HOOFDSTUK 16

Op de vuist

De rijke Stark zit op de luchtplaats van de gevangenis op zijn vaste plek de krant te lezen. Nou ja, te lezen... Zijn blik blijft gevangen door een grote foto van een kroon met een grote diamant erin op de voorpagina. Beroemde tsarenkroon per schip naar Amerika. Dan vouwt hij de krant op, steekt hem onder zijn arm en gaat hinkend naar Teun en Klok, die een stukje verderop staan.

„Luister eens," begint Stark, terwijl hij de voorpagina van de krant laat zien. „Deze beroemde tsarenkroon gaat over twee weken van het Rotterdams museum op transport naar de haven. Daarvandaan moet het per schip naar Amerika, maar zover komt-ie niet. Daar gaan wij voor zorgen."

„Wat moetje nou met een kroon?" reageert Klok. „Wou je 'm op je kop zetten?"

„Dat dacht ik toch niet," legt Stark uit. „Die kroon flikker ik bij 't vuilnis. Het gaat mij om de diamant die erin zit. Die steen alleen is zeker meer dan een miljoen waard. Binnen twee weken moeten we hier weg zijn." Hij kijkt de twee schurken vuil aan. „Jullie mogen wel eens wat doorgraven."

In een flits ziet Stark dat een van de andere gevangenen hem van een afstandje staat te bekijken.

Hij draait met een ruk zijn hoofd om en ziet dat het Jan Lampe is, die waardeloze vader van Sproet. Met een paar grote, wankelende passen is Stark bij Jan. „Sta je lekker te kijken?" daagt de miljonair uit. „Pas maar op, man. Ik krijg je nog wel. En als ik hier uit ben, moet jouw lieve zoontje ook goed oppassen, samen met die vreselijke Pietje Bell."

Op de redactie van Het Laatste Nieuws, de krant van Paul Velinga, willen ze geen kwaad woord horen over Pietje Bell. Er is net een grote postzak met brieven gebracht.

„Allemaal aanvragen voor de nieuwe rubriek!" merkt een journalist op.

„Ja," bevestigt de redacteur. Hij houdt een brief op die hij net gelezen heeft. „Ze zoeken allemaal contact. Zeg, dat is een goede naam: contactadvertentie."

De mensen van de krant om hem heen zijn ook meteen enthousiast. „Die Pietje Bell heeft een goudmijn aangeboord."

De redacteur loopt naar zijn secretaresse toe met een paar brieven in zijn hand. Als hij voor haar bureau staat, zegt hij: „Stuur Pietje een beloning waar die jongen blij mee is!"

Pietje staat met zijn neus tegen de etalageruit van een antiekwinkel. Hij ziet een mooi beeld staan van een discuswerper. Dat is een prachtig cadeau voor de verjaardag van de meester, bedenkt hij. Meester Ster had tenslotte pas nog een plaat van een discuswerper in de klas opgehangen. Maar als Pietje de prijs ziet, schrikt hij toch een beetje. Hoe moet hij zoveel geld bij elkaar krijgen?

Even later vraagt hij in het rovershol aan Sproet hoeveel er in de boetepot zit.

Gewichtig slaat Sproet het dikke boek open. „ De stand van de boetes is twee gulden en drieënzeventig cent."

„Dat is dus niet genoeg. Het beeld kost vijftien gulden."

Sproet kan zijn oren niet geloven. „Wat? Zoveel? Daar moeten wij een maand van eten!"

„Het gaat wel om een cadeau voor meester Ster," probeert Pietje hem te overtuigen.

Maar niet alleen Sproet vindt het veel te veel geld. Ook Engeltje vindt het belachelijk om vijftien gulden voor een veijaardagsca-deau uit te geven. „Ach wat! Die ouwe vent heeft toch alles al."

Dat laat Pietje niet over de meester zeggen. „Die ouwe vent is wel de aardigste meester die ik ooit heb gehad."

„Nou, dan betaal je het cadeau toch lekker zelf," reageert Engeltje uitdagend. „Ik stem tegen."

„Ik ook!" laat Sproet weten.

„Laten we wel even democratisch stemmen." Pietje geeft een klap met de hamer op tafel. „O ja: Klaas mag niet stemmen."

„Waarom niet?" protesteert Engeltje.

„Hij is alleen nog maar proeflid."

„Belachelijk."

Pietje doet alsof hij het commentaar van Engeltje niet gehoord heeft. „Wie stemt er voor het beeld?"

