HOOFDSTUK 14

Op het strand

Pietje en Sproet zitten om de grote tas van Sproet heen. De geur van schoensmeer stijgt op. Pietje smeert zijn handen er flink mee in en zet dan een stevige handdruk op de exemplaren van Het Laatste Nieuws. Ondertussen zet Sproet met vet rood krijt een cirkel om de advertentie. Daarna bergen ze alles op in de tas en gaan hun handen afspoelen in het water van de zee.

„Dat was deel één," zegt Pietje als ze teruglopen naar de plek waar ze de tas hebben achtergelaten.

„Ja, nu is het tijd voor deel twee." Sproet maakt de tas weer open en geeft Pietje de helft van de kranten. Zelf neemt hij de rest onder zijn arm.

De jongens gaan op stap over het strand. Overal waar ze een vrouw op een kleed zien zonnen laten ze onopvallend een exemplaar van de krant vallen. Het is druk op het strand en al snel hebben ze geen krant meer over.

„Tijd voor deel drie." Pietje haalt de verrekijker tevoorschijn.

Vlak onder de duinen, waar het strand iets hoger is, gaan de jongens op hun buik liggen met de verrekijker in de aanslag.

„Daar," wijst Pietje, en hij houdt de kijker van zijn vader voor zijn ogen.

„Wat zie je?" vraagt Sproet nieuwsgierig.

Pietje speurt met zijn verrekijker het strand af. Overal ziet hij vrouwen de krant lezen. „Kandidaten genoeg." Hij probeert te ontdekken of de vrouwen ook de goede pagina van de krant lezen. Plotseling krijgt hij een man in beeld die hem wel heel bekend voorkomt.

„Help, ik krijg een zonnesteek!"

„Wat?"

„Jozef is in aantocht! Kijk zelf maar."

Sproet tuurt door de verrekijker en ziet dan wat Pietje bedoelt.

Met zijn spierwitte lijf en in zijn zelfgebreide zwembroek sjokt Jozef zoekend door het mulle zand.

„Hij is nu bij Martha," roept Sproet uit.

Pietje komt half overeind en veegt wat zand van zijn lijf. „Het is de schuld van tante Cato. Die moet hem verteld hebben dat we naar het strand gingen."

Jozef is blij dat hij Martha eindelijk ontdekt heeft. Eigenlijk zag hij tante Cato als eerste. Haar grote neus was van afstand al te zien.

Martha ligt in haar badpak in een opklapstoel. Tante Cato zit, met al haar gewone kleren nog aan, rechtop in een rieten strandstoel.

„Zeg, da's ook toevallig, dat ik jullie hier tref," begint Jozef.

Martha doet haar ogen open, ziet Jozef staan en kijkt dan met toegeknepen ogen naar tante.

„Zal ik hier maar neerploffen? Niks leuker dan een dagje naar het strand." Jozef haalt een heel klein handdoekje uit zijn tas en buigt zich voorover om het netjes neer te leggen.

Pietje en Sproet zijn inmiddels aan komen rennen. Ze moeten Martha beschermen tegen Jozef. Als Pietje ziet dat Jozef voorover gebogen staat, neemt hij een aanloop en botst met volle kracht tegen het achterwerk van Jozef.

Jozef verliest zijn evenwicht en valt voorover in het zand vlak voor de voeten van Martha. Zandhappend komt hij weer overeind en kijkt over zijn schouder.

Maar voor hij iets kan zeggen, valt tante Cato al uit. „Pietje! Het is een schande. Bied je excuses aan."

„Sorry, Jozef." Ondertussen kijkt hij naar Martha, die met veel moeite haar lachen inhoudt.

Jozef is weer opgestaan en probeert opnieuw zijn handdoekje netjes neer te leggen op het zand.

Pietje staat het op z'n gemak te bekijken. „Weet je waar Martha zo van houdt, Jozef?"

„Nou?" reageert Jozef gretig.

„Van een zitkuil. Zoals die toeristen altijd graven."

Meteen begint Jozef om zich heen te kijken.

„Maar dan wel een kuil dicht bij het water. Daar zit je het lekkerst, hè Martha?" Snel geeft hij zijn zus een knipoog.

„O ja, daar zitje heerlijk. Lekker koel ook."

Jozef grijpt het kinderschepje dat bij hun spullen in het zand staat en duwt het Pietje in handen. „Nou, waar wachten jullie nog op!"

Pietje en Sproet verzetten geen stap.

„Jammer dat Paul er niet is," zegt Martha dan dromerig. „Niks zo romantisch als een man die een zitkuil voor je graaft..."

Pietje duwt de schep weer in Jozefs handen en wijst. „Romantisch, ja. Bij de zee."

Jozef werpt eerst een vernietigende blik op Pietje, maar kijkt dan smachtend naar Martha, die inmiddels haar ogen weer heeft gesloten. Met de schep in zijn handen loopt Jozef weg.

„Opgeruimd staat netjes," vindt Pietje. Hij zorgt er wel voor dat tante Cato hem niet kan verstaan. „Kom op, Sproet, we gaan de zee in."

De jongens zijn al een tijdje aan het dollen in het water. Af en toe kijken ze naar de plek waar Jozef nog steeds driftig aan het graven is. Alleen zijn hoofd en schouders steken nog boven de kuil uit.

Martha is bij de stoelen gebleven, maar tante Cato is een kijkje komen nemen langs de vloedlijn. Ze heeft haar paraplu uitgeklapt ter bescherming tegen de zon en staart over het water van de Noordzee. Plotseling waait er een stuk papier in haar gezicht, al heeft ze eerst niet in de gaten wat het is.

Pietje wel. Hij stoot Sproet aan. „Moet je m'n tante zien. Die is aan het vechten met een krant!"

Ze blijven even kijken, maar zodra tante Cato ontdekt heeft dat ze niet door een woesteling wordt aangevallen, loopt ze bij het water weg, de krant in haar hand.

Tijdens het graven van de kuil loert Jozef elke minuut wel een paar keer naar Martha. Het wordt een prachtige zitkuil voor haar en zijn hart slaat dubbel zo snel als hij ziet dat Martha uit haar ligstoel overeind komt. Na een starende blik over het strand komt ze echter niet naar zijn kuil kijken. In plaats daarvan loopt ze in de richting van een van de badhokjes aan de voet van de duinen.

Daar wil Jozef het zijne van weten. Hij wil alles weten wat Martha betreft. Zo snel als hij kan, klimt hij uit de kuil en holt Martha achterna. Het boze geroep van de andere badgasten, wanneer hij weer eens dwars over een handdoek of kleed heen is gelopen, hoort hij niet eens.

Martha is inmiddels in het badhokje verdwenen.

Aan de zijkant van het hok ontdekt Jozef een klein raampje, maar dat zit te hoog om doorheen te kijken. Gelukkig staat er een ton in de buurt. Jozef klimt erop en gluurt dan naar binnen. Hij kan zijn ogen niet afhouden van de vrouw van zijn dromen.

Martha heeft de kraan van de douche dichtgedraaid en droogt zich rustig af. Wanneer ze klaar is, bergt ze de handdoek op in haar

tas en gaat weer terug naar het strand.

Jozef volgt elke beweging, terwijl hij zich met moeite staande houdt op de ton. Zodra Martha de deur achter zich dicht heeft gedaan, dwaalt zijn blik nog een keer door de doucheruimte. Wat ziet hij daar? Is dat niet de tas van Martha? Onhandig klimt hij van de ton af en sluipt langs de zijkant naar de deur. Even twijfelt hij: het is een badhokje voor vrouwen. Maar dan gooit hij de twijfel van zich af. Hij kan een heldendaad verrichten als hij Martha's tas aan haar teruggeeft. Als een echte man. Romantisch.

Snel glipt hij naar binnen en loopt op de tas af. Aan de bovenkant steekt er een stukje van de handdoek uit. Jozef maakt de sluiting los en rommelt in Martha's tas. Hij haalt haar onderjurk tevoorschijn en kijkt er hemels naar.

Een dikke vrouw komt nu het badhokje in. Ze lijkt te schrikken als ze Jozef met de onderjurk in zijn handen ziet staan en werpt hem een strenge blik toe. „Wat moet dat! Dit badhok is alleen voor dames!" buldert ze.

Jozef moffelt snel de ondeijurk in Martha's tas. „Eh... Ik kom even de spullen halen van mijn vrouw. Ze was haar tas vergeten."

„Ja, ja. Wegwezen hier."

Jozef klemt de tas tegen zijn buik en gaat snel naar buiten. Zijn oog valt op een bordje. Daarop staat vermeld dat de badgasten hun tassen tegen betaling in de badhokjes kunnen laten. Nu heeft Jozef door dat Martha haar tas helemaal niet vergeten was. Sterker nog: hij heeft de tas van Martha gestolen!

De dikke vrouw is inmiddels op haar stoel voor het hokje gaan zitten. Ze leest in een exemplaar van Het Laatste Nieuws met een grote zwarte hand op de voorpagina.

Jozef is ten einde raad. Hij kan de tas van Martha op deze manier nooit terugleggen. Dat wordt een enorme rel met de vrouw van de badhokjes. En niemand mag hem zien rondlopen met een vrouwentas! Snel verstopt hij de tas met kleding onder een lege rieten strandstoel.

