-5-
Zeven galmende slagen op de tempelgong wekken me uit mijn diepe slaap. Ik probeer het alles doordringende geluid te negeren door het kussen op mijn hoofd te leggen.’
‘Maha, wakker worden.’
Mijn ogen knijp ik stijf dicht en ik probeer haar stem te negeren, maar Alesha zit naast mijn matras en schudt me ruw wakker.
‘Kom op slaapkop, het is tijd voor de ochtend-meditatie.’
‘Hoe laat is het?’
‘Precies vijf uur.’
Diep zuchtend sta ik op en dep mijn hoofd met het lauwe water uit de ijzeren waskom. Door het raam is het eerste streepje zonlicht aan de horizon te zien. Het lijkt wel of de krekels met hun kenmerkende gesjirp een wedstrijd houden. Een voordeel van het ashramleven is dat ik niet minutenlang voor mijn kledingkast hoef te staan om te besluiten wat ik vandaag aan zal trekken. De witte jurk ligt al geduldig op me te wachten.
We lopen samen naar de tempel, waar de meeste ashrambewoners in lotushouding zitten te wachten. Niet veel later komt Jahnu binnenwandelen. Hij gaat met gevouwen handen voor de groep staan en ontsteekt dan een grote witte kaars.
‘We verwelkomen deze prachtige nieuwe dag in stilte en laten ons hart ontsteken met behulp van het kaarslicht,’ begint Jahnu de meditatie. Een instemmend gezoem klinkt door de tempel.
‘Staar naar de vlam,’ fluistert Alesha me toe.
Gedwee doe ik wat me wordt opgedragen. Maar het flikkerende vlammetje waar ik in kijk, zet mijn hart niet in vuur en vlam. Aan de vage blikken van de andere aanwezigen af te meten, ben ik de enige in de tempel die niet in een toestand van verlicht bewustzijn is beland.
‘We lopen door een mooie witte poort en zijn in een tuin vol prachtige kleurrijke bloemen,’ hoor ik Jahnu op zweverige toon zeggen. Voor mijn geestesoog verschijnen verschillende beelden, behalve die van een bloementuin. Jahnu neemt de ashrambewoners mee door de fictieve tuin, waarin onvoorwaardelijke liefde heerst. Met behulp van de zon laat hij de aanwezigen hun hart openen en de rust in zichzelf vinden. Ten slotte moet een ieder zich een gouden stralenkrans voorstellen, die ons bestraalt en ons verder in een toestand van verlichting brengt. De meeste aanwezigen hebben hun ogen gesloten en verkeren in trance. Iedereen, behalve ik, lijkt mee te gaan in Jahnu’s meeslepende verhaal. Het enige wat er bij mij gebeurt, is dat mijn pijnlijke billen op de harde marmeren vloer in opstand komen. De tijd lijkt tot stilstand te komen en een gevoel van irritatie komt bij me op. De pijn van het harde zitten benevelt mijn geest en ik denk aan de lange dag die voor me ligt. Hoe kom ik deze nieuwe dag in hemelsnaam door?
‘Laten we een diepe rust in onszelf zoeken,’ zegt
Jahnu op zijn kenmerkende zoetige toon.
Daarna is het helemaal stil in de tempel. Iedereen zit met gesloten
ogen wat mij de gelegenheid geeft stiekem rond te kijken.
Het merendeel van de ashramleden is man, tussen de veertig en
zestig jaar oud, hun hoofden kaalgeschoren als een biljartbal. In
hun witte kleding lijken het heilige priesters in een verlichte
staat van bewustzijn. Bij mij ligt de situatie totaal anders. Ik
voel me gehaast, en ik word in beslag genomen door een wirwar aan
gedachten die met me spelen en me voortdurend kwellen, alsof ze
daar plezier aan beleven.
De meditatie neemt ongeveer een uur in beslag, maar voor mijn gevoel duurde hij eindeloos. Na de bevrijdende gong haast ik me naar de keuken om Rashdan te helpen met het ontbijt. Hij staat mij al met een brede glimlach op te wachten.
‘Hello Maha from Amsterdam into the ashram,’ roept hij enthousiast. Hij begint weer te lachen alsof het de beste grap van de wereld is. Ik werp hem een boze blik toe want ik begrijp niet waarom hij de draak met mij blijft steken.
Op het vuur staat een ketel kokend water, en op een tweede pit staat een soort havermoutpap te pruttelen in een grote ijzeren pan. Rashdan duwt me een enorme houten pollepel in mijn handen en geeft me opdracht om flink door de pap te roeren, zodat het op de bodem niet aanbrandt. Nadat de pap dik is geworden, draait Rashdan het vuur uit en draagt mij op de lepels en kommetjes op tafel neer te zetten. Mokkend voer ik deze opdracht uit. Het kan toch niet zo zijn dat ik dit werk in de keuken nodig heb voor mijn spirituele ontwaken.
Misschien heb ik me ernstig vergist, want thuis was ik wel iemand die ertoe doet, in elk geval veel meer dan hier. In deze ashram ben ik niet meer dan het hulpje van een eenvoudige Indiase kok.
Als dit de weg naar verlichting is, dan pas ik ervoor. Mijn spullen heb ik zo gepakt, dan maar niet verlicht.
Langzaam vult de eetzaal zich met bewoners die een voor een met hun kommetje langslopen. Elk bakje wordt gevuld met een dikke klodder havermoutpap. Rashdan geeft iedereen een beker groene thee, waarna ze aan de tafels gaan zitten. Als laatste schuif ik met mijn kom afgekoelde klonterige pap aan tafel.
‘Je kijkt sip,’ zegt Alesha.
‘Ik heb het eigenlijk helemaal gehad hier in de ashram.’
Alesha glimlacht.
‘Jouw ervaring is zo herkenbaar,’ zegt ze vriendelijk.
‘Waarom zit jij hier dan in godsnaam nog?’
‘Heb geduld, Maha.’
Hapje voor hapje eet ik de havermoutpap, die me in het geheel niet smaakt.
Na het eten komt Jahnu naar mij toe.
‘Shri Mahashja verwacht je in zijn privé-vertrek,’ zegt hij. Ook dit keer hoor ik jaloezie in zijn stem doorklinken.
Ik slof door het tempelcomplex naar het vertrek van de grote leider. Het licht van de ochtendzon weerkaatst op de witte marmeren vloeren en door het uitzicht op de Ganges knapt mijn humeur snel op. Als ik binnenkom, zit Shri Mahashja met zijn rug naar mij toe. Door de positieve energie die hij uitstraalt, voel ik me direct stukken beter.
Het is alsof ik een nieuwe dimensie binnentreed met meer ruimte en bewustzijn.
Shri Mahashja begint te spreken.
‘Maha, je hebt het moeilijk, dus luister goed.’
Hoe kan deze man weet hebben van mijn innerlijke worsteling?
‘Alle mensen, dieren, planten en voorwerpen op deze wereld bestaan uit pure energie met elk hun eigen trillingsniveau. Het menselijk bewustzijn heeft een heel hoog trillingsniveau, en deze trillingen gaan dwars door alles heen. Stenen en andere vaste stoffen hebben een lage trillingsfrequentie en zijn daardoor in een vaste vorm zichtbaar. Het is belangrijk dat je begrijpt dat alle objecten, mensen, dieren en planten uit pure energie bestaan en zich in een eeuwigdurende cyclus bevinden van komen en gaan. Het mooie en unieke van onze wereld is dat elk voorwerp of wezen niet op zichzelf staat, maar onderling verbonden is. Vandaar dat jouw gedachten voelbaar zijn, en ik je bij me riep.’
Mijn mond valt open, want Shri Mahashja kan blijkbaar van een afstand gedachten lezen.
‘De mens staat niet op zichzelf maar is een
onderdeel van een veel groter geheel, wat wij het universum
noemen,’ gaat de wijze man verder. ‘Hoewel wij mensen vaak denken
dat we groot en machtig zijn, wijzen de feiten anders uit. Ons
melkwegstelsel bestaat uit enkele honderden miljarden sterren, en
buiten ons melkwegstelsel zijn nog vele andere sterrenstelsels. Wij
zouden er honderdduizend lichtjaren over doen om van de ene kant
van ons zonnestelsel naar de andere kant te komen. Kortom, hoe
groot en imposant we onszelf ook vinden, de mens is nietig
vergeleken bij het enorme universum.
Dat is ook een belangrijke les die ik je wil meegeven. Voor
werkelijke verlichting moet je gaan beseffen dat wij er in het
grote geheel nauwelijks toe doen en dat we het leven moeten
accepteren zoals het zich aandient.’
Shri Mahashja draait zich nu naar mij om en kijkt me met zijn gitzwarte ogen doordringend aan.
‘Alleen ons ego denkt er anders over,’ zegt hij met enige nadruk. ‘We roepen onszelf uit tot zonnekoning of koningin, en een enkeling heeft zelfs het waanbeeld God zelf te zijn. Sommigen gedragen zich in elk geval als zodanig. Het sterke ego vertroebelt onze geest, waardoor wij de waarheid niet meer zien. Het ego beperkt ons vermogen om verlicht te raken en een diep gevoel van geluk te ervaren. Daarom begint verlichting ermee dat je het leven accepteert, in welke vorm het zich ook aandient. Maar bovenal is verlichting in beginsel het loslaten van je eigen ego. Laat het troebele water van je geest weer helder worden.’
Shri Mahashja stopt met spreken, terwijl de ochtendzon bijna symbolisch door het open raam de ruimte binnen-dringt. Buiten hoor ik de vogels prachtig fluiten.
“Ego, Ego,” zoemt het door mijn hoofd, maar ik begrijp niet wat ik daar mee moet doen.
‘Het leven is soms zo verwarrend,’ zeg ik, op bijna wanhopige toon.
‘Als je troebel water een tijdlang met rust laat,
wordt
het vanzelf helder,’ is zijn antwoord. ‘Vanuit je ego tegen de
realiteit vechten, heeft geen zin en put je uit.’
Het begint me te dagen door de donkere sluiers van mijn geest heen. De onrust in mijn hoofd en mijn sterke ego zijn blijkbaar weer eens met me op de loop gegaan.
‘Je bent vrij om in vrede en liefde te gaan,’ zegt Shri Mahashja ten slotte.
Bedeesd loop ik de ruimte uit, terwijl ik zijn ogen in mijn rug voel priemen. Het duizelt me. Hier is in korte tijd zoveel wijsheid geopenbaard, dat het voor mij moeilijk allemaal te bevatten is. Maar de woorden van Shri Mahashja doen me besluiten hier te blijven totdat ook mijn geest helder wordt. Blijkbaar heb ik hier nog veel te leren.
In de keuken staat Rashdan de afwas te spoelen.
‘Hello Maha from Amsterdam into the ashram,’ roept hij vrolijk. Ik glimlach en merk dat het zinnetje me niet meer zo irriteert. Met een smoezelige theedoek sta ik even later naast hem de aardewerken kommetjes af te drogen.
‘Water,’ zeg ik tegen hem, wijzend naar de afwasteil.
‘Water,’ herhaalt hij met trots in zijn stem.
Ik maak van afwassen een Engelse les, en ik zie zijn ogen glinsteren. Zo eenvoudig kan een beetje geluk in het leven zijn!
Na de afwas is er tijd voor mezelf, totdat ik het middag-eten moet bereiden. Ik gebruik deze vrije tijd om in de bibliotheek rond te snuffelen. Daar tref ik de lezende Alesha.
‘Hoe lang zit je al in deze ashram?’ vraag ik haar.
‘Bijna tien maanden,’ zegt ze opkijkend uit haar boek.
‘Zo lang al!’
‘Ach,’ antwoordt ze, ‘Je zult zelf ook gaan ervaren dat de tijd hier steeds sneller lijkt te gaan. Dagen worden weken, weken worden maanden en maanden langzaam jaren.
Neem Jahnu. Hij zit hier al meer dan acht jaar. Daarom heeft hij ook de dagelijkse leiding gekregen over de ashram.’
Acht jaar! Daar moet ik niet aan denken, schiet het door mijn hoofd. Hopelijk wordt mijn geest helder in minder dan die tijd.
De meeste boeken en geschriften in de bibliotheek zijn in het Sanskriet opgesteld, maar van een paar boeken is er de Engelse vertaling. Ik blader door een boek, maar kan me niet genoeg concentreren om de woorden uit de heilige geschriften ook daadwerkelijk te doorgronden. Allerlei andere gedachten razen door mijn hoofd.
Voor de lunch bakken we in anderhalf uur een enorme hoeveelheid chapatis. Het zijn een soort voedzame tarwepannenkoeken, die dankzij de typische Indiase kruiden de smaakpupillen verwennen. Onder het bakken leer ik Rashdan heel wat nieuwe Engelse woorden. Hij is leergierig en doet zijn best op de juiste uitspraak. Mij geeft het plezier om hem iets te leren. Vreemd, alles is nog precies hetzelfde als gisteren, maar toch is het ook helemaal anders: mijn geest gaat nu anders om met dezelfde realiteit.
Aan tafel kom ik verder los en klets gezellig met Alesha. Na de klonterige havermoutpap van vanochtend smaken de pannenkoeken me uitstekend.
Na de lunch is het tijd voor de dagelijkse mantrameditatie in de tempel. Er doen ook een paar passanten en westerse toeristen mee. Ik leer specifieke klanken als atoem, om en aton om mijn geest te helpen in een transcendente toestand te komen. We oefenen een halfuur op deze klanken en misschien verbeeld ik het me, maar het lijkt langzaam lichter te worden in mijn hoofd en ook mijn billen op de harde vloer protesteren minder dan vanochtend.
Na de meditatie ga ik naar de oever van de Ganges en mijmer wat voor me uit. Hoe zou het met mijn vader gaan en met Paula?
De tijd in de keuken begint zoals elke keer met dezelfde flauwe begroeting van Rashdan. Vanavond eten we dhal, een linzenschotel, met een groentenmengsel. Het is hier een waar paradijs voor de macrobioot, maar ik mis mijn dagelijkse stukje vlees. Misschien dat ik met een bezoek aan de stad de schade binnenkort kan inhalen.
De avond begint met gezang en het wiegen aan de oevers van de Ganges. Ook nu zitten de trappen weer vol, met vooraan Shri Mahashja onder zijn gele parasol. De boodschap voor deze avond is simpel maar raakt me wel degelijk. Je moet het leven aanvaarden zoals het zich aandient, en de vooraf bedachte plannen of eigen verlangens vergeten. In eenvoudige bewoordingen: leef in het hier en nu. Dat is wat de heilige man me ook vanochtend al heeft voorgehouden.
Hoe anders was mijn leven bij de bank. Met een agenda zo dik als een telefoonboek, rende ik mezelf voorbij. En ik was niet de enige. Wie in Nederland leed niet aan het ‘druk, druk, druk’-virus en wie had de tijd zich eens een dag te vervelen of doelloos rond te lummelen? Als je altijd maar ‘druk, druk, druk’ bent, vergeet je om te leven. De dagen worden weken en de weken maanden zonder dat je het beseft. Ineens is het weer Oud en Nieuw en is een kostbaar jaar verdwenen.
Je bent er wel, maar vergeet te leven. En laat tijd nu het meest waardevolle zijn wat we als mens bij onze geboorte hebben gekregen.
Ondanks de soberheid is de ashram een verademing. Sinds mijn intrede zit mijn horloge in het zijvakje van mijn rugzak. Een dag zonder de tijdsdruk voelt als een soort minivakantie. Daardoor lijkt het alsof ik veel meer tijd heb dan vroeger en krijgt mijn leven meer kleur en smaak. Het is of ik bewuster leef in het moment van het hier en nu.
De zon gaat dieprood onder in de trillende lucht aan de overkant van de rivier, en een intens gevoel van geluk overvalt me. Het is alsof mijn dwingende ego steeds meer naar de achtergrond verdwijnt en de zucht naar status en erkenning afneemt. Wat heb je aan succes en bezit als je niet werkelijk leeft, zo zoemt het door mijn hoofd.
Het wordt schemerig en een paar Indiase mannen zetten de kommetjes met brandende theelichtjes in de Ganges om het licht te laten meevoeren door deze heilige rivier. Ik fantaseer dat de drijvende kommetjes mijn ego meenemen.
Even is het wachten op Alesha, die een oranje stip op haar voorhoofd laat opbrengen door onze spirituele leider. Deze dag wordt afgesloten met een groot feest in de ashram. De eetzaal is voor de gelegenheid versierd met grote vazen met bloemen en overal op de grond liggen oranje bloem-blaadjes. In een hoek van de zaal wordt prachtige muziek gespeeld met trommels, een soort banjo en bamboefluiten. Het is druk en meerdere mannen dansen in een toestand van trance. Samen met Melisa en Alesha kijk ik in een hoek toe tot Jahnu mij de dansvloer op trekt.
De combinatie van muziek en de bijzondere sfeer maakt al snel dat ik met mijn ogen dicht dans, net als de anderen. Vrij en gelukkig, in een soort Hara Krishna-dans blijf ik ritmisch ronddraaien, tot om exact twaalf uur het feest is afgelopen. Als ik in bed lig, hoor ik in de gang een zacht geschuif en getrippel, maar ik sta niet te lang bij stil bij de vraag wat dit geluid veroorzaakt en waar het vandaan komt. Ik sluit mijn ogen en val in een diepe slaap, tot de tempelgong een nieuwe dag aankondigt.
De volgende ochtend voel ik me vies en plakkerig.
Al meer dan twee dagen heb ik me niet kunnen douchen.
‘Alesha, is hier ergens een douche?’
‘Even verderop in een zijtak van de rivier kun je jezelf wassen,’ zegt ze. ‘Vanmiddag gaan we erheen.’
‘En wat kan ik nu dan doen?’
‘Je zult net als iedereen de waskom moeten gebruiken, meer is er helaas niet.’
Zo goed en kwaad als het gaat, was ik me met het water uit de waskom. Dan loop ik, nog steeds verlangend naar een verkwikkende douche, naar de meditatieruimte.
‘Is je wassen in de Ganges niet erg smerig?’ vraag ik onderweg.
Alesha glimlacht. ‘Alles went.’
Na het middageten neemt Alesha me mee naar de badplaats van de ashram. De afgelopen paar dagen zijn mijn normen voor hygiëne flink opgeschoven. We lopen via de trappen naar de oever van de Ganges. De lucht boven de rivier trilt, en het is stil om ons heen. Dit is het India uit mijn dromen. Stilstaand bij de rivier, sluit ik mijn ogen en laat een licht briesje vanaf het water mijn gezicht strelen. Alesha pakt me ongeduldig bij de hand en samen lopen we over een smal pad langs de oever. Iets verderop, waar de grond vruchtbaar is, zijn ashrambewoners op een groot stuk land aan het werk. Een zwarte os trekt langzaam een houten ploeg voort. Heel primitief wordt hier het voedsel voor de ashram verbouwd, en het is biologisch voedsel in optima forma. In een door hekken omzoomd grasveld staan zeker vijftien geiten bij elkaar, die zorgen voor de melk in de ashram. Ze zoeken de schaduw van de enige schamele boom die de grond rijk is.
De badplaats is niet meer dan een uitstulping van de rivier waar een poel is ontstaan. Aan de kant staat een flinke rij begroeide struiken die enige privacy waarborgen.
‘Zorg dat je geen water in je mond krijgt,’ waarschuwt Alesha.
Op mijn slipje na, staan we beiden naakt tot halverwege onze knieën in de rivier. We wassen ons met water en zeep. Het bruine water voelt weldadig aan op mijn vieze stoffige huid. Er is niemand in de omgeving te zien en heel even voel ik me weer een beetje vrouw.
Opgefrist en vrolijk pratend lopen we een uur later terug naar de ashram. Zelfs Rashdans ‘Hello Maha from Amsterdam into the ashram’ kan me niet uit mijn humeur brengen. Er staat een enorme berg groenten op me te wachten die schoongemaakt moet worden voor het avondeten. Zuchtend ga ik aan de slag.
De dagen verstrijken in een vast ritme en door de strakke dagindeling lijken ze korter te worden. In de meditatie-sessies lukt het me steeds beter om in een soort trancetoestand te komen. Mijn gedachten gaan niet meer zo met me op de loop. Alesha is echt een vriendin en ze helpt me als het nodig is. Ik ervaar de weldadige rust en de kracht van een eenvoudig leven. Mijn lichaam voelt lichter dan ooit tevoren, de mist in mijn hoofd trekt op en het lijkt wel of mijn hoofd veel helderder is.
Elke dag lopen hier wel westerse toeristen rond met hun fotocamera in de aanslag. Grappig genoeg ben ik nu zelf een interessant foto-object geworden, en wie weet in hoeveel albums mijn beeltenis zal komen te staan, compleet met de witte soepjurk.
Maar er zijn ook donkere wolken aan de hemel. Na twee weken is het mijn beurt en wordt mijn grote angst bewaarheid: voedselvergiftiging! Het begint op een nacht net nadat ik in slaap ben gevallen. De misselijkheid overvalt me. Snel stap ik mijn bed uit en ren naar buiten, naar het toilet in een steegje net buiten de ashram. Of beter gezegd: een gat in de grond in een houten hokje dat als toilet dient. De warme stinkende lucht in de kleine ruimte verhevigt mijn misselijkheid. Met een bijna lege maag strompel ik terug naar bed, waar Alesha intussen wakker is geworden. Ze geeft me vers water en een pilletje tegen misselijkheid. Maar het mag niet baten. De hele nacht loop ik heen en weer tussen bed en toilet, tot mijn maag echt helemaal leeg is. Draaierig en slap val ik ten slotte op mijn bed neer om er de eerste twee dagen niet meer uit te komen. Als er een turbomethode bestaat om af te vallen, dan is het wel een voedselvergiftiging in India. Laat in de middag van de tweede dag komt Jahnu langs. Hij schrikt zichtbaar als hij me uitgeteld ziet liggen, draait zich meteen weer om en komt even later terug met een grote pot Umeboshi-pruimen. Als een ziek vogeltje werk ik de fijngeprakte pruimen met kleine hapjes naar binnen. De pruimen blijken een wondermiddel te zijn. De diaree stopt en vanaf dat moment gaat het beter met me.
