-6-
De bestuurder van de fietstaxi brengt mij, flink trappend tegen de wind in, naar Kanpur. De tengere, oudere man heeft het zichtbaar zwaar en het zweet parelt op zijn voorhoofd. Vol medelijden observeer ik de Indiër die op deze moeizame wijze zijn karige boterham moet verdienen. Hoe onrechtvaardig is het in onze wereld verdeeld!
Na al die maanden verlang ik om naar huis te gaan, maar aan de andere kant is mijn toekomst onzeker. Er is geen baan waar ik op kan terugvallen of enig zicht op de volgende stap in mijn leven. Het verblijf in de ashram heeft op dat gebied geen bevrijdende antwoorden opgeleverd.
De hectiek in Kanpur is niet veranderd. De fietstaxi zet me in de hoofdstraat af. De drukte van de stad overvalt me na zo veel maanden van rust en stilte in de ashram. Het getoeter, het geschreeuw en de onophoudelijke stroom mensen op straat werken op mijn zenuwen. Allereerst bezoek ik een internationale bank, waarna ik bij een reisbureau naar binnen ga voor een vliegticket naar Amsterdam. Na de nodige telefoontjes en ondanks een haperende faxmachine lukt het uiteindelijk om het ticket te bemachtigen. In een telefooncel bel ik Paula om haar te vertellen dat ik onderweg ben. Door het onophoudelijke getoeter en rumoer om me heen is ze over de krakende telefoonlijn moeilijk te verstaan.
‘Vannacht kan ik van de opwinding niet meer slapen,’ schreeuwt ze over de telefoonlijn.
‘Komt vader ook?’
‘Die sleep ik wel mee.’
Na het afscheid, wurm ik me door de rij Indiërs heen die geduldig voor de telefooncel op hun beurt staan te wachten.
Nadat ik de laatste inkopen heb gedaan en wat heb gegeten, laat ik me naar het lokale vliegveld brengen, waar over vier uur mijn vliegtuig naar New Dehli vertrekt.
Op het vliegveld check ik in. Bij een winkeltje koop ik een flesje mineraalwater en een stuk naanbrood. Dan is het tijd voor een bezoek aan de toiletruimte om me op te frissen en toonbaar te maken. De spiegel onder de felle witblauwe tl-verlichting toont ongenadig de sporen van ruim drie maanden ashram. Mijn ogen staan scherp in mijn ingevallen gezicht, en mijn hoofd is kaal als een biljartbal. De mooie ronde vormen van mijn lichaam zijn bijna helemaal verdwenen door het sobere eten en de twee voedselvergiftigingen. Eva Sprong is niet meer de mooie stijlvolle carrièrevrouw van een paar maanden geleden.
De ashram heeft mijn lichaam getekend, maar me innerlijk sterker en wijzer gemaakt. Met behulp van mascara, oogschaduw en een felrode lippenstift maak ik me enigszins toonbaar, en na het opspuiten van mijn lievelingsparfum geef ik mezelf een bemoedigend knikje in de spiegel. Na al die maanden voel ik me weer een beetje vrouw, ook al heb ik geen sprietje haar meer op mijn hoofd. In een kledingwinkel op het vliegveld koop ik een wollen mutsje. Nu ben ik klaar om morgen Paula en mijn vader Jan onder ogen te komen.
De reis verloopt voorspoedig, en om exact acht uur de volgende avond landt het vliegtuig van Indian Airlines op Schiphol. Uit het vliegtuigraam zie ik dat Nederland met een dun laagje sneeuw is bedekt. Het voelt vreemd om na zo veel maanden in het hete India terug te zijn in ons eigen koude kikkerlandje. Het wollen mutsje trek ik tegen de kou diep over mijn oren, en ik pluk mijn rugzak van de bagageband. Bij het passeren van de douane word ik uit de rij gehaald. Mijn rugzak wordt secuur binnenstebuiten gekeerd. Blijkbaar zien ze me aan voor een potentiële drugssmokkelaar. Het duurt even voor mijn rugzak weer is ingepakt en ik door de glazen deuren de ontvangsthal in loop. Paula en vader staan daar met een grote bos rode rozen te wachten, en ik moet slikken. Paula rent op mij af en omhelst me. Ook zij heeft tranen in haar ogen, en zelfs vader houdt het niet helemaal droog. Na al die maanden zijn we weer herenigd.