Met een omweg loopt Jozef terug naar zijn kuil. Hij kijkt er eens in en vindt dat de kuil groot en diep genoeg is. Tijd om te zwemmen. Het duurt een tijdje voor hij kopje onder durft in het koude water, maar dan ligt hij heerlijk te spartelen. Maar als hij eruit wil komen, merkt hij dat zijn gebreide zwembroek wel erg is uitgerekt. De pijpen hangen helemaal over zijn knieën heen.

Jozef komt handen te kort. Hij probeert zijn broek op te houden en hem tegelijkertijd een beetje uit te wringen. Het is geen doen. Telkens krijgt hij een golf over zich heen en dan kan hij weer opnieuw beginnen. Een onverwacht hoge golf duwt hem omver. Proestend komt Jozef weer boven water, maar als hij naar zijn zwembroek grijpt, doet hij een vreselijke ontdekking: zijn broek is weggespoeld. Snel gaat hij wat verder het water in. De mensen mogen hem zo absoluut niet zien. Martha al helemaal niet.

In de loop van de middag besluiten Martha en tante Cato dat het tijd is om weer eens naar huis te gaan. Van Pietje en Sproet hoeft het nog lang niet, maar ze luisteren dit keer braaf.

Samen met Martha lopen de jongens naar de badhokjes om zich om te kleden. Pietje en Sproet kunnen zich buiten wel omkleden. Ze doen gewoon even een handdoek om zich heen.

Martha gaat wel het badhokje in. Tien seconden later komt ze weer naar buiten. „Mijn kleren zijn weg!" roept ze paniekerig.

„Heb je wel goed gekeken?" vraagt Pietje.

„Ja, natuurlijk."

De dikke vrouw komt op het kabaal af.

Martha legt haar uit wat er aan de hand is.

„Er was hier eerder vandaag een man met een bril en een gebreide zwembroek. Die heeft een tas meegenomen."

„Jozef!" roepen Martha en Pietje in koor.

„Ik dacht al dat het niet pluis was," concludeert de vrouw.

„Pietje, ga jij tante Cato even halen. Misschien kan ik iets van haar aan."

Tien minuten later stampt Martha woedend door het zand naar de strandopgang. Pietje, Sproet en tante Cato volgen haar op de voet.

„Ik schaam me dood ik schaam me dood," moppert Martha duidelijk hoorbaar.

Pietje probeert zijn zus nog wat op te vrolijken ook al ziet ze er niet uit in de rafelige jurk van tante. „Och Martha, niemand herkent je. Je ziet eruit als tante Cato."

„Daarom juist. O, was ik maar verlost van die verschrikkelijke Jozef Geelman."

„Ach, het leek me zo'n aardige jongeman," merkt tante Cato op. Maar nu ze zelf in haar dikke onderjurk over het strand stapt, heeft ze haar mening moeten herzien.

En Jozef? Die staat nog altijd in de zee, zo ver mogelijk bij het strand vandaan. Wat mist hij zijn zwembroek! En het strand is nog lang niet leeg.

Niet alleen op het strand valt een plan soms in het water. In de gevangenis zijn Klok en Teun nu al wekenlang aan het graven. Hun tunnel naar de vrijheid is al een heel eind gevorderd.

Vanuit de donkere gang door de aarde werkt Teun zich nu stukje bij beetje naar boven. Hij gebruikt zijn schep als pikhouweel en beukt tegen bovenkant van de tunnel.

Plotseling is daar geen zand meer.

„Klok," zegt Teun enthousiast. „Hierboven is een schuur of zo.

We kunnen de gevangenis uit." Met extra kracht begint hij tegen de houten vloer van de ruimte boven de tunnel te meppen.

Zodra het gat in de vloer groot genoeg is, steekt Teun zijn hoofd erdoor. „Er staat hier een soort tafel," roept hij naar Klok, die nog in de tunnel staat. Meteen begint hij de tafel weg te duwen en dan kan hij het gat groot genoeg maken om er helemaal door te kruipen.

„Teun?" zegt Klok vragend. „Zie je de vrijheid?"

„Nou, ik moet zeggen dat het een hele ervaring is."

„O ja? Laat mij ook eens kijken!"

Teun klimt uit het gat om plaats te maken voor Klok.

Klok kijkt om zich heen. „Ik vind het nogal tegenvallen! Ik zie nog steeds vier muren."

„Ja, en wat voor muren," zegt Teun woest. „Herken je het hier dan niet? We zijn in de kamer van de gevangenisdirecteur terechtgekomen."

Klok kan het nauwelijks geloven. „Nu zie ik het pas. Je hebt gelijk. Zullen we de volgende keer gewoon de sleutel vragen?"

Teun geeft geen antwoord. In plaats daarvan geeft hij een enorme trap tegen het bureau.