Na een paar dagen en vele pruimen verder, keert de kracht terug in mijn lichaam. Wel ben ik flink wat kilo’s kwijt, iets wat ik beschouw als een welkome bijkomstigheid.
Op een ochtend na het ontbijt, zo’n drie weken na mijn aankomst in de ashram, roept de spirituele leider mij bij zich. Het monotone mantragezang is in de tempel duidelijk hoorbaar. Shri Mahashja draagt zijn rituele kleding: een simpele oranje jurk met een witte band om zijn middel. Daarbij draagt hij een houten ketting met beeltenissen van alle hindoegoden. De ruimte lijkt bijna te exploderen door de energie die Shri Mahashja opwekt, en alles vibreert voor mijn ogen. Het lijkt wel of er geesten van onbekende entiteiten aanwezig zijn.
De heilige man draait zich om en loopt zingend recht op me af. Hij kijkt me aan met zijn grote, gitzwarte ogen, terwijl hij mij gebaart om met gebogen hoofd op mijn knieën op de grond te gaan zitten. Langzaam word ik meegezogen in de diepe trance van Shri Mahashja. Het gezang van de man wordt intenser en wilder, waarmee hij de spanning opvoert.
Ik voel ineens een knallende hoofdpijn opkomen en grijp met beide handen naar mijn hoofd. De pijn wordt heviger en intenser, tot hij ondragelijk is. Wat gebeurt er in hemelsnaam? Ineens lijkt er in mijn hoofd iets te knappen. Dan is er stilte en een ongekende rust. Het is alsof een nieuw bewustzijnsniveau is doorbroken. Shri Mahashja begint met een grote schaar mijn lange blonde haren af te knippen. Grote plukken vallen naast me op de grond. Hoewel ik me realiseer wat er gebeurt, ben ik toch rustig en doet het me niets. Als Shri Mahashja onder het gezang van mantra’s al mijn haar heeft afgeknipt, smeert hij een soort wittige crème op mijn hoofd.
Daarna hoor ik het geluid van een schrapend mes over mijn hoofdhuid. Het doet geen pijn. Mijn hoofd voelt nu aan als een biljartbal. Shri Mahashja pakt, nog steeds zingend, een kommetje met een soort oranje kleiverf en drukt met zijn wijsvinger een oranje stip op mijn voorhoofd. Het Mundan-ritueel is ten einde en het mantragezang stopt. De enorme hoeveelheid opgewekte energie laat de ruimte bijna trillen.
‘Sta op, Maha.’
Ik volg zijn aanwijzing op, langzaam. Om mij heen ligt mijn mooie blonde haar, mijn trots. Ineens dringt het tot me door wat er is gebeurd en het huilen staat me nader dan het lachen.
‘De eerste fase naar verlichting is het ontwaken,’ prevelt Shri Mahashja. ‘Tijdens deze fase zul je de eenheid en zuiverheid in jezelf leren kennen. Geluk en verlichting ontstaan op het moment dat je de hang naar dualiteit opgeeft. Om de onvoorwaardelijke eenheid te kunnen ervaren, moet je afstand doen van je sterke ego. De eerste stap daartoe is het afleggen van de Mundan. Alle opgeslagen herinneringen uit je verleden zijn door het afscheren van je haar verdwenen. De weg naar een permanente staat van verlichting ligt voor je open. Je kunt het pad niet afleggen totdat je zelf het pad geworden bent.’
Een mooie, maar onbegrijpelijke zin.
Later die ochtend, als ik naar mijn gezicht in de spiegel kijk, begin ik hard te huilen. Het is vreemd mezelf zonder haar te zien, alsof er iemand anders is opgestaan en de vertrouwde Eva Sprong is verdwenen. Is dit het allemaal waard om verlicht te worden? Niet meer wetend wat waar is, ga ik somber gestemd op mijn bed liggen. Hoe heeft het zover kunnen komen?
De tijd verstrijkt en door de vaste strakke dagindeling vliegen de weken voorbij. Kerstmis van het jaar 1987 is een kerstfeest om nooit meer te vergeten. Niet omdat het zo’n bijzondere kerst was, maar omdat het in de ashram totaal niet wordt gevierd. Wel heb ik op Eerste Kerstdag een fietstaxi naar Kanpur genomen. Wat zou ik er veel voor over hebben gehad om met Paula en mijn vader gezamenlijk de kerstmaaltijd te nuttigen en voor even terug te zijn in die oude vertrouwde sfeer.
In een telefooncel bel ik eerst mijn vader en dan Paula om hen een bijzonder mooi kerstfeest toe te wensen en verslag te doen van mijn ervaringen in India. Heel bewust vertel ik hen niet alles. Drie maanden ashram hebben mij compleet veranderd. Mijn stem is nog hetzelfde, maar ik ben kaal, draag een witte jurk en bevind me bijna permanent in een toestand van totale ontspanning.
Mijn voornaam is veranderd van Eva in Maha; twee verschillende personen in één en hetzelfde leven.
De fietstaxi zet me na mijn bezoek aan Kanpur weer aan de overkant van de ashram af. Na al die maanden groet Rashdan mij nog steeds met ‘Hello Maha from Amsterdam into the ashram’. Het kan me niets schelen. Rashdan heeft een goed hart en dat is belangrijker dan zijn flauwe humor. De vele meditaties hebben mij gevoeliger gemaakt en ik accepteer het leven zoals dat zich aandient.
Zwijgend maak ik de bloemkool schoon en mijmer wat in mezelf. De afgelopen drie maanden hebben mij de rust gegeven waarnaar ik zo heb verlangd.