Ik omhels mijn vader met enige terughoudendheid en Paula trekt ons vervolgens mee naar een koffiebar. Daar gaat ze in de rij staan, terwijl ik met mijn vader aan een oranje plastic tafeltje aanschuif.
‘Eva, waar is je haar gebleven?’ vraagt hij. Ik hoor de argwanende toon in zijn stem.
‘Afgeschoren,’ zeg ik, terwijl ik mijn muts aftrek.
Mijn vader verstijft zichtbaar en zijn mond valt open.
‘Eva, wat heb je gedaan!’
‘Dat heet de Mundan. Iedereen in de ashram in India laat zijn hoofd kaalscheren,’ zeg ik verontschuldigend.
‘Mundan?’
Mijn vader schudt afkeurend met gefronste wenkbrauwen zijn hoofd en houdt verder zijn mond. Gelukkig komt Paula net met een dienblad met koffiekopjes aangelopen. Ze kijkt verbaasd naar mijn kale hoofd.
‘Eva, jij hoeft voorlopig niet naar de kapper,’ zegt ze nuchter, waarmee ze de spanning uit de lucht haalt.
Tijdens het koffiedrinken vertel ik honderduit over het leven in de ashram. Ik betrap mezelf erop dat ik alleen de mooie en leuke dingen vertel. Niemand hoeft te weten hoe eenzaam ik me soms voelde, dat het toilet niet meer was dan een stinkend gat in de grond, dat koken en tafeldekken mijn belangrijkste taken waren en dat ik twee keer een voedselvergiftiging heb opgelopen. In plaats daarvan vertel ik over de mooie meditaties, de wijsheid van Shri Mahashja, over Alesha en Rashdan en over de mooie ruisende Ganges, waar ik zo veel rust vond. Maar mijn enthousiaste verhalen hebben bij mijn vader niet het gewenste effect. Hij luistert wel maar zegt bijna niets en het kost me moeite zijn afkeurende blik te ontwijken.
Die avond slaap ik voor het eerst weer in mijn appartement. Maar mijn eigen plekje op deze wereld voelt aan als een vreemd pakhuis. Voor het eerst sinds maanden neem ik een uitgebreide warme douche en kijk ik, gehuld in mijn ochtendjas, naar de televisie. Na maanden van soberheid besef ik hoe rijk en ontwikkeld Nederland eigenlijk is. Zonder dat ik me ertegen kan verzetten, glijd ik mijn oude vertrouwde wereld weer in. De volgende dagen doe ik boodschappen bij mijn eigen supermarkt. Talloze keren leg ik uit dat ik geen ernstige ziekte heb maar kaalgeschoren ben, en ik vertel de fantastische verhalen over mijn ervaringen in India.
Met mijn meer dan nieuwsgierige vriendinnen ga ik uit eten. Hoe mooier de verhalen over mijn verblijf in India worden, hoe meer het van binnen begint te knagen. De ashram was inderdaad een bijzondere ervaring maar blijkt me toch niet het verlangde inzicht in mezelf en mijn levensvragen te hebben gegeven. Er moet toch meer zijn!Het lichtknopje naar werkelijke verlichting is nog niet gevonden. Met het verlaten van de ashram heb ik ook een groot deel van mijn innerlijke rust achtergelaten. Vanochtend probeerde ik met behulp van Indiase fluitmuziek te mediteren, maar het voelt zo totaal anders hier in Amsterdam dat ik het heb opgegeven.
Later die week meld ik me bij een uitzendbureau. Na enig zoeken krijg ik een baan aangeboden op een administratie-afdeling van een technische groothandel op een zielloos, volledig geasfalteerd industrieterrein. De overgang van het warme, spirituele India naar de nuchtere administratie-afdeling, met de bespreking van het weekend als hoogtepunt van de week, is enorm. Daarom trek ik me terug in mijn eigen wereldje. Mijn collega’s lijken vrede te hebben met hun eentonige bestaan en staan niet stil bij de diepere levensvragen. Ze zijn niet op zoek naar verlichting, maar ze werken voor het geld om zich een gemakkelijk leventje met een beetje luxe te kunnen veroorloven. Ze ademen wel, maar in mijn ogen leven ze niet echt. Eén keer heb ik een poging gewaagd om iets over India met haar spiritualiteit te vertellen, maar ze keken me zo wazig aan dat ik maar snel mijn mond hield. Waarna het televisieprogramma van de avond ervoor het onderwerp van gesprek werd.
Een paar weken later ga ik eten bij mijn vader in Ouderkerk aan de Amstel. Hij woont in een gewoon rijtjeshuis, met nog steeds mijn kinderkamer op de bovenverdieping.
Elke keer als ik bij hem langsga, loop ik even naar die kamer om mijn jeugdherinneringen op te halen. In de hal hangt een groot zwart-wit portret van mijn moeder. Als ik door de donkerbruine hal loop, kijk ik altijd even naar haar. Het portret symboliseert voor mij de stilte, de eenzaamheid en kilte die mijn moeder na haar dood achterliet. Sinds mijn moeders dood woont mijn vader hier alleen. Naar mijn weten heeft hij nooit meer een relatie met een andere vrouw gehad.
Mijn vader Jan doet de deur open, gekleed in zijn beige ribbroek en tweedjasje. De specifieke geur van mijn ouderlijk huis komt me tegemoet. Het is een niet te omschrijven mengeling van sigaretten, koffie en oude meubelen. Maar eerlijk is eerlijk. Mijn vader heeft zijn best gedaan om het gezellig te maken. De tafel is prachtig gedekt met het witte damasten kleed dat anders alleen met kerst wordt gebruikt. Onder het genot van een glas rode wijn praten we over mijn nieuwe werk, waarna mijn vader me uitnodigt om aan tafel te gaan. Het onderwerp India is te pijnlijk en we mijden het allebei zorgvuldig.
Hij heeft werkelijk zijn best gedaan. Het voorgerecht met schijfjes meloen, omwikkeld met plakjes serannoham, smaakt verrukkelijk. Tijdens het hoofdgerecht van sperziebonen, aardappelen en een stukje biefstuk stelt hij ineens de prangende vraag die de hele tijd al dreigend tussen ons in hangt.
‘Eva, wat ga je nu verder met je leven doen?’
‘Geen idee.’
‘Wat is dat nu weer voor een raar antwoord.’
‘Het spijt me, maar ik weet het nog niet. In India ben ik er nog niet achtergekomen wie ik nu werkelijk ben. Er is nog iets dat ik zoek om mijn levensvragen te beant-woorden. Wat dat precies is, zou ik niet weten. Misschien is mijn zoektocht nog niet volbracht.’
Langzaam legt mijn vader zijn bestek neer. Met gevouwen handen buigt hij zich naar me toe.
‘Eva, er zijn miljarden mensen doodgegaan zonder ooit in de verste verte te hebben geweten wie ze zijn. Eerlijk gezegd maak ik me zorgen om je. Het wordt tijd dat je weer serieus aan de slag gaat. Ik heb niet voor niets zo veel geld, aandacht en energie gestopt in jouw prachtige opleiding tot jurist. Waarom ga je niet bij een gerenom-meerd advocatenkantoor aan de slag?’
‘Pap, dan word ik weer opgeslokt door het hectische dagelijkse leven en zal ik nooit weten wie ik werkelijk ben of achter het geheim van het leven komen.’
‘Dat is precies wat ik wil zeggen, lieverd. Niemand weet wie hij is. Leg je bij dat gegeven neer en bouw een mooie carrière op. Ik heb heel veel opzij moeten zetten om jullie te laten studeren. Ik heb dat gedaan in de hoop dat mijn dochters het beter zullen krijgen dan ik het ooit heb gehad.’
‘Pap, ik wil geen hectisch leven waarbij het er alleen om gaat geld te verdienen en aanzien te bemachtigen. Er werken al genoeg mensen met als enige doel om de wereld te laten zien hoe rijk en succesvol ze zijn. Ik wil mezelf leren kennen. Wie ben ik en wat heb ik te doen op deze wereld?’
‘Je bent koppig, Eva.’ Ik hoor een licht geïrriteerde toon in zijn stem.
‘Papa, het is mijn leven!’
‘Ja, en je bent ook mijn dochter in wie ik veel energie en geld heb gestopt. Jij gaat nu serieus en zonder verdere fratsen je carrière weer opbouwen, en daarmee basta.’
‘Dat maak ik zelf wel uit.’
Mijn vader staat op. Hij ziet er dreigend uit. Ik zie de drift in zijn ogen fonkelen, en ineens is het stil in de kamer. De kilte van deze koude februari avond komt door de muren heen. Maar deze kou is niets vergeleken met de ijzige sfeer die tussen ons hangt. Boos gooi ik mijn servet op tafel en loop naar de kapstok in de hal om mijn jas te pakken. Koppig als ik ben, zeg ik niets meer. Mijn moeder kijkt vanaf het portret aan de muur toe hoe ik de voordeur achter me dichtgooi. Niets en niemand kan mij ervan weerhouden te leven zoals ik wil. Ik geef flink gas en rijd zo snel mogelijk Ouderkerk aan de Amstel uit, richting Amsterdam. Boos op mijn vader, maar vooral woedend op het leven zelf!
Er is nog altijd een groot geheim, dat het leven nog niet heeft prijsgegeven. Zelfs in India was dat inzicht niet te vinden. Het gevoel is moeilijk te omschrijven, maar ik weet dat het de moeite waard is om dat te gaan zoeken. En dat is precies wat ik ga doen, of mijn vader dat nu leuk vindt of niet.
Thuisgekomen trek ik de telefoonstekker uit de muur. Huilend zit ik op de bank. Niemand op deze wereld is zieliger dan ik me op dit moment voel. Met een groot glas rode wijn kom ik weer enigszins tot bedaren. De twijfel neemt bezit van me. Misschien moet ik toch doen wat mijn vader van mij verlangt en een baan op een advocaten-kantoor zoeken. India heeft me tenslotte maar een deel van de antwoorden gebracht die ik zocht. In de keuken schenk ik mezelf een tweede glas rode wijn in, voor het slapengaan. Het geheim van het leven zal mij niet ontglippen, denk ik bij mezelf, terwijl ik de laatste slok ietwat wrange wijn naar binnen giet.
Met het lengen van de dagen word ik geleidelijk in de sleur van het dagelijks leven gezogen. Het uitzendwerk went en de strakke dagindeling voelt ergens wel goed aan. Het doet me op een bepaalde manier denken aan India, waar ik nog regelmatig naar terug verlang. Elke dag ga ik trouw met de bus naar kantoor. Ik breng de dag door met het verwerken van facturen, financiële rapportage en de boekhouding. Mijn haar groeit langzaam weer aan en is springeriger en oogt speelser dan voor mijn verblijf in de ashram.
Het is lente en de winter is verdwenen. De natuur weet het, als was het een groot doorgefluisterd geheim. In een week tijd zijn aan alle bomen de frisse lichtgroene bladeren te zien. De korte fleurige jurkjes zijn weer uit de kast gehaald, en ik geniet met mijn vriendinnen op een terrasje aan de grachten van Amsterdam. De stad komt na haar diepe winterslaap weer tot leven. Niet eerder ben ik me zo bewust geweest van het wisselen van seizoenen, maar geen mens, buiten mij, lijkt al die bloemenpracht te zien.
De tijd schrijdt voort. De lentebloesem is verdwenen en de koningin heeft haar jaarlijkse feestdag gevierd. India is verworden tot een verre droom. Van mijn vaste voornemen om elke dag te mediteren komt weinig terecht.
De mystieke sfeer van de ashram is in het nuchtere Amsterdam gewoonweg niet op te roepen. Over mijn spirituele ervaring in India praat ik nauwelijks meer met anderen.
Het leven draait door en er dienen zich talloze
nieuwe onderwerpen aan, die de gespreksstof met mijn praatgrage
vriendinnen vormen.
De rustige, weinig eisende kantoorbaan bevalt me, en geleidelijk wen ik aan de ambtelijke sfeer. Ik doe zelfs mee aan de dagelijkse flauwe grapjes en opmerkingen. Het voelt veilig en behaaglijk om eens een periode zonder al te veel stress te hoeven werken. Rond halfvijf beginnen de eerste collega’s al met het opruimen van hun spullen. Om exact vijf uur wensen we elkaar een prettige avond. En zo gaat het dag in, dag uit, als het tikken van een klok. Het plan om bij een gerenommeerd advocatenkantoor te solliciteren, heb ik vooralsnog in de koelkast gezet. Ik heb geen zin in de stress en hoge werkdruk in ruil voor aanzien en geld.
