HOOFDSTUK 11

De ontvoering

Paul Velinga loopt zoekend door één van de gangen van het passagiersschip. Hij wil zijn handbagage naar zijn kajuit brengen om dan snel terug te gaan naar het dek om te zwaaien naar Martha op de kade.

Martha! Ze was toch nog naar hem toe gekomen, ze had zijn brief gelezen, ze was...

Paul schudt met zijn hoofd. „Even goed kijken waar die hut nu is," mompelt hij. „Velinga, houd je hoofd erbij."

Een andere passagier kijkt verbaasd in zijn richting.

Snel draait Paