Proloog

 

De afgelopen dagen voelde ik me onrustig omdat ik nog maar nauwelijks adem kan halen. En ik weet nu dat er niets erger is dan dat. Het lijkt wel alsof ik continue bezig ben te verdrinken, wat me angstig en onzeker maakt.

Ik kan niet meer lucht inademen dan dat er door een rietje past, nog maar net genoeg om te blijven leven. ’s Nachts wordt mijn adem bijna helemaal afgesneden. Als dit zo doorgaat, dan zal ik onvermijdelijk stikken. De dood lijkt me meer en meer een vredig alternatief omdat ik moegestreden ben.

De continue strijd om lucht is bijna niet meer op te brengen. De dood lijkt een pijnloze bevrijding, als een onuitgesproken belofte.

Wanhoop en verdriet overvallen me op die momenten waarop de kracht me ontbreekt om nog verder te willen leven. Ik heb het grensgebied tussen leven en dood al gezien. Het is daar ijl en de overgang wordt slechts door één enkele ademtocht bepaald.

 

Alleen in de armen van mijn geliefde Maurice vind ik nog enige rust. Maar er zijn nog zo weinig momenten waarop ik geen pijn heb, benauwd ben of moet hoesten. Door deze toestand raak ik genadeloos uitgeput. De laatste weken is Maurice tot diep in de nacht met mij in de weer, als ik opnieuw een van mijn verschrikkelijke hoestbuien heb. Soms vraag ik me af waar hij de bovennatuurlijke kracht vandaan haalt om mij te verzorgen. Het moet hem erg zwaar vallen om zijn vrouw zo te zien aftakelen, en aan slapen komt hij nauwelijks meer toe. Naast de verzorging van mij heeft hij ook nog eens een grote uitgeverij te bestieren. Mijn held is Maurice en hij verdient een standbeeld!

 

In overleg met de huisarts is de morfinepomp vanochtend weer een streepje verder opgeschoven, wat me wederom een stukje dichter naar de dood drukt. Ik wil me verzetten, maar ik vind de kracht niet meer. Langzaam dringt het besef door dat ik misschien zelfs deze kerst niet meer ga halen. Over twee dagen is het al zover en zal er overal in mijn eigen Amsterdam het ‘Stille nacht, heilige nacht’ klinken. De lichtjes van de kerstboom in de serre weerspiegelen in het glas, en ze lijken me soms mee te voeren naar een andere dimensie. Maurice heeft zijn best gedaan er in dit bijzondere jaar 2009 een prachtige boom van te maken. Het is een grote robuuste blauwspar, versierd met witte en zilveren ballen, zoals ik hem had gevraagd.

 

Maurice zit naast me en streelt teder mijn handen, terwijl ik hem vanuit het ziekenhuisbed in de woonkamer liefdevol aankijk. Met zijn golvende haar, grijze ringbaard, vriendelijke felblauwe ogen en lange gestalte is hij nog steeds een erudiete, aantrekkelijke man. Eigenlijk is hij in al die tijd alleen maar mooier geworden, zoals goede wijn met de jaren krachtiger wordt en beter smaakt. Vorige maand waren we precies 21 jaar samen en eerlijk gezegd zijn het de mooiste en meest liefdevolle jaren uit mijn leven geweest. In liefde draag ik hem met me mee, altijd en overal. Hoe kan ik hem straks in godsnaam loslaten, vraag ik me wanhopig af. We hadden nog zoveel plannen samen. Mijn geest wil wel, maar m’n lichaam weigert dienst.

 

Mijn gewicht is inmiddels onder de 53 kilogram gezakt en er steken botten uit op plaatsen waarvan ik nooit heb geweten dat er überhaupt een bot zat. Nu kan ik me niet meer voorstellen dat ik mezelf ooit te dik vond en vol enthousiasme aan het volgende dieet begon.

In deze laatste fase van mijn aftakeling heb ik het gedroomde figuur van het meest fanatieke fotomodel ter wereld, maar het geeft me geen plezier want alles doet me pijn.

 

‘Eva,’ fluistert Maurice zachtjes. Hij raakt even mijn magere schouders aan.

‘Ik moet nog snel naar de zaak om stukken te tekenen. Binnen een uur ben ik terug,’ zegt hij op bezorgde toon, terwijl hij opstaat en me zachtjes over mijn wang streelt.

‘Red je het?’

Kuchend glimlach ik naar hem, want ik heb bijna geen kracht meer om te praten. Maurice sluipt op zijn tenen de kamer uit en ik hoor hem de trap aflopen naar het souterrain. Daarna is het helemaal stil om me heen.

Het enige wat de rust verstoort, is mijn zware onregel-matige ademhaling.

