-7-
Via Parijs bereik ik op zaterdag 1 oktober het Franse grensplaatsje Saint-Jean-Pied-de-Port, dat ‘de heilige Johannes aan de voet van de pas’ betekent. Buiten de stationshal wemelt het van de pelgrims die zich te voet of per fiets door het centrum verplaatsen. Hier zijn geen dragers die om het hardst aan mijn rugzak trekken om zo een paar stuivers te verdienen.
Het stadje doet met haar kasseien straten en rode zandstenen huizen middeleeuws aan. Ik meld me bij het Acceuil Pélerin, waar ik een pelgrimspas krijg uitgereikt, samen met de nodige goedbedoelde adviezen voor het afleggen van de route, die hier camino heet. De vriendelijke vrouw achter de balie raadt mij in gebroken Engels aan om te overnachten in de daarvoor bestemde refugio´s en mij niet in het drukke nachtleven van steden als Pamplona en Leon te begeven. Als pelgrim dien je de verleidingen van het leven zo veel mogelijk te mijden.
In een boekhandel koop ik een donkerbruin notitieboekje en een ansichtkaart voor Rashdan. Dit kleine dagboek wordt mijn beste vriendin met wie ik mijn ervaringen tijdens de pelgrimage zal delen.
Eerst ga ik op zoek naar een goed hotel voor een kamer met een grote badkuip. Dit zal voorlopig de laatste keer zijn dat ik kan genieten van een heerlijk geurend, warm bad.
Zondag 2 oktober: van Saint-Jean-Pied-de-Port naar Roncesvalles
De tocht is begonnen!
Om twee uur vannacht schrok ik wakker. Daarna heb ik geen oog meer dichtgedaan en verschenen er spook-beelden in mijn hoofd. Is de tocht wel veilig, en ben ik wel genoeg getraind? Deze vragen kwelden me en lieten me niet meer los. Mijn angsten namen de controle over en mijn hart ging hevig bonkend tekeer. Vroeg in de ochtend was de onrust verdwenen. Ik voel me nu rustig en sterk genoeg om te vertrekken.
Terwijl de regen met bakken uit de lucht valt, begin ik aan mijn Camino de Santiago. Saint-Jean-Pied-de-Port ligt achter mij. Ik loop in de richting van de restanten van de oude stadsmuur, net buiten de stadspoort, naar het officiële startpunt. Het is nog vroeg en er zijn weinig mensen op straat.
Mijn keus is gevallen op de meer dan tweehonderd jaar oude Napoleonroute, zodat ik in de voetsporen van deze legendarische Franse keizer loop. Ik heb de gele poncho aangetrokken en ik draag mijn rugzak van ruim elf kilo. De start is niet zoals ik me die had voorgesteld: meteen al een urenlange zware klim bergopwaarts, die me doet hijgen als een op hol geslagen paard. Mijn rugzak is veel te zwaar en mijn wandelkleding blijkt minder waterdicht dan de verkoper het in de winkel deed voorkomen.
Mijn aanvankelijk opgewekte humeur verdwijnt in rap tempo. In de stromende regen zit ik twee uur later nat en moe op een grote kei een mueslireep te eten. Een ouder echtpaar in grote lichtblauwe poncho’s komt aansjokken; ze steken hun wandelstokken bemoedigend omhoog.
De verregende vrouw knikt even naar me en dan lopen ze zwijgend verder. Dit is niet wat ik van deze glorieuze tocht had verwacht. Nee, ik had me iets anders voorgesteld van de pelgrimage naar Santiago. In Spanje is het altijd zonnig en warm, had ik gedacht. Maar blijkbaar geldt dit niet voor de Pyreneeën in het vroege najaar. Zuchtend sta ik op. Ik loop verder door het troosteloze landschap terwijl de regen met bakken uit de hemel naar beneden blijft komen, alsof God wel eens wil zien hoe nat een mens kan worden. Mijn humeur is daardoor onder het nulpunt gezakt en ik kom, na uren doorploegen, zo langzaam vooruit dat ik door andere pelgrims wordt ingehaald. Waar komen ze in hemelsnaam ineens vandaan? Een man vraagt of ik een stukje met hem op wil lopen, maar ik weiger omdat ik hem mijn slechte humeur niet wil aandoen. Bovendien wil ik de eerste dag van mijn camino in eenzaamheid volbrengen: helemaal alleen met mijn eigen sombere gedachten in deze drijfnatte en troosteloze wereld.
Gaandeweg krijg ik steeds meer medelijden met mezelf. Mijn rugzak trekt aan mijn schouders en voelt als lood, en mijn looptempo is laag op het steile pad. Elke stap doet pijn en vergt het uiterste van me. Hoe ga ik deze tocht dertig dagen lang volhouden? In de Ardennen en het Zwarte woud had ik geen enkele moeite om te wandelen met een rugzak, al was deze niet half zo vol als nu.
Na drie uur stijl bergopwaarts door de mist en de regen te hebben geploeterd, bereik ik een kleine eetgelegenheid bij een levensgroot Mariabeeld op de top van de berg. De herberg zit stampvol natte pelgrims die schuilen voor de regen en zich proberen te warmen aan een kop koffie.
Een oudere pelgrim die naast me aan de houten tafel komt zitten, zegt dat Roncesvalles vlakbij is. Zijn opmerking geeft me weer wat moed. Ik hijs de zware last weer op mijn schouders en trek de drijfnatte poncho aan.
Bij de beeltenis van de maagd van Orisson vouw ik mijn handen en sluit mijn ogen, terwijl de regen op mijn poncho tikt. Hier bid ik voor mijn vader en mijn zus, en ik vraag vergeving voor mijn zonden. Maar vooral smeek ik God dat de tocht van vandaag snel ten einde mag zijn. Of de God tot wie ik bid bestaat, weet ik niet. Maar bidden op deze plaats kan geen kwaad en een beetje hulp kan ik goed gebruiken bij dit troosteloze begin van mijn zegetocht.
De afdaling gaat over een modderig grindpad en is zo steil dat mijn rechterknie pijn doet. De wandelstok blijkt geen overbodige luxe om uitglijden te voorkomen.
Het pad kronkelt door een bos vol buxussen en andere bomen waarvan ik de naam niet ken. Mijn rechterknie steekt nu zo erg dat ik hem nauwelijks nog kan buigen Net als ik erover denk een potje te gaan huilen, komt Roncesvalles in zicht met het grote klooster uit het jaar 1132, de Capelle Sancti Spiritus
Strompelend leg ik de laatste kilometers af tot de refugio. Het klooster blijkt een enorm pelgrimscomplex te zijn. Er zijn twee eenvoudig ingerichte slaapzalen met rijen groene stapelbedden naast elkaar. Mannen en vrouwen slapen hier gemengd.
Na het inchecken bij de receptie zet ik mijn rugzak tegen het stapelbed dat mij is toegewezen. Gelukkig is er op de gang een wasruimte met warm water. Op mijn bed inspecteer ik mijn rechterknie. Tot mijn schrik zie ik dat hij rood en opgezwollen is. Een pelgrim van middelbare leeftijd die in het bed naast me ligt te lezen, geeft me voor mijn knie wat arnicazalf. De groenachtige gelei helpt daadwerkelijk en mijn knie doet minder pijn.
Nog steeds strompelend bezoek ik, na me te hebben opgefrist, de oude kapel naast het klooster. In een sarcofaag, middenin de kapel, liggen al eeuwenlang de botten van vele pelgrims voor wie de zware tocht naar Roncesvalles de laatste bleek te zijn. Een niet echt opbeurend beeld als afsluiting van de eerste pelgrimsdag.
Die avond staat er een maaltijd klaar voor omgerekend zeven gulden. Met de anderen aan lange houten tafels geniet ik van het glas wijn dat bij de maaltijd wordt geserveerd.
Verschillende malen probeert iemand een gesprek met mij aan te knopen, maar even zo vaak ga ik er niet op in. Na deze vermoeiende dag staat mijn hoofd niet naar een diepgaand gesprek en luister ik liever. Aan de conversaties om mij heen merk ik dat de pelgrims een soort wedstrijd houden over de vraag wie de lichtste rugzak heeft. Dit zet mij aan het denken. Met mijn volle bepakking zal ik deze wedstrijd zeker niet winnen. Dus besluit ik mijn pijnlijke schouders geen dag langer met mijn loodzware rugzak te belasten. Morgenochtend zal er een zekere, rigoureuze saneringsslag in mijn rugzak plaatsvinden.
Slapen in een refugio blijkt geen pretje. Veel pelgrims kruipen in bed zonder zich te douchen, en in de slaapzaal hangt een geur van zweet, zweetsokken en vocht. Met de deken over mijn hoofd getrokken, lig ik boven in het stapelbed vurig te bidden dat de zware stank niet op zal stijgen.
In slaap vallen wil ondanks mijn vermoeidheid niet lukken. Een paar oudere mannen snurken luid en iemand laat ongegeneerd een harde wind. Het is tien uur en het blauwe tl-licht brandt nog steeds. Een paar jonge pelgrims komen luidruchtig en hoorbaar aangeschoten de zaal op. Voor hen is het drankverbod blijkbaar niet van toepassing.
Pas rond half elf gaat het licht automatisch uit, maar ook in het donker kan ik de slaap niet vatten en irriteer ik me aan het oorverdovende gesnurk. Als dit tot Santiago zo doorgaat, is de pelgrimstocht voor mij snel klaar. Hier is het mysterie van het leven niet te vinden.
Door alle geluiden om me heen slaap ik voor mijn gevoel nauwelijks die nacht. Rond half zes staan de eerste pelgrims al op om fluisterend de dag met elkaar door te spreken.
Maandag 3 oktober: van Roncesvalles naar Larrasoaña
Vanochtend ben ik chagrijnig opgestaan. Deze pelgrims-tocht lijkt in niets op de verslagen van mooie spirituele reizen naar Santiago die ik tijdens de voorbereiding heb gelezen. Mijn knie is nog steeds pijnlijk, hoewel minder opgezwollen dan gisterenavond.
Als ontbijt neem ik een kop koffie en werk ik een croissant en een stuk ‘tarte de Santiago’ naar binnen. Niet echt vezelrijk en voedzaam als basis voor de tocht van vandaag, maar het vult wel. Voor mijn vertrek leeg ik op de slaapzaal mijn rugzak en laat alle overbodige spullen voor de eerlijke vinder achter op mijn bed.
Rond half acht begin ik te lopen. Het is zowaar opgehouden met regenen. Vol goede moed ga ik op pad. De route gaat langs de weilanden die nog verscholen liggen in de ochtendmist.
Ik let goed op de gele markeringen met de beeltenis van een jakobsschelp die de pelgrimsroute naar Santiago aangeven. Op het uitgesleten stenen pad zijn de echo’s hoorbaar van eerdere pelgrims die al sinds eeuwen deze weg bewandelden. Stukjes bos worden afgewisseld met kilometers verharde weg tussen de weilanden door. De wandelstok is opnieuw geen overbodige luxe en ik maak er dankbaar gebruik van om mijn knieën te sparen.
Na een uur passeer ik het plaatsje Burguete/Auritz. Het valt me op dat alle dorpen hier zowel een Spaanse als een Baskische naam hebben. Burguete is een boerendorp, en er is niet veel te beleven. Overal langs de weg ligt rotzooi die de mensen verzamelen in de hoop die ooit nog eens te kunnen gebruiken. Behalve een kleine ambachtelijke bakker heeft dit dorpje een schoenmaker die leeft van de onophoudelijke stroom langstrekkende pelgrims.
Nadat ik Espinal/Auzizberri gepasseerd ben, is de mist grotendeels opgelost en breekt de zon door. Voor het eerst begin ik plezier in de tocht te krijgen. Lopend door deze prachtige natuur tussen de beuken en de eikenbomen, en verrassend veel buxusstruiken, klaart mijn humeur verder op. Als het pad stijgt en de zon verder door de wolken breekt, ontvouwen zich prachtige vergezichten die me dwingen even stil te staan om van het uitzicht te genieten. Op deze route naar Santiago hebben al meer dan duizend jaar mensen gelopen. Ieder met zijn eigen wensen, twijfels, gebeden en doelen.
De pijn in mij knie is draaglijk en ik probeer deze zoveel mogelijk te ontzien. Dat mijn pijngrens hoog ligt, komt nu goed van pas. Ik kom weinig andere pelgrims tegen en de rust voelt weldadig aan en herinnert me aan de tijden in de ashram.
Bij Zubari staat een routebordje met daarop de vermelding: Santiago 721 km. Dat had ik nu net niet moeten lezen. Zal mijn knie zoveel kilometer volhouden? Een pelgrim die het laatste stuk met mij opliep, besluit in dit plaatsje te overnachten. Ondanks mijn pijnlijke knie vervolg ik mijn route naar het einddoel van deze dag: Larrasoaña.
Via een prachtige middeleeuwse brug bereik ik na drie uur in eenzaamheid lopen het klooster van Larrasoaña. Na mijn slechte ervaring met de refugio van de afgelopen nacht hoop ik hier te overnachten in een rustige omgeving.
Het klooster is het bezit van de Orde van Sion. Ongeveer vijftien monniken leven er volledig afgeschermd van de buitenwereld. Het fascineert me dat mensen zich vrijwillig onderwerpen aan het strakke regime van het kloosterleven en zich helemaal isoleren van de samenleving. Jezelf zo afzonderen moet een sterke innerlijke drang zijn. Maar misschien is het voor sommige monniken vooral een vlucht uit onze harde maatschappij.
Het klooster blijkt een goede keus. Mijn bed staat in een klein vertrek met dikke muren en het is er muisstil. Mijn knie klopt hevig, en ik probeer de pijn te negeren.
De volgende ochtend blijkt mijn wekker prachtige Gregoriaanse zang van de monniken te zijn uit de kapel. Dat is nog eens heerlijk wakker worden!
De lange nachtrust en het gezonde eten in het klooster doen me goed. Met dit verblijf krijg ik een cadeautje van Onze Lieve Heer, als vergoeding voor de eerste zware dag. Bij het Christusbeeld in de kapel steek ik een kaarsje aan voor mijn overleden moeder, een vreemde gewoonte van me, maar het geeft me rust.
Dinsdag 4 oktober: van Larrasoaña naar Pamplona
Na afscheid te hebben genomen van de monniken, vervolg ik vol goede moed mijn pad. Het miezert een beetje, maar dat kan mijn humeur niet bederven. Het landschap is, ondanks de grijze lucht, adembenemend mooi. Ik loop een paar uur achtereen zonder veel te stoppen en de ochtend vliegt voorbij. Het lukt me wonderwel om de pijn in mijn knie uit mijn gedachten te verdringen, en mijn gele regenponcho houdt me dit keer droog. Via een oude Romeinse brug steek ik de rivier over, waarna het pad omhoog gaat naar het dorp Akerreta, met zijn eeuwenoude kerk.
De rugzak is sinds gisteren al een heel stuk lichter, maar desondanks begint mijn te zwaar belaste rechterknie toch gemeen op te spelen. Met een verbeten gezicht loop ik verder. Een andere keuze is er niet.
Via een uitgesleten pelgrimsweg bereik ik een uur later het gehucht Zurlain, waar ik pauzeer voor een kop koffie. Mijn rugzak zet ik naast de deur en ik ga aan een houten tafel zitten in het kleine café, annex bakker. Er komt een pelgrim binnen in een natte grijze poncho. Even lijkt hij te twijfelen, maar dan loopt hij recht op mij af.
Hij stelt zich voor als Niels en blijkt 61 jaar te zijn en afkomstig uit Helsinki.
‘Vind je het goed dat ik vandaag een stuk met je meeloop,’ vraagt hij als we afrekenen.
Weer een middag alleen door de bergen lopen in de regen trekt me niet bijster aan. De harde confrontatie met de stilte, de eenzaamheid en met mezelf valt me zwaar. Ik hoef dus niet lang na te denken en stem in.
Als we vertrekken, roept de vrouw achter de bar mij terug. Ze drukt mij twintig peseta’s in de hand om in Santiago een kaars voor haar en haar zieke man op te steken. Het geld stop ik in een apart zijvakje van mijn rugzak met de belofte het kaarsje voor haar te branden.
Het zitten heeft mijn knie geen goed gedaan. We volgen de gele markeringsbordjes en ik probeer de pijn te negeren. Niels loopt zwijgzaam een paar passen vooruit. Wat een hork, schiet het geïrriteerd door mijn hoofd. Door de aanhoudende pijn begin ik achter te raken. De gedachte dat ik het beter op kan geven komt boven, maar ik duw hem weg. Negeren van gevoelens is een sterke kant van mij, zeker sinds de tijd dat ik als meisje van zeven besloot alles wel alleen te kunnen. Mijn vaders favoriete motto was: niet zeuren, gewoon doorzetten en die boodschap heeft hij ons eindeloos ingeprent. Bijtend op mijn lip zie ik het gat tussen mij en Niels groter worden. Hij lijkt het niet in de gaten te hebben. Zo lopen we urenlang, terwijl het steeds harder gaat regenen. Het lijkt wel Gods vooropgezette plan om al mijn zonden in een dag te laten afspoelen. Dat is hem in ieder geval goed gelukt! De doorweekte kleding plakt aan mijn lichaam, wat mijn humeur verder bederft.
Na een uur loopt het pad parallel met een drukke snelweg, die in de richting van Pamplona gaat.
Niels stopt eindelijk en wacht op mij. Mijn gezicht staat op onweer.
‘Zie je dit pad,’ zegt Niels als ik hem heb ingehaald. ‘Het is de metafoor van het leven.’
Met een stekende pijn in mijn knie, leunend op mijn wandelstok, kijk ik Niels chagrijnig aan. Dit lijkt me niet het juiste moment voor een mooi filosofisch inzicht.
‘Het pad hier is een metafoor voor ons levenspad. Je kunt hier naar links kijken en dan zie je de snelweg vol met gehaaste mensen in auto’s, op weg naar hun volgende bestemming. De omgeving schiet ongemerkt aan hen voorbij. Maar je kunt vanaf dit punt ook naar rechts kijken en je verbazen over de wonderschone natuur. Daar lijkt de tijd stil te staan en kun je werkelijk genieten en tot jezelf komen. Dit pad is een metafoor voor het leven: je hebt elke seconde de keuze je eigen realiteit te bepalen door naar links of naar rechts te kijken.’
