HOOFDSTUK 13

Hulp van meester Ster

Met het puntje van zijn tong tussen zijn tanden zit Pietje gebogen over de tekst van de advertentie. De dag ervoor konden ze niet meer naar de krant, omdat iedereen op tijd voor het eten thuis moest zijn.

Gluiperige schoolmeester van beroep. Pest graag kinderen. Geeft verschrikkelijk saai les. schrijft Pietje in zijn schrift.

Ondertussen denkt hij na over wat er op de krantenredactie gebeurd is. Hij weet niet goed wat hij moet doen: Martha vertellen wat hij gehoord heeft over Paul, of zijn mond houden om zijn zus niet ongelukkig te maken.

Voor de klas vertelt meester Ster een verhaal over de geschiedenis van de Olympische Spelen. Hij heeft een plaat van een discuswerper opgehangen. Pietje kan er zijn aandacht niet bijhouden. Vandaag moet de advertentie naar de krant, anders wordt het niets.

„Pietje!" roept meester Ster hem tot de orde. „Vind je de geschiedenisles niet interessant? Of ben je met andere dingen bezig?"

Pietje kijkt op en legt meteen zijn arm over het schrift. Voor hij een antwoord verzonnen heeft, wordt hij gered door de bel. Opgelucht haalt Pietje adem en klapt zijn schrift dicht. Net als alle kinderen staat hij op om naar buiten te gaan, maar als hij langs de meester loopt, houdt die hem tegen.

„Geef dat schrift eens hier." Meester Ster wijst over Pietjes schouder achter zijn rug, waar Pietje het schrift stevig vasthoudt.

Met tegenzin geeft Pietje het schrift aan de meester. Hij is er gloeiend bij!

„Maak jij het bord maar even schoon," zegt meester Ster.

Pietje grijpt de grote spons, plonst die in de emmer met water die bij het bord staat en begint dan met de drijfnatte spons wild heen en weer te vegen. De spetters vliegen in het rond en ook de meester, die in Pietjes schrift zit te lezen, krijgt heel wat over zich heen.

„Ik hoop dat die tekst niet op mij slaat," zegt de meester dan onverwacht.

Pietje draait zich snel om met de spons nog in zijn hand. Opnieuw vliegt het water als een regenbui in het rond. „O nee, meester. U bent een beste meester. Maar wel oud. Als ik u moet helpen met iets, dan zegt u het maar."

De meester veegt wat waterdruppels van zijn mouwen. „Fijn dat je dat aanbiedt. Vul de inktpotjes maar bij."

Pietje is blij dat hij de meester kan helpen. Hij pakt hij de grote inktfles uit de kast en begint voorzichtig te schenken. Maar telkens kijkt hij even achterom naar de meester. Daardoor houdt hij niet overal de fles precies boven het inktpotje in de schoolbank. Met zijn hand veegt hij steeds de gemorste inkt weg. Binnen de kortste keren zit Pietje onder de inkt.

Als hij halverwege de klas is, kan Pietje niet langer stil blijven. Zijn gedachten aan Paul komen steeds weer terug. Zeker na wat hij bij Het Laatste Nieuws heeft gehoord. „Meester? Wat gebeurt er als je vertrekt, maar je komt nooit aan? Waar ben je dan?"

Meester Ster kijkt op van zijn bureau. „Ik zou zeggen, datje dan nog steeds onderweg bent."

„Of ben je dan verdwenen?"

„Volgens mij ben je pas verdwenen als je nergens meer bent. Zolang je nog ergens bent, waar dan ook, ben je niet verdwenen."

Hier moet Pietje even over nadenken. „En als je iemand niet kan vinden?" vraagt hij dan.

„Dan moetje zoeken."

Pietje verandert snel van onderwerp voordat de meester hem kan vragen over wie hij het heeft. „Ja, zoeken. We zoeken een vrouw voor Jozef. Daarom hebben we een advertentie bedacht. Die gaan we in de krant zetten."

„Een vrouw voor Jozef. Hm, nu wordt het me iets duidelijker," reageert de meester. „Zou je dan niet wat meer reclame maken dan je nu hebt gedaan? De positieve eigenschappen van Jozef benadrukken?"

„Heeft-ie die dan?"

Meester Ster kan een glimlach nauwelijks onderdrukken. „Natuurlijk. Er zijn toch wel dingen te bedenken die leuk aan hem

zijn?"

Pietje haalt zijn schouders op. „Ik zou 't niet weten. En ik wil er ook niet om liegen."

„Luister eens, Pietje. De mensen die reclame maken, zeggen nooit de hele waarheid. Ze stellen de zaak alleen maar heel mooi voor. Zoiets als: Deze inktfles schenkt uitstekend. Hij morst nooit, voortaan altijd schone handen."

Pietje kijkt meester Ster aan. Dan kijkt hij naar zijn handen.

„Niet alleen op je handen, hoor. Ook je gezicht zit onder," is de reactie van meester Ster. „Maar dat komt niet door de fles..."

„Dus bij reclame moetje gewoon een beetje opscheppen!" weet Pietje nu.

„Ja, anders komt er geen hond op af."

Die middag trekken Pietje en Sproet eropuit om een paar goede dingen te ontdekken over Jozef. Ze weten geen betere plaats te verzinnen dan de drogisterij. Ze gaan het aan Geelman vragen. Pietje weet uit ervaring dat Jozefs vader niets liever doet dan opscheppen over zijn zoon.

„O ja, hij kent wel honderd gedichten uit zijn hoofd, zo geleerd is hij," vertelt Geelman aan de jongens. „En hij is knap. Dat heeft hij van zijn vader natuurlijk. Zijn moeder was zo lelijk als de nacht. Hij is nog nooit met de politie in aanraking geweest, dat kan je niet van iedereen hier zeggen. En hij heeft nog nooit in de krant gestaan."

