van een plan en de vrijheid van dingen nemen zoals ze komen. Die weg is wel een vaag plan voor de dag maken, maar daar net zo makkelijk weer van afwijken. En in principe niet reserveren, behalve als ik besluit om nog een laatste stukje door te fietsen maar dan ook écht wil stoppen. Dan bel ik of er op die plek iets vrij is. Ik wentelde de leidraad een paar keer rond en was ontroerd door de treffende balans tussen alles laten stromen en me niet met de stroom mee laten sleuren. Maar misschien juist omdat mijn leidraad zo ontzettend flexibel in zijn toepassingen is, ben ik er gisteravond in mijn romantische hutje en ondersteund door een prima wifi-verbinding voor mijn telefoon volledig van afgeweken en heb ik zelfs voor twee avonden een overnachting geboekt: voor vanavond in Holten en de dag erna in Kampen. Holten omdat er in Twente weinig plaatsen op de route liggen met overnachtingsmogelijkheden en Kampen omdat ik daar toen op die IJsselmeertocht met twee dikke knieën ben gestrand en het me zo’n leuk stadje leek. Dus moet ik vandaag naar Holten en zo is dat.
Eenmaal onderweg regent het, maar niet al te hard. En het waait, maar niet pal tegen. Weer om heroïsch de goede moed erin te houden en weggedoken in mijn capuchon het stolpfietsen verder te vervolmaken. Iets naar achteren op het zadel, perfectioneert de houding merk ik.
Alleen jammer van die Achterhoekse bospaden. Sinds ik als kind met mijn ouders in de Achterhoek kampeerde, staan die voor mij voor eindeloos durende zomers en de plek waar ik ’s avonds laat bij mijn vader op schoot mijn eerste rijlessen in zijn auto kreeg. Eerst gewoon brmmm brmmm doen en wild aan het stuur draaien, maar zo rond een jaar of zes ook echt met mijn voet op mijn vaders grotemannenschoen zelf gas geven en sturensturensturen! Ik zei het je toch!
Na een nacht vrijwel onafgebroken regen bestaan diezelfde warme zandwegen vooral uit veel plassen. Diepe plassen met een sompige ondergrond. Ik heb wel niet zulke smalle bandjes als Pfeijffer op zijn oude racefiets, maar smal genoeg om spoorzoekend door de plassen te glibberen, telkens sturend naar dat ene plekje dat iets steviger lijkt, maar het niet is.
Maar goed. Het gaat en ik begin me af te vragen wat ze ook vandaag weer bij het weerbericht bedoelden met ‘regen afgewisseld met buiige regen’, als het antwoord daarop met wapengekletter uit de lucht komt vallen. Ik druk het klittenband van mijn capuchon nog iets steviger aan, controleer of de hoesjes wel goed over mijn sandalen zitten en luister naar het tikken van de regen op de bladeren van de bomen en op mijn regenpak. De zandpaden worden van modderpaden echte blubberpaden en tussen de bomen zoekt het laatste zonlicht een beter heenkomen. Mijn ketting kraakt uit protest over de natte troep die er tegenop spet. De remblokjes schuren klonten modder langs mijn velg. Uit eerdere ervaring weet ik dat remmen op dit moment niet zoveel zin meer heeft. Ondertussen wakkert de wind aan en schudt aan de bomen langs het pad als om te laten zien dat hij nog véél meer kan. De route buigt naar het noorden af en leidt me met onbegrijpelijke slingers door de bossen van het Buurderzand. Zo’n hele tocht is natuurlijk één grote omweg om uiteindelijk weer thuis te komen, maar dat principe kent zijn grenzen. Eenmaal onderweg wil ik ergens komen. Of liever: enigszins doelmatig ergens naartoe onderweg zijn. Dat hoeft niet in een rechte lijn, maar in grote vierkanten in de gietende regen door bemodderde bossen fietsen heeft iets zeer onbevredigends. Dat wordt erger wanneer ik merk dat mijn grote truc met de regenhoesjes over de sandalen niet werkt. Er loopt blijkbaar toch ergens water aan de onderkant naar binnen. Of de regenhoesjes zelf zijn waardeloze rotdingen die alleen standhouden bij een mild motregentje van vijf minuten en wind in de rug. Beide zou kunnen en aan de plekken te voelen die inmiddels in rap tempo natter worden, is beide het geval. Ik probeer mijn voeten zo min mogelijk te bewegen en op die manier mijn zintuigen een beetje te bedonderen. Voel jij iets? Wat dan? Nee niks, niks aan de hand. Soms lukt het even. Zo ongeveer tot het moment dat mijn gore-tex regenjack het eveneens begint op te geven. Dat is me nog niet eerder overkomen en het voelt niet alleen nat en koud, op mijn rug en armen, maar als het pijnlijk verlies van een bescherming waarvan ik dacht dat die altijd bij me zou blijven. Ik duik nog wat dieper in mijn capuchon, dankbaar dat die in elk geval zijn deel van het werk blijft doen.