Flauw glimlachend knik ik, en ontspan een beetje. Maar ik heb mijn handen vol aan mijn pijnlijke knie. Daarom dringen zijn woorden niet echt tot me door.
Het pad verwijdert zich weer van de snelweg en brengt ons, klimmend, in het oude stadje Trinidad de Arre waar we bij de dorpspomp even rusten.
Niels kijkt naar mijn sippe gezicht.
‘Is er iets?’
‘Door die verdomde pijn in mijn rechterknie, kan ik bijna niet meer lopen.’
Niels gaat naast me zitten, stroopt mijn rechterbroekspijp omhoog en fluit even als hij de vuurrode en opgezwollen knie ziet. Uit zijn rugzak haalt hij een zalfje dat hij voorzichtig op mijn gezwollen knie smeert. Het voelt vreemd koud aan.
‘Deze zalf heb ik ooit gekregen van een pelgrim in Jeruzalem.’
Dan maakt hij een symbool met zijn rechterhand, vormt met beide handen een kommetje en legt ze op mijn knie. Het duurt niet lang of mijn knie begint te gloeien en te bonken.
‘Wat doe je nu?’
‘Elk mens heeft de gave om met zijn handen
zichzelf en anderen te genezen. Dat is wat ik met je doe.’
Na een minuut of tien haalt Niels zijn handen weg en trekt mijn
broekspijp weer naar beneden. We pakken onze rugzakken op voor het
laatste traject van deze dag. Wat Niels precies met mijn knie heeft
gedaan weet ik niet, maar de pijn is nu dragelijk, en mijn humeur
knapt iets op.
Na ruim anderhalf uur wandelen we de buitenwijken van Pamplona in, om even later de poort naar het centrum van de grote stad te passeren.
De refugio bevindt zich in het rechterdeel van het gemeentehuis en het is er bomvol. Met mijn grote mond weet ik toch een slaapplaats te bemachtigen. Het is hier bepaald niet schoon, maar de douche is heerlijk en door het lauwwarme water op mijn lichaam voel ik me meteen stukken beter. Niels vraagt me die avond samen met hem wat te eten en vooraf een bezoek te brengen aan de kathedraal.
Er wordt gezegd dat de kathedraal van Pamplona de grootste kerkklokken van Spanje heeft. Van een afstand is het gebouw indrukwekkend, maar toch zijn het de details die blijven hangen. De kathedraal herbergt het praalgraf van koning Karel III en zijn vrouw Leonor. Bij de uitgang ligt een groot boek waar pelgrims korte teksten in schrijven.
Nieuwsgierig bekijk ik de tekst van een Nederlands stel dat hier eerder op de dag is geweest.
Geef me de moed om te veranderen wat veranderd moet worden.
Geef me de rust om te aanvaarden wat niet te veranderen is.
En geef me het inzicht om het verschil te onderscheiden.
Marc en Ria de Waal, Oestgeest
Ik ben jaloers op deze mooie filosofische kijk op het leven. Na een uitstekend pelgrimsmaal drinken we nog een glas wijn op het centrale plein van Pamplona. Niels vertelt mij dat hij net gescheiden is en in een moeilijke fase van zijn leven zit. Nadat hij dit gezegd heeft, valt het besluit om afstand te nemen van Niels mij niet moeilijk meer. Morgen zal ik weer alleen lopen en de confrontatie met mijzelf zoeken. Een gescheiden vent gaat daar niet aan bijdragen.
Voor het slapengaan, smeer ik wat van de zalf van Niels op mijn knie en behandel hem met een handoplegging zoals Niels eerder op de dag heeft gedaan. De combinatie werkt, en ook nu weer begint mijn knie te gloeien. Tevreden kruip ik in het stapelbed en staar naar het plafond.
Woensdag 5 oktober: van Pamplona naar Puente la Reina
Vanmorgen ben ik zonder ontbijt uit Pamplona vertrokken om zo vroeg mogelijk op pad te zijn. Het was weer een erg onrustige nacht in de overvolle slaapzaal, wat niet goed is voor mijn humeur. Gisterenavond laat, net in mijn diepste slaap, kwam er een groep jonge Spanjaarden met veel kabaal de slaapzaal op. Duidelijk aangeschoten en schreeuwend kleedden zij zich voor de nacht, onder het zachte gemor van de andere pelgrims. Toen ze eindelijk stil waren, kwam de stroom nachtplassers op gang.
Om twee uur sliep ik nog niet en lag ik me te verbijten in bed. Na een hazenslaapje begonnen om vijf uur de eerste pelgrims al in te pakken en te douchen. Vanochtend heb ik mezelf plechtig gezworen de refugio’s zo veel mogelijk te mijden. Voor mijn vertrek, heb ik afscheid van Niels genomen. Hij heeft mijn knie nogmaals behandeld met zijn geheime zalfje en handoplegging. De knie is nu minder dik en voelt alleen nog wat stram aan. Nooit geweten dat de kracht van menselijke handen zo’n geneeskrachtige werking kunnen hebben.
In Cizur Menor neem ik een korte pauze, en bestel een ontbijt. Na deze stop gaat het asfalt over in een onverhard pad die me langs de akkers op de heuvels leidt. Het is vandaag droog en in de verte doemen de bergen van de Sierra op, met de witte bergtoppen, waarop de eerste wintersneeuw ligt. De opkomende zon doet mijn humeur goed en tot mijn opluchting houdt mijn knie wonderwel stand. Nadat ik een heuvel heb beklommen, volgt een plateau met een groot monument van een pelgrims-karavaan die uitkijkt over de kale vlakte.
Hier neem ik de tijd om te genieten van het fantastische uitzicht en de stilte om me heen. Er passeren twee vrouwen van middelbare leeftijd met wie ik in gesprek raak. Het zijn zusjes die ter nagedachtenis aan hun moeder deze tocht naar Santiago ondernemen om daar een kaarsje voor haar ziel te branden. We besluiten samen op te lopen en ik vertel hen over de dood van mijn moeder en hoe dit mijn leven heeft beheerst. Ik denk weer aan de vele paniekaanvallen die mijn tienerjaren deels hebben verpest. Tijdens zo’n aanval had ik het gevoel dat ik door de hartkloppingen, benauwdheid en pijn in mijn borst dood zou gaan. Gelukkig kreeg ik na de pubertijd de paniekaanvallen onder controle. Ook vertel ik hen over mijn ervaring in de ashram, waar het mij is gelukt om een gedeelte van de emotionele pijn los te laten.
De vrouwen geven me de ruimte om mijn verhaal te vertellen zonder zelf iets te zeggen. Het lucht op om mijn diepste gevoelens te delen met deze onbekende vrouwen. Ze luisteren zonder te oordelen. Juist dat maakt hen tot mooie mensen.
Druk pratend vliegt de tijd, is mijn ervaring. Via Mouzábal en Obanos bereiken we rond de klok van vier uur Puenta la Reina. Dit middeleeuws aandoende plaatsje heeft twee juwelen van kerken binnen de stadsgrenzen en een prachtige middeleeuwse brug.
De twee vrouwen besluiten om in de plaatselijke refugio te overnachten, maar na mijn ervaring van vannacht ga ik op zoek naar iets anders. Voor de deur van de refugio nemen we afscheid van elkaar.
Na enig zoeken klop ik aan bij een klooster aan de rand van het dorpje. Een broederportier in een bruine monnikpij opent de deur.
‘Ik ben onderweg naar Santiago. Kan ik hier over-nachten?’
De monnik zwijgt en lijkt even te twijfelen. Tenslotte knikt hij instemmend.
‘Onder de voorwaarde dat binnen de muren van deze abdij alleen Gods woord mag worden gesproken,’ zegt hij.
Ik knik beleefd, maar begrijp niet helemaal wat hij bedoelt. Dan gaat de broeder mij voor naar een kleine kale slaapcel, met alleen het hoogst noodzakelijke: een hard bed, versleten schone lakens en een lampetkan met water. De soberheid doet me weer aan India denken.
De monnik loopt zonder verder iets te zeggen weg. Ik doe mijn rugzak af en zet mijn houten wandelstok in een hoek. Op de deur hangt een lijstje met de tijden van de Heilige Missen en het eten. In vette letters staat eronder geschreven ‘In deze abdij klinkt alleen Gods woord’.
Moe plof ik op mijn bed neer, en ik staar met open ogen naar het plafond. Tot nu toe valt de tocht me helemaal niet mee. Ik heb geen spirituele openbaringen of inzicht in mezelf gekregen. In plaats daarvan heb ik een pijnlijke knie, moet ik elke dag afzien en ben ik tot op het bot toe verregend met een nog altijd veel te zware rugzak. Kreunend en zuchtend sta ik op, terwijl mijn stramme spieren op alle mogelijke manieren protesteren. Volgens het lijstje op de deur is het tijd voor de avondmis, die ik niet mag missen.
Na de dienst met prachtig Gregoriaans gezang, kieper ik op de vloer in mijn cel mijn rugzak leeg en sorteer dit keer rigoureus alle overbodige spullen. Mijn parfum, make-up en extra kleding liggen niet veel later op de stapel ‘niet meer inpakken’, en ook mijn leesboeken treffen dit lot. Alleen het bruine dagboek ontspringt de dans. Als ik de rugzak daarna weer inpak, is hij een stuk lichter. Het is alsof ik met het legen van mijn rugzak ook letterlijk mijn persoonlijke bagage van de afgelopen jaren achter me laat. Wellicht is dat het eerste doel van een pelgrimage: persoonlijke ballast afwerpen. De monniken zullen voor de kleren en boeken die ik achterlaat wel een goede bestemming vinden. Het beeld van een monnik, die make-up en vrouwenparfum weggeeft, doet me glimlachen.
Het avondmaal wordt volgens het schema om exact half zeven opgediend. Aan een lange houten tafel neem ik plaats tussen de in bruine pijen gehulde monniken, die herhaaldelijk stiekem mijn kant opkijken. Niemand spreekt een woord. Wat zou er in hun hoofd omgaan? Ik waag me niet aan hun fantasieleven. We eten soep, brood en moten gebakken vis. Na een langdurig gebed beginnen we stilzwijgend te eten, terwijl een monnik aan het hoofd van de tafel bijbelteksten reciteert.
‘En als iemand je dwingt één mijl met hem mee te gaan, loop er dan twee met hem op.’
Bij het horen van deze monotone tekst, moet ik even zacht grinniken.
‘Geef aan wie iets van je vraagt, en keer je niet af van wie geld van je wil lenen. Heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen. Wees op deze wijze volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.’
Zo reutelt de monnik de gehele maaltijd verder en ik merk dat de bijbelteksten me irriteren. Dit heeft meer met hersenspoeling dan met geloof te maken.
Na het bijwerken van mijn dagboek in de cel, val ik om half negen als een blok in slaap. De zware tocht en de slechte nachtrust van de afgelopen nacht hebben me danig uitgeput.
Donderdag 6 oktober: van Puente la Reina naar Estella
Na de ochtendmis met Gregoriaanse gezang, vertrek ik rond negen uur. De monnik die me gisteren heeft binnengelaten, doet me ook uitgeleide.
‘Dank u voor alles broeder.’
‘Moge God je behoeden en jij zijn woord met je meedragen,’ zegt hij alvorens een kruisje te slaan. Mijn portie stichtelijke woorden heb ik voor de komende dagen wel weer gehad.
Ik loop door Puenta la Reina, dat schittert in de morgenzon, om de pelgrimsoude te vervolgen. Na de brug begint het pad meteen te stijgen. De omgeving is kaal en de rust wordt alleen verstoord door het gesjirp van sprinkhanen. Na een uur lopen, bereik ik het authentieke plaatsje Mañeru met de prachtige okerkleurige huizen, die door de morgenzon nog intenser kleuren. Een oude vrouw zit op een bankje voor haar huis. Ze wenkt me en mompelt iets onverstaanbaars in het Spaans. Ze loopt haar huis in en komt terug met zonnehoed van leer.
‘Santiago,’ zegt ze, terwijl ze me de hoed aanreikt.
Dankbaar neem ik de hoed van haar aan. Een lief mens dat mijn pad kruist om iets te geven. Dit is zomaar een wondertje op mijn camino.
Met mijn hoed op en de wandelstok in mijn hand, ben ik klaar om mijn weg te vervolgen. De oude vrouw knikt nog even en gaat dan weer zitten.
Na anderhalf uur in de brandende zon te hebben gelopen kom ik in het plaatsje Cirauqui, met de witgepleisterde huisjes. In de dorpsherberg van dit authentieke stadje, onaangetast door de tijd, bestel ik een broodje met warme Spaanse ham. Na het nuttigen van deze bocadillo, is het tijd om verder te trekken.
Aan de rand van het gehucht loop ik een jonge Spaanse pelgrim tegen het lijf, die me vraagt of hij een eindje met me mag oplopen. Met de bijbelspreuk van gisterenavond nog vers in mijn geheugen, besluit ik in te stemmen met zijn voorstel. We verlaten het plaatsje via de oude stadspoort en lopen over de camino met kasseien. Opnieuw bedenk ik me dat hier duizenden jaren lang mensen hebben gelopen. Ieder met haar eigen gedachten en doel.
De Spaanse jongen die zich voorstelt als Jorge, ratelt aan één stuk door in gebroken Engels. Hij doet me denken aan een opwindeendje dat langzaam afloopt. Af en toe roep ik instemmend “yes”. Het moet intussen zeker 25 graden Celsius zijn, en we zoeken regelmatig de schaduw op om even af te koelen en wat water te drinken. Na vierenhalf uur passeren we het plaatsje Lorca, terwijl boven ons grote gieren cirkelen: een machtig gezicht!
Mijn knie begint toch weer op te spelen en ik ben de oude vrouw dankbaar voor de hoed die me tegen de felle zon beschermt. Jorge loopt met een rood hoofd puffend naast me en zegt weinig meer. Het opwindeendje is gestopt en zijn stoerheid is verdwenen, wat hem eigenlijk veel leuker maakt. Na een lange zware dag wandelen, komen we pas om half vijf in Estella aan.
Onder de oude brug is de plaatselijke refugio en ik laat me door Jorge overhalen om daar te overnachten. Direct bij binnenkomst van de slaapzaal met de houten stapelbedden, heb ik al spijt van mijn beslissing. Het ruikt ook hier naar zweet en zweetsokken. Met mijn wandelkleren nog aan sta ik niet veel later boven een grote stenen wasbak in de kelder humeurig kledingstukken uit te wassen. Het lukt me een plekje voor mijn natte spullen op de waslijn te veroveren.
Aan een lange houten tafel, buiten op het terras, eet ik die avond met zeker tien pelgrims uit verschillende landen en van verschillende leeftijden. De camino verbindt alle mensen met elkaar, en dat gegeven vind ik mooi. Jorge vermijd ik omdat ik wel voel dat hij meer wil dan samen gezellig wandelen. Met elk glas wijn wordt de sfeer vrolijker op deze zwoele nazomerse avond. Ik geniet van het kruidige Spaanse eten en het prachtige uitzicht op de rivier de Ega. Ik bedenk me dat een extra glas wijn geen kwaad kan en me beter bestand maakt tegen het lawaai vannacht. Het gesprek aan tafel gaat over de kwaliteit van de refugio’s, en er worden wandeltips uitgewisseld.
Ook het gewicht van de rugzak komt ter sprake en de gemoederen lopen bij dit onderwerp hoog op. Het lijkt wederom wel een competitie over de vraag wie de lichtste rugzak heeft. Bizar eigenlijk om hier een wedstrijd van te willen maken. Voor mij is deze pelgrimage juist een tocht waarbij elke vorm van prestatie of competitie vermeden moet worden. Het gaat om de reis en niet om het doel. Maar zo te horen sta ik alleen met dit standpunt.
Na het eten ontwijk ik Jorge behendig. Voor het slapengaan behandel ik eerst nog mijn rechterknie die niet meer zo opgezwollen en rood is. Nadat ik mijn dagboek heb bijgewerkt, val ik in slaap en ik word niet meer wakker tot het ochtendlicht de slaapzaal binnendringt.
Vrijdag 7 oktober: van Estella naar Torres del Río
De meest fanatieke pelgrims zijn al vertrokken als ik na mijn ontbijt op pad ga. Jorge is ook al weg zonder afscheid te hebben genomen. Blijkbaar is hij teleurgesteld omdat ik hem gisterenavond ontweek. Bij de rivier de Ega vul ik mijn veldfles; gisterenavond is mij verteld dat het rivierwater hier zo zuiver is dat je het gewoon kunt drinken.
Zo langzamerhand pas ik me aan het vaste dagritme aan. Mijn dag als pelgrim kent een vaste structuur met vroeg opstaan, mezelf verzorgen, de rugzak inpakken, ontbijten, wandelen met al het afzien, rusten met tijd voor overdenkingen, aankomen in een refugio of klooster, douchen (als er warm water is), een eetadres zoeken, de route van de volgende dag doornemen, mijn dagboek bijwerken, en ten slotte slapen. Meer dan dit is er niet. Maar juist deze strakke dagindeling geeft me de ruimte om over alles na te denken.
In Estella is de ziel van de eeuwenoude pelgrimstocht goed voelbaar. Voor mij is deze plaats tot nu toe het hoogtepunt. Na een bezoek aan de prachtige kerk, loop ik door de oude stadspoort Portal de Castilla in de richting van Los Arcos. Gelukkig geeft de hoed mijn gezicht genoeg bescherming tegen de felle zon.
Na een uur wandelen, bereik ik het eerste dorp Ayegui.
Ik bezoek de plaatselijke kerk om de hitte even te kunnen ontvluchten. In al zijn eenvoud is deze kerk prachtig en de sfeer ontspant me.
Vol goede moed verlaat ik het plaatsje. Geruime tijd klim ik geleidelijk omhoog door de glooiende wijngaarden, waarna het weer omlaag gaat, naar het klooster van Irache. Het is vandaag warm en ik stop regelmatig even voor een slok water.
Het landschap met de vele pasteltinten is onbeschrijfelijk mooi. De natuur blijkt weer eens een krachtige genezer van de geest. Het is alsof mijn gevoel van geluk altijd omkapseld is geweest en het idee dat er een vrolijk kind in mijzelf huisde, is zoekgeraakt. Zittend op een boomstronk wacht ik geduldig op de volgende groep pelgrims waar ik me zwijgzaam bij aansluit. De camino gaat nu bergopwaarts en we passeren een herder met een kudde schapen en een hond.