Tijdens de lange meditatiesessies is mijn innerlijke kracht naar boven gekomen. Mijn sterke ego heeft pas op de plaats gemaakt en mijn ziel laat zich meer en meer zien.
Wonen in de ashram biedt een heerlijk dagelijks ritme. Vroeg opstaan, mediteren, verzorgen van het ontbijt, lezingen bijwonen, mantra’s zingen en het avondeten bereiden. De dag wordt afgesloten door Shri Mahashja aan de Ganges. Het leven is eenvoudig en brengt een weldadige rust waarin ik me kan ontspannen en gelukkig voel. Het leven in Nederland en mijn werk bij de bank liggen ver achter me. Altijd de druk om deals te sluiten en tegemoet te komen aan wat de leidinggevenden van je vragen. Gestoken in een grijs mantelpakje, als slaaf van geld en van status, verloor ik mezelf. Het leven vloog voorbij en het ontglipte me. Maar wat heb je aan geld en aanzien als je niet echt leeft?
Dit is een belangrijke boodschap die de wereld moet kennen. Het werkelijke leven mag niet ten onder gaan aan de ongelimiteerde jacht op geld en status. Hier kost het leven tien dollar per dag en betaal je twintig dollar voor een bezoek aan Shri Mahashja. Een warme douche bestaat niet en het toilet is niet meer dan een gat in de grond. Toch ben ik in India gelukkiger dan in Amsterdam met al zijn weelde. Het is mooi om geluk te voelen en veel licht in mezelf te ervaren. Daarom houd ik zo van mijn naam, Maha, vernoemd naar de godin van het licht.
Shri Mahashja is een bijzondere man. Alleen al met zijn aanwezigheid kan hij het energieveld in de groep veranderen. Er zijn wekelijkse bijeenkomsten die we ‘satsang’ noemen. Onder leiding van Shri Mahashja komen we bijeen in een met kaarsen verlichte tempel.
In zijn nabijheid kun je niet anders dan je gelukkig voelen. Zijn prachtige, gitzwarte ogen stralen rust, stilte, vrede en liefde uit. De satsang-bijeenkomsten werken verslavend en zijn voor mij onmisbaar in het vinden van mezelf.
Op deze bijzondere kerstavond van 1987 is er geen champagne na een overvloedige maaltijd, maar voeren we de maandelijks terugkerende ‘aarati-sessie’ uit. Dit is een lichtceremonie in combinatie met een gezongen meditatie. Het ‘Stille nacht, heilige nacht’ wordt dit jaar niet door mij in de kerk gezongen. In plaats daarvan reciteer ik in een verlichte hindoetempel de eentonige meditatieve AUM-klank, net zolang tot mijn lichaam mee vibreert. Het is bijzonder om te ervaren hoe de ‘geheime’ klank uit de oude Vedische traditie tijdens de meditatie onderdeel wordt van mezelf.
Het lijkt alsof je hele lichaam vibreert op de AUM-klank. Ik voel opnieuw hoe ik openga, en een intens gevoel van wit licht trekt door mijn lichaam. Of het nu door de meditatie komt of door het kerstfeest, tijdens de sessie komt plotseling mijn levenslange opgekropte woede opzetten. Ik verlies de controle over mezelf en begin in een toestand van trance boos te schreeuwen en om me heen te slaan.
‘Waarom heb je mij laten zitten!’
Enkele aarati-deelnemers kijken me verschrikt aan, maar ik ben in een andere wereld, waardoor de aanwezigen zijn opgegaan in een grijze amorfe waas voor mijn ogen.
‘Mam, waarom liet je ons zitten, terwijl we nog zo klein waren en je zo hard nodig hadden? Je had ons beloofd om terug te komen, maar je hebt het niet gedaan!’
Mijn geschreeuw gaat nu over in huilen. Ik ben boos of liever gezegd woedend op God. Wie laat nu twee kleine meisjes zonder moeder opgroeien, en welke God laat een jonge moeder van vijfendertig jaar doodgaan?
Alesha pakt me bij de hand en leidt me naar buiten, waar ik langzaam weer bij zinnen kom. Ze slaat haar armen om me heen en troost me.
‘Maha, lang niet alles in dit leven is eerlijk en verstandelijk te begrijpen. Het lijkt hard en wreed om jonge kinderen hun moeder af te nemen. Maar op een voor ons onbegrijpelijk niveau moest het zo zijn. Niets gebeurt voor niets in deze wereld. Jouw woede en verdriet zijn voorstelbaar, maar als je leeft met een boze geest dan heb je de les nog niet begrepen. Geen enkele boosheid of woede brengt je moeder terug en het gaat erom dat je het leven accepteert zoals het komt. Haat en frustratie kun je niet overwinnen met woede, maar alleen met liefde.’
Bij het horen van haar woorden, huil ik onbeheerst. De druk op mijn borst die ik bijna altijd voel, valt weg en er komt letterlijk ruimte vrij in mezelf. Natuurlijk heeft Alesha gelijk. Dat had ik ook al jaren geleden geconstateerd, verstandelijk, met mijn hoofd. Maar hier op deze bijzondere kerstavond van het jaar 1987, kan ik de harde werkelijkheid ook met mijn gevoel accepteren. Het vroege overlijden van mijn moeder is goed voor me geweest op een voor mij onbegrijpelijk niveau. Het heeft zo moeten zijn.
Die nacht slaap ik diep met een glimlach op mijn gezicht. Mijn grootste onbewuste obstakel is weggenomen doordat ik de vroege dood van mijn moeder nu ook gevoelsmatig heb geaccepteerd. Ik ben weer een treetje verder in de zoektocht naar mezelf.