„Daar komt misschien wel verandering in," zegt Pietje vol overtuiging.

„O nee, hoor, daar is hij veel te braaf voor. Al het stoute heb ik er gewoon uitgeslagen, vroeger. Hij kan naaien en breien als de beste. Hij stopt zijn eigen sokken, en de mijne ook en hij..."

Heeft hele rare tanden schrijft Pietje op wanneer hij de rij met scheve tandjes in de mond van zijn buurman ziet. „.. .is bijzonder zuinig." „Hoe oud is hij?" vraagt Sproet. „Zesentwintig."

In zijn cel leest Paul de krant. Ondertussen loopt hij rondjes door de kleine ruimte heen om niet al te stijf te worden.

...schoolmeester van beroep, kan naaien en breien als de beste. Woont nog bij zijn lieve, zuinige vader, die altijd drop uitdeelt aan zijn buurjongen...

In het park zit een vrouw van middelbare leeftijd te genieten van het zomerse weer. Nieuwsgierig leest ze de advertenties in de krant.

...zoekt lieve, aantrekkelijke vrouw, die niet al te dom en vooral zuinig is...

Paul leest nog steeds in de krant. Op zijn gezicht verschijnt een brede grijns, die niets heeft te maken met zijn verschrikkelijke gevangenschap. „Wat hebben ze nou voor een rare advertentierubriek verzonnen!" mompelt hij in zichzelf. Maar dan laat hij zijn krant zakken. „Wat sta ik hier te lachen. Er valt hier helemaal niks te lachen."

Somber gaat hij op de rand van het bed zitten.

In het kantoor van Het Laatste Nieuws komen een paar mensen naar de redacteur die goedkeuring heeft gegeven voor de rare advertentie.

„Hoe zijn we hier nou aan gekomen," vraagt een van hen.

„Het is een idee van Pietje Bell."

„Dat kan toch nooit wat worden."

Het lekkere zomerweer houdt aan. Martha heeft voorgesteld om een dagje naar het strand te gaan. Daar heeft Pietje wel zin in. Zijn vader en moeder kunnen helaas niet mee, want de winkel is gewoon open. Moeder Bell staat achter de toonbank om de klanten te helpen, vader Bell zit achter zijn werkbank schoenen te repareren.

Tante Cato gaat wel mee naar het strand. Ze staat in de winkel te wachten tot iedereen klaar is voor vertrek.

Sproet staat naast haar en heeft een grote, zware tas in zijn handen.

Pietje komt denderend de trap af en stormt met een verrekijker in zijn hand de winkel in. „Pap, mag ik deze meenemen?"

Zijn moeder geeft antwoord. „Da's een duur ding, Pietje. Dat heb je toch niet nodig op het strand?"

Maar vader Bell schiet Pietje te hulp. „Op zijn leeftijd? Juist wel. Dan moetje de wereld verkennen en verder kijken dan je neus lang

Meteen kijken Pietje en Sproet even naar de neus van tante Cato. Die heeft het gelukkig niet in de gaten.

Pietje gaat snel naar de trap. „Martha! Opschieten, we gaan," roept hij naar boven.

Tante Cato loopt inmiddels de winkel uit, langs Annie die de ramen aan het lappen is. Ze blijft even staan bij Jozef, die op een houten stoeltje voor de drogisterij sokken aan het stoppen is.

Terwijl de twee een praatje maken, stapt de postbode de schoenmakerij binnen. Hij geeft moeder Bell een stapeltje post. Snel kijkt ze erdoorheen. „Weer geen bericht uit Amerika," zegt ze zachtjes tegen Martha die juist de trap afkomt.

Pietje kijkt bezorgd naar zijn zus en ziet de teleurstelling op haar gezicht. Zal hij nu tegen haar zeggen dat Paul nooit in Amerika is aangekomen? Martha's wereld zal compleet instorten als ze dit hoort. Hij kan de woorden niet over zijn lippen krijgen. „Hij schrijft nog wel, Martha," zegt hij troostend. „Hij heeft het vast heel druk."

Martha kijkt haar broertje aan en glimlacht. Dan loopt ze naar Sproet en geeft hem de oude zwembroek die ze in de grote klerenkast gevonden heeft. „Hier Sproet, voor jou. Kom op, we gaan."

Met z'n drieën lopen ze naar buiten en slaan linksaf. Vlak daarna horen ze het tikken van de hakken van tante Cato achter zich.

„Wachten jullie niet even op mij?" roept ze streng. „Ik stond even te praten met Jozef. Wat een alleraardigste jongeman is hij toch. Zo geïnteresseerd. Dat zou ook een geschikte huwelijkskandidaat zijn."

Martha blijft abrupt staan en kijkt haar tante aan. „U heeft toch niet gezegd waar we heen gaan?" vraagt ze gealarmeerd.

Tante Cato aarzelt even voor ze antwoord geeft. „Natuurlijk niet."

Martha lijkt opgelucht.

Pietje kijkt bezorgd over zijn schouder in de richting van Jozef, die van zijn stoel is opgestaan.

Jozef neemt de stoel mee de winkel in en smijt zijn stopwerkje op de toonbank. „Ik ga weg." „Waar ga je naar toe?" wil zijn vader weten. „Naar het strand."

„Naar het strand! Hij wel, zeg. Wat heb je daar te zoeken? Je hebt niet eens een zwembroek."

Jozef verdwijnt door het gordijn achter in de winkel. Dan komt hij weer terug. Triomfantelijk houdt hij een zwembroek omhoog. „O jawel, vader, stiekem zelf gebreid!"