‘Dit is de Sierra del Pardon, ofwel: de heuvels van vergeving,’ zegt een oudere pelgrim tegen me. Zijn woorden zetten me aan het denken.
Ik vraag me af wie ik zou moeten vergeven. Mijn vader misschien, voor zijn drammerige wijze van opvoeden. Of Harold, mijn vroegere werkgever die mensen misbruikt voor eigen gewin. Misschien is het tijd om mijn moeder te vergeven dat ze te vroeg is gestorven. Er is in mijn leven zoveel dat me boos heeft gemaakt en nu vanbinnen aan mijn ziel knaagt. De ultieme vergeving ligt uiteindelijk bij mezelf, bedenk ik me, tevreden over deze filosofische kijk op het leven. Wie ben ik om een ander te veroordelen?
Ik kan beter kijken naar mijn eigen tekortkomingen en erkennen dat ook ik anderen pijn heb gedaan. Blijkbaar gaat mijn pelgrimstocht niet voor niets door de Sierra del Pardon!
Ik tik de pelgrim die mij attent maakte op deze plek op z’n schouder.
‘Dank u wel,’ zeg ik.
De man glimlacht niet begrijpend naar me.
Er zijn blijkbaar veel bijzondere mensen op de camino, voor wie ze wil vinden.
Lange tijd lopen we door het open veld, zonder schaduwplekken. De weg leidt naar de eindbestemming van deze dag: Torres del Rio. De droge lucht in combinatie met de glooiende hellingen kwellen mijn spieren, en ook mijn rechterknie laat zich weer voelen. Had ik me niet beter op deze tocht moeten voorbereiden?
Rond drie uur bereiken we Torres del Rio, waar we met z’n allen op het dorpsplein eerst een paar flessen water en een heerlijk fles koude rosé bestellen. De verhalen over de pelgrimage en levens van mensen komen vanzelf omhoog en ik geniet van de gezelligheid tot het tijd is een slaapplaats te gaan zoeken.
Mijn oog valt op een hotel aan hetzelfde dorpsplein: even geen overvolle refugio met stapelbedden voor mij, maar een kamer helemaal voor mezelf. Ik neem een douche met ditmaal heerlijk warm water. Dan bezoek ik een kapper die in het centrum een kleine maar schone zaak heeft. De man ratelt maar door in het Spaans en af en toe knik ik naar hem, wat meteen weer leidt tot een nieuwe ononderbroken stroom van woorden. In de kappersspiegel heb ik genoeg gelegenheid mezelf eens goed te bekijken. Hier zit onmiskenbaar een vrouw met een energieke uitstraling en vol levenslust. Mijn haar is al weer halflang, na de rigoureuze ‘kappersbeurt’ in India.
In Nederland was ik een andere Eva Sprong dan hier in Spanje. Hier heb ik het gevoel dat ik intens en bewust leef. Het gevoel uit India komt weer terug. Een gevoel van zelfverzekerdheid heeft mijn angsten opgelost als ochtendmist door een opkomende zon. Dit vrije, gelukszalige gevoel wil ik voor altijd vasthouden, en doet me terugdenken aan Alesha, Rashdan en de rivier de Ganges. Na de kapper bekijk ik de bijzondere achthoekige romaanse kerk, de Santo Sepulcro, die door Tempeliers gesticht zou zijn. Natuurlijk steek ik nu ook een kaarsje aan voor mijn moeder. Ik voel me herboren!
Zaterdag 8 oktober: van Torres del Rio naar Logroño
Na een goede nachtrust in een heerlijk zacht bed, ontbijt ik samen met een Italiaanse vrouw, met grappig genoeg dezelfde voornaam als ik. Ze loopt naar Santiago om daar voor haar zieke moeder een kaarsje aan te steken en te bidden voor haar genezing. Zonder hoop zou een mens verloren zijn, realiseer ik me.
Bij het afscheid geeft de hoteleigenaar me vijftig peseta’s korting als ik beloof in Santiago een kaarsje voor hem te branden. Ik stop het bij het andere geld in het zijvakje van mijn rugzak.
Met mijn wandelstok, leren hoed en inmiddels veel lichtere rugzak, vertrek ik om klokslag acht uur. De Italiaanse Eva heeft een rustdag en vertrekt jammer genoeg pas morgen naar Logroño.
Vandaag is een minder zwaar traject. Ik geniet onderweg van de prachtige eucalyptusbomen. Op alle kruispunten wijzen de geelwitte markeringen mij de juiste weg en als ik twijfel is er altijd wel iemand aan wie ik de goede richting kan vragen. Camino de Santiago is hier tot in alle naden van de samenleving doorgedrongen. De zon schijnt genadeloos, hoewel het gelukkig minder warm is dan gisteren. Bij een klooster onderweg vul ik mijn veldfles met water; het is de enige plaats waar ik vandaag andere pelgrims tegenkom.
Om drie uur is mijn einddoel van deze dag al bereikt en kom ik redelijk fris in Logroño aan. Het dorpje is niet echt aantrekkelijk; alleen het oude centrum met de kathedraal is mooi. Op één van de twee slanke barokke kerktorens staat een zonnewijzer en ik zie verschillende ooievaarsnesten. Als ik de kerk binnenkom, begint er net een dienst voor pelgrims. Mijn rugzak leg ik in een hoek en ik schuif aan op de achterste kerkbank. Het is werkelijk puur goud wat er hier binnen blinkt. Niet bepaald het toonbeeld van de nederigheid en soberheid die Jezus in de bijbel predikt.
De overdaad zet me aan het denken. Mensen hebben de kerk gemaakt tot wat die nu is, en wat mij betreft is het resultaat niet altijd in overeenstemming met het ware christendom. Hoeveel godsdienstoorlogen hebben niet gewoed en hoeveel vrouwen zijn niet door de kerk als heks verbrand?
De priester vertelt in gebrekkig Engels over de ont-beringen die de pelgrims doorstaan om Santiago te bereiken, en over de vergiffenis die hen daar wacht.
De mensen in de kerk luisteren aandachtig naar zijn verhaal; ieder van ons is immers op zoek naar vergiffenis voor de fouten in zijn leven.
Op het plein voor de kerk staat een enorm standbeeld van de heilige St. Jaques te paard, die met zijn zwaard de Moren de kop afhakt. Hij is heilig verklaard voor het doden van ongelovigen. Het is moeilijk daar een daad van naastenliefde in te zien. De feilbare kanten van het christendom lijken zich vandaag in het bijzonder aan me op te dringen, en ik raak deze gedachten niet meer kwijt.
Helaas zitten de hotels al vol en ben ik gedwongen te overnachten in de refugio van Logroño, gevestigd in een klooster. Op de slaapzaal met stapelbedden is plaats voor 78 personen. In de kantine kun je een drie gangen maaltijd met een glas wijn krijgen voor nog geen acht gulden.
Zoals ik wel verwacht had, slaap ik wederom slecht die nacht. Alle bedden zijn bezet. Het is erg benauwd en er zijn ook nu weer mensen die snurken, winden laten of
’s nachts naar het toilet moeten. Mijn besluit staat vast: tijdens de rest van mijn tocht, zal ik geen enkele refugio meer aandoen. Ik heb genoeg geleden!
Zondag 9 oktober: van Logroño naar Nájera
Vanochtend ben ik vroeg vertrokken om de grootste drukte voor te zijn. De tarta de Santiago die ik van de ontbijttafel heb weggegrist, smaakt me goed. De koek stilt de ergste honger. Na twee uur lopen paseer ik het oude vervallen kasteel van Clavijo dat uitzicht biedt over het slagveld uit het jaar 844. In dat jaar verscheen Sint Jaques op zijn witte paard om 40.000 Moren een kopje kleiner te maken. Al aan het begin van de route word ik volledig in beslag genomen door de prachtige omgeving met wijngaarden.
Een niet thuis te brengen gelukzalig gevoel overspoelt me tijdens het lopen. Na ruim twee uur te hebben gelopen door dit vruchtbare deel van de camino, zie ik een groot meer voor mij liggen. Bij de pelgrimspost krijg ik een stempel in mijn pelgrimspaspoort. Dan is het tijd om met een paar andere pelgrims in het meer te poedelen. Het koude water voelt verkwikkend aan mijn vermoeide voeten.
Na een lange pauze, is het lastig om weer op gang te komen. Mijn spieren voelen stram aan na de stevige ochtendwandeling en ook voel ik de pijn in mijn rechterknie weer opkomen, maar ik blijf glimlachen. Het doorzetten, zonder te klagen, heb ik van mijn vader van jongsafaan meegekregen.
In gedachten verzonken wandel ik verder tot er geen markeringen meer zijn. Waarschijnlijk heb ik een verkeerde afslag genomen. Ik loop terug, en na ongeveer een kwartier zie ik tot mijn opluchting weer een gele jakobsschelp en neem nu de juiste richting. Het pad lijkt eindeloos tussen de wijnvelden van de Rioja door te lopen, met als enige onderbreking het dorpje Ventosa.
Het zou hier mooi en sprankelend moeten zijn, maar mijn gevoel zegt iets anders. De route gaat verder via een bruggetje over de rivier Rio Yalde en loopt dwars door de wijnvelden, om na twee uur in Nájera te eindigen. Onderweg passeert een grote groep jonge Spanjaarden me op de fiets. Ze fluiten en schreeuwen naar me maar ik doe of ik gek ben en reageer niet.
Ook zij zijn op weg naar Santiago de Compostella, voortdurend pratend, en doodsbang dat er even een stilte valt. Ze hopen misschien op een pelgrimage waarbij ze niet over zichzelf hoeven na te denken, maar waarbij het hoogste doel het veroveren van een vrouwenhart is. Onderweg hebben ze vooral aandacht voor buitenlandse vrouwen die op zoek zijn naar een beetje aandacht en liefde in hun leven. Mij niet gezien!
Chagrijnig bereik ik het Nájera, dat omringd is door merkwaardige rode rotsen die het stadje iets mystieks geven. Er wacht me hier een minder leuke verrassing. De hotels zijn volgeboekt en ik moet toch weer op zoek naar een refugio. Onze lieve Heer doet het erom. Mijn stemming staat nu op onweer. Wat heb ik misdaan om dit lot te treffen? Bij de deur van de refugio draai ik me om, en ga op zoek naar een alternatieve oplossing.
Via een tip in een bar kom ik aan het adres van een ouder echtpaar dat een slaapkamer ter beschikking stelt aan pelgrims. Het geluk is blijkbaar omgeslagen en staat nu aan mijn kant. De kamer is nog vrij en staat gratis tot mijn beschikking. De enige tegenprestatie die de gastvrouw verlangt, is een persoonlijke boodschap in haar gasten-boek , die op de eettafel ligt. Het oude donkerbruine boek staat vol dankwoorden van alle pelgrims die hier ooit een nacht doorbrachten. Terwijl ik het doorblader, blijven mijn ogen steken bij een tekst die in 1983 door een Ierse pelgrim met de naam Jennifer Kelly is neergeschreven.
God bepaalt wie je op je pad tegenkomt
Maar het is aan jou om te beslissen
Wie mag doorlopen en wie mag blijven.
Jennifer’s woorden zetten me aan het denken. Wie mag er eigenlijk in mijn leven blijven? Natuurlijk Paula en mijn vader en ook mijn moeder, al bestaat het contact met haar in een andere dimensie. Ineens wordt pijnlijk duidelijk wat ik nog mis. Een echte liefdesrelatie heb ik nooit gehad. Hier op de camino heb ik de steun van pelgrims, die mijn pad kruisen. Maar wie helpt mij straks in Nederland een druilerige koude zondagmiddag door te komen? Ik besef hoe groot mijn verlangen naar een partner is: iemand die werkelijk om me geeft en die er voor me is.
Die avond ga ik vroeg naar bed en ik bedank Jennifer in een schietgebedje voor haar wijze woorden. Het is tijd om eens bewuster te beslissen wie ik wel en niet in mijn leven toelaat. En mensen komen niet zo maar op mijn pad, is mijn overtuiging. Na het bijwerken van mijn dagboek val ik in slaap in het bed dat al door vele honderden pelgrims is beslapen. Morgen wacht mij weer een lange en zware dag.
Maandag 10 oktober: van Nájera naar Santo Domingo de la Calzada
Om half zeven ben ik uit de veren en ik voel me heerlijk uitgerust. De vrouw des huizes bakt een lekker eitje voor me en geeft me drinken en een koek mee voor onderweg. Dit verblijf is als een hemel op aarde!
‘Steek een kaarsje voor me aan in Santiago,’ vraagt de gastvrouw me, en ik beloof het te doen. Wie weet hoeveel kaarsjes er de afgelopen jaren voor deze vrouw en haar vriendelijke man José zijn opgestoken. Ze hebben het goed samen en helpen al zovele jaren pelgrims. Het wachten is nog op hun heiligverklaring, die er waarschijnlijk nooit zal komen.
Het is nog stil op de camino. Na anderhalf uur bereik ik, zonder een andere pelgrim te zijn tegengekomen, Azofra waar me een kop koffie wacht. Na de lange rustpauze volgt een urenlange afdaling door de uitgestrekte wijnvelden, waarbij ik op enige afstand een andere pelgrim volg. Na het rustige begin van deze dag, gaat het pad ’s middags abrupt over in een lange en steile klim zonder schaduw voor de ongemeen felle zon. Al snel heb ik mijn veldfles tot de laatste druppel leeggedronken.
Ik hoop nu snel een dorpje in zicht te krijgen, maar tevergeefs. Langzaam neemt het gevoel van eenzaamheid bezit van me, en ik word nu ook bang. Er is hier helemaal niemand te zien en het dringt tot me door dat dit niet echt een plek is voor een vrouw alleen. Als mensen kwaad in zin hebben, ben ik kansloos verloren. Ik probeer dit onbestendige gevoel weg te drukken, maar het lukt me niet.
Na uren te hebben gelopen, zonder water, zie ik tot mijn opluchting in de verte Santo Domingo de la Calzada liggen. Door het zicht op het stadje, verdwijnt mijn angst en ik verhoog mijn looptempo. Al met al is het toch nog dik een uur wandelen, en compleet uitgedroogd en moe wandel ik Domingo binnen via een klein industrieterrein. De hotels op mijn route zitten allemaal vol. Ondanks mijn belofte er nooit meer te slapen, is er geen andere mogelijkheid en stap ik toch een refugio binnen.
De eigenaar wijst me een bed aan in een slaapzaal met acht bedden. De andere gasten zijn drie Spanjaarden, een Fransman, twee Spaanse vrouwen. En dan is er dus nog één leeg bed.
Met een zak chips en een flesje mineraalwater die ik bij de receptie kocht, lig ik na het douchen in mijn bed bij te komen. Uit een boekenkast in de eetkamer heb ik een Engelstalig boek gepakt met de weinig aansprekende titel Our last day. Ik lees wel, maar het verhaal kan me niet echt boeien. Vanuit mijn ooghoek zie ik hem binnenkomen. Hij draagt een zonnehoed op zijn rug, heeft blonde krullen en heldere blauwe ogen. Met een wijds gebaar zet hij zijn houten wandelstok in de hoek en groet eerst alle anderen en tenslotte mij.
Ik laat mijn boek zakken en kijk hem aan. Hij heeft de meest heldere ogen die ik ooit heb gezien.
‘Hello, I’m Maurice from Holland.’
‘Eva’, zeg ik. ‘Ook uit Nederland.’
Maurice lacht en onze gezamenlijke geboortegrond schept meteen een band. Maar in werkelijkheid is er iets ongrijpbaars tussen ons waardoor ik me sterk tot hem voel aangetrokken. Het is een mysterieus gevoel van intens geladen energie. Maurice gooit zijn rugzak op bed en wurmt zijn toilettas eruit.
‘Ga je vanavond mee eten?’ vraagt hij ondertussen aan me.
‘Oké.’
Maurice verlaat de slaapzaal om zich te gaan wassen. Onrustig sla ik mijn boek dicht. Ik sta op en ga meteen weer liggen. Eva, doe niet zo idioot, vermaan ik mezelf. Uit mijn rugzak pak ik mijn toilettas. Ik wil er vanavond leuk uitzien. Ik trek een dun, vrolijk lichtgroen jurkje aan, dat gek genoeg tot nu toe elke saneringsslag in mijn rugzak heeft overleefd en weet nog ergens rode lippenstift vandaan te toveren.
Een uur later verlaten we samen, druk pratend, de refugio om Santo Domingo de la Calzada te bezichtigen. Uiteraard bezoeken we de kathedraal met het graf van de heilige Santo Domingo, naar wie deze plaats is vernoemd. Een gids vertelt het verhaal van deze opmerkelijke Spanjaard. Domingo begon als herder, maar zag het licht en stelde zijn leven in dienst van Christus. Hij begon pelgrims te helpen en bouwde een brug over de rivier de Rio Oja. Hij bood pelgrims niet alleen een doorgang, maar gaf ze ook te eten vanuit zijn eigen huis aan de rivier. Pal naast zijn huis werd halverwege de twaalfde eeuw een kathedraal gebouwd, waarin zijn graf werd ondergebracht.
Aan de buitenkant van de kerk hangt een enorme zonnewijzer die aangeeft dat het nog vroeg in de avond is. Met zijn vale spijkerbroek en zijn strakke lijf onder het
T-shirt van Levis ziet Maurice er meer dan aantrekkelijk uit.
Tijdens het eten vertelt Maurice dat hij bij een uitgeverij in Maastricht werkt en op pelgrimstocht is gegaan om na te denken over wat hij de rest van zijn leven wil doen. Hij heeft een zachte herkenbare lach, die hij vaak laat horen. Maar het meest kenmerkende aan Maurice is zijn zangerige stem en het is alsof hij de ‘zachte g’ hoogstpersoonlijk heeft uitgevonden.
‘Waarom loop jij deze tocht?’ vraagt Maurice, terwijl we op het oude dorpsplein genieten van tapas en hij mij nogmaals rosé bij schenkt.
‘Ik ben op zoek ben naar mezelf en naar antwoorden op levensvragen.’
‘En heb je de antwoorden al gevonden?’
Ik schud ontkennend mijn hoofd.
‘Het is alsof ik een zak met puzzelstukjes heb verzameld maar de puzzel nog niet kan leggen omdat het grotere beeld ontbreekt.’