 

De laatste tijd praten we over zaken waar het in dit leven echt om gaat: over de liefde, de dood, en zelfs over God. Het valt me erg zwaar om dit laatste stuk van mijn levenspad te bewandelen. Wanhoop en verdriet overvallen me op momenten waarop ik denk niet meer verder te kunnen. Zelfs gewone activiteiten als praten, eten en drinken zijn halve marathons geworden. Mijn hart draait overuren; zelfs in rust komt mijn hartslag niet meer onder de honderddertig slagen per minuut. Wat kan een mens verdragen, heb ik mezelf de laatste dagen geregeld afgevraagd.

Als gezonde vrouw heb ik in de verste verte nooit geweten dat het leven zo zwaar kon zijn.

 

Het is wreed te moeten vechten tegen de meest agressieve vorm van longkanker die er bestaat.

Waarom doet God mij dit aan? Wat heb ik in mijn leven fout gedaan om een dergelijk zwaar lot te treffen?

Dat zijn vragen die me soms kwellen. Maar gelukkig sta ik niet alleen in mijn strijd. Behalve van Maurice ervaar ik veel liefde en steun van al degenen die op mijn pad meelopen. Veel hulp en liefde krijg ik van mijn twee jaar jongere zus Paula, die vlak bij mijn vader woont, in Ouderkerk aan de Amstel. Ze helpt me elke dag met douchen en maakt mijn blonde pruik in orde. Al die aandacht en verzorging doen me beseffen dat liefde het belangrijkste goed is in ons leven. Voor mij is het zelfs de enige kracht waar ik nog moed uit put.

 

Het tijdstip waarop mijn leven tot stilstand leek te komen, was 25 februari 2009, om zes minuten over tien in de ochtend. Het was het moment waarop ik de diagnose ongeneeslijk ziek te horen kreeg van dokter van Bemmel, een gerenommeerde longarts in het academische VU-ziekenhuis. Nog steeds valt het niet mee terug te denken aan dit onheilsmoment in mijn leven. Het is vreemd en onwezenlijk je eigen doodvonnis te horen uitspreken door een onbewogen statige man met grijs haar in een witte jas.

‘Mevrouw Sprong, u hebt een inoperabele vorm van longkanker met uitzaaiingen naar het lymfestelsel,’ had hij op nuchtere, ja zelfs vlakke toon gezegd.

‘Dat betekent dat u ongeneeslijk ziek bent en dus waarschijnlijk nooit meer beter zult worden. Wel gaan we met een gerichte chemokuur proberen de snelle groei van kankercellen te vertragen.’

 

Ik hoorde zijn woorden wel, maar begreep niet wat ze betekenden. Het leek wel of de woorden van dokter van Bemmel voor een ander waren bedoeld.

Pas toen ik Maurice naast me intens verdrietig hoorde huilen, drong de harde boodschap tot me door. In één klap was ik mijn leven kwijt en verscheen magere Hein, breed grijnzend, in mijn gezichtsveld.

 

Maar ik was zeker niet verslagen. Binnen een week had ik mijn plan klaar. De kanker kreeg mij er niet zo maar onder, dat was mijn uitgangspunt en dat geloofde ik.

In de weken die volgden las ik elk boek over mensen die kanker hebben overleefd en trainde dagelijks mijn positieve geest. Ik paste mijn voedingspatroon aan. Vlees en vettige happen maakten plaats voor het Moerman-dieet met veel groenten, fruit en vis. Voedsel is heel belangrijk voor de bouw van cellen en het moest van de hoogste kwaliteit zijn. Vooral zeekraal at ik kort na de diagnose veel. De menselijke geest is sterk en ik weigerde om op te geven. Gelukkig was ik in de gelegenheid om veel te mediteren, en dat gaf me rust. Tijdens de visualisaties stelde ik me voor dat er onzichtbare mannetjes in mijn lichaam aan het werk waren die de kankercellen afbraken. Ze werkten dag en nacht door in hun strijd tegen de kwaadaardige cellen. Zo probeerde ik mezelf met de moed der wanhoop beter te denken.

 

Maar God had andere plannen en ik zag me genoodzaakt mijn ziekte te accepteren. De kankercellen lieten zich niet door mij commanderen. Tergend langzaam en stukje bij beetje takelde ik af, en steeds sneller raakte ik buiten adem. De kanker verspreidde zich gestaag door mijn lichaam en elke dag kwam de dood dichterbij. Verdriet, ongeloof en angst wisselden elkaar af en verdrongen geleidelijk het geloof, het vertrouwen en de hoop.

Ik wilde vechten en nog lang niet dood, maar de werkelijkheid was anders. De chemokuur deed haar verwoestende werk grondig. Er trok een koude prikkeling door mijn lijf die ik nooit eerder had ervaren. Het leek wel alsof ik tijdens het infuus met die chemotroep onder stroom stond. En wat heb ik gehuild toen mijn haar met bossen uitviel. De ijskap tegen haaruitval had niet geholpen en mijn haar is niet meer teruggekomen. Zo sterf ik binnenkort: kaal, mager en gekweld door benauwdheid en pijn.

Alles had ik overgehad voor een langer leven: mijn bezit, mijn baan en zelfs mijn ziel. Ik klampte me vast aan alles wat me hoop gaf. Maar de kleine stapjes vooruit werden afgewisseld door grote sprongen achteruit. Met elke hoestbui verdween er weer een stukje kracht en leven, en langzaam brokkelde mijn laatste restje vertrouwen op een goede afloop af.

Het afgelopen jaar heb ik veel geleden, maar daardoor ben ik ook op een andere manier naar het leven gaan kijken.

Mijn grenzen zijn opgeschoven en ik leerde mezelf over te geven aan de ware liefde.

Gisterenavond heb ik afscheid genomen van mijn 81 jaar oude vader Jan. Hij is moeilijk ter been en kwam mee met mijn zus Paula. Ik zag het intense verdriet in zijn ogen branden en het raakte me diep. Het moet verschrikkelijk zijn om je eigen kind te verliezen, zelfs als ze 56 jaar oud is.

 

Het werd een bijzondere avond waarin alles op zijn plaats viel. Lang niet altijd is het contact met mijn vader goed geweest. Hij heeft de koppigheid en stugheid van een Fries werkpaard, en praten was nooit zijn sterkste kant. Tot zijn grote teleurstelling heb ik ooit mijn succesvolle en flitsende carrière opgegeven om mijn eigen weg te gaan.

Hij begreep niets van de zoektocht naar mezelf en naar een antwoord op prangende levensvragen.

Ik huilde toen hij mompelde: ‘Eva, ik hou zielsveel van je en ik ben trots op wat je hebt bereikt in je leven.’ Met deze woorden sprak hij zijn zegen over mijn doen en laten uit. Hij heeft nooit geweten hoe ik heb gehunkerd naar zijn waardering. Hij kon dat ook niet weten, want over dit verlangen heb ik hem nooit verteld. Zijn woorden gaven me een ongekende rust, diep van binnen. Het was alsof de cirkel van mijn zoektocht, die leven heet, rond was.

Hij schonk mij de woorden waar ik zolang naar had verlangd. Zo viel alles gisterenavond op zijn plaats, terwijl mijn moeder vanuit het portretlijstje in de boekenkast toekeek.

 

Het klinkt misschien gek, maar het lijkt wel of je wordt voorbereid om afscheid van dit leven te nemen. Ik voel nu heel duidelijk dat het mijn tijd is om dit aardse bestaan te verlaten. De pijn, de vermoeidheid en de uitputting worden me langzamerhand teveel. Maar de dood is niet het einde, want ik geloof in een voortbestaan na dit leven. In het schemergebied tussen de dood en het bewustzijn heb ik de twee vrouwen al gezien: wit, zachtaardig en stralend van liefde. In de hoek van onze woonkamer naast de kerstboom zit mijn moeder die ik door een tragisch ongeval vanaf mijn zevende jaar heb moeten missen.

Ook mijn oma, die me daarna grotendeels heeft opgevoed, zit daar op me te wachten. Ik verlang ernaar om met hen te worden herenigd, al begrijp ik niet waarom dat juist nu moet, in de kracht van mijn leven.

 

Het is doodstil in huis en ik ben vreemd helder in mijn hoofd. Met een uiterste krachtinspanning kom ik overeind en grijp met mijn rechterhand naar het boek op de mahoniehouten tafel naast mijn bed. Het is een dagboek met een zwarte, hard kartonnen kaft en een bruine linnen band over de rug. Met een trillende hand van inspanning pak ik het boek van het tafeltje en klem het tegen mijn snel op- en neergaande borst. Het is alsof het dagboek een kwetsbaar kind is dat ik wil beschermen. Dit bijzondere boek heeft mijn leven veranderd en mij de gelukkigste jaren van mijn leven bezorgd. Het is het dagboek van Sarah Polak, een jonge Joodse vrouw. Ze schreef het in het concentratiekamp Auschwitz. Haar dagboek bevat de lessen uit haar leven; lessen waar ik zo veel jaren naar op zoek ben geweest. Slechts weinigen weten van het bestaan van deze pennenvrucht, maar hoeveel beter zou de wereld eruitzien als meer mensen dit gedachtegoed zouden kennen!

Sarah Polak heeft me geholpen te worden wie ik werkelijk ben. Het zijn haar woorden die mijn leven hebben veranderd, of beter gezegd, compleet op zijn kop hebben gezet. Haar woorden zogen zich in me vast. Door Sarah’s ogen heb ik de ware liefde ontdekt.

Er verschijnt een flauwe glimlach op mijn gezicht, waarvan ik weet dat het wit en broos is. Terwijl ik mijn ogen sluit, begint zich een film in mijn hoofd af te spelen.

 

De voorstelling vertelt het verhaal over de zoektocht naar mijn diepste zelf, die begon op de bewuste nazomerdag van 10 september van het jaar 1987. De dag dat ik afscheid nam van mijn bloeiende carrière, die ik in de drie jaar na mijn afstuderen had opgebouwd.