De volgende morgen tijdens de meditatie kan ik het verschil goed merken na de uitbarsting van gisterenavond. Mijn beide handen liggen plat op mijn buik en ik haal regelmatig en diep adem. De herrie in mijn hoofd is verdwenen en ik heb het gevoel vrij in mijn buik te kunnen ademen.
Dit bijzondere lichte gevoel houdt zeker een volle week aan. Het is tijdens deze week dat ik op een middag aan de oever van de Ganges over het spiegelende water kijk dat ondanks de stroming helemaal vlak lijkt. Het is drukkend warm en er zijn weinig mensen te zien. De stilte die hier heerst, dringt nu diep van binnen bij me door. Ik overdenk mijn verblijf in de ashram. Het is allemaal niet voor niets geweest en ik heb de innerlijke rust gekregen die ik zocht. Hier kreeg ik ruimte om afstand te nemen van de lasten die ik jarenlang veelal onbewust heb meegezeuld.
In de verte zie ik een lichtblauw geschilderd vissersbootje op de stroming langs glijden. Mijn aandacht wordt ernaartoe getrokken, en het beeld lijkt wel een persoon-lijke boodschap te zijn. Mijn leven is als een bootje dat op de stroming van de rivier drijft. De ashram is geen eindstation, maar slechts een tussenstop. Een vreemd onrustig gevoel overmant me en voor het eerst dringt het besef door dat mijn tijd er hier op zit. Het is goed zo!
De opgekomen gedachten verdwijnen weer even snel uit mijn hoofd. Het sobere en eenvoudige leven is weldadig voor mijn geest en dat wil ik niet verliezen. Dit is een plaats om nog heel lang te willen blijven, mijn leven staat ten dienste van Shri Mahashja, net als dat van Jahnu, Alesha en Melisa. Hier is het geluk mij toegevallen!
Maar de aandrang om verder te gaan, kleeft aan me als honing aan een bij.
In de keuken help ik bij het bereiden van het avondeten. In de loop van de weken die volgen, voel ik steeds sterker dat ik verder moet trekken en mijn tijd er hier opzit. Ik praat met Alesha over mijn innerlijke strijd, maar zij kan me niet helpen. Zo raak ik in vertwijfeling. Het wachten is op een ontmoeting met Shri Mahashja, die ik heb aan-gevraagd. Op een dinsdagmorgen aan het eind van januari is het zover. Na het ontbijt word ik ontboden bij de heilige man. Hij zit met zijn rug en zijn zwarte wijd uitstaande bos haar naar mij toe gedraaid.
‘Maha, je bent naar mij gekomen voor raad,’ zegt de heilige man op kalme toon. ‘Het is tijd voor je om te gaan.’
Verbaasd besef ik dat hij kennelijk het doel van mijn bezoek kent.
‘Hoe weet u dat?’
‘Er was eens een Indiase man die naar meesterschap streefde,’ begint Shri Mahashja zijn verhaal. ‘Hij bezocht een Sadhu die in een grot leefde, hoog in de Himalaya, en daar een zonderling bestaan leidde. De heilige Sai Baba gaf de zoekende man een grote brandende kaars mee met de boodschap dat de vlam niet mocht doven. De volgende ochtend zou hij zich weer moeten melden en bij succes zou hij verlicht zijn. De man deed wat hem gezegd was en liep de hele middag, avond en nacht met zijn brandende kaars door de prachtige bergen. Hij concentreerde zich volledig op het vlammetje en wist elk zuchtje wind te trotseren en het vlammetje brandend te houden. Trots meldde hij zich de volgende ochtend bij de heilige Sai Baba met zijn kaars die bijna was opgebrand.
“Heb je gezien hoe wonderschoon de Himalaya is, met haar witte toppen en al haar bloemen en vogels?” vroeg Sai Baba.
De man schudde verbaasd zijn hoofd. Hij had alleen maar aandacht gehad voor het vlammetje in zijn zucht naar verlichting.
Shri Mahashja draait zich naar me om. ‘Dit is de manier waarop de meeste mensen naar verlichting zoeken. Ze zoeken naar het licht in zichzelf en vergeten de prachtige wereld om hen heen. Al meer dan twintig jaar zie ik hier mensen langstrekken in hun zoektocht. Ze lopen niet, ze schrijden door de ashram. Hun gezichten staan ernstig en in zichzelf gekeerd. Ze lachen weinig en zien verlichting als een serieuze taak. Zo richten ze zich vol overgave op het brandende vlammetje en vergeten de mooie wereld om hen heen. Verlichting is niet meer dan loslaten en leren genieten van de mooie wereld om ons heen op het moment dat deze zich aandient.’
Shri Mahashja staat op en loopt naar mij toe. Uit een kommetje pakt hij met zijn duim wat oranje verf en drukt de duim op mijn voorhoofd.
‘Niet voor niets heb ik je Maha, godin van het licht, genoemd,’ zegt de heilige man. ‘Het is jouw taak om het licht bij vele kinderen in deze wereld te laten ontbranden. Vooral kinderen, die een hard en onmenselijk bestaan leiden, hebben jouw licht nodig. Daarom moet je nu je pad vervolgen en de ashram verlaten. Het gaat je goed, Maha. Wees het kaarsje, dat andere kaarsjes laat ontbranden.’
Shri Mahashja draait zich om en gaat bij het open raam in lotushouding op zijn kussen zitten, waar hij in meditatie verzinkt. Uit het veld geslagen verlaat ik de tempel.