‘Mooi gezegd.’ Maurice knikt bewonderend.
Glimlachend kijk ik hem aan. Een meegenomen wijsheid uit India.
‘Zou je het leuk vinden om morgen met me op te lopen?’ vraagt hij.
Innerlijk schreeuw ik om het hardst van ‘ja!’.
‘Tot nu toe liep ik altijd alleen,’ antwoord ik neutraal.
‘Jammer,’ zegt Maurice, zichtbaar teleurgesteld.
‘Maar ik wil het wel een dag proberen.’
Maurice z’n gezicht fleurt meteen op.
Om te klinken op de tocht van morgen bestellen we nog een fles rosé, en die avond lig ik pas om twaalf uur in bed. Het was heel gezellig en voor het eerst sinds lange tijd heb ik weer eens uitbundig gelachen.
Na het bijwerken van mijn dagboek lukt het me niet om de slaap te vatten, ondanks de glazen rosé. Het is erg warm in de zaal en de geluiden om me heen houden me wakker. Maar ditmaal is het niet erg. Ik denk glimlachend terug aan de boodschap van Jennifer in het pelgrimsboek.
Hoe is het mogelijk dat Maurice juist nu op mijn pad komt. En wel in een refugio, waarvan ik gezworen had om daar nooit meer te overnachten. Het is aan mij om hem los te laten of juist vast te houden. Welk van de twee wordt het?
Pas nadat ik de kerkklok drie uur heb horen slaan, val ik in slaap.
Dinsdag 11 oktober: van Santo Domingo de la Calzada naar Belorado
Ondanks de korte nacht ben ik al heel vroeg klaarwakker. De rosé van gisterenavond was blijkbaar van goede kwaliteit en niets wijst erop dat ik een kater heb.
Maurice staat zijn rugzak al in te pakken en wenst me glimlachend een goedemorgen. Tijdens het ontbijt spreken we de route van de dag door, terwijl de baas van de refugio door de eetzaal tegen de serveerster schreeuwt een beetje tempo te maken met het afruimen van de tafels.
Het was me al eerder opgevallen dat het woord 'klant-vriendelijkheid' in Spanje nog uitgevonden moet worden.
Om tien over half negen verlaten we de refugio. Samenlopen met Maurice is heel anders dan alleen. Ik heb minder aandacht voor de omgeving en richt me vooral op Maurice. We hebben alle tijd elkaar beter te leren kennen en Maurice blijkt een filosoof te zijn, die prachtig kan vertellen.
Al pratend lopen we kilometers lang langs de drukke provinciale weg, naast het voortrazende verkeer. Iedereen in deze wereld lijkt haast te hebben, behalve wij tweeën.
Ook Maurice heeft in zijn leven het nodige te verduren gehad. Zijn vader was gokverslaafd en bracht zijn gezin financieel naar de afgrond. Hij is vorig jaar overleden, waar Maurice het erg moeilijk mee heeft. We verlaten het pad langs de provinciale weg en passeren een bos met eucalyptussen. Midden op het bospad in de eindeloze stilte trekt Maurice mij ineens naar zich toe. Gewillig laat ik hem begaan. We kussen elkaar innig met gesloten ogen, zacht en vol vuur. De tijd komt tot stilstand en mijn hart vult zich met licht en energie.
Terwijl we verder wandelen, lijken we beiden te weten dat we elkaar nooit meer los zullen laten. Echte liefde bloeit soms op in een fractie van een seconde. Het is haast onvoorstelbaar dat dit geluk mij ten deel valt.
Vanaf Redecilla del Campo loopt er een speciaal aangelegd pelgrimspad naar het volgende dorpje. Het is warm en bij de dorpspomp vullen we onze veldflessen. Na bijna vijf uur lopen, af en toe onderbroken door een korte pauze, bereiken Villamayor del Rio. Het is twee uur in de middag en nog maar een paar kilometer tot onze eindbestemming Belorado.
Als we in Belorado aankomen, is het er uitgestorven. Het is tijd voor de siësta en alle winkels zijn dicht. Aan de rand van het dorp staat de prachtige romaanse kerk met op het dak twee ooievaarsnesten.
We besluiten een kamer te nemen in een klein hotelletje in het centrum van het stadje. Onze rugzakken en wandelstokken zetten we in de hoek van de kamer neer, waarna we op bed ploffen. Daar vrijen we, hartstochtelijk en teder tegelijk. Ik proef het zout van Maurice’s huid. Geen enkele vrijpartij tot nu toe weegt op tegen deze ervaring. Ik waag het niet dit gevoel te beschrijven.
Na het vrijen lig ik naakt in Maurice’s armen en val in slaap. Dit gevoel van vrede, rust en onbegrensde liefde wil ik nooit meer kwijt.
Rond zes uur bezoeken we Belorado en we halen een stempel bij de plaatselijke pelgrimspost. Mijn boekje raakt al aardig vol. De winkels, de bars en de kerk zijn nu open en de mensen komen in het centrum hun boodschappen doen. Rond zeven uur zijn alle dorpsbewoners op straat of op het plein. Gezinnen met kinderen en kleinkinderen ontmoeten elkaar, en ook de grootouders zijn van de partij. Zo leven de Spanjaarden in hun eigen tempo, met een eigen levensstijl.
Het is alsof ik van een zware tocht in een vakantieroes terecht ben gekomen, compleet met een vakantieliefde. Hoe snel kan een mensenleven veranderen? Het is dezelfde pelgrimstocht, maar met een andere kleur.
Woensdag 12 oktober: van Belorado naar San Juan de Ortega
Er staat vandaag een lange etappe op het programma en daarom zijn we zonder ontbijt op pad gegaan. Na de heerlijke vrijpartij heb ik vannacht prima geslapen. De eerste kilometers zweef ik bijna over de camino. De vroege ochtendzon is al krachtig en ook vandaag belooft het weer een warme dag te worden.
Het kronkelende verharde pad loopt langs de velden omhoog tot aan een slaperig dorpje, waar we een kleine refugio vinden. We bestellen er koffie en een ontbijt dat uit brood, jam en een hard gekookt eitje bestaat.
‘Je bent een mooie en bijzondere vrouw, Eva,’ zegt Maurice als we aan een tafeltje zitten.
Hij pakt mijn handen vast en ik kijk hem recht in zijn peilloos diepblauwe ogen.
‘Jij bent ook heel bijzonder,’ antwoord ik.
Het lijkt klef, maar ik meen het oprecht, verdoofd door de liefde.
Met deze woorden is onze verbinding bezegeld. Zonder dat we het echt uitspreken, zijn we nu een stel.
Na het ontbijt passeren we eerst een imposant klooster. Lange tijd volgen we een kronkelig stijl pad tot aan het plaatsje Tosantos. Anders dan gisteren zijn Maurice en ik allebei in gedachten verzonken. Maar juist in deze stilte zeggen we zo veel.
Na de lunch volgt een lange en steile klim naar een plateau met kleine groepen bomen, afgewisseld met heidevelden. Op een omgevallen boomstronk genieten we van het prachtige uitzicht op de berg Monte del Oca.
Helemaal op de top is al sneeuw te zien die schitterend afsteekt tegen de blauwe lucht. Intens gelukkig neem ik me voor om Maurice nooit meer te laten gaan.
Pas om vijf uur komen we aan in San Juan de Ortega, dat uit een paar huizen en een kerk bestaat. De nabijgelegen refugio biedt plaats aan tachtig personen. We krijgen elk een plek op een ander stapelbed toegewezen, ver uit elkaar, maar er is in dit gehucht geen alternatief.
In de romaanse kerk zijn onder het Mariabeeld zwarte gaten op de muur geschilderd waarvan wordt verteld dat je ziel er na je dood heengaat als je de pelgrimstocht naar Santiago de Compostella niet volbrengt. Het is weer zo’n prachtige pelgrimsmythe. Ik hoop in ieder geval dat mijn ziel na de dood ergens anders heen gaat dan naar deze kerk in dit kleine saaie Spaanse dorpje.
Die nacht vind ik het in de volle en rumoerige slaapzaal moeilijk om in slaap te komen. Mijn verlangen naar Maurice die dichtbij is maar tegelijk heel ver weg lijkt, is bijna onthoudbaar.
Donderdag 13 oktober: van Juan de Ortega naar Burgos
Ook vandaag gingen we weer zonder ontbijt vroeg op pad om zo de overvolle en benauwende refugio te ontvluchten. Hier buiten in de frisse lucht kunnen we tenminste weer vrij ademhalen.
‘Vannacht heb ik zo prachtig gedroomd over Oosten-rijk. Het was alsof ik in het oude Wenen was,’ zegt Maurice, nadat we op weg zijn gegaan.
Ik kijk hem met gefronste wenkbrauwen aan.
‘Wat wil je hiermee zeggen?’
‘Eigenlijk niets. Misschien pik ik de dromen van pelgrims op die voor mij in hetzelfde bed sliepen. Hun achtergebleven energie verwerk ik dan in mijn eigen dromen.’
De afgelopen dagen heb ik gemerkt dat Maurice niet alleen van filosoferen houdt, maar ook spiritueel is aangelegd. Persoonlijk heb ik daar minder mee, al kijk ik er na mijn verblijf in India wel anders tegenaan. Onze menselijke fantasie is onbegrensd en veel daarvan vormt de basis voor zogenaamde spirituele ervaringen. Onze geest is in staat om onze realiteit te manipuleren, en veel mensen noemen dit spiritualiteit.
Toch heb ik aan de andere kant ook ervaren dat Shri Mahashja mijn gedachten letterlijk kon lezen. Maar enfin, Maurice is vrij om te denken en te filosoferen wat en waarover hij wil. Dat maakt hem ook zo aantrekkelijk. Hij vraagt zich heel bewust van alles af en probeert het onverklaarbare te verklaren. Voor mij is hij daarom zo’n spannende en inspirerende man. Glimlachend constateer ik dat mijn liefde voor deze bijzondere reisgenoot met het uur groeit.
Vandaag lopen we door de meest saaie omgeving tot nu toe. We komen maar weinig plaatsjes tegen en de vlakte is uitgestrekt, kaal en dor. Onze hoeden beschermen ons tegen de ongemeen felle zon. In het gehucht Atapuerca stillen we in een klein barretje onze ergste honger met een Spaanse omelet.
De route gaat verder over de kale vlakte die zich uitstrekt tot aan de horizon. We komen ’s middags weinig andere pelgrims tegen, maar wij hebben gelukkig elkaar.
Het fijne van Maurice is dat hij ook lange tijd stil kan zijn. Ik voel me verbonden met de natuur, de elementen en mijn eigen gedachten, maar op de achtergrond voel ik de onzichtbare liefdesband tussen Maurice en mij. Wat een geluk dat juist hij mijn pad kruiste.
Rond vier uur wandelen we door de Mariapoort Burgos binnen, een fantastische stad met een enorme indruk-wekkende Gotische kathedraal. Nadat we eerst op een terras onze dorst hebben gelest, gaan we naar binnen om te genieten van de gebrandschilderde ramen, maar vooral van de koelte in de kerk. Ook hier steek ik een kaarsje aan voor mijn moeder, dat ik voor het Christusbeeld zet.
De kathedraal is gebouwd in de twaalfde eeuw. Steeds meer realiseer ik me wat een fantastisch cultureel rijk Europa eigenlijk is.
Net achter de kathedraal blijkt een klooster te staan van een karmelietenorde. We kloppen er aan voor een overnachting. De broeder die opendoet, weigert ons de toegang als blijkt dat wij beiden een slaapplaats zoeken. Vrouwen zijn niet toegestaan binnen deze orde, maakt hij ons duidelijk. Het opgelegde celibataire leven maakt deze Gods dienaar op z’n minst vrouwonvriendelijk en het beeld van de vrouw als notoire verleidster, als in het verhaal van Adam en Eva, lijkt hier nog springlevend te zijn. En laat mijn naam dan ook nog Eva zijn.
Gelukkig vinden we een tweepersoonskamer in een heel klein en eenvoudig hotel in het centrum van Burgos. Zodra we de kamer binnenkomen, duiken we het bed in.
In de armen van Maurice voel ik me oprecht en diep gelukkig. Door hem bruist mijn lichaam van energie. Wat ware liefde wel niet met een mens kan doen. Misschien is dit gevoel het vinden van het kind in mij, waar Paula in haar afscheidsbriefje over schreef. Het is bijzonder te ervaren hoe alles als puzzelstukjes in elkaar lijkt te vallen.
Voor we die avond gaan eten, wassen we onze kleren en hangen ze in de warme kamer te drogen. In dit klimaat zal alles morgenvroeg voor ons vertrek zeker droog zijn.
Vrijdag 14 oktober: van Burgos naar Castrojeríz
Na een rustige nacht lopen we door de saaie buitenwijken en over het industrieterrein van Burgos. Het lijkt me deprimerend om hier te moeten wonen of werken. Ineens dringt het tot mij door wat een bevoorrecht mens ik eigenlijk ben dat ik hier vrij rond kan lopen. Hoeveel mensen moeten niet dag in, dag uit keihard werken om het hoofd boven water te houden. Ondanks de deprimerende
omgeving ben ik in een optimistische stemming. Gelukkig maakt de stad snel plaats voor de natuur.
Het landschap op dit gedeelte van de camino is ruig, dor en desolaat. Dit is een omgeving om al je kwalijke gedachten voorgoed achter te laten. Langzamerhand raakt mijn hoofd leeg en elke boosheid over vroegere gebeurtenissen vloeit weg uit mijn lichaam. De behoefte om te praten en na te denken verdwijnt en maakt plaats voor het oneindige niets. Zo lopen we urenlang in een gestaag tempo door de leegte en het is alsof de klok stopt met tikken en mijn leven tot stilstand komt. Stap voor stap en meter voor meter wandelen wij, zonder na te denken. Gek genoeg voel ik me intens gelukkig op deze desolate vlakte en lijkt het alsof een zware last van me is afgevallen. Ook Maurice is in gedachten verzonken en loopt op dezelfde rustige manier een paar passen voor mij uit. Deze pelgrimage is met niets in de wereld te vergelijken. Enerzijds wordt je teruggeworpen op jezelf, maar tegelijkertijd ontmoet je de meest bijzondere mensen, en in mijn geval zelfs de liefde van mijn leven. Hoe mooi kan het zijn?
Aan alles komt een einde, zo ook aan deze schijnbaar eindeloze vlakte. Na uren lopen, met lege veldflessen, komen we aan op de verharde weg naar het plaatsje San Antón, waar in de restanten van een oud kasteel een provisorische refugio is gevestigd. We bestellen twee flessen bronwater die we helemaal leegdrinken, waarna de eigenaar brood met omelet brengt. Pas na meer dan een uur binden we onze rugzakken weer om. Doordat ik gewend ben geraakt aan de rugzak, die inmiddels dus een stuk lichter is, voel ik het gewicht ervan onder het lopen nauwelijks. Het is volgens de routekaart toch nog ruim drie uur lopen naar onze volgende slaapplaats.
Laat in de middag bereiken we het dorp Castrojeriz aan de voet van een heuvel, met op de top de oude ruïne van een ooit machtige burcht. Het blijkt dat ze in de bar die we aandoen ook kamers verhuren en we gaan gretig op het aanbod in. We zijn allebei moe na de zware etappe, en zonder veel te zeggen eten we tapas in de bar beneden. Onze tocht door de desolate vlakte heeft me innerlijke rust gegeven, en mijn hoofd leeg gemaakt.
We liggen al vroeg in bed, en hoewel het behoorlijk warm is in de kamer, kruip ik tegen Maurice aan. Wat is er mooier in deze wereld dan menselijke warmte?
Zaterdag 15 oktober: van Castrojeríz naar Frómista
Vandaag ben ik precies twee weken onderweg en ongeveer op de helft van mijn pelgrimage. Een tocht die me al zo veel heeft geleerd en me in de armen van mijn grote liefde heeft gedreven. Na het ontbijt in de bar, met de klanken van een onvervalst Portugees fadonummer, is het heerlijk om aan een nieuwe wandeldag te beginnen.
Direct nadat we de dorpsgrens passeren, is het weer flink stijgen geblazen. De kronkelweg gaat steil omhoog en ik heb mijn wandelstok meer dan nodig.
Het kleine plateau is groen en staat vol eucalyptusbomen en bijzonder gevormde struiken die ik niet thuis kan brengen. We dalen af naar een kale vlakte die tot in het oneindige lijkt door te gaan. De temperatuur stijgt snel en onze veldflessen raken in rap tempo leeg. De stilte en het gevoel van oneindigheid nemen weer bezit van me.
Halverwege de vlakte stuiten we op een rustplaats met een waterpomp. Met hulp van Maurice vul ik de veldflessen en was mijn gezicht. De picknickplaats met enkele bomen is slechts een onderbreking in hoogvlakte die zich ver uitstrekt. Urenlang wandelen we in een gestaag tempo achter elkaar over het plateau. Er wordt niets gezegd, dat mij de tijd geeft over de relatie met mijn vader te denken. Zijn teleurstelling is goed te begrijpen. Hij heeft werkelijk alles opzij gezet om onze studies te bekostigen en hij ziet tot zijn frustratie dat ik mijn carrière niet op de eerste plaats zet. Voor hem bestaat er geen zoektocht naar de essentie van het leven, alleen een onbegrensde drang om te overleven. Zo heeft hij het nu eenmaal geleerd en hij zal het altijd zo blijven doen. Hij heeft het leven geleid van iemand die, wellicht mede door het vroege overlijden van mijn moeder, niet toekomt aan de essentiële vragen van dit leven, en is blijven steken in zijn werk.
We zijn al zes uur onderweg als we aankomen in Boadille del Camino, waar we in een kleine herberg wat eten. Door het lange wandelen zijn we hongerig, en we bestellen baldadig een fles koude rosé. Een stuk vrolijker vervolgen we ’s middags onze route langs het Canal de Castilla om rond half vijf Fromista te bereiken, waar we direct op zoek gaan naar een tweepersoonskamer. De hotelier is een aardige Spanjaard die zich voorstelt als Piedro en ons honderduit vraagt over de camino. We zijn moe maar beantwoorden uit beleefdheid de vele vragen terwijl hij ons uitnodigt om een glas wijn met hem te drinken. Hoewel het nooit de bedoeling kan zijn om veel drank te nuttigen tijdens deze pelgrimstocht, laat ik mijn glas wederom volschenken met een mooie Rioja. Jezus deelde tenslotte bij het avondmaal ook wijn uit, houd ik mezelf voor. Zo slecht kan het dus niet zijn.
Piedro blijkt nooit zelf de camino te hebben gelopen. De tijd daarvoor heeft hem tot nu toe ontbroken, vertelt hij. Hij wil alles weten over onze tocht. Op deze manier probeert hij deel uit te maken van een pelgrimage die hij zelf waarschijnlijk nooit zal doen.
Die avond kom ik over Maurice te weten dat zijn dominante vader hem vroeger sloeg. Niet zelden liep Maurice als kleine jongen met kranten in zijn broek om zich te beschermen tegen de harde klappen van zijn driftige vader die zijn eigen frustraties op zijn kinderen botvierde. De dieperliggende reden voor zijn pelgrimage is dat hij los wil komen van de haat die hij tegen zijn vader heeft opgebouwd.
Zijn aangrijpende verhaal relativeert de problemen met mijn eigen vader. Voor het slapen gaan bedrijven we de liefde als nooit tevoren. In onze hartstocht voor elkaar zakken we door het gammele bed. We komen niet meer bij van het lachen. Piedro moet de klap zeker hebben gehoord, maar reageert niet. Maurice repareert provisorisch het bed, en niet veel later val ik in zijn armen in slaap.
Zondag 16 oktober: van Frómista naar Carrión de los Condes
Hoewel we vandaag een lange etappe voor de boeg hebben, bezoeken we eerst een dienst in de Sint Martin kerk.
Ik versta weinig van wat de pastoor zegt, maar de sfeer is devoot en ik bedenk dat ik de pelgrimage niet kan beëindigen zonder een paar kerkdiensten te hebben bijgewoond. In de kerk, die vol zit met dorpsbewoners, moeten wij wel opvallen. Meer dan eens voel ik de spiedende blikken van de andere kerkgangers op ons gericht.
Na het einde van de dienst schuifelt een in het zwart geklede oude vrouw naar ons toe en stopt mij een biljet van vijftig peseta’s in handen. Ze loopt zo krom dat ze bijna dreigt om te vallen.
‘Kaarsje voor in Santiago,’ mompelt ze in gebrekkig Engels.
Glimlachend kijk ik haar aan en stop het geld in het zijvakje van mijn rugzak. Het is tijd om te vertrekken. Vandaag gaat de zon schuil achter een dunne laag bewolking, zodat het minder warm is dan de afgelopen dagen. Het pad loopt paralel aan de provinciale weg tot Villarmentero de Campos met haar opvallende, enorme duiventillen. Onderweg komen we twee herders tegen met hun kudde schapen. Wat in Nederland de afgelopen vijftig jaar is verdwenen, is hier in Spanje nog altijd de dagelijkse praktijk.
Bij de waterpomp op het dorpsplein vullen we onze waterflessen. Net achter het dorpje gaat de route urenlang langs een saaie smalle asfaltweg, waar zo nu en dan een auto langs zoeft.
Op deze eindeloos durende weg, besef ik dat mensen vaak leven alsof ze tijd tekortkomen. Hoeveel mensen laten zich niet leiden door de jacht naar welvaart en bezit? En wat bereiken ze ermee? Eerder stress en een maagzweer dan intens geluk. Natuurlijk is er ook een andere manier: een bewuster leven waarin je als mens kunt genieten van de tijd die je gegeven is. Tijdens deze pelgrimstocht ervaar ik dat ik leef! Soms geselt de regen mijn gezicht en doen al mijn spieren pijn, maar het gevoel dat ik leef doordringt de diepste vezels van mijn lichaam.
Ik denk aan het begrip kwaliteitstijd, waar Maurice gisteren zo vol vuur over had gesproken: de tijd dat je werkelijk bewust en gelukkig leeft, zonder stress of haast. In de periode bij de bank liep ik wel rond op deze aardbol maar, op een paar momenten na misschien, leefde ik niet werkelijk.
Als we die middag laat in Carrión de los Condes aankomen, vinden we een slaapplaats in een klooster met oude Moorse invloeden. We krijgen elk een aparte cel toegewezen en eten ’s avonds met de broeders aan lange houten tafels.
In deze kloosterorde is het geoorloofd om onder het eten te praten, wat ook volop gebeurd. Naast me zit een jonge monnik met de mooie naam Noél. We raken in gesprek en hij blijkt uitstekend Engels te spreken.
‘Waarom loop je naar Santiago?’ vraagt Noél.
‘Om mezelf te leren kennen en de waarheid van het leven te achterhalen.’
‘Mooi streven,’ zegt Noél met een glimlach. ‘En heb je de waarheid al gevonden?’
Teleurgesteld schud ik mijn hoofd.
‘Helaas nog niet. Het geheim van het leven is in nevelen gehuld en geeft zich niet zomaar bloot.’
Noél knikt even en eet in gedachten verzonken verder. Zo blijven we zeker een kwartier zwijgzaam naast elkaar zitten.
‘Ik mis mijn moeder,’ zeg ik ineens tegen hem. Waarom ik deze ontboezeming juist tegenover deze jonge monnik doe, weet ik niet, maar de woorden zijn er al uit.
Noél kijkt op en stopt met kauwen.
‘Is je moeder overleden?’
Ik zucht diep en knik.
‘Toen ik zeven jaar was.’
‘Steek een kaarsje voor haar op in Santiago,’ zegt Noél. ‘Ze is vanuit een andere dimensie bij je en ze leidt je. Ik kan haar zelfs in deze eetzaal voelen.’
Er valt een stilte terwijl ik aan haar denk. Mijn herinnering aan haar is vervaagd en alleen de foto’s heb ik nog.
Hoe oud zou ze nu geweest zijn? Tegen de zestig, net als mijn vader.
‘Leeft je vader nog?’ vraagt Noél.
Ik knik.
‘Hij is een harde man die vastzit in het web van zijn gedachten, en zich alleen druk lijkt te maken over mijn carrière. Ons contact is niet meer wat het vroeger is geweest.’
Noél knikt bedachtzaam, maar zegt verder niets.
‘Ik heb mijn vader teleurgesteld.’
‘Hoe dan?’
‘Door mijn carrière bij een bank op te geven. Alles heeft hij opgeofferd om mij te laten studeren zodat ik de kansen kon krijgen die hij nooit heeft gehad. In zijn overtuiging ga ik niet goed om met de mogelijkheden die ik heb gekregen.’
‘Hij handelt uit liefde,’ zegt Noél zacht.
‘Je kent mijn vader niet,’ reageer ik vinnig.
Waarom vertel ik dit allemaal aan een onbekende monnik. Het is alsof mijn diepste zelf mij dwingt om te praten. Ik probeer de daarbij behorende emoties weg te slikken, maar helaas. Er is geen houden meer aan en ik begin, tot schrik van Maurice, te snikken.
‘Sorry,’ zeg ik, en ik loop snel de eetzaal uit. In
het toilet neem ik een slok water en veeg mijn tranen weg. Het
gevoel dat mijn moeder hier bij me is, werd me even teveel.
Na een paar keer diep ademhalen, loop ik de eetzaal weer in en neem
plaats naast Noél. Hij wendt zich tot mij.
‘Wees niet wreed tegenover jezelf en pijnig jezelf niet,’ zegt hij, met een wijsheid die niet bij zijn leeftijd past. ‘Accepteer de liefde en heb vertrouwen in het leven.
Je bent een mooie en bijzondere vrouw met een goed hart.
Na het eten vertrekt Noél zonder verder nog iets te zeggen, en hij laat zich niet meer zien. Maar zijn woorden hebben me dermate diep geraakt dat ik de slaap niet kan vatten. In de kleine slaapcel kniel ik op deze bijzondere avond op de stenen grond en bid voor hulp. Eindelijk durf ik om hulp te vragen. Het lucht op en is een volgende stap in mijn persoonlijke ontwikkeling. Met deze wetenschap val ik uiteindelijk in slaap.
Maandag 17 oktober: van Carrión de los Condes naar Sahagún
Ook vandaag belooft het weer een warme dag te worden en de etappe begint met een kilometerslange geasfalteerde weg door wederom een vlakke, saaie omgeving. Het is alsof de Hogere Machten mij in deze omgeving dwingen diep over mezelf na te denken. Zonder veel te zeggen, lopen we tot Calzadilla de la Cueza, waar we bij de dorpspomp onze dorst lessen. Stiekem kijk ik naar Maurice, terwijl hij zijn veldfles vult. Er geen betere manier om je partner te leren kennen dan tijdens een pelgrimstocht als deze. Hier is het niet mogelijk om dagenlang, 24 uur per dag, de schijn op te houden. Maurice is introverter dan hij op het eerste gezicht lijkt, maar dat geeft hem ook juist charme en vormt tegenwicht voor iemand met het hart op de tong, zoals ik.
Met volle waterflessen lopen we urenlang pal naast de autoweg tot Ledigos, waar we lunchen. Helaas geen mooie, inspirerende natuur op dit deel van de camino. Het is een stevige wandeling, en ik vergeet gaandeweg mijn emotionele uitbarsting van gisterenavond. Het vinden van mijn ware zelf vraagt om het toelaten van kwetsbaarheid en het openstellen voor mijn diepste emoties. Onder de lunch vertelt Maurice uitgebreid over zijn wens om een grote uitgeverij te beginnen en worden mijn ronddolende levensvragen gelukkig even met rust gelaten.
Het gehucht Terradillos de los Templarios bestaat uit een uitgebouwde boerenhoeve, en wat huizen die van leem en stro zijn gemaakt. Volgens de overlevering behoorde Terradillos ooit toe aan de Tempeliers. Hier treffen we een pelgrim uit Nederland die de tocht in haar eentje maakt. Ze stelt zich voor als Nancy. Deze dertigjarige vrouw loopt de camino al voor de derde keer. Ze is tenger gebouwd en kwettert enthousiast aan één stuk door. Die middag trekken we gezamenlijk op en het doet me goed om lekker ongegeneerd te kunnen kletsen. Giechelend en pratend lopen we kilometer na kilometer terwijl de tijd lijkt te vliegen. Maurice probeert zich aan de meligheid te onttrekken en loopt een paar passen vooruit.
Iedere pelgrim hoopt op bijzondere ontmoetingen tijdens zijn tocht, en voor mij is Nancy er één van. Het is net alsof ik haar al jaren ken.
Pas laat in de middag bereiken we met z’n drieën onze eindbestemming Sahagún, waar Nancy ons weet over te halen om in de plaatselijke refugio te overnachten.
In de hoop daardoor beter te kunnen slapen, drink ik die avond meer wijn dan goed voor me is. We zitten na het eten met tien pelgrims aan tafel en lachen uitbundig. We lijken vanavond meer een groep op hol geslagen studenten dan pelgrims op hun introspectieve zoektocht, zoals het eigenlijk zou moeten zijn. Nancy blijkt een echte sfeermaakster en ook Maurice komt, geholpen door de lekkere Rioja, helemaal los. Laat op de avond klimt hij op tafel om een Limburgse serenade voor mij te zingen. Pas rond half één maakt de eigenaar gedecideerd een einde aan het feest en vind ik waggelend mijn stapelbed, waarin ik gelukkig onderin slaap. Een paar pelgrims die al eerder zijn gaan slapen, roepen boos dat we stil moeten zijn.
Maurice weet ik met zachte dwang in zijn eigen bed te krijgen en zelf val ik ten slotte in een peilloos diepe slaap.
Dinsdag 18 oktober: van Sahagún naar El Burgo Ranero
Voor het eerst heb ik goed geslapen in een refugio, maar mijn tong lijkt wel een zemen lap en mijn hoofd bonkt onophoudelijk. Na het ontbijt en de voorbereiding voor de route van vandaag, lopen we richting Marcilly en Epiry. Nancy sliep nog, dus die hebben we achtergelaten.
Het miezert en de hoofdpijn maakt mijn humeur er niet beter op. Het weer geeft de omgeving een grauwe kleur, en veel huizen die we onderweg tegenkomen zijn verlaten en vervallen. Een deprimerend start van de dag, mag je wel zeggen.
We lopen over een grindpad langs de verharde weg tot Bercianos del Real Camino. Maurice gaat voorop en ik loop pal achter hem, kilometer na kilometer, drie uur lang, zonder dat we veel tegen elkaar zeggen. Langzaam verdwijnt door de fysieke inspanning de resterende alcohol uit mijn bloed.
Het pelgrimsleven begint een way of life voor me te worden met de onvoorspelbaarheid en onverwachte ontmoetingen die erbij horen. Elke ochtend vraag ik mezelf verlangend en nieuwsgierig af wat de dag zal brengen.
In de middag wandelen we in de richting van El Burgo Ranero. Ergens langs het pad stuiten we op een groot wit bermkruis met pelgrimskeien op een hoop. We stoppen en lezen de tekst op het kruis.
Lieve Gunther,
Hier eindigde jouw reis.
Maar je blijft voor eeuwig in ons hart.
Gunther moet een pelgrim zijn geweest die op deze plek in de desolate omgeving het leven liet. We zetten onze hoeden af en gedenken respectvol de onbekende Gunther. Hoeveel pelgrims zouden hem hier een groet hebben gebracht? Dat moeten er vele zijn geweest.
Terwijl we verder lopen, krijg ik Gunther maar niet uit mijn hoofd. Wat is de dood eigenlijk precies? De mens is het enige wezen op aarde dat zich bewust is van het feit dat hij ooit sterft, en juist dat gegeven geeft ons een belangrijke voorsprong op dieren. De naderende dood speelt, vaak onbewust, een rol in ons leven. Het is de grote motivatie om te komen tot ongekende successen en prestaties, want iedereen wil iets achterlaten in zijn leven. Maar tegelijkertijd is de dood een grote bron van angst. De mens probeert, zwak als hij is, de grote zekerheid van de dood te verdoezelen. Met potten antirimpelcrème binden we de strijd aan met de voortschrijdende ouderdom en als we geliefden om ons heen zien wegvallen, vermijden we liever de confrontatie. Hoe zwaar moet het voor mijn moeder niet zijn geweest toen er kanker bij haar werd geconstateerd en zij wist dat ze zou overlijden, met achterlating van haar twee jonge dochters.
Hoe onwerkelijk hard kan het leven toeslaan? En toch is magere Hein onvermijdelijk ook de beste metgezel van de mens, want juist de dood geeft zin aan het leven. Dat is de andere kant van de medaille. Maar om die kracht te ontdekken, moet je de dood met al zijn schrikbeelden en angsten onder ogen durven zien. Het leven en de dood spelen met ons, en wij hebben geen andere keuze dan het spel mee te spelen. Gunther kan daarover meepraten.
Hij is de reis naar Santiago hoogstwaarschijnlijk niet begonnen met het idee om voor de eeuwigheid in een graf naast de camino te liggen, en toch is dat de harde realiteit.
In El Burgo Ranero boeken we in een hotel een tweepersoonskamer. Nadat ik wat kleren heb gewassen en te drogen heb gehangen, lopen we naar het dorpsplein waar ondanks de regen wederom een mooie fles koude rosé op tafel komt. Gunther is dan al lang weer vergeten. Life must go on!
Woensdag 19 oktober: van El Burgo Ranero naar Mansilla de las Mulas
Vanochtend beginnen we met een rustig ontbijt in de achtertuin van het hotel. De regen is verdwenen en de opkomende zon straalt aan de strakblauwe hemel zodat het een warme dag belooft te worden. Er fluit een prachtig klein vogeltje op de patio waarvan ik de naam niet ken, terwijl wij genieten van zelfgebakken brood en koffie.
Als je niet beter wist, zou je denken dat we op vakantie zijn. We praten gezellig met elkaar en ik voel me helemaal op mijn gemak bij Maurice. Wat is dit anders dan de stille ontbijtochtenden thuis in Amsterdam.
Pas rond negen uur vertrekken we en passeren we eerst de met geelrode leem bedekte kerktoren, met bovenin wederom ooievaarsnesten. De saaie omgeving heeft plaatsgemaakt voor langgerekte groene heuvels met wijngaarden.
In de verte kruist een grote kudde schapen de camino, compleet met herder en hond.
Vandaag lopen we de lichtste etappe tot nu toe, en om twee uur al passeren we de stenen brug die naar het centrum van het stadje Mansilla de las Mulas leidt. Het kleine middeleeuws aandoende stadje heeft een gezellige oude kern met twee kerken. Een refugio is de enige slaapgelegenheid, waar we ons met tegenzin inschrijven. Er zijn twee slaapzalen met elk acht stapelbedden, maar er is wel een heuse douche met warm water. Daar maken we dankbaar gebruik van door stiekem samen te douchen. Opgefrist en goedgehumeurd zitten we een half uur later beneden als enige gasten aan de bar.
Terwijl Maurice vertelt over zijn vrienden, kijk ik naar hem. Hij is mijn grote liefde en bij hem kan ik mezelf zijn. Het is een liefde die niet meer stopt en die groeit met de tijd. Elke dag wordt onze liefde een stukje groter.
Een groepje jonge Spaanse pelgrims komt de bar binnengelopen. Ze vragen ons of we meegaan om slakken te zoeken voor het avondeten. Nieuwsgierig stemmen we met hun voorstel in. Zo eten we die avond escargots met knoflook, en met een goed glas wijn spoelen we de slakken weg. Vroeger had ik er niet aan moeten denken, maar hier laat ik de gekookte slakken smakelijk naar binnenglijden. We wisselen ervaringen uit en lachen veel. Tijdens mijn pelgrimage heb ik het gevoel dat ik intens en bewust leef. Dit eenvoudige leven is voor mij alleen met het woord geluk te typeren en het doet me op een bepaalde manier terugdenken aan India.
In mijn bed werk ik mijn dagboek bij voordat ik ga slapen. Gelukkig weet een oudere pelgrim in het naburige bed mij deze nacht wakker te houden met zijn onophoudelijke gesnurk, anders zou alles volmaakt zijn geweest.
Donderdag 20 oktober: van Mansilla de las Mulas naar León
Vandaag staat een zware tocht op het programma, naar León. Maar wat is zwaar als je verliefd bent? Ik lijk te zweven boven de camino. Na al die tijd voel ik nauwelijks nog het gewicht van mijn rugzak alsof die een onderdeel van mezelf is geworden. Ook Maurice heeft goede zin, en het helpt dat het niet al te heet is. We praten honderduit en zo leggen we ongemerkt veel kilometers af. Onderweg komen we een luid zingend ouder echtpaar tegen.
Ze blijken uit Londen afkomstig te zijn en hun pelgrimage in Chartres in Frankrijk te zijn gestart. Als we hen vragen waarom ze luidkeels christelijke liederen zingen, blijkt hoe diep religieus ze zijn. Voor hen is het christendom de waarheid waarnaar geleefd dient te worden en ze zijn zich erg bewust van het belang van hun tocht. Vele kerkvaders kunnen nog wat leren van zo’n instelling, als je het mij vraagt. Zingend vervolgen zij hun weg als onze wegen weer scheiden. Het zijn bijzondere mensen die me aan het denken zetten. Mijn zoektocht naar de essentie van het leven is verworden tot een vakantie, compleet met wijn, lekker eten en een vakantieliefde. Ben ik de diepere betekenis van mijn tocht ergens onderweg verloren?
Ik bespreek mijn zorgen met Maurice, die mijn bezwaren wegwuift. Toch blijft het zingende Engelse echtpaar door mijn hoofd malen terwijl we een indrukwekkende Romeinse brug bij Puente de Villarente passeren, waar we besluiten even te rusten.
Om vier uur wandelen we León binnen, met haar prachtige huizen en gebouwen. We lopen door naar het oude centrum waar een werkelijk prachtige kathedraal staat. De twee machtige torens wijzen triomfantelijk naar de bewolkte hemel. Op mijn verzoek bezoeken we eerst de kathedraal. De ingang is prachtig versierd met grote jakobsschelpen, en in de kathedraal is juist een mis bezig met galmend Gregoriaans gezang.
We gaan achter in de kathedraal op een houten
kerkbank zitten, waar naast ons op de muur een Engelstalige tekst
is gegraveerd:
Gelukkig de barmhartigen,
want zij zullen barmhartigheid ondervinden.
Gelukkig wie zuiver van hart zijn,
want zij zullen God zien.
Deze tekst raakt me. Onwillekeurig denk ik weer aan het zingende Engelse echtpaar en ik vraag me af hoe zuiver mijn eigen hart is. Het is moeilijk om eerlijk naar jezelf in de spiegel te kijken. Ben ik niet simpelweg enkel bezig om mijn eigen ego elke dag weer op te poetsen? Mijn grote doel om de waarheid van het leven te achterhalen is naar de achtergrond geschoven en heeft plaatsgemaakt voor plezier en de liefde. Het begon met zuivere intenties, maar wat heb ik bereikt? Na de reis in India en hier in Spanje weet ik nog steeds niet wie ik precies ben en wat ik hier te doen heb. Het leven is voor mij gewoon niet te begrijpen en te vatten.
Waarom moeten kinderen, soms niet veel ouder dan vier jaar, sterven? Waarom moet een jong meisje van zeven jaar zonder moeder opgroeien en waarom doen mensen elkaar de meest gruwelijke dingen aan? Waarom heeft het ene mens geluk en heeft een ander een voortdurende stroom van pech in zijn leven? Bestaat er wel een God, en waarom kan hij zijn macht niet inzetten om gewoon iedereen gelukkig te maken?
Onder het prachtige gezang kwellen deze vragen mij, terwijl ik geen enkel bevredigend antwoord kan bedenken. Maurice stoot me aan omdat hij verder wil.
Ik knik en sta op. ‘God, help me de antwoorden te vinden,’ schiet het door mijn hoofd als we de kathedraal verlaten.
We boeken een kamer in Hostal las Delicias, waar we een badkamer hebben met een heus bad. Onder het eten ben ik stil, terwijl de levensvragen mijn gedachten beheersen. Maurice begrijpt mijn stemming en sluit zich aan door niet te veel te zeggen. Na het eten vind ik in het centrum een groene telefooncel, waar ik eerst Paula en daarna mijn vader bel. Juist nu mis ik ze erg en heb de behoefte om mijn diepste gevoelens met Paula te delen. Door de krakende telefoon lukt dit niet, zodat het gesprek niet verder komt dan het weer en de mooie kathedraal van León.
Vrijdag 21 oktober: van León naar Villadangos
Vannacht heb ik heerlijk geslapen en ik voel me ondanks het vroege opstaan uitgerust. Mijn stemming is omgeslagen en ik laat de kwellende levensvragen voor even rusten. We verlaten in het schemerlicht het nog slapende León zonder te hebben ontbeten. Het bijzondere van deze plaats is dat er overal jakobsschelpen in de muren zijn gemetseld.
Als het licht is, hebben we de stadsmuren al ver achter ons gelaten. De omgeving waar we nu doorheen wandelen, is verlaten en dwingt wederom tot bezinning. De vragen die gisteren in de kathedraal bij me opkwamen, laten me nog steeds niet los, maar de antwoorden kan ik niet bedenken. Het irriteert me dat het geheim van het leven zich niet gemakkelijk gewonnen geeft. Niemand kan werkelijk verklaren waarom het leven loopt, zoals het gaat. De eerste stappen heb ik gezet. In India heb ik mijn innerlijke rust gevonden en mijn diepere gevoelens ontdekt. Nu is het wachten op de laatste stap; inzicht in de alles-omvattende waarheid, en begrijpen wie ik ben en wat ik hier kom doen.
In Chozas de Abacho rusten we even. We kopen in een lokale bar een paar broodjes. Na het dorpje loopt de camino omhoog naar een uitgestrekt plateau met nauwelijks vegetatie. De donkere, bewolkte hemel maakt de omgeving nog desolater en somberder. Meter voor meter trekken we verder over het stille oneindig lange pad, terwijl de horizon zich met elke stap verder lijkt te verwijderen. Het lopen door deze eindeloze vlakten begint me langzaamaan te irriteren. Er lijkt maar geen einde te komen aan deze tocht door het oneindige niets.
Na Villa de Mazarife volgt weer een uiterst eentonige weg door de pas geoogste maïsvelden. Mijn irritatie groeit uit tot een bom die op exploderen staat. Ik loop in mezelf te vloeken en heb het helemaal gehad met het lopen. Bij een houten hek stoppen we even.
‘Wat prachtig, die uitgestrektheid hier,’ zegt Maurice.
Dat had hij niet moeten zeggen. Mijn innerlijke bom ontploft.
‘Ik ben het helemaal spuugzat hier.’
Maurice kijkt mij geschrokken aan.
‘Wat is er aan de hand?’
‘Ik heb het helemaal gehad met het wandelen.’
Maurice komt naar me toe en probeert me vast te pakken.
‘Laat me los!’
‘Wat heb ik gedaan?’ roept hij verbaasd.
Eigenlijk niets, dat weet ik wel, maar ik heb gewoon zin om lekker ongegeneerd te schelden en ruzie te maken.
Maurice houdt wijselijk zijn mond terwijl ik langzaam tot bedaren kom. Maar aan zijn gezicht kan ik zien, dat ik hem heb gekwetst.
‘Hier heb ik wel eens vaker last van’, zeg ik. ‘Het is een innerlijk bommetje, dat ontploft. Laat mij maar even.’
We lopen zwijgend verder en mijn irritatie ebt weg. Wat ben ik af en toe ook een stom wicht, bedenk ik vol schaamte. Het is niet de schuld van Maurice, dat het geheim van het leven zich niet toont, als ik dat wil. Geduld is een schone zaak. Pas tijdens de volgende stop, bied ik Maurice mijn excuses aan.
‘Af en toe heb ik mijn buien,’ zeg ik met mijn meest schuldbewuste gezicht.
‘Ach, niemand is perfect,’ antwoordt Maurice.
Opgelucht haal ik adem.
We wandelen uren achtereen door het glooiende landschap, met de kerktorens als bakens. Ik heb alle tijd om rustig na te denken, terwijl ik Maurice’s hand stevig vasthoud. Mijn stemming is omgeslagen en de liefde voor Maurice verteert het ongeduld dat diep in mij verborgen zit. Niets in deze wereld heeft nog zin, behalve liefhebben. Ik geef Maurice een innige kus, zomaar midden op de camino. Het voelt alsof ik langzaam transparant wordt. Dit gevoel moet de ware en zuivere liefde zijn die al zo veel eeuwen wordt bezongen en beschreven.
We passeren Bar-sur-Seine, waar de zon door de bewolkte lucht breekt. De temperatuur stijgt snel terwijl we onze eindbestemming Villadangos naderen. Het gevoel van intens geluk laat me ook hier niet los. Rond vier uur bereiken we Villadangos, waar we een klein familiehotel vinden met een hevig krakend tweepersoonsbed.
Als de pelgrimstocht bedoeld is om celibatair af te leggen, dan is dat mij in ieder geval niet gelukt.
Zaterdag 22 oktober: van Villadangos naar Astorga
In alle vroegte verlaten we het middeleeuws plaatsje Villadangos. De camino, met aan weerszijden lage strui-ken, kronkelt door het landschap. Goedgehumeurd geniet ik van deze prachtige omgeving en de intense stilte die hier heerst.
We passeren eerst Hospital de Ortigo met de prachtige oude Romeinse brug, om vervolgens langzaam te stijgen tot aan de hoogvlakte Páramo. We komen nu door een bos van eikenbomen en kastanjebomen. Hier gaan we tegen een eeuwenoude boom zitten om te rusten en onze meegenomen ‘tarte de Santiago’ op te peuzelen.
‘Weet jij wat de waarheid van het leven is?’
Maurice haalt zuchtend zijn schouders op.
‘Ach, over deze vraag hebben al zovelen hun hoofd gebogen. Stop toch met zoeken, Eva. De waarheid van het leven is voor mij wat zich nu aandient. Het verleden is vervlogen en de toekomst is niet meer dan een waanbeeld in ons hoofd. Het enige moment dat werkelijk bestaat is het hier en nu. Daarin ligt voor mij de essentie van het leven.’
Ik denk na over deze mooie, wijze woorden. Zou dit simpele antwoord de waarheid zijn? Gewoon genieten van het leven in het hier en nu. Zo gemakkelijk kan het toch niet zijn? Het zal toch niet zo zijn dat ik de hele wereld heb afgezocht om dit simpele antwoord te vinden.
Er moet meer zijn!
Maurice staat op en doet zijn rugzak weer om.
‘Stop met zoeken, Eva,’ zegt hij nogmaals. ‘Je hebt de waarheid van het leven al gevonden; het heeft altijd al in je gezeten.’
Maurice pakt zijn houten wandelstok en we lopen verder door het bos. Misschien heeft hij gelijk en moet ik mijn zoektocht naar het geheim van het leven opgeven. In mijn hoofd is de vraag steeds groter geworden, maar misschien is het geheim van het leven inderdaad niet meer dan bewust leven in het hier en nu. Maar dan blijven de vragen nog openstaan; wie ik ben en wat ik hier kom doen?
We lopen nu een prachtig deel van de oude pelgrimsroute en ik kijk naar Maurice die in een gestaag tempo voortstapt. Ik realiseer me nu pas dat een mens alleen incompleet is. ‘De andere helft’ voegt zo veel meer toe. Daardoor besef ik ook hoeveel ik van Maurice ben gaan houden.
Rond het middaguur bereiken we het enorme houten kruis van Crucero de San Toribio. Daar vouw ik mijn handen en sluit mijn ogen.
‘Universele God,’ prevel ik binnensmonds. ‘Geef mij inzicht in wie ik precies ben en wat ik op deze wereld te doen heb. Geef mij aanwijzingen om de juiste weg te kiezen. Het zoeken naar mezelf en mijn levenstaak geef ik op. Toon Uw barmhartigheid door het op mijn pad te laten komen. Amen.’
We raken in gesprek met een jong stel dat ook gestopt is bij het kruis. Ze komen uit Parijs. Het klikt meteen en we besluiten met z’n vieren naar onze eindbestemming Astorga te wandelen. Marie-Louise is modeontwerpster en Vincent beeldend kunstenaar. De manier waarop ze in het leven staan spreekt me erg aan: ze genieten van elk moment en maken zich geen zorgen over de dag van morgen. Dat we nu juist dit stel op deze plaats ontmoeten, is bijzonder en lijkt meer dan toevallig.
Als we die middag laat Astorga bereiken, nemen we alle vier onze intrek in hotel Gaudi. De eigenaar vertelt trots dat de grote architect Gaudi hier ooit geslapen heeft toen hij het paleis van de bisschop ontwierp.
We spreken met Marie-Louise en Vincent af om de stad in te gaan. Nadat we onze rugzakken op de kamer hebben achtergelaten, bezoeken we eerst het befaamde bisschop-pelijke paleis. We lopen ademloos rond in deze tempel vol architectuur met gotische, romaanse en vooral ook Arabische elementen en stijlkenmerken.
Na het bezoek bestellen we een fles witte Spaanse wijn op een terras aan het dorpsplein. Naast een opgelegd celibatair leven, is het voor een pelgrim tijdens de tocht verboden om alcohol te nuttigen. Helaas is het niet gelukt om me ook aan deze gedragsregel te houden.
De Spaanse wijnen zijn gewoon te lekker om te laten staan. De Parijzenaars zijn onderhoudend en ons gesprek komt als vanzelf op het inzetten van je talenten.
De Franse kunstenaar vertelt honderduit over wat hem drijft in het leven. Zwijgend denk ik na over mijn eigen passie.
Gaudi was een gelukkig mens, want hij wist waar zijn talent lag en wijdde er zijn leven aan. Ook Vincent en Marie-Louise gebruiken hun talenten in hun dagelijks werk. Zelfs Maurice heeft een droom om voor te leven: hij ziet zichzelf in de toekomst als groot uitgever. Maar hoe zit het bij mij? Ik hoop dat ze het me niet zullen vragen. Dat had ik nu net niet moeten wensen.
‘Wat is jouw droom, Eva?’ vraagt Marie-Louise geïnteresseerd.
Alle drie kijken ze me verwachtingsvol aan, maar ik heb geen antwoord. Waar liggen mijn talenten eigenlijk?
Wat voor voetafdruk wil ik op deze wereld achterlaten? Waar ben ik goed in, en vooral, wat geeft mij energie?
Wie ben ik eigenlijk? Ik heb geen idee.
Onzeker haal ik mijn schouders op en het wordt stil. Met mijn carrière en het uiterlijke succes heb ik geen echt verhaal te vertellen en het is pijnlijk om dat te constateren.
Snel schakelt Maurice over op een ander onderwerp. Niet veel later lach ik mee over het broodjeaapverhaal van een pelgrim die met zijn koe naar Santiago liep.
De onrust komt ’s avonds in bed terug. Maurice slaapt al en ik staar door het open tuimelraam naar de donkere hemel met haar sterrenpracht. Het is me vandaag nog eens pijnlijk duidelijk geworden, dat ik geen eigen verhaal heb. Ik weet niet waar mijn talenten liggen en welke droom ik najaag. Eigenlijk heb ik mijn hele leven precies gedaan, wat mijn vader wilde. Dat blijkt niet genoeg te zijn.
Niet voor niets ben ik naar India gegaan om los te komen uit dat keurslijf. Maar met het loskomen, heb ik nog geen nieuwe richting in mijn leven. Ik heb werkelijk geen idee wat ik op deze wereld wil achterlaten en wat mij werkelijk voldoening schenkt. In stilte bid ik dat dit inzicht naast de waarheid op mijn pad mag komen. Pas diep in de nacht val ik in slaap.
Zondag 23 oktober: van Astorga naar Rabanal del Camino
Na het ontbijt nemen we afscheid van Vincent en Marie-Louise om samen aan de tocht naar Rabanal del Camino te beginnen. De route is hier drukker, en overal staan kruizen met het Christusbeeld langs de weg. Tot mijn vreugde passeren we weer het psalmenzingende Britse oudere stel van een paar dagen geleden, en we begroeten elkaar hartelijk. Al lopende overdenk ik hoe belangrijk het voor mensen is om onvoorwaardelijk te geloven dat er na dit leven nog iets mooiers bestaat. Dat je de hemel kunt verdienen door op een goede manier met medemensen om te gaan. Het vooruitzicht van het hemelse paradijs geeft velen de kracht om zelfs over hun eigen sterfelijkheid na te denken. Maar ik wacht liever niet tot ik dood ben; ook van mijn aardse bestaan kan ik al een paradijs maken.
En eigenlijk is de sleutel niet zo heel moeilijk te vinden, weet ik nu: bewust genieten van het hier en nu om de ‘rode draad’ niet kwijt te raken: Maar hoe kan ik genieten als ik niet weet wat ik op deze wereld te doen heb?
Vroeg in de middag bereiken we Rabanal del Camino, waar we aankloppen bij een benedictijnenklooster. We krijgen er elk een eenpersoonscel aangewezen door een vriendelijke oudere monnik. Nadat ik ben uitgepakt, halen we naast de kerk een stempel voor ons pelgrimspaspoort.
Rabanal del Camino bestaat uit een verzameling kleine huizen met middeleeuwse wapenschilden op de muren. Er is geen bar of winkel en niemand laat zich op straat zien. Maar voor mij is het vooral een plek om terug te gaan naar de eenvoud en soberheid van mijn pelgrimage die meer en meer op een vakantie is gaan lijken.
Maurice gaat terug naar het klooster terwijl ik op een houten kerkbank blijf zitten. Opnieuw komt de vraag in me op welke talenten ik bezit en wat ik met mijn verdere leven wil doen. Een antwoord heb ik nog steeds niet
Ik denk aan gisterenmiddag, bij het houten kruis, aan het moment dat ik het zoeken naar mijn levensvragen opgaf. Het voelt leeg aan, alsof ik een stukje van mezelf heb opgegeven. Als het geheim van een vervullend leven niet veel meer is dan mezelf bewust zijn van het hier en nu, waarom zou ik me dan nog inspannen? In India heb ik vele mensen gezien die apathisch op straat zaten te wachten, volkomen levend in het hier en nu. Ze hadden geen dromen, geen geld en geen passie. Ze gingen helemaal op in het moment. Ze gaven zich over aan hun lot en deden geen pogingen om hun levensstandaard te verbeteren.
Pas nu merk ik wat me eigenlijk heeft tegengestaan aan India.
Het wemelde er van de mensen die zich zonder enige vorm van protest schikken in hun lot, hoe beroerd dat lot ook is. Ze hebben geen dromen of drijfveer om hun leven te willen veranderen, en juist dat past niet bij de manier waarop ik me het leven voorstel.
