HOOFDSTUK 9

Pietjes goocheltoeren

Nog voordat ze de deur raken, wordt die opengedaan door meester Ster. Verbaasd ziet hij de jongens de gang in rollen. „Wat is hier aan de hand?"

„We waren opgesloten, meester."

„Maar daar hebben we geen tijd voor."

„We moeten nu echt gaan optreden." Pietje krabbelt overeind en loopt terug naar de badkamer. „Kom op," zegt hij tegen Jaap en Kees. „We moeten ons haasten."

„Toch niet zo snel, jongens? Ik wil eerst weieens weten..."

Pietje onderbreekt de meester. „We vertellen het nog wel, meester."

En weg zijn de jongens.

De gasten van Martha en Paul zitten op stoeltjes die in lange rijen zijn opgesteld voor het toneel. Hier en daar wordt nog nagepraat over de streek van de Bende van de Zwarte Hand. Zodra het doek wordt opgehaald, zijn alle toeschouwers stil en beginnen daarna vol verwachting te klappen. Niemand heeft gehoord wat er precies te gebeuren staat, maar wanneer ze Pietje het toneel op zien komen lopen, verstommen ze.

Pietje heeft zich razendsnel omgekleed als goochelaar. Hij heeft een veel te grote jas aan en een hoge hoed op zijn hoofd. In zijn hand houdt hij zijn toverstaf.

Zodra Jozef zijn verschrikkelijke buurjongetje ziet, glipt hij de zaal uit. Dit is zijn kans om wraak te nemen. Hij holt de trap op naar de badkamer boven de feestzaal en draait daar de kraan wijd open. Hij lacht gemeen en gaat dan zo snel als hij kan terug naar de feestzaal.

Daar staat Pietje nog steeds op het podium. Uit een van de zakken van zijn jas haalt hij een horloge. „Hier heb ik een gouden horloge," zegt hij gewichtig.

Het publiek wordt onrustig. Hier en daar wijzen mensen en wordt er met elkaar gefluisterd.

Maar daar trekt Pietje zich helemaal niets van aan. Hij loopt naar een tafel, legt het horloge op een platte steen en tilt een hamer omhoog. „Ik leg dit prachtige, werkelijk schitterende horloge op deze steen. En met deze verschrikkelijke hamer sla ik het horloge..." Hij laat de hamer met grote snelheid naar beneden komen. „.. .niet stuk..." Hij legt de hamer weg en pakt het horloge op. „...maar geef het aan mijn zus Martha, want dat had ze nog van mij tegoed." En terwijl hij dit zegt, loopt hij naar Martha toe en geeft haar het horloge. „Eigenlijk is dit een cadeau van Paul, die heeft het betaald" fluistert Pietje in Martha's oor.

De zaal begint te klappen.

Martha lacht blij naar Pietje en geeft dan Paul een kus op zijn wang.

Pietje loopt terug naar het podium. „En omdat mijn zus, zoals jullie allemaal kunnen zien, van mij wordt gestolen door haar verloofde, ga ik nu een nieuwe zus toveren. Hokus, pokus, pilatus, pas, hier is mijn nieuwe zus."

Er klinken een paar harde knallen en er verschijnt een rookgordijn achter op het podium. Uit de rook verschijnt Engeltje, verkleed als bruid.

De mensen in de zaal beginnen te schateren van het lachen.

„Stilte graag, ik ben nog niet klaar," roept Pietje boven het gelach uit. „Voor de volgende truc heb ik een hoed nodig. Wie heeft er een hoed?"

De meeste mannen in de zaal kennen Pietje maar al te goed en staan niet te springen om hun hoed af te staan.

„Wat ongelooflijk flauw, zeg. Ik zie allemaal hoeden en niemand vertrouwt mij."

Drogist Geelman staat op. „Hoe zou dat nou toch komen!"

Pietje doet alsof hij het niet heeft gehoord. „Nou, komt er nog wat van?! Een hoed graag... Ik moet toch een taart bakken! Mijn zus heeft recht op een verlovingstaart!"

Eindelijk staat er iemand op en zwaait met zijn hoed.

„Ja, nou hoeft het al niet meer," reageert Pietje bijdehand. „Je denkt toch niet dat ik zo'n domme hoed nodig heb om te kunnen goochelen."

De man met de hoed begint te blozen wanneer iedereen begint te lachen, en gaat snel weer zitten.

„Bovendien, wat heb je aan een taart, als je geen verloofde hebt. Want de verloofde die daar zit..." Pietje wijst met zijn staf naar Paul. „...vertrekt over drie dagen naar Amerika en laat mijn zus dus moederziel alleen achter!"

