-8-
Paula en mijn vader Jan staan me met bloemen op Schiphol op te wachten. Met mijn rugzak nog om vlieg ik Paula in de armen zodra ik de toegangsdeur van de aankomsthal gepasseerd ben. Ze ziet er goed uit en is net zo vrolijk als altijd. Mijn vader groet me vriendelijk maar wat afstandelijk, en zonder een spoor van emotie. Eigenlijk precies zoals ik hem ken. Ik zie alleen zijn gezicht alleen even oplichten als ik Maurice aan hem voorstel.
Mijn vader pakt mijn rugzak en Paula slaat haar arm om me heen. Ze stelt voor een kop koffie te drinken in een café iets verderop. Eenmaal daar aan het tafeltje, vertel ik honderduit over mijn belevenissen in Spanje. Maar al snel merk ik dat een pelgrimage niet iets is wat je kunt vertellen, je moet het zelf ervaren. Maurice staat in het middelpunt van de belangstelling en moet een spervuur aan vragen beantwoorden, vooral van Paula.
Voordat Maurice in de trein naar Maastricht stapt, nemen we liefdevol afscheid. We spreken af elkaar dit weekend in Maastricht te zien.
Thuis in mijn appartement voelt het onwennig. Het lijkt wel alsof ik op bezoek ben in een vreemd huis. Op tafel ligt een grote stapel post en kranten waar ik snel doorheen loop. Het is vreemd stil in huis en ik zet de radio aan om die stilte, die onprettig aanvoelt, te doorbreken.
Voor de wasmachine in de badkamer kieper ik mijn rugzak leeg, en ik neem een heerlijke douche. Voor de spiegel aan de binnenkant van mijn kledingkast constateer ik tevreden dat mijn lichaam er goed getraind uitziet door het vele wandelen. Mijn gezicht is diep gebruind en mijn haar is praktisch wit gekleurd door de zon. Daarna sta ik lang te treuzelen voor mijn kledingkast. Een maandlang heb ik het moeten doen met twee spijkerbroeken, een jurkje, een paar T-shirts en een warme donkerblauwe fleecetrui. Nu wil ik iets leuks uitkiezen.
Het wordt een donkerblauw ribrokje, een witte blouse onder een ragfijn lang, grijs vest van wol. Snel maak ik een boodschappenlijstje om de voorraadkast aan te vullen. Het normale leven neemt weer zijn loop.
Amsterdam voelt vreemd aan. De stad waar ik al zo veel jaren mijn hart aan heb verpand, is niet meer dezelfde.
Of beter gezegd: na mijn pelgrimage ben ik niet meer dezelfde. Het is alsof er iets fundamenteels in mij is veranderd waardoor ook de omgeving anders lijkt.
De trams rijden nog als vanouds, maar ik voel me helder en rustig, sterker dan toen ik uit India kwam, alsof de wereld in slowmotion beweegt.
Op een terras in de Spuistraat waar ik met Paula heb afgesproken vertel ik honderduit over de pelgrimage. Natuurlijk wil ze alle details horen over mijn grote liefde Maurice. Ik bedank voor het lieve briefje en vertel haar hoe ik mezelf hervonden heb. Ik begrijp nu ook veel beter wie ik eigenlijk ben. En juist dit gegeven zorgt voor een gevoel van rust.
Die avond lig ik nog lang te draaien in mijn bed. Na het telefoontje met Maurice mis ik zijn warme lijf tegen me aan. Het is bijzonder om te merken hoe snel je aan iemands aanwezigheid kunt wennen en ik verlang naar hem met heel mijn ziel.
Allerlei gedachten malen door mijn hoofd. Ik bedenk dat het tijd is om het normale leven weer op te pakken. Er zit niets anders op dan mijn verlangen te laten rusten en weer aan de slag te gaan voor brood op de plank. Maar hoe wil ik mijn geld verdienen? In ieder geval wil ik niet meer bij een bank werken, en evenmin solliciteren bij een advocatenkantoor. Ik heb een sterke behoefte om iets zinvols met mijn leven te doen. De twee reizen hebben me gevormd en me in ieder geval over het leven laten nadenken. Mijn diepste wens is iets voor de wereld te betekenen. Shri Mahashja heeft me niet voor niets naar de godin van het licht vernoemd. Hij had mij opgedragen het licht te verspreiden bij kinderen, die het zwaar hebben. Maar wat dat precies inhoudt, dat heb ik nog niet scherp voor ogen. Ik wil hier verder over nadenken, en met veel onopgeloste vragen nog in mijn hoofd, val ik in een diepe slaap.
Vrijdagmiddag reis ik naar Maastricht. Slenterend door de oude binnenstad geniet ik van het goede Limburgse leven. Maurice heeft midden in de stad een klein twee-kamerappartement dat gezien de spaarzame inrichting en de rommel duidelijk aan een mannelijke vrijgezel toebehoort. In de slaapkamer staat een twijfelaar, zodat we die nacht dicht tegen elkaar aan liggen. Het voelt weer net zo vertrouwd als in Spanje.
De volgende dag lopen we langs de uitgeverij waar hij werkt, en ’s avonds eten we in een romantisch restaurant op het Vrijthof, waar we voor het eerst over het onderwerp samenwonen praten. Na een uitgebreide afweging wint Amsterdam het als nieuwe woonplaats. Met zijn gespaarde geld wil Maurice daar een uitgeverij starten. De naam heeft hij al bedacht: Nova Libris.
Zijn enthousiasme werkt aanstekelijk en ik beloof hem alvast uit te kijken naar goede kantoorruimte. We bekronen de dag met een passievolle nacht waarin ik me zielsgelukkig voel.
Op de zondag van dit eerste weekend samen stelt Maurice mij voor aan zijn lieve moeder, die praat met een zwaar Limburgs accent. Ze is trots op haar zoon en steekt dat niet onder stoelen of banken. Als ik zondagavond in de trein terug naar Amsterdam reis, zijn onze plannen in een vergevorderd stadium. Voor het einde van het jaar wonen we samen en behoren de nachten waarin ik me soms zo alleen voelde definitief tot het verleden.
De hoge maandlasten dwingen mij om snel werk te zoeken. Ik wil het liefst een baan waarmee ik actief bijdraag aan een betere wereld, en ik kom uit bij de goede doelenbranche. Maar een baan vinden in deze sector is geen sinecure, daar kom ik al snel achter. Veel goede doelenorganisaties geven aan dat ze geen betaalde krachten zoeken. Wel kan ik aan de slag als vrijwilliger, maar die luxe kan ik me financieel niet veroorloven.
Na wekenlang te hebben gezocht, ben ik de wanhoop nabij en ik neem een praktisch besluit. Ik meld me op maandagochtend bij het uitzendbureau voor de eerste de beste betaalde baan, want de bodem van mijn spaargeld raakt nu snel in zicht.
Ik had echter buiten het geluk om gerekend. Op een feestje van een oude studiegenoot kom ik in contact met diens vader, een ex-ondernemer, die zich voorstelt als Willem van der Kraats. Hij heeft voor veel geld zijn zaak verkocht en met een gedeelte van de opbrengst een eigen stichting opgericht om iets terug te doen voor de maatschappij. De stichting met de naam Children of India richt zich op de opvang van zwerfkinderen in de miljoenensteden van India. Direct komen de woorden van Shri Mahashja uit de ashram bij me boven. Dit lijkt wel al te toevallig te zijn. Van hem had ik de opdracht gekregen om licht te brengen bij kinderen, die een hard en onmenselijk bestaan leiden. Hoe had Shri Mahashja aan het begin van het jaar dit kunnen voorzien?
Willem van de Kraats zoekt voor de dagelijkse leiding van zijn stichting toevallig net een directeur, maar wat is toeval in dit leven? Ik vertel hem over mijn reis naar India en mijn wens iets te betekenen voor de wereld met een speciale aandacht voor kinderen. Het klikt en we maken een afspraak om de zaak verder te bespreken. Op die maandag, eind november, mag ik mij directeur van de Children of India Foundation noemen, wat me bovendien een redelijk inkomen verschaft.
Het lot is me ook op andere vlakken goed gezind want net voor Sinterklaas komt er een tip binnen voor een klein appartement met souterrain aan de Prinsengracht. Maurice en ik kunnen er vanaf januari voor minstens een jaar intrekken, waarbij het gaat om onderhuur.
De hoge huurprijs staat niet in verhouding tot de ruimte, maar door zuinig te leven redden we het net.