De avonden ben ik meestal vrij en ik gebruik ze voor een bezoek aan het strand, om te joggen of om een goed boek te lezen op de bank. Zelfs de relatie met mijn vader is weer beter geworden, en we bellen elkaar geregeld. Ook hij blijkt zich te hebben neergelegd bij het idee dat zijn oudste dochter niet een flitsende carrière heeft bij een bank of advocatenkantoor, maar gelukkig is met het leven dat ze nu leidt. Daardoor is er een situatie van tijdelijke verzoening ontstaan. Ik kom ook weer bij hem over de vloer.
De lente gaat geleidelijk over in de zomer, die dit jaar erg droog en heet is. De hitte dekt Nederland wekenlang toe, als een warme deken. Het is zo droog dat de stof in je neusgaten kruipt.
Met een ventilator op mijn bureau als enige bron van verkoeling, zit ik dagelijks achter mijn computer het stapeltje binnenkomende facturen weg te werken. Het betrekkelijk rustige en zelfs saaie leven doet me goed, maar diep vanbinnen blijft het borrelen. Want terwijl mijn spirituele ervaring in India naar de achtergrond verhuist, komen de prangende levensvragen weer boven. Ik ben meer dan nieuwsgierig naar de geheimen van het leven. Aan de andere kant ligt het gevaar van de gemakszucht op de loer. Misschien heeft mijn vader gelijk en moet ik ze laten rusten, al besef ik ook dat de vragen dan verloren zullen gaan in de dagelijkse sleur. In dat geval zal later spijt wel eens mijn droevig lot kunnen zijn.
Aan mijn tijdelijke vlucht voor het werkelijke leven komt abrupt een einde als ik begin augustus op een vrijdag-morgen van mijn chef te horen krijg dat dit mijn laatste werkdag is op de administratieafdeling. Ineens is daar de confrontatie met de vraag wat ik nu met mijn leven wil, en of ik niet verder op zoek moet gaan. Zoals zo vaak is Paula mijn redding.
‘Eva, je moet afmaken waaraan je bent begonnen,’ zegt ze streng als we even zitten uit te rusten na een middag winkelen.
‘Ja, maar hoe?’
‘Je hebt de antwoorden in het Oosten gezocht en je hebt ze daar niet allemaal gevonden. Misschien moet je het nu eens in het Westen proberen.’
‘Wat bedoel je daarmee?’
‘Wellicht zijn de ontbrekende antwoorden op jouw levensvragen juist te vinden in het christendom.’
Verbaasd schud ik mijn hoofd bij het horen van dit vreemde voorstel. Vroeger gingen we elke zondag met mijn oma naar de kerk, maar ik kan me niet herinneren ooit enige inspiratie uit de langdradige preken te hebben gehaald. Sterker nog, het kerkbezoek was een enorme opgave voor me waar ik alleen gewapend met een rol pepermunt doorheen kwam.
‘De kerk is niets voor me, Paula.’
‘Ik heb het niet over de kerk,’ zegt Paula. Ze glimlacht mysterieus. ‘Ik denk aan een pelgrimstocht. Laatst heb ik een prachtig boek gelezen over een vrouw die een voettocht naar Santiago aflegde. Ik moest onmiddellijk aan jou denken.’
Het voorstel overvalt me. Een pelgrimstocht maken, is nooit eerder bij me opgekomen, maar het voelt goed genoeg om het idee verder te onderzoeken. En toevallig heb ik daar nu mooi de tijd voor. Ik heb op dit moment geen baan, en de vraag wie ik ben is nog even prangend aanwezig als voor mijn reis naar India. We drinken nog een glas witte wijn en gaan daarna ieder ons weegs. Paula is meer dan een zus voor me. Maar een pelgrimstocht...?
Langzaam begin ik aan het idee van een pelgrimstocht te wennen. Met een nieuwe doel voor ogen, krijgt mijn leven weer richting. In boeken over de beroemde voettocht naar Santiago de Compostella in Spanje, lees ik dat de jakobsschelp er het symbool voor is. Vele miljoenen pelgrims hebben door de eeuwen heen deze tocht volbracht. Naar Lourdes ga je voor vergeving van je zonden; naar Santiago reis je om je leven te overdenken. En dat is nu precies waar het mij om gaat.
Een wel heel bijzonder verhaal dat ik las, hoort bij de pelgrimstocht naar Santiago de Compostella. Volgens de overlevering verkondigde de apostel Jacobus in Spanje het evangelie, tot hij in het jaar 44 door Herodus werd onthoofd. Twee van zijn leerlingen namen zijn stoffelijk overschot mee en vluchtten in een kleine boot zonder zeil de zee op. Het stormde en de boot dreigde om te slaan. Een engel nam het roer over en bracht de boot bij Padron in Noordwest-Spanje aan land. Zijn leerlingen legden het dode lichaam van Jacobus op een steen. De legende wil dat de steen begon te smelten en een sarcofaag vormde rond het lichaam van de apostel van Jezus. De leerlingen laadden de sarcofaag op een ossenkar en reden naar een heuvel waar nu Santiago ligt. Daar werd de kist begraven, waarna hij in de vergetelheid raakte. Een kleine acht eeuwen later werd een kluizenaar in een droom verteld dat de apostel Jacobus in Santiago begraven lag.
De kluizenaar bracht de toenmalige bisschop Teodomiro op de hoogte van zijn droom. Bij het zoeken naar de plaats, zag de bisschop een heuvel die ’s nachts op eigenaardige wijze werd verlicht. In de heuvel vond men een marmeren kist met het stoffelijk overschot van de apostel Jacobus. Koning Alfonso II liet een kerk bouwen boven de graftombe. Vanaf die dag was Santiago de Compostella een belangrijk christelijk bedevaartsoord.
Alleen al deze legende is prachtig en sterkt me in mijn voornemen de pelgrimstocht te maken en eindelijk te ontdekken wie ik ben en wat het mysterieuze geheim van het leven is. Ook deze keer bereid ik me zo goed mogelijk voor. In een wandelwinkel koop ik professionele trekkers-kleding, compleet met kompas, al weet ik nog steeds niet goed hoe ik dat moet gebruiken.
Ik schaf gedetailleerde wandelkaarten aan van Noord-Spanje en regel mijn zakelijke beslommeringen. Ook ditmaal zorgt mijn onderbuurvrouw voor de post. Met het uitvoeren van de voorbereidingen neemt mijn verlangen naar de tocht toe.
Grappig genoeg kom ik de weken voor mijn vertrek de jakobsschelp meerdere keren tegen. Tijdens een maaltijd in een visrestaurant, of in een woonwinkel waar ik toevallig binnenloop. In september ga ik twee oefen-tochten maken, zowel in de Ardennen als in het Duitse Zwarte Woud. Een groot deel van deze tochten loop ik door de regen, en na afloop ben ik gesterkt in het vertrouwen dat ik de pelgrimstocht van meer dan 900 kilometer zal kunnen volbrengen. Mijn conditie is in orde en ik weet waar mijn lichamelijke grenzen liggen.
Op vrijdag 30 september 1988 is het zover. In mijn nieuwe wandelkleren en met mijn volle rugzak om, sta ik op het centraal station in Amsterdam waar de trein naar Parijs vanaf perron 7 zal vertrekken. Glimlachend realiseer ik me dat ook de trein in New Dehli naar Kanpur vanaf perron 7 vertrok. Dat is in ieder geval een goed voorteken. Vanaf hier begint mijn tweede reis: de zoektocht naar mezelf en de geheimen van het leven.
Eerst omhels ik Paula en dan mijn vader Jan, die niet echt vrolijk kijkt. Alleen Paula loopt op het perron nog een stukje met me mee en drukt mij een lichtgele envelop in de handen.
Pas nadat de trein is vertrokken en we uitbundig naar elkaar hebben gezwaaid, plof ik op de blauwe harde treinbank neer. Ik scheur de envelop open.
Mijn blik glijdt over Paula’s boodschap.
Lieve Eva,
De mooiste reis, die je kunt maken, is de reis naar binnen.
Geluk en wijsheid zijn daar te vinden.
Uiteindelijk zoekt een ieder naar het kind in zichzelf, dat ooit te vondeling is gelegd en geduldig wacht om weer gevonden te worden.
Veel geluk toegewenst!
Liefs,
Paula
Glimlachend bedenk ik me hoe mooi Paula haar boodschappen altijd verpakt.
Op station Gard du Nord in Parijs neem ik de sneltrein naar Saint-Jean-Pied-de-Port, aan de voet van de Pyreneeën.
Dit is het startpunt van de pelgrimstocht naar Santiago de Compostella. Aan mijn rugzak bungelt een doorgeboorde jakobsschelp, waardoor ik herkenbaar ben als pelgrim.