Dag 5 - woensdag 18 augustus - af en toe een bui, afnemende wind
Vandaag ben ik een man met een missie: Kampen halen. Dus sta ik vroeg op - half zeven - en zit ik om kwart over zeven op de fiets. Er hangt nog steeds een dikke, donkergrijze bewolking, maar de regen die er uitkomt is vergeleken bij gisteren bijna knus.
Het Twentse land is uitgestorven. Vanwege het vroege uur, maar ook wanneer dat is gepasseerd vraag ik me af waar iedereen in hemelsnaam is. Eén boer zie ik in het eerste uur fietsen en die staat in een soort stille verbijstering naar de verbouwing van zijn boerderij te kijken. Alsof hij nu echt niet meer snapt hoe het leven in elkaar steekt.
Ik fiets. Clint Eastwoodblik, lichte schommeling, iets naar achteren op het zadel. En ik denk kabbelend. Zoals waarom de wegen door het boerenland soms kaarsrecht zijn en dan opeens weer vol bochtjes. Of waarom de regen telkens stopt als ik mijn regenkleding heb aangesjord en of ik daar misschien op een of andere manier mijn voordeel mee kan doen. Maar hoe? Of prangende vragen naar aanleiding van borden langs de weg, zoals wat in hemelsnaam een kuierronde is. Of een toeristisch overstappunt, ook bekend als TOP. En wat is een krentenwegge? En bestaat dat alleen in Twente, of overal en noemen ze het daar gewoon krentenbrood. En is het massaal eten van krentenwegge misschien de reden dat ik niemand zie. Kortom, gedachtes over het leven.
Er staat een matig windje tegen waar ik goed tegenin kan leunen en de Twentenaren hebben het idee van de zandweg beter begrepen dan in de Achterhoek: hier ligt er overal een fijn verhard fietspaadje langs. Samen met de damp tussen de bomen en de stilte om me heen, is het een echt stolpfietsparadijs met op een gegeven moment een berg, de Holterberg, die uitsluitend uit afdalingen bestaat. Nauwelijks zichtbaar maar des te beter voelbaar. Het rijdt zo lekker dat ik nauwelijks merk dat het weer is gaan regenen.
Veel gelegenheid voor koffie is er niet onderweg, maar dat komt mij en mijn missie wel goed uit. Diezelfde missie zorgt er ook voor dat ik zo mijn eigen interpretatie geef aan de borden langs de weg die, even voorbij Heino, melden dat er iets is afgesloten. Dat werk is natuurlijk vast al klaar, ze laten die borden altijd veel te lang staan. In de mannen met kleurrijke pakken die even later langs de weg opduiken, zie ik gewoon een stel goed uitgeruste wandelaars. In hun gebaren een vriendelijke groet, in plaats van ‘ho, stop!’. Pas als mijn voorwiel traag in het surrealistisch zachte, vers geasfalteerde wegdek zakt, begrijp ik dat mijn missie even onderbroken wordt. Maar zelfs dat valt alles mee. De mannen blijken inderdaad vriendelijk. Ze tillen mijn fiets in de berm en wijzen me een bospaadje om langs het werk te komen. Terwijl ik mijn fiets daar overheen duw, breekt voor het eerst in anderhalve dag de zon door.
Dacht ik. Maar nog geen vijf minuten later barst er met een ongekende en in elk geval niet op het aansjorren van regenspullen berekende snelheid een nieuwe plensbui los. Maar als die dan eenmaal voorbij is, dán breekt echt de zon door. En sta ik, even ten zuidoosten van Zwolle, aan de rivier de IJssel. Op een bankje langs het water eet ik mijn meegebrachte boterhammen. Daarna fiets ik op mijn gemak de laatste twintig kilometer naar Kampen. Een groepje zwaluwen vliegt een stuk samen met me op. Tenminste, zij doen tien bochten tegen één van mij en nog blijven ze me lachend voor. Pas bij de brug van Kampen keren ze om. Nu weet je het verder wel. Nou niet dus, maar het adres van de B&B waar ik heb gereserveerd zit in de GPS en die brengt me keurig voor de deur.
Ondertussen weet ik het ook. Ik ga niet naar Enkhuizen. Ik heb geen zin in dertig kilometer dijk om uiteindelijk aan het eind de trein naar huis te nemen, want mijn fietsweek is nagenoeg om. In plaats daarvan fiets ik morgen terug naar Zwolle. Sinds ik een paar jaar geleden ‘De avonturen van Henry Fix II’ van Atte Jongstra heb gelezen, weet ik dat ‘Zwol’ niet zomaar een provinciestadje is, maar zo ongeveer het middelpunt van de wereld. Een wereld waar de hoofdfiguur bovendien in 1821 een ongetwijfeld fietsende dichter genaamd Joseph Leonard Pfeijffer ontmoet die de raadselachtige woorden ‘wat als de wie van de welke waait’ uitspreekt. Een stad waar dat kan, wil ik wel eens zien. Ander plan dus. Goed plan.