Dag 2 - zondag 15 augustus - zwaar bewolkt, harde wind

 

De volgende dag heb ik om kwart over zeven gedoucht en alles ingepakt. Ik wacht nog even tot ik me met goed fatsoen voor het ontbijt kan melden. ‘Sie sind nicht auf dem Flucht’, verzuchtte een hotelhoudster in Duitsland eens bij een soortgelijk strak getimed vertrek. Ze had wel een punt. Ook al ben ik voor mijn plezier onderweg, het vooruitdenken en plannen stopt daar niet mee. Integendeel.

 

Voor vandaag heb ik een overnachting geboekt in Rhenen, ongeveer tachtig kilometer verderop. Goed te doen, maar tegen al mijn verwachtingen lees ik in het laatste weerbericht op mijn telefoon dat er een harde wind uit het oosten wordt verwacht, met regen, later gevolgd door buiige regen. Het subtiele verschil tussen de twee ontgaat me, maar beide klinken niet echt vrolijk. Ik wil daarom zo snel mogelijk aan de dag beginnen.

 

Net buiten Woerden pakken de donkere wolken zich inderdaad samen en staat er op het noordoostelijke stuk naar Haarzuilens een stevige wind tegen. Mijn rechterknie speelt onmiddellijk op. Waar Pirsig telkens bezorgd naar zijn carburateur luistert en Pfeijffer elk regendruppeltje uit de lucht probeert te kijken vanwege zijn gladde bandjes en achterhaalde remblokjes, zo heb ik mijn knie. Twee, en ze geven allebei regelmatig problemen. Die kan ik voorkomen door tijdig pijn in de gewrichten te signaleren en dan rustiger te gaan fietsen of te pauzeren. Maar rustiger fietsen kan niet met een straffe tegenwind en op het kaarsrechte pad door de weilanden valt ook weinig te pauzeren. Dus fiets ik door en ‘hou het in de gaten’. Zoals zoveel. Of het een beetje opschiet bijvoorbeeld, hoe de ketting klinkt, of de banden hard genoeg blijven, of dat plastic lipje dat de fietstas tegen de bagagedrager aan moet houden niet losschiet (wat regelmatig gebeurt), of er geen doldwaze wielrenner of uitgelaten Duitse herder ergens onverwacht vandaan komt stuiven, of ik in Utrecht zal stoppen voor koffie, of ik voor morgen ook een slaapplaats zal reserveren of gewoon maar zien hoever ik kom. En wat ik dan met mijn knieën moet wanneer die niet meer willen en er nog nergens een overnachtingsmogelijkheid is. En hoe het dan moet als ik wél gereserveerd heb maar mijn knieën halen het niet. Of ze gaan juist hartstikke goed en ik zit, veel te vroeg gearriveerd, een halve dag een Achterhoeks dorp in te staren. Enzovoorts en zo verder. “Een lantaarn in het hoofd die altijd brandt”, zegt de Vlaamse auteur Sam de Graeve over die gedachtes die maar blijven buitelen.

 

En toch. En soms. Opeens. Voor me een pad met bomen die als een beschermende hemel over mij heen buigen. Godenhanden tegen de wind. De ketting zoemt om de tandwielen, de banden geven een zuigzoen aan het asfalt en in mijn hoofd is het stil. Ik fiets.

 

Goede spullen, natuurlijk. Een halve eeuw fietservaring, akkoord. Benen die willen. Fijn, heerlijk. Maar toch kun je zo’n moment niet bestellen, hoogstens uitnodigen. Zoals dat jongetje even later in een stille zondagochtendstraat in Utrecht. Hij slingert op zijn fietsje, papa rent er bezorgd achteraan. De zoveelste poging misschien al, maar dan opeens: “Pap! Het gaat!” Het gaat. Híj gaat. Tot hij omkijkt om te zien hoe papa reageert. Maar evengoed.

 

Het is zwaar bewolkt, er staat een straffe tegenwind op lange, als een strakke lijn getekende wegen. En toch ga ik. Gewoon doorademen en doortrappen.

 

Zo rond de middag sluipt er opeens vermoeidheid in mijn benen. Het tempo daalt en het kost steeds meer moeite om de trappers rond te draaien. Ik snap het niet, het lijkt verdomme wel een vals plat. Alsof er soep in mijn banden zit. Ik stap zelfs af om te voelen of ze nog wel hard zijn. Dan zie ik een bordje van Staatsbosbeheer. Het ís een vals plat, de Amerongse Berg die vrij snel daarna aan zijn afdaling begint. De grote beloning voor elke fietser en de ‘filosofie van de heuvel’ zoals Pfeijffer die vertelt. Elke helling heeft ook een afdaling. Maar, merk ik na een ochtend tegenwind in de polder, er is ook de ‘kunst van het vlakke land’. De filosofie van de heuvel gaat over pieken en dalen, de kunst van het vlakke land gaat over cadans. En dat kan ook in de heuvels. Fietsen in pieken en dalen heeft namelijk iets verneukeratiefs. Afdalen is het moment waarop je als een jonge god de wereld beheerst, maar juist vanwege die gedachte kun je bijna niet naar boven fietsen zonder daarop te wachten. Pfeijffer zoekt dan ook achter elke bocht die top die zich zo listig schuilhoudt. De top waarna alles anders wordt. In het vlakke land heb je geen keuze: je moet gewoon doorfietsen. Niks geen reikhalzen naar de top. Fietsen en ademhalen.

 

Tussen Amerongen en Rhenen gaat de route opnieuw door een heuvelachtig bos, dit keer met een serie kleine, maar stevige klimmetjes en suizende afdalingen heel kort op elkaar. Het zijn hellingen en afdalingen, maar ik doe ze expres volgens de kunst van het vlakke land. Ik kijk helemaal niet naar de top, maar fiets omhoog zoals ik op een kaarsrechte weg tegen de harde wind in zou fietsen. Doortrappen, ademhalen, niet te ver vooruitkijken. En voorwaar, voorwaar ik zeg u, Ilja Leonard Pfeijffer, dán zijn die afdalingen pas echte cadeaus van de fietsgoden. Zoals een plotselinge hand in de rug wanneer de wind draait. Volkomen onverwacht en daardoor helemaal geweldig.

 

De fietsgoden zijn het met mij eens, want precies op het moment dat ik het hotel binnenstap waar ik een kamer heb gereserveerd, barst de beloofde plensbui los.

 

Het hotel is als Rhenen zelf. Van een afstandje denk je: ‘Nou, best wel’. Leuk kerktorentje vanuit de verte, de Rijn als naaste buur. Maar eenmaal in het stadje zelf is het toch van: ‘Nou nee, laat maar’. De kerk en de rivier hebben het verloren van de vaart der volkeren die Nederland heeft vol gezet met de puien en logo’s van overal dezelfde winkelketens. Het Portugese restaurantje te midden van dit franchisegeweld was wel weer van een onverwachte klasse. Prima wijn, voortreffelijk eten en zeer vriendelijke bediening. Laat die tegoedbon maar doorkomen, jongens!