Misschien komt het wel daardoor, dat ik niet zo goed meer om me heen blijf kijken. Of het is gewoon zo bedoeld: een vriendelijk plat als een mariaverschijning. Het enige dat ik weet: opeens staat hij daar. Vlak voor me, midden op het modderige pad. Doodstil in de gietende regen. Een hert. Zeker een kop boven me uit, maar zonder dat daar enige dreiging van uitgaat. Hij staat er gewoon, en ik ook na een wanhoopspoging van de knarsende remblokjes. Het dier draait heel rustig zijn kop naar mij toe en monstert als het ware mijn druipende kleren. Ik verbaas me erover hoe droog zijn vacht oogt. Op datzelfde moment vindt hij het blijkbaar wel mooi genoeg en verdwijnt hij met diep doorverende sprongen tussen de bomen. “Hij trekt zich helemaal niets aan van de regen”, mompel ik daarna nog wel een keer of tien in mijn druipende capuchon. “Hij trekt zich er gewoon niets van aan!”
Niet veel later fiets ik Boekelo binnen. Het zegt me niets, behalve het zout uit de aardrijkskundeles, maar de hoofdstraat oogt helemaal niet onaardig. Vriendelijke cafés met frisse bloemen aan de vensterbank en een schoolbord voor de deur om koffie met gebak aan te prijzen. En ze zijn nog open ook. Ik rijd een paar rondjes langs de twee die er het aantrekkelijkst uit zien, maar besluit dan toch maar door te rijden. Alles is inmiddels zo door- en doornat dat ik er niet overheen zie om die natte troep daar uit te trekken en dan daarna rillend weer aan. Dus klim ik met soppende schoenen en een doornat fietsshirt onder mijn regenjack op een bankje in een bushokje en haal de broodjes te voorschijn die ik ’s morgens heb klaargemaakt. Ze komen kurkdroog uit mijn fietstas. Oh Ortlieb, mijn beker loopt over van dankbaarheid. Op u kan ik bouwen.
Op het stuurtasje staat een laag water, maar die er eenmaal afgeschud komt ook daaruit de routekaart zonder een spetje te voorschijn. Ik kijk hoever ik nog moet naar Holten. Ver, blijkt. Nog zeker een kilometer of dertig, schat ik, tegen een noordwester in die er nog een schepje bovenop heeft gedaan. Terwijl ik langzaam weer op gang kom en de kou aan mijn voeten omhoog voel trekken, besluit ik het niet te doen. Dan desnoods maar iets betalen voor het annuleren, maar dit is niet leuk meer. Ik zoek het LF15-bordje, de route die ik vanaf Boekelo moet volgen, en besluit naar Delden, zo’n tien kilometer verderop, te fietsen en daar iets te zoeken.
Hoe verder ik doorrijd, hoe meer dit besluit zich nestelt en me geruststelt dat het een goede keuze is. Mijn benen wil niet verder en ik ook niet.
Wanneer ik Delden binnen rij hoef ik me niet af te vragen hoe ik in de gietende regen mijn boekje met overnachtingsadressen enigszins droog uit mijn fietstas moet krijgen. Het is al geregeld. Meteen aan de hoofdstraat ligt zo’n wit geschilderd hotel met een houten veranda waar rode geraniums aan hangen. Ik zet mijn fiets er tegenaan, loop naar binnen, zet mijn stuurtasje waar direct een plas water omheen ontstaat op de bar en kijk naar de jongen die erachter staat. Die gaat voor me zorgen, denk ik. En dat doet ie.
Het is een dag voor Pfeijffer. Je kunt voorbereiden wat je wilt, het loopt toch anders. En dat blijft nog even zo. Wanneer ik dankzij de wifi van het hotel de afvaarttijden van de boot Urk-Enkhuizen wil opzoeken, ontdek ik dat die maar tot 15 augustus vaart. Vandaag is het de 17e. De resterende keuzes zijn omrijden via de Afsluitdijk of omrijden via de Houtribdijk. In beide gevallen zo’n dertig kilometer niks, met veel verkeer en veel wind.
Ik maak toch weer een plan, want zonder plan kun je niks laten varen. Morgen fiets ik naar Kampen en daar zie ik wel verder. Op de afstandstabel uit het routeboekje zie ik dat Kampen nog bijna honderd kilometer is, dus vraag ik beneden aan de bar of ik misschien een half uurtje eerder kan ontbijten? Maar natuurlijk.