Er komt een groep luidruchtige Spaanse pelgrims binnen. Ik sta op en ga terug naar het klooster. In een aparte ruimte doe ik mijn was, haal de kledingstukken door de wringer en hang ze te drogen. Het is warm. Morgenochtend kan ik deze kleren droog en schoon in mijn rugzak stoppen.
We eten die avond zwijgend tussen de monniken aan de lange houten tafels. We blijken de enige pelgrims in dit klooster te zijn. Het valt me op dat de monniken zeer introspectief zijn.
Ze stralen bepaald niet uit dat ze genieten van het leven. Ze hebben rust gevonden en daarbij het leven verloren, schiet het door mijn hoofd.
Na het eten heb ik geen zin meer in de avondbijeenkomst in de kapel. Om half negen lig ik al in mijn bed in een poging het slaaptekort van de vorige nacht in te halen. Maurice zit beneden te lezen. Het helpt om mijn gedachten in mijn dagboek op te schrijven. Vandaag ben ik wederom hard geconfronteerd met mijn levensvragen. Het wordt de hoogste tijd voor het vinden van de antwoorden.
Maandag 24 oktober: van Rabanal del Camino naar Ponferrada
Vandaag begin ik aan de laatste week van mijn pelgrimage. De bel van het klooster klinkt al om half zes. Een uur later staan we, bepakt en met een volle maag, klaar om te gaan.
Het is nog fris en we ontdekken bij het verlaten van Rabanal del Camino een oude ruïne. Een ingemetselde jakobsschelp, in de muur die nog overeind staat, geeft aan dat dit ooit een herberg is geweest voor pelgrims. Vanaf dit punt gaat de camino steil omhoog en al snel loop ik hijgend achter Maurice aan. Hoewel mijn conditie de afgelopen drie weken met sprongen vooruit is gegaan, vraagt deze klim net iets te veel van me. Met een vuurrood hoofd van de inspanning volg ik het pad tot Foncebadón, waar ik een lekkere kop koffie hoop te kunnen drinken. Maar het dorpje blijkt uit niet veel meer dan een paar verlaten ruïnes te bestaan, en we wandelen verder. De vele pelgrims die gisteren ons pad kruisten, zijn nu allemaal verdwenen. Het is stil en verlaten op dit deel van de camino. Ook het volgende gehucht is onbewoond en aan de elementen van de natuur prijsgegeven. De ontvolking van het platteland van Spanje is nergens zo voelbaar als juist op deze plek.
Na drie uur lopen bereiken we het Cruz de Ferro, een ijzeren kruis op een houten paal van vijf meter hoog, met een enorme stapel stenen eromheen. Dit kruis is voor mij het symbool van mijn tocht naar Santiago. Ik herken het van de vele foto’s.
Hier laten pelgrims al honderden jaren een steen achter die ze van thuis hebben meegenomen. Zo lossen ze symbolisch de schuld af die ze met zich meedragen.
Ook ik heb een kleine kei uit Amsterdam meegenomen, die de hele tocht in mijn rugzak zat. Na een moment van stilte werp ik mijn kei op de hoop stenen.
Daarmee verlos ik mezelf van schuldgevoelens tegenover mijn vader en al die andere mensen die ik bewust of onbewust ooit pijn heb gedaan. Op deze plaats beloof ik plechtig dat ik mijn bijdrage aan de wereld zal leveren, ook al weet ik nog niet waaruit die zal bestaan.
Op een geplastificeerd papiertje tussen de stapel stenen lees ik in het Engels een tekst, die een andere pelgrim heeft achtergelaten.
Elke tocht lijkt anders, maar is in wezen dezelfde.
Iedere gedachte lijkt op zich te staan
maar op een ander niveau denken we gelijk.
Elke steen die hier ligt, is het harde bewijs
dat we uiteindelijk allen één zijn.
Deze constatering is ouder dan de oudste mens
en is ouder dan alle herinnering.
Elke steen was op deze aarde voor wij er waren.
En elke steen zal hier nog zijn, voor wie na ons komt.
Een werkelijk prachtige tekst, die me raakt. Het laat de relativiteit van ons leven zien. Er komen twee oudere pelgrims aanlopen en ook zij halen ieder een steen uit hun rugzak. Dit is de plaats van vergeving en om de levenslang gevormde ballast achter te laten. Maurice pakt zwijgend mijn hand terwijl we het schouwspel gadeslaan.
Hij kende het gebruik bij dit kruis niet en heeft geen steen meegenomen.
Na het Cruz de Ferro wandelen we naar het bergdorp Manjarin, waar we voor de lunch een herberg met boven de ingang een jakobsschelp binnenlopen.
Aan een houten tafel zit een woest uitziende oudere man in een hemd met het rode Tempelierskruis bier te drinken. In de herberg heerst de sfeer van het verleden. Het intrigeert mij dat de man een Tempelierskruis draagt, maar als we het hem vragen blijkt hij een lokaal Spaans dialect te spreken. We worden dus niet veel wijzer van zijn uitleg. Ik bedenk dat onbeantwoorde vragen horen bij de ongrijpbare magie van deze pelgrimstocht.
Na de lunch wacht ons een stevige klim naar een hoogte van 1500 meter. Na de vele dagen lopen, begint mijn rechterknie weer op te spelen. Ik stop voor het aanbrengen van de laatste arnicazalf en leg mijn hand op mijn knie. Het werkt en ik voel de pijn wegtrekken. Misschien beeld ik het me alleen in, maar het lijkt erop dat mijn handen werkelijk genezende kracht hebben. Hoe het ook zei, ik kan weer verder. Vanaf het volgende dorpje Molinaseca, met de prachtige romaanse brug, is het nog twee uur lopen naar onze eindbestemming van vandaag.
Moe en uitgeput van de zware bergtocht komen we rond vijf uur in Ponferrada aan, dat een leuk authentiek centrum heeft. We ploffen neer op het terras van een klein café en bestellen twee grote flessen mineraalwater. Op advies van de caféhouder melden we ons even later bij een klein hotelletje twee straten verderop. Gelukkig is er nog een kamer beschikbaar. Nadat we ons hebben opgefrist, bezoeken we de indrukwekkende Tempelierskerk. Overal in de kerk zijn symbolen die herinneren aan de illustere monnikridders uit de twaalfde en dertiende eeuw.
We bezichtigen de graven van vijf Tempeliers. Zij vochten voor het ware christendom en beschermden de pelgrims die naar Santiago liepen tegen de plunderende Moren.
Dinsdag 25 oktober: van Ponferrada naar Villafranca del Bierzo
Het ontbijt van vanochtend is een waar feestje. Heerlijk zelfgebakken brood, eigengemaakte jam, koffie en vers-geperste sinaasappelsap. Mijn humeur is dan ook opper-best als we op pad gaan. Ik loop, zoals gewoonlijk, een paar passen achter Maurice. In al die tijd dat we samen zijn, hebben we nog geen enkele keer echt ruzie gehad. Terwijl ik weet dat ik af en toe best irritant kan zijn. Maurice heeft het talent om er behendig omheen te laveren en weet wanneer hij beter zijn mond dicht kan houden. Maar meer nog is Maurice mijn zielsmaatje. Dat voel ik intens en het is een vast gegeven voor me. Hoewel ik hem nog maar ruim een week ken, voelt het al zo vertrouwd; het is alsof we al eeuwen samen zijn. Zonder dat hij iets zegt, weet ik wat hij bedoelt, en ik voel hem helemaal aan. Hoe is het mogelijk dat mij zoiets overkomt? Nooit laat ik hem meer gaan, neem ik me voor, want zielsverwanten zijn er voor de eeuwigheid. Met hem wil ik oud worden en gelukkig zijn. Mede door hem voel ik me nu zo sterk dat ik de hele wereld aankan.
De route van vandaag is gelukkig niet zo lang. Het begint oersaai met een traject door de troosteloze nieuw-bouwwijken van Ponferrada. Als het door de felle zon echt warm begint te worden, lopen we al tussen de wijnvelden en passeren we Camponaraya. Het weer zit erg mee.
Tot nu toe hebben we veel zon gehad en onze gezichten zijn diepbruin gebrand. Ik merk aan het toenemend aantal kruizen en pelgrimsmonumenten dat we dichter bij ons einddoel Santiago komen.
Rond lunchtijd komen we aan in Cacabelos, waar we bij een barokke kerk in een bijbehorende refugio een bocadillo eten. In de middag wandelen we via een stijgend plateau naar de top van de heuvel, waar we een werkelijk fantastisch uitzicht hebben op het omringende landschap. De serene rust voedt me met hernieuwde energie en wakkert mijn geluksgevoelens aan.
Villafranca del Bierzo is groter dan ik had verwacht, met wel vijf kerken, een museum, een heus theater en veel bars en restaurantjes. We boeken een kamer in een oud hotel in een prachtig pand uit de vijftiende eeuw. Alles is er schots en scheef en het kraakt en piept onophoudelijk, maar de sfeer is goed. We krijgen een kamer toegewezen waar we onze liefde bevestigen. Pas als de lust en het verlangen zijn gedoofd, stappen we onder de douche. Dit keer met warm water en Maurice die me inzeept.
Hoe mooi kan het leven zijn!
In de kelder van het hotel wassen we onze wandelkleding en hangen die te drogen. Gezamenlijk voeren we deze o zo belangrijke pelgrimtaak uit voordat we Villafranca gaan bezichtigen.
Woensdag 26 oktober: van Villafranca del Bierzo naar O Cebreiro
Vanochtend ben ik met barstende hoofdpijn opgestaan. Gisterenavond zijn we net even te enthousiast geweest met de wijn. Tot diep in de avond hadden we gelachen, gezellig gepraat en ons als een verliefd stelletje gedragen. Maar ook de hoofdpijn kan mijn humeur niet bederven. Als ontbijt neem ik een broodje en een paar koppen koffie om de kater te dempen. De uitspraak ‘God straft meteen’ gaat deze ochtend wel degelijk op.
De route begint met een steile klim de stad uit. De weg blijft maar omhoog gaan. Mijn benen lijken wel van pap en zuchtend sleur ik mij meter voor meter omhoog. Maurice is niet erg spraakzaam en ook hij heeft blijkbaar meer last van de wijn dan hem lief is.
Na een lange klim door de prachtige natuur, waarbij ons zicht deels belemmerd wordt door de nevel, bereiken we een plateau. Daar kunnen we heenkijken over de ochtend-nevel die als een witte deken over de wereld hangt. We genieten van het prachtige vergezicht en maken foto’s. Via een groot kastanjebos dalen we af naar het plaatsje Trabadelo aan de voet van de berg. Net buiten het dorpje zien we midden op de camino een paar oude versleten leren wandelschoenen staan, die hier door iemand zijn achtergelaten en die Santiago nooit zullen bereiken. Van dit bijzondere tafereel maak ik ook een foto.
Het volgende plaatsje dat we aandoen is Herrerías, waar we bij de waterbron twee jonge Spaanse pelgrims treffen. Mijn kater is dan allang vergeten en we raken in gesprek met de pelgrims. De twee jongens zijn net afgestudeerd en willen deze pelgrimage volbrengen voordat ze aan hun werkzame leven beginnen. Het is een tocht die al generaties lang binnen hun familie wordt gemaakt. Een van de jongens vertelt dat pelgrimeren vroeger vooral was bedoeld om boete te doen. De camino naar Santiago kent daarom ook vele ‘puerta del perdóns (poorten van vergeving) waar je als zondaar doorheen moet wandelen om vergeving te krijgen. In vroegere tijd was de tocht naar Santiago vol lijden en zelfkastijding als boetedoening.
Het eten was sober en slapen gebeurde onder de open hemel. Onder het lopen werden psalmen gezongen en bijbelteksten gereciteerd.
Op de eerste anderhalve week na, lijkt mijn tocht meer een leuke wandelvakantie dan een erbarmelijke tocht vol eenzaamheid, zelfkastijding en geestelijke nood. Maar dat wil niet zeggen dat ik er daardoor minder van heb geleerd. Vooral van de contacten met anderen heb ik veel opgestoken. De wijsheden van mensen die mijn pad kruisten, heb ik opgezogen als een spons. Misschien is dit wel de moderne manier van pelgrimeren, waarbij het er minder om gaat vergeving te krijgen voor je zonden en meer om uit de verhalen bij onverwachte ontmoetingen de juiste boodschappen te destilleren.
Op onze uitnodiging lopen de Spaanse jongens een eindje mee. Via een steil en rotsachtig pad bereiken we Vega de Valcarce, waar we in het dorpscafé iets drinken. Een van de jongens vertelt enthousiast over zijn studentenleven in Barcelona, wat mij doet besluiten om deze stad hoog op mijn verlanglijstje te zetten. Na de rustpauze vervolgen we onze route over een grof geplaveide weg door de bergen. De vergezichten zijn adembenemend en laten me ervaren dat ik werkelijk leef. Dit is de pelgrimstocht zoals ik me die had voorgesteld.
Vroeg in de middag verdwijnt de zon achter de wolken en komen we, gezellig keuvelend, al om twee uur aan in
O Cereiro. Het is een gehucht met slechts één refugio, waar zesendertig houten stapelbedden met harde matrassen staan te wachten op een nieuwe lading pelgrims. Een beetje zelfkastijding krijg ik deze tocht echt wel mee, bedenk ik me grinnikend.
Donderdag 27 oktober: van O Cebreiro naar Sarria
Vanochtend zijn we weer vroeg op pad gegaan. Van de aardige Spaanse studenten hebben we gisterenavond al afscheid genomen. Zij liggen nog in diepe slaap.
Een zwaar snurkende pelgrim hield me vannacht wakker. Maar tot mijn vreugde heb ik in ieder geval al iets van mijn ongeduld overboord gezet tijdens deze tocht. Waar ik aan het begin van mijn pelgrimage mezelf nog erg druk maakte om zo’n verstoring van mijn slaap, liet ik het snurken vannacht gelaten over me heenkomen. Het was alsof ik accepteerde dat juist deze pelgrim met zijn gezaag op mijn pad kwam. Misschien klinkt het zweverig, maar zo voel ik het wel. Uiteindelijk ben ik ondanks het gesnurk in slaap gevallen en voel ik me nu redelijk uitgerust.
Even buiten het plaatsje O Cebreiro staat een prachtig standbeeld van een zwoegende pelgrim. We blijven ernaar staan kijken en ik raak Maurice even aan.
Mijn liefde voor hem is intenser dan ooit tevoren. Maar misschien is het zo dat ik de liefde meer toelaat. Vroeger drukte ik dit soort gevoelens direct de kop in, alsof liefde en geluk niet voor mij waren bedoeld. Altijd was er dat kleine meisje dat zonder moeder maar al te goed de andere kant van het spectrum kende; de kant van verdriet en eenzaamheid en het gevoel in de steek te zijn gelaten. En dat pijnlijke gevoel wilde ik niet nogmaals meemaken, dus mezelf echt hechten en overgeven aan een man had ik nooit toegelaten.
We lopen verder via het verlaten plaatsje Linares over een pas die ons naar het bergdorpje Biduedo brengt.
Elke stap die we zetten, brengt ons dichter bij Santiago. Het einddoel komt in zicht, maar ik zou nog wel wekenlang zo door kunnen wandelen.
We passeren een paar naamloze primitieve bergdorpjes en rusten bij een eenvoudig vervallen kerkje dat overwoekerd is en langzaam aan de natuur wordt teruggegeven. Het valt me op dat ik tijdens deze tocht zoveel verlaten en vervallen kerken heb gezien. De ontkerking is ook in Spanje een feit. Veel mensen zoeken, net als ik, naar nieuwe antwoorden voor hun levensvragen. De Kerk met al haar leefregels en dogma’s is te ver doorgeschoten en heeft de essentie van het christendom op veel gebieden verloren. Het gaat niet om de regels, maar om het geloof. En juist in deze tijd beseffen steeds meer mensen de feilbaarheid van onze kerkvaders. Het ware christendom heeft vooral te maken met liefde voor elkaar, jezelf en de omgeving, en veel minder met strak opgelegde regels, en het angst inboezemen voor de hel.
De zon schijnt ongenadig fel en ik ben opnieuw dankbaar voor mijn zonnehoed. Rond twee uur passeren we het bergdorpje San Christobal, waar we rusten en onze veldflessen vullen. Vanaf hier dalen we af naar het enorme kloostercomplex van Samos waar we pauzeren, nadat we een uitgebreide rondleiding hebben gehad. Het klooster heeft twee prachtige romaanse torens en een enorme, centraal gelegen basiliek. De ontvolking van het platteland treft ook dit klooster. Vroeger leefden hier honderden monniken. Nu zijn het er nog maar zevenentwintig.
Terwijl we in de schaduw in het trapportaal van het klooster water drinken, komt er een man aanlopen met een kleine huifkar die door twee ezels wordt voortgetrokken. Bij de ingang van het klooster blijft hij staan en kijkt zoekend rond. Nieuwsgierig lopen we naar de man met de groene jagershoed toe.
Hij blijkt een Zwitser te zijn die helemaal vanuit Luzern deze lange reis naar Santiago maakt. ’s Nachts slaapt hij in zijn eigen huifkar en de reis kost hem nu al ruim een jaar. Met verbazing realiseer ik me hoeveel bijzondere mensen er rondlopen op deze wereld. Ieder met zijn eigen verhaal, maar ook met zijn eigenaardigheden. Respect en acceptatie zijn twee begrippen die ik nooit meer uit mijn vocabulaire laat verdwijnen. Ik bedenk me dat de essentie van het leven zich op deze manier misschien stukje bij beetje toch laat ontdekken.
Sarria is een klein gehucht waar we helaas weer zijn aangewezen op de plaatselijke refugio. Ergens benijd ik de Zwitser die elke nacht in stilte in zijn huifkar slaapt en
’s nachts geen last heeft van snurkende, windenlatende of plassende pelgrims.
Terwijl we beginnen aan een bord huisgemaakte tortilla, raken we in gesprek met de barman. Ik kijk naar zijn kenmerkende zwarte krulsnor.
‘Kennen jullie de vloek van Sarria,’ vraagt hij op een geheimzinnige toon, terwijl hij een fles lokale wijn op tafel zet.
Nieuwsgierig kijken wij de man aan. Hij heeft een buik als een biervat.
‘De vloek van Sarria heeft zijn oorsprong vijftig jaar geleden,’ vertelt de barman.
‘Op het dorpsplein hier voor de bar is toen een zigeuner gestenigd die ervan werd beschuldigd een oude vrouw met geweld te hebben beroofd. Het verhaal heeft de pers gelukkig nooit gehaald, maar alle dorpsbewoners kennen het.’
Even is de barman stil, terwijl wij gespannen naar hem kijken.
‘De vloek van de zigeuner waart nog steeds rond in dit dorp en heeft al geleid tot veel ziekte en ongeluk. Wat je geeft, krijg je altijd weer terug, hebben we hier op een harde manier geleerd. Er zijn in dit dorp kinderen verdronken, huizen afgebrand en mensen op onver-klaarbare wijze overleden. De zigeuner neemt op alle mogelijke manieren wraak.’
De barman is uitverteld en loopt terug naar zijn plaats achter de bar. Met een onbestemd gevoel eet ik mijn tortilla op. Inderdaad lijkt het erop dat alles wat je uitzendt weer op de een of andere manier bij je terugkomt ?
Maar ik begrijp niet waarom de barman juist ons dit verhaal vertelt. Pas ’s nacht heb ik in de rumoerige slaapzaal alle tijd om over het verhaal na te denken. Misschien is het niet daadwerkelijk de vloek van de zigeuner die voor zo veel ongeluk in Sarria zorgt, maar ligt de oorzaak in het geloof van haar inwoners. Je krijgt blijkbaar altijd datgene waarin je gelooft. Net voor ik in slaap val, realiseer ik me hoe krachtig onze menselijke geest eigenlijk is. Wat we innerlijk geloven, krijgt buiten ons in de wereld vorm.
Vrijdag 28 oktober: van Sarria naar Portomarín
Het einde van de tocht komt in zicht en ik begin nu steeds meer naar de voltooiing van de reis te verlangen. In de bar bestellen we een kop koffie met een croissant. Aan het tafeltje naast ons zit een sportief gekleed Amerikaans stel te eten met hun zoontje. Jeremy blijkt er met zijn zeven jaar al meer dan achthonderd kilometer camino te hebben opzitten. Met enige verbazing kijk ik naar het kind. Zo jong nog en toch al zo’n wijze blik in zijn ogen. Voor mensen die geloven in reïncarnatie, moet hij zeker een oude ziel zijn. We praten met zijn ouders over de great tocht van vandaag, waarna we onze rugzakken omdoen en op pad gaan.
Het eerste plaatsje dat we aandoen is Morgade, met aan de rand van het dorp een oud stenen kluizenaarshuis waar pelgrims boodschappen voor elkaar achterlaten. De overkapte buitenmuren hangen vol dichtgevouwen papiertjes van langstrekkende pelgrims. Sommige briefjes zijn al oud en aangetast door het weer. Ik scheur een velletje uit een kladblok dat op een tafel ligt en schrijf er een boodschap op: ‘Het leven draait om liefde, passie en vriendschap, terwijl we vooral bezit, macht en aanzien najagen.’
Tevreden plak ik mijn briefje dichtgevouwen op de muur, naast dat van Maurice. Dan trek ik lukraak een geel briefje van de muur. Nieuwsgierig vouw ik het open en lees de boodschap:
‘Wie de diepste kracht in zichzelf kent, kent het geheim van de Goden.’
De zin moet ik nogmaals lezen om deze te begrijpen, maar de boodschap treft me rechtstreeks in mijn hart. Zorgvuldig stop ik het briefje in mijn rugzak en wissel de tekst uit met Maurice. Ook hij had een mooie wijsheid te pakken: ‘Je kunt je levenspad niet ontlopen.’
Met de wijze lessen in ons achterhoofd, wandelen we verder. Het pad loopt via een oude stenen brug steil omhoog. Het is nog mistig in de vroege ochtend, wat de omgeving een mysterieus karakter geeft. We passeren een paar kleine boerengehuchten met mooie namen als Barbadelos, San Silvestre en Mercado da Serra, voordat we rond lunchtijd in Peruscallo aankomen. Hier halen we de laatste stempel voor ons pelgrimspaspoort dat een weerslag geeft van onze reis. De zon heeft inmiddels de mist opgelost en het is aangenaam warm. Voor we uit Peruscallo vertrekken, smeer ik mijn voeten in met schapenvet. Dit heb ik elke ochtend gedaan om blaren te voorkomen en is een van de wandeltips, die ik al meerdere malen heb horen vertellen.
We komen door kleine verlaten boerengehuchtjes die uit niet meer dan vervallen boerderijen en huizen bestaan. Al rond twee uur bereiken we ons einddoel voor vandaag: Portomarín, gelegen aan een groot stuwmeer. Het oorspronkelijke stadje lag vroeger op de plaats van het stuwmeer, dat hier is aangelegd.
We vinden een slaapplaats in een familiehotel dat niet erg fraai oogt, maar wel een wasmachine in de gemeen-schappelijke ruimte heeft. De moderne wereld met al haar luxe en gemak komt langzaam ons leven weer binnen-sijpelen. Deze kans laat ik niet lopen en ik was zowel mijn kleren als die van Maurice.
Na een lekkere douche, houden we siësta zoals in Spanje op dit tijdstip de gewoonte is. We eten wat, ik werk mijn dagboek bij en we gaan vroeg slapen.
Zaterdag 29 oktober: van Portomarín naar Palas de Rei
Via een verlaten gammele ijzeren brug verlaten we het weinig inspirerende plaatsje. Het is druk op de camino; elke dag lijken er meer pelgrims te lopen. Rond tien uur bereiken we het plaatsje Gonzar, waar het plaatselijke café bomvol zit met druk pratende pelgrims. Na het wandelen in de stilte en uitgestrektheid moet ik elke keer weer wennen aan een plaats vol drukte en lawaai.
Na snel een snelle kop koffie gaan we verder. Wij lopen door het dennenbos en ik kijk naar het mooie ritmisch bewegende lijf van Maurice, aangezien ik vlak achter hem loop. Mijn gelukslot uit de loterij!
In het plaatsje Rosario lees ik dat het nog maar 67 kilometer is naar Santiago, niet veel verder dan een busreis van een uur. Ineens dringt het helemaal tot me door dat het einddoel niet ver meer is en de pelgrimage er bijna op zit. Ik heb meteen de neiging om wat af te remmen om nog maar zo lang mogelijk te kunnen genieten. De camino gaat over in een zandpad en zo bereiken we het einddoel van vandaag: Palas de Rei, dat paleis van de koning betekent. Op het dorpsplein staat de kerk van El Salvador
(de verlosser), gebouwd in het jaar 1184 en thuisbasis van de ridders van de Orde van Santiago, beter bekend onder de naam Tempeliers. De rode kruizen in de kerk herinneren nog aan deze illustere ridderorde. Al eerder kwamen wij op onze route overblijfselen tegen van de Tempeliers.
Palas de Rei blijkt een plaatsje te zijn dat leeft van het toerisme. In de buurt van de Tempelierskerk boeken we een slaapplaats in een hotel. Na een uitgebreide douche drinken we beneden in de bar cider, en we bestellen er tapas bij. Gezellig pratend brengen we zo de avond door. Geen enkel moment valt er een ongemakkelijke stilte en ik voel me oprecht verbonden met Maurice. Rond elf uur zoeken we onze kamer op. Ook deze nacht hebben we een oud en krakend houten bed dat maar net bestand is tegen onze passie.
Zondag 30 oktober: van Palas de Rei naar Arzúa
Met een bonkend hoofd ben ik op pad gegaan in de wetenschap dat dit de voorlaatste dag is van onze tocht naar Santiago. Het gegeven maakt me weemoedig, en de mist versterkt dat gevoel.
Na een uur bereiken we een dorpje waar we in het café vol pelgrims en Spanjaarden een kop koffie bestellen en een belegd stokbroodje eten. Door een krakende luidspreker klinkt vrolijke Spaanse flamingomuziek, maar ook de muziek kan mijn mistroostende stemming niet wegnemen. Maurice is, zoals gewoonlijk in de vroege morgen, helemaal wakker en praat honderduit.
In de dorpen die we passeren staan overal karakteristieke voorraadschuurtjes op houten poten om de muizen bij de geoogste maïskolven weg te houden. Het is flink doorlopen op de drukke camino. We worden vergezeld door een jonge Vlaamse vrouw die op tragische wijze haar kersverse echtgenoot bij een verkeersongeval verloor en tijdens deze reis haar leven weer bij elkaar probeert te rapen. Het is een diep triest verhaal dat past bij het sombere mistige weer en mij doet beseffen dat een mensenleven in minder dan een seconde compleet kan veranderen.
Met z’n drieën komen we na twee uur lopen en praten aan in het bijna verlaten dorpje Ponte Campaña. Geen huis is hier hetzelfde, want ze zijn met zwerfkeien uit het bos gebouwd. De muren staan schots en scheef, maar toch past alles wonderwel in elkaar.
Bij de dorpspomp vullen we onze veldflessen voor het laatste traject van de dag.
Over een oud geplaveid pad lopen we door de heuvels tot aan Disicabo. Op de route hier is het gelukkig weer wat rustiger. We wandelen door uitgestrekte eucalyptusbossen waar een heel aparte scherpe geur hangt. Ondertussen vertelt onze breedsprakige Vlaamse Marianne haar hele levensverhaal. Het is duidelijk dat ze behoefte heeft aan een luisterend oor. Maurice loopt een paar meter voor ons en mengt zich niet in het gesprek.
Via een fraaie oude boogbrug bereiken we Furelos, waar we Marianne achterlaten bij de plaatselijke refugio.
Er staan al tientallen pelgrims te wachten tot de deur opengaat waarna zij een plaats voor de nacht kunnen bemachtigen. Wij gaan door naar Arzúa waar het hopelijk rustiger is.
Onderweg passeren we opnieuw een eucalyptusbos, en door het gehucht Rio wandelen we naar Rabadiso. Dan is het einde van onze lange tocht eindelijk in zicht. Via een verharde weg bereiken we Arzúa, waar we gelukkig een klein familiehotel vinden. Morgen zijn we in Santiago!
Maandag 31 oktober: van Arzúa naar Santiago de Compostella
Vandaag is de grote dag dat we ons einddoel, Santiago de Compostella zullen bereiken. Het is een onwezenlijk gevoel dat dit de allerlaatste wandeldag is van mijn tocht. Het geplande doel bereiken is tegelijkertijd het einde van een geweldig avontuur.
Gisterenavond heb ik nog lang wakker gelegen en nagedacht over wat deze reis me heeft gebracht. Natuurlijk ben ik onderweg keer op keer mezelf op een con-fronterende manier tegengekomen. Alles wat er in mijn leven is gebeurd, kwam bovendrijven en op een of andere manier voegden deze punten zich gaandeweg samen tot één geheel. De hele tocht lijkt daarom op een miniatuur van mijn leven. Mijn grote liefde is op mijn pad gekomen, de liefde waar ik al zo lang naar op zoek was, en ik heb inzicht gekregen in de relatie met mijn vader en de invloed van de vroege dood van mijn moeder. Nadat ik in India al de eerste inzichten had verworven heeft deze reis me nog een stap verder gebracht. Alleen de door mij zo verlangde antwoorden op mijn levensvragen heb ik niet gevonden. Er was geen ‘eureka-moment’ waarin ik de essentie van het leven herkende. Het geheim van het leven bleef in nevelen gehuld. Nog steeds heb ik geen flauwe notie van wie ik ben, wat ik hier kom doen en wat de diepere zin van mijn leven is. Vooral dit laatste is teleurstellend voor me omdat ik zo ontzettend verlang naar het antwoord op al deze vragen.
Het is duidelijk te merken dat we Santiago naderen, want het is nog drukker dan gisteren op de camino.
We passeren onderweg veel kleine dorpjes en stoppen in een café in het plaatsje Cortobe, waar we ontbijten tussen de vele andere pelgrims. Ik merk aan Maurice dat ook hij gespannen is. Vanavond zal hij in de kathedraal van Santiago een kaarsje opsteken voor zijn vader die vorig jaar overleed. Hij hoopt daarmee de rust in zijn leven te hervinden.
Het wordt met het verstrijken van de uren irritant druk op de route en we proberen een beetje afstand te houden. Vele malen klinken de bellen van de fiets pelgrims die ons op het smalle pad willen passeren. Het lijkt vandaag wel nationale pelgrimsdag in Spanje.
Via een prachtige route door de bossen, waar we beschermd zijn tegen de brandende zon, bereiken we het gehucht Santo Domingo de la Calzada. Hier is het erg druk bij de waterpomp en je kunt de opwinding en spanning bij de wachtende pelgrims voelen. Ook hun tocht eindigt vandaag in Santiago. Na het volgende dorpje met de naam Calle volgen meer boerendorpen, waarna de camino overgaat in een geasfalteerd pad, parallel aan de auto-snelweg naar Santiago.
Het pad voert ons, langs de voortrazende auto’s, naar het plaatsje Pedrouzo, wat een laatste stopplaats blijkt te zijn voor de vele touringcars die op weg zijn naar Santiago. Ik besef dat de bedevaart waarbij het gaat om introspectie, hier is verworden tot een toeristische trekpleister van een ongekende omvang. Dit alles heeft weinig meer van doen met de oorspronkelijke betekenis van pelgrimeren.
Plotseling horen we vlakbij het donderend geraas van een opstijgend vliegtuig. We lopen hier dus vlak bij het vliegveld van Santiago. Overmorgen zullen ook wij in een vliegtuig zitten op weg naar Amsterdam. Hoeveel harder was het leven voor de middeleeuwse pelgrims. Hen wachtte de zware voettocht terug naar huis. We lopen nu wat langzamer om extra te kunnen genieten van de laatste kilometers. We passeren het dorpje Lavacolla en wandelen naar een beek waar pelgrims zich vroeger uitgebreid wasten voordat ze voor de heilige apostel Jacobus zouden verschijnen. Het is warm en we denken niet lang na. In ons ondergoed staan we even later lachend en spetterend in de langzaam stromende beek tussen de andere pelgrims af te koelen.
Het frisse bad geeft ons hernieuwde energie en we stappen stevig door. Om twee uur in de middag staan we aan de voet van de Monte do Gozo, ook wel de ‘berg van de vreugde’ genoemd. Op de top ervan kun je Santiago de Compostella zien liggen.
Ondanks de vermoeidheid proberen pelgrims deze berg met volle bepakking op te rennen om een eerste blik op Santiago te kunnen werpen. Wij doen mee en rennen naar boven. Het is goed te merken dat ik de laatste maand een goede conditie heb opgebouwd. Ik bereik rennend de top. Daar hebben we vrij zicht op de torens van de kathedraal van Santiago. Overmand door emoties omhelzen we elkaar stevig, na een maand vol ontberingen maar ook heel veel gelukkige momenten, houden we elkaar stevig vast. We nemen alle tijd om het prachtige uitzicht op ons in te laten werken en vereeuwigen het beeld op de gevoelige plaat.
Vanaf hier is het nog vijf kilometer lopen naar het oude centrum van Santiago en we dalen op ons gemak af naar de stad. De koperen platen langs het drukbevolkte pad geven de afstand naar het centrum aan. Maurice zoent me als we de stadsgrenzen van Santiago hebben bereikt. Na eerst de lelijke buitenwijken te hebben gepasseerd, lopen we langs de kerk van San Lazaro en het Cruz de San Pedro, om via de Porta de Santiago om twaalf over drie de machtige Kathedraal te bereiken. Hier ligt ons uit-eindelijke doel: het graf van de apostel Jacobus.
Santiago heeft een oude ziel die in elke steen van de stad is doorgedrongen. Na Rome en Jeruzalem is deze plaats sinds de vroege middeleeuwen de derde pelgrimstad voor christenen.
We bezoeken eerst het gebouw van de Officio de Peregrinos om onze stempels uit de pelgrimspas te laten controleren. Er zitten zeven dames op een rij om de stroom pelgrims te verwerken. Na enig onderzoek in het pelgrimspaspoort schrijft een oudere in het zwart geklede vrouw mijn naam op een certificaat en stempelt het af ten teken dat ik de pelgrimstocht heb volbracht. Trots neem ik mijn certificaat in ontvangst, hoewel het papiertje niet meer is dan een symbool voor wat deze tocht werkelijk voor me heeft betekend.
In de straat Rúa Fonte dos Concheiros kopen we een nieuwe jakobsschelp als bewijs dat we deze pelgrimstocht met succes hebben volbracht. We hangen hem aan onze rugzak, naast de eerste jakobsschelp, waar hier en daar kleine stukjes zijn afgebroken. Het wemelt hier van de souvenirshops, het bewijs dat pelgrimeren big business is geworden.
Dan is het tijd om het graf van de heilige apostel Jacobus te bezoeken. Via de noordelijke ingang, tussen twee schitterend gebeeldhouwde romaanse pilaren, gaan we de Kathedraal van Santiago binnen. Boven in de zeventig meter hoge toren bevindt zich een grote lantaarn, die in vroegere tijden werd gebruikt om pelgrims de weg naar de kathedraal te wijzen. We zijn nu nog maar enkele tientallen meters verwijderd van het graf van de apostel Jacobus en het is niet te missen; drommen pelgrims hebben zich eromheen verzameld. Velen zijn uitgeput, met hun door de zon verweerde gezichten. Pelgrims uit alle windstreken staan rond het graf, sommigen huilend of biddend, elk met zijn of haar eigen motieven.
Uit het zijvakje van mijn rugzak haal ik het verzamelde geld en ik koop zeven kaarsjes voor al die mensen aan wie ik heb beloofd ze te gedenken op deze heilige plaats.
De laatste drie kaarsjes zijn voor Paula, mijn vader en mijn overleden moeder. Mijn taak is volbracht!
Na een half uur begint er een dienst en samen met Maurice schuif ik aan in een kerkbank. Door het prachtige Gregoriaans gezang waan ik mezelf heel even in de twaalfde eeuw. De kerkdienst geeft mij de tijd om de balans van de reis op te maken. Ik vond mijn grote liefde en deed persoonlijke inzichten op.
Dat zijn de geweldige winstpunten, maar het christendom heeft mij geen antwoord gegeven op mijn levensvragen: waarom ik hier ben en wat ik hier te doen heb, blijft voorlopig een groot mysterie.