Maurice begint in het nieuwe jaar in het souterrain zijn eigen uitgeverij met niet meer dan een plank op twee schragen als bureau en een hoofd vol dromen. Bij de bank lukt het om een klein zakelijk krediet los te peuteren, zodat hij de eerste boeken kan produceren. Met een bewonderenswaardig enthousiasme gaat hij met de uitgeverij van start.
Het werk bij de stichting vraagt veel van me. Alles moet vanaf de grond worden opgebouwd en het kost veel tijd om de contacten in India te leggen. Waar mogelijk help ik daarnaast Maurice. Bij de start van een onderneming komt veel kijken. In dit kader lees en beoordeel ik de manuscripten van potentiële auteurs.
De relatie met mijn vader is sterk verbeterd sinds ik terug ben. Hij kan het prima vinden met Maurice en heeft respect voor de manier waarop hij de uitgeverij opzet. Tot zijn grote vreugde heb ik weer een vaste betaalde baan met voldoende aanzien, en hij respecteert mijn keuze om iets voor deze wereld te willen betekenen. Hij heeft nu in ieder geval het gevoel dat mijn studie rechten niet voor niets is geweest.
De koude wintermaanden in het begin van 1989 vliegen voorbij en ik werk knetterhard. Mijn reizen naar India en Spanje raken daardoor meer en meer op de achtergrond, en naar mijn verlangen om het allesomvattende geheim van het leven te leren kennen kom ik niet meer toe. Wat ooit begon als een zoektocht heeft me weliswaar een nieuw leven opgeleverd en zelfs enig inzicht gegeven op de vraag wie ik ben en wat ik hier op deze wereld te doen heb. Bij elk antwoord ontstaan er weer nieuwe vragen, ervaar ik. Het is als een ui, die schil voor schil wordt afgepeld.
In maart worden de eerste weeshuizen in India geopend, en ik leer de omstandigheden van de zwerfkinderen beter kennen. Landarbeiders trekken massaal naar steden als New Dehli en Bombay, op zoek naar een beter bestaan.
Dit leidt tot een niet aflatende aanwas in de sloppenwijken waar ontelbare ontheemden onder erbarmelijke om-standigheden moeten zien te overleven. Criminaliteit, moord en doodslag horen bij het harde straatleven zoals vrijheid, luxe en winkelen bij onze steden horen. Rechteloosheid, misbruik, sociale uitsluiting en uitzicht-loze armoede tekenen het bestaan van wie in de sloppenwijken leven.
Onze stichting richt zich op de opvang van de straatkinderen door hen in de weeshuizen een plek, scholing en gezondheidszorg aan te bieden, iets wat voor Nederlandse kinderen zo vanzelfsprekend is. Goed onderwijs is een waardevolle investering voor de toekomst van deze Indiase kinderen, die veelal wees zijn of verstoten werden door hun ouders. Ze worden rechtstreeks van straat geplukt, waar het meer gaat om overleven dan om leven. De eerste twee opvanghuizen hebben elk de capaciteit voor een kleine honderd zwerfkinderen. Het lijkt een druppel op de gloeiende plaat in de miljoenensteden van India, maar elke druppel is er één, zo houd ik mezelf voor.
Begin april ga ik met Willem van der Kraats mee naar Bombay en New Dehli, waar de twee nieuwe opvang-huizen staan. Willem blijkt een uiterst ervaren reiziger die India goed kent en er schijnbaar moeiteloos zijn weg vindt. Een man van wie ik nog veel kan leren. Niet alleen op zakelijk gebied, maar ook als het gaat om de manier waarop hij in het leven staat. Tot een jaar geleden was hij eigenaar van een grote handelsmaatschappij in tropisch hardhout. Een groot gedeelte van de verkoopopbrengst van zijn bedrijf stopte hij in Children of India.
In de weeshuizen worden we allerhartelijkst ontvangen. Beide complexen staan aan de rand van sloppenwijken en worden geleid door betrokken Indiase vrouwen in witte kleding. Mijn aankomst in India roept meteen herin-neringen op aan mijn eigen reis naar de ashram aan de rivier de Ganges. Ik besef dat ik toen heel bang was voor de zwerfkinderen die nu mijn werk geworden zijn, en eigenlijk is hiermee de cirkel rond. Shri Mahashja had voorzien waar ik licht in deze wereld zou kunnen brengen en dat is wat ik in mijn leven te doen heb.
De eerste ontmoeting met de kinderen is aangrijpend. Sommigen zijn niet veel ouder dan vijf jaar. Ze zingen in blauwe schooluniformen een oud Indiaas liedje, terwijl ze ons met hun donkere ogen verwachtingsvol aankijken.
Ze begrijpen dat dit weeshuis hun enige kans is om de erbarmelijke omstandigheden te ontvluchten. Hoe klein ze ook zijn, ze praten bijna als wijze volwassenen en pakken gretig elke kans die ze aangeboden krijgen. Dat gegeven maakt mijn werk ook zo dankbaar.
Het verblijf in India heeft tegen wil en dank mijn moedergevoelens aangewakkerd. De pure liefde die deze zwerfkinderen uitstralen, ondanks hun ellende, raakt me diep en laat me tijdens de reis niet meer los.
Tegen de tijd dat we in het vliegtuig naar Amsterdam zitten, staat mijn besluit vast. Ik wil heel graag zelf een kind.
Het is bijzonder, en eigenlijk bizar, hoe mijn leven in slechts een jaar tijd totaal is veranderd. Van een ongelukkige, naar liefde hunkerende vrouw die volledig met zichzelf in de knoop zat naar een gelukkige vrouw met een liefdevolle vriend, die zich inzet voor de zwerfkinderen in India. Een vrouw, die weer naar de toekomst durft te kijken en zelfs moeder wil worden. Het leven heeft vele verrassingen in petto voor wie ervoor openstaat.
Koninginnedag is elk jaar een groot feest in Amsterdam, zo ook op deze zonnige zaterdag 29 april. Voor één keer wordt de feestelijke dag in verband met de zondagrust een dag eerder gevierd. Terwijl Maurice op deze ochtend nog het een en ander in de uitgeverij afhandelt, ga ik vroeg op pad naar mijn favoriete bakker om twee overheerlijke oranje tompoezen te halen voor bij de koffie. Het is al vroeg gezellig druk in de stad. Terwijl ik over de grachten van Amsterdam wandel, geniet ik van de bomen aan het water die hun nieuwe bladeren tonen in hun mooiste frisse lentegroen. Ik passeer de Rozengracht waar mensen op de vrijmarkt hun oude huisraad verkopen. Ik slenter temidden van de massa langs de kleedjes met daarachter de verkopers, veelal uitgedost in oranje. Onwillekeurig blijf ik staan kijken naar de koopwaar van een jonge vrouw. Tussen de rijen boeken, pannen, cd’s en ander prullaria, zie ik een oud klein boek met een zwartleren kaft liggen. Ik pak het uit de doos en blader het door. Het is een dagboek, en te zien aan de data is het geschreven in de Tweede Wereldoorlog. Het handschrift is nog goed te lezen en mijn nieuwsgierigheid is gewekt.
‘Wat moet dit boekje kosten?’
‘Drie gulden, mevrouw.’
Ik betaal de verkoopster en stop het dagboek in mijn tas. Drie gulden voor zo’n bijzondere vondst is werkelijk een koopje.
Na lang wachten in de rij bij de bakker ben ik rond half tien weer thuis en roep ik Maurice uit het souterrain voor de koffie. Trots laat ik hem mijn nieuwste aanwinst zien.
‘Interessant, het lijkt me een soort dagboek uit de oorlog,’ zegt Maurice nadat hij het heeft doorgebladerd.
Hij legt het boekje met de zwartleren kaft op de salontafel. Na het eten van de tompoezen gaan we samen de stad in. Tot diep in de nacht vieren we het koninginnefeest in de gezellige binnenstad. Het zwarte dagboek ben ik dan allang weer vergeten.
De volgende dag, als Maurice nog even naar de uitgeverij is gegaan, valt mijn oog weer op het dagboek op de salontafel. Ik zet een kopje onder het espresso apparaat en duik in mijn grote favoriete fauteuil in de hoek van de kamer. Ik sla nieuwsgierig het dagboek open. Het is zichtbaar aangetast door de tand des tijds, smoezelig en aan de randen gerafeld, maar het handschrift is nog steeds goed leesbaar.
Sarah Polak, staat in krulletters op de binnenkant van de omslag.
Het is alsof mijn bloed als koud water door me heen stroomt, maar ik leg het dagboek niet weg en raak gevangen in het web van dit aangrijpende verhaal.