Alleen Pietje zelf steekt zijn hand op.

„Wie is er tegen?"

Alle andere handen gaan nu de lucht in behalve die van Klaas.

„Wat zou jij gestemd hebben?" vraagt Engeltje aan hem.

„Ik zou vóór zijn."

Sproet kijkt Klaas verbaasd aan. „Hoe kan dat nou! Je zit niet eens bij ons op school."

Pietje hamert op tafel. „De Bende van de Zwarte Hand koopt geen cadeau voor meester Ster."

„Wel een cadeau, maar niet dat stomme beeld," protesteert Engeltje.

„Dat zoeken jullie dan maar mooi zelf uit. Ik ben weg."

Boos loopt Pietje het rovershol uit en slaat de richting van zijn huis in.

„Zo roverhoofdman, ben je daar weer?" groet vader Bell vrolijk als Pietje binnenstapt.

„Ik ben geen rover, onthoud dat nou eens." Pietje sloft naar de trap en gaat op een van de laagste treden zitten. „Het is waardeloos in de wereld. Alles draait om geld. En als je het nodig hebt, is het er niet."

Zijn vader kijkt hem ernstig aan. „Wat heb jij een filosofische bui, jongen. Is er wat gebeurd?"

„Nee, juist niet. Ik wilde wat laten gebeuren, iets speciaals voor de meester zijn verjaardag. Maar dat gaat niet door."

Moeder Bell heeft net een klant naar de deur begeleid. Ze loopt terug naar de toonbank en kijkt ondertussen naar Pietje. „Er is post voor je gebracht, een brief van de krant. Misschien vrolijk je daar een beetje van op." Ze haalt de envelop onder de toonbank vandaan en geeft hem aan haar zoon.

„Een brief voor mij? Dat kan nooit veel goeds betekenen." Pietje scheurt de envelop. Er zit een briefje in. Als hij het openvouwt, valt er een bankbiljet op zijn schoot. Vijfentwintig gulden! Pietjes humeur is in één klap een heel stuk beter.

De volgende dag loopt Pietje glunderend door het kantoor van Het Laatste Nieuws. In zijn hand heeft hij een velletje papier. Bij het bureau van de redacteur legt hij het papier voor de neus van de man. „Hier. Ik wil nog een advertentie plaatsen. En nu hoeft het niet gratis." Uit zijn broekzak haalt hij een biljet van tien gulden en legt dit met een klap op de tekst voor de advertentie.

De redacteur kijkt Pietje lachend aan. Dan schuift hij het geld opzij en begint de tekst die Pietje verzonnen heeft te lezen. De uitdrukking op zijn gezicht verandert terwijl hij aan het lezen is. Tenslotte knikt hij. „Komt voor elkaar, Pietje."

In de gevangenis hebben Klok en Jan dienst in de wasserij. Jan rijdt af en aan met de karren vol vuil en schoon wasgoed voor het ziekenhuis. Steeds als hij langs Klok komt, probeert die een praatje met hem aan te knopen.

„Jan, wat doe ik nu na?" Klok heeft zijn gezicht met behulp van een heleboel wasknijpers voorzien van een soort Kroon. Met zijn rechterhand houdt hij een strijkbout hoog in de lucht.

Jan blijft even staan. „Volgens mij eh... Dat beeld in Amerika. Het vrijheidsbeeld."

„Juist." Klok zet de strijkbout met een klap op de plank. „Vrij zijn en een kroon op je kop. En dat alles krijg ik op één dag voor elkaar."

„Hoe bedoel je?"

Klok maakt met zijn hand een gebaar dat Jan dichterbij moet komen. Op samenzweerderige toon legt hij uit wat hij van plan is. „Heb je gehoord van die tsarenkroon in het museum? Daar zit een diamant in, onbetaalbaar zo groot. Stark wil hem hebben. En nou moet jij raden wie hem daarbij gaat helpen."

Paul zit in zijn afgelegen cel de krant te lezen. Nog steeds mag hij niets anders doen dan dat. Elk artikel leest hij minstens twee keer en hij bekijkt ook alle advertenties, van groot tot klein.

Zwarte Hand zoekt Waterman...

Er is maar één jongen die hem altijd zo noemt en dat is Pietje. „Hoe kunnen jullie me ooit vinden!" roept Paul wanhopig uit. Hij grijpt de volle waterkan en smijt hem stuk tegen de muur van zijn

Een bewaker komt op het geluid af en kijkt door het luikje in de deur naar binnen. „Hé Velinga, vind je water niet zo lekker?"