Hoe kon de heilige man weten wat mijn vraag was, en waarom stuurt hij me weg? Dat het tijd is om afscheid van de ashram te nemen, is me nu meer dan duidelijk, maar voelt ook onzeker en verwarrend. Ik snel door het tempelcomplex, tot ik op Jahnu stuit.
‘Jahnu, ik ga de ashram verlaten.’
Hij schrikt zichtbaar, kijkt me indringend met zijn loensende blik aan en loopt zonder verder iets te zeggen door. Zijn reactie zegt genoeg.
Ik weet dat het veel energie gaat kosten om me los te maken uit de ashram.
Later die ochtend help ik in de keuken bij het bereiden van de tarwepannenkoeken. Rashdans begroeting is nog altijd dezelfde. Onze relatie is na het stroeve begin hartelijk geworden. Rashdan behoort verstandelijk gezien mis-schien niet tot de bestbedeelden, maar zijn hart is warm en goed. De afgelopen maanden heb ik hem verstaanbaar Engels leren spreken. Maar met Rashdan lukt het nu niet om over mijn naderende afscheid te spreken omdat het koken alle aandacht opeist. Gelukkig heeft Alesha na het middagmaal tijd voor me. Samen lopen we langs de oever van de Ganges in de richting van de geiten op het land. Het is broeierig warm, maar na al die maanden ben ik daaraan gewend geraakt.
‘Vandaag ben ik bij Shri Mahashja geweest. Ik ga de ashram verlaten.’
Alesha schrikt zichtbaar. In de afgelopen maanden zijn we goede vriendinnen geworden. Bij Alesha voel ik me vertrouwd en ze is als een moeder voor me: zorgzaam en vol wijze raad. Wat ik vroeger zo erg heb gemist, is zij voor mij geworden.
‘Waarom ga je weg?’ vraagt Alesha.
‘Mijn taak ligt ergens anders in de wereld. Shri Mahashja heeft me verteld dat ik het licht moet gaan verspreiden bij kinderen, die het zwaar hebben.’
De mening van Shri Mahashja overtuigt Alesha en ze pakt me stevig beet.
‘Je bent bijzonder en ik zal je missen, Maha,’ zegt ze.
Als ze me loslaat, stromen de tranen over haar gezicht en ook ik kan me niet goed houden. Dit afscheid is onontkoombaar, maar pijnlijk. Gearmd lopen we terug naar de ashram. Voor de tempel lopen we Jahnu tegen het lijf. Hij attendeert me koeltjes op de nog openstaande rekening en ik beloof hem vanavond te betalen met mijn travellercheques.
Terwijl we in de keuken het avondeten bereiden, breng ik Rashdan op de hoogte. Hij huilt als de betekenis van mijn woorden tot hem doordringt.
‘Vanuit Amsterdam ga ik je schrijven,’ zeg ik.
Mijn hart breekt terwijl zijn ogen mij intens droevig aankijken. Zijn kenmerkende lach met een paar missende tanden is verdwenen.
‘Misschien komt er morgen een nieuwe Maha from Amsterdam,’ probeer ik hem op te vrolijken.
Rashdan schudt zijn hoofd.
‘Jij bent speciaal en niet vervangbaar.’
Stevig druk ik hem tegen me aan.
Tijdens het avondeten sta ik op en neem het woord.
‘Morgen zal ik na het ontbijt deze ashram verlaten. Mijn taak ligt ergens anders in de wereld. Dank voor jullie liefde, hulp en aanwezigheid, en ik hoop dat het jullie in alle opzichten goed gaat.’
Die avond is mijn laatste keer tussen de wiegende mensen op de trappen bij de Ganges, waar de zon inmiddels ondergaat. Het is een zwoele avond en ik zal deze momenten erg gaan missen. Shri Mahashja spreekt in de krakende microfoon over liefde.
‘Wie zegt de liefde en de waarheid te hebben gevonden in slechts een korte tijd, is hypocriet,’ zegt hij met stemverheffing. ‘Het vinden van de ware liefde is een lange reis en gaat stap voor stap. Alle gebeurtenissen in je leven hebben als doel de ware liefde in jezelf te vinden.’
Het lijkt wel of deze boodschap speciaal voor mij bedoeld is. In de ashram heb ik de eerste stap gezet in het ontdekken van mezelf. Maar er staan nog genoeg vragen open. Nog steeds is mij niet helemaal duidelijk wie ik werkelijk ben en wat ik op deze wereld te doen heb.
Na de meditatie aan de Ganges betaal ik bij Jahnu de nog openstaande rekening van driehonderdnegentig dollar.
‘Je maakt de juiste keuze, Maha, maar ik zal je verschrikkelijk missen,’ zegt Alesha als we in bed liggen.
‘Waarom blijf jij hier?’
‘Ach, in Zweden heb ik niets om voor te leven. Hier heb ik vrienden en mensen om me heen die om me geven.’
Na al die maanden weet ik dat Alesha bij haar besluit zal blijven, en dat het geen zin heeft te proberen haar op andere gedachten te brengen. Ik wens haar een goede nachtrust toe.
De volgende dag na de meditatie vervang ik mijn witte soepjurk voor mijn spijkerbroek en het roze T-shirt dat ik altijd zo graag droeg. Het vertrouwde gevoel komt terug en het is alsof de herinnering aan mijn kleding ook de herinnering aan Eva Sprong weer opent. Ineens ben ik weer die kosmopolitische vrouw met haar vele vragen, mooi en succesvol aan de buitenkant, maar stil en onzeker van binnen.
Voordat ik met mijn loodzware rugzak over de treinbrug naar de overkant loop, neem ik afscheid van de leden van de ashram. Een grote groep bewoners zwaait me hartelijk uit, maar niet iedereen is van de partij. Jahnu laat zich niet meer zien.