Martha kijkt ontsteld naar Pietje en dan naar Paul.

Paul slaat zijn handen voor zijn ogen.

„Pietje, dit is helemaal geen leuk toneelstuk!" krijgt Martha met moeite over haar lippen.

„Het spijt me, Martha." Het is Paul die op Martha's opmerking reageert. „Ik had het eerder moeten zeggen."

„Wat?! Is het waar? Is het waar wat Pietje net verteld heeft?"

De mensen in de zaal beginnen nu druk met elkaar te praten.

Pietje slaat met zijn toverstok een paar keer op het tafeltje voor hem. „Stilte in de zaal. Ja, het is allemaal waar. Mijn zus wordt maandenlang alleen gelaten. Daarom ga ik voor haar een nieuwe

verloofde toveren. Wie wil haar nieuwe verloofde zijn?"

Pietje ziet een aantal mannen in de zaal opstaan, waaronder Jozef. Maar de meeste worden direct weer terug op hun stoel getrokken door hun eigen vrouw. Tenslotte staat er nog maar één: Jozef.

„Neem mij, Martha. Ik..."

Geelman begint aan Jozef te sjorren en sist tussen zijn tanden: „Stel je niet zo aan, idioot. Niemand wil toch met jou trouwen. Ga zitten!"

„Nee!" Jozef rukt zich los.

Geelman schudt afkeurend zijn hoofd. „Dan moet je het zelf maar weten."

Pietje kijkt Jozef aan. „ Oké, Jozef, jij wordt de nieuwe verloofde van mijn nieuwe zus."

Dan beginnen een paar mensen verbaasd naar het plafond van de feestzaal te kijken. Onder hen is tante Cato.

„Ik voel druppels." En meteen pakt ze haar paraplu en steekt hem op.

Hierna is het gedaan met een paar druppeltjes. Het begint overal te lekken uit het plafond.

Pietjes moeder weet ineens de oorzaak van het waterballet. Ze grijpt de hand van vader Bell. „Pietje heeft het bad over laten lopen!" Zonder zijn antwoord af te wachten staat ze op en rent de zaal uit, op de voet gevolgd door vader Bell.

Martha heeft nauwelijks oog voor de wateroverlast in de zaal. Ze is woedend op Paul. „Zeg me dat het niet waar is."

„Dat kan ik niet," bekent Paul met enige aarzeling in zijn stem. „Over drie dagen vertrek ik."

Martha's ogen zeggen meer dan welke woorden dan ook. Ze geeft Paul een klap in zijn gezicht.

Paul voelt aan zijn wang. Hij kijkt Martha schuldbewust aan en probeert haar naar zich toe te trekken. „Ik had het je eerder moeten zeggen."

„Dan had ik me niet met je verloofd." Martha duwt Pauls handen van zich af en loopt dan huilend de zaal uit.

„Hé Waterman, leuk feestje hè," roept Pietje vanaf het podium. Hij noemt Paul bij de bijnaam die alleen hij gebruikt.

Ondertussen is tante Cato op het podium geklommen. Ze haalt haar paraplu in en geeft haar neefje er twee enorme klappen mee op zijn hoge hoed die daardoor geheel over zijn gezicht zakt. „Jij laat dit hele feest in het water vallen. Misselijk kind! Hoe denk je datje vader ooit de schade kan betalen die jij hier aanricht?"

Pietje trekt met twee handen aan de hoed om die omhoog te krijgen. Het lukt niet meteen. „En wie krijgt er weer de schuld?" mompelt hij.

Aan de rand van de stad voelen de schurken Klok en Teun inmiddels ook nattigheid. Ze zijn aan het werk in de tunnel en door de bodem sijpelt wat grondwater omhoog.

„We gaan te diep, zo loopt de hele tunnel meteen al vol," merkt Klok op.

„Als jij nou niet zo dik was, hoefden we niet zo'n wijd gat te graven," snauwt Teun.

„Zo kan-ie wel weer. Je hoeft niet zo te vitten. Zo dik ben ik niet."

„Door jou gaat het wel twee keer zolang duren voor de tunnel klaar is." Teun smijt een schep zand tegen Klok, die achter hem zit.

„Ik snap eigenlijk niet waarom we ons zo in het stof moeten werken. Kan Bruinslot ons niet gewoon vrij laten?"

Teun zucht. „Snap je het dan nog niet? De directeur wil buiten schot blijven."

„Ik wist niet dat we gingen schieten."

Teun zucht nog dieper. „Ik ga een toeslag vragen aan Stark."

„Waarom?"

„Omdat jij zo verschrikkelijk dom bent."