Paul kijkt naar de scherven op de grond en dan naar de bewaker. „Als je wat lijm brengt, zet ik 'm wel weer in elkaar."

De bewaker blijkt de kwaadste niet te zijn. Een uurtje later brengt hij een pot met lijm.

Blij neemt Paul die in ontvangst en zodra hij de voetstappen van de bewaker niet meer kan horen, gaat hij aan de slag. Niet met het plakken van de waterkan.

Heel voorzichtig scheurt hij letters uit de krant en plakt die op een krantenpagina die hij voor het scheuren niet nodig heeft. Zodra hij klaar is, vouwt hij het stuk papier voorzichtig zo klein mogelijk op. Dan trekt hij zijn gevangenisshirt uit en maakt dat extra smerig met het restje tomatensoep van het middageten. Hij draait het shirt om en loopt naar de plek waar het water uit de kan op de grond is gevallen. Paul drukt zijn rechterhand op de modderige vloer en maakt een zwarte afdruk op de achterkant van het shirt. Tevreden bekijkt hij zijn werk. „Dit moet lukken," zegt hij in zichzelf. Tenslotte frommelt hij het papier met de opgeplakte woorden in een van de zakken van het shirt.

Hij bonkt een paar keer hard op de deur. „Hé hallo, is daar iemand?" roept hij een paar keer. „Er is een ongeluk gebeurd ik heb hulp nodig. Help!"

Na vijf minuten hoort hij voetstappen in de gang achter de deur. Het luikje gaat weer open.

„Wat moet je nu weer, Velinga?" Het is zijn vaste bewaker, die hem eerder de lijm had gebracht.

Paul houdt zijn shirt voor het luik. „Ik heb soep gemorst. En nu zit mijn shirt onder de rode vlekken. Kan ik een nieuw shirt krijgen? Of wat water om het te wassen?"

„Water kun je wel vergeten. Of heb je die kan evengoed kunnen maken?"

Paul schudt zijn hoofd. „Dat was niet meer te doen."

De bewaker aarzelt even en neemt dan een besluit. Hij steekt zijn hand door het luikje. „Kom op met dat shirt. Ik breng het wel naar de wasserij."

Paul overhandigt het shirt aan de bewaker.

Als het luik weer dicht is, heeft Paul een brede glimlach op zijn gezicht.

De klas van meester Ster is versierd met slingers. De meeste kinderen zijn al in het lokaal, maar de meester zelf is er nog niet. Pietje komt als een van de laatsten binnen. Hij loopt heel voorzichtig. „Aan de kant! Vrachtverkeer, brandweer, aan de kant!" In zijn handen heeft hij een groot pakket, dat gewikkeld is in een stuk wit laken.

Engeltje bekijkt het argwanend. „Wat heb je nou bij je?"

„Ons cadeau." Pietje loopt gewoon door naar het smalle hoge tafeltje achter in de klas. Hij zakt door zijn knieën en zet het cadeau neer. Voorzichtig haalt hij het laken eraf en schikt dat over het tafeltje heen. Dan pakt hij het cadeau voor de meester van de grond en zet het midden op het tafeltje. Het is het beeld van de discuswerper uit de antiekwinkel.

De kinderen van de klas zijn nieuwsgierig achter Pietje aangelopen en staan in een halve kring om hem heen.

„Dat was niet de afspraak!" Engeltje gaat vlak voor Pietje staan. „We hadden besloten dat het beeld veel te duur was om te kopen. En nu heb je het toch gedaan. Hoe ben je eigenlijk aan het geld gekomen?"

„Eerlijk verdiend met een actie van de Zwarte Hand. Uitbetaald door de krant." Pietje duwt Engeltje een beetje aan de kant en probeert het beeld weer toe te dekken met het laken. „Laat me er even bij, zeg. Als ik het zo laat staan is het geen verrassing meer."

Maar Engeltje is niet van plan om zich door Pietje af te laten bluffen. „Die Zwarte Hand van jou, daar willen wij niet eens meer in zitten! Jij speelt vals!" Hij geeft Pietje een duw.

„Zeg, wat mankeert jou ineens? Wou je soms vechten?"

Engeltje duwt Pietje opnieuw. „Dacht je soms dat ik bang voor je was?"

En weer krijgt Pietje een duw.

„Ik zal je eens leren!" Pietje stort zich boven op Engeltje en de twee vallen samen tegen de grond. Pietje probeert zijn tegenstander onder zich te houden, maar Engeltje is veel groter dan hij zelf. Wat hij ook doet met zijn armen en benen, Engeltje blijft worstelen. Dan schiet de vuist van Engeltje tussen Pietjes afwerende handen door en krijgt de laatste een klap tegen zijn neus.

Om de jongens heen is een grote kring ontstaan. Tenminste, iedereen hangt over zijn bank om geen seconde van het gevecht te missen. Sproet, Kees en Jaap bekijken het verbijsterd. Twee dagen terug was de Bende van de Zwarte Hand nog een echte vriendenclub en nu zijn ze aan het vechten.

„Goedemorgen," klinkt het dan.

Een paar kinderen draaien zich om. Bij het bord staat meester Ster. „Goedemorgen, meester. Hartelijk gefeliciteerd met uw verjaardag."

Pietje heeft het ook gehoord en hij laat Engeltje los om op te kunnen staan.

Engeltje denkt dat Pietje hem niet langer kan houden. Hij draait zich razendsnel op zijn buik en graait naar Pietjes benen. Die had daar natuurlijk niet meer op gerekend. Door het onverwachte getrek aan zijn benen verliest hij zijn evenwicht en wankelt achterover. .. in de richting van het beeld voor de meester.

„Pietje, kijk uit voor het..." waarschuwt Sproet hem.

Maar het is te laat.

PATS!

Pietje zwaait met zijn arm het beeld van het tafeltje af. Het valt in stukken kapot op de houten vloer van het lokaal. Pietje zit ernaast, zijn ellebogen op zijn knieën, zijn hoofd op zijn handen.

De meester is op het lawaai afgekomen. „Nou, dat is me ook een mooie ontvangst. Wat viel daar?"

Pietje gaat op zijn knieën zitten en raapt een stuk van het beeld van de grond. Over zijn wangen biggelen een paar tranen omlaag. „Uw cadeau, meester." Hij houdt het brokstuk omhoog. „Helemaal kapot."

„Misschien valt er nog wat te lijmen?" bedenkt de meester.

Maar Pietje wil het niet horen. „Nee, laat maar meester. Misschien is het wel beter zo." Opnieuw wordt hij razend op Engeltje. „Het is jouw schuld," roept hij hem toe en dan loopt hij stampvoetend en scheldend naar de deur van het lokaal. „Maak alles maar kapot, wat kan mij het ook schelen!" Hij trekt de deur open en smijt hem achter zich dicht met een harde knal.

„Pietje!" Het is meester Ster. „Pietje, blijf eens staan."

Pietje stopt, draait zich om en haalt een paar keer diep adem.

De meester staat midden in de gang. „Pietje, kom, niet zo gauw opgeven. Wat is er aan de hand?"

Pietje kan het niet meer voor zich houden. „Alles gaat verkeerd. Paul en Martha. Sproet en zijn vader. De Zwarte Hand en ik."

Meester Ster komt wat dichterbij en legt een hand op Pietjes schouder. „Kijk me eens aan."

Pietje houdt zijn hoofd een beetje achterover.

„Weetje, Pietje, uiteindelijk loopt het wel goed af, ook al kun je je dat nu nauwelijks voorstellen."

„Nee, inderdaad. Dat kan ik me niet voorstellen."

De meester laat zich niet van de wijs brengen. „Je kent toch dat

sprookje wel, waar iedereen wordt opgegeten door de boze wolf? Zelfs in dat sprookje loopt 't goed af. Ze hoeven alleen maar even de buik open te snijden van de wolf, en Roodkapje komt weer levend tevoorschijn: Zo simpel is het vaak."

Pietje lacht nu door zijn tranen van boosheid en teleurstelling heen.

„Dat is beter. Een lach en een traan. Zo is alles in het leven. Er is echt niet alleen maar verdriet. En echt niet alles loopt slecht af. Hoe kun je het anders in het leven volhouden? Als je niet gelooft dat het goed afloopt?" Meester Ster lacht Pietje bemoedigend toe. „Kom op, dan gaan we naar de klas. Volgens mij komt het allemaal goed."

Tien minuten later lijkt het alsof er niets is gebeurd. Met de hele klas hebben ze uit volle borst de jarige meester toegezongen. Daarna zijn ze gaan rekenen. Terwijl de meester hem zijn schrift gaf, zei hij tegen Pietje: „Ik heb nog een tube met hele goede lijm. Probeer tussen de middag maar of je het het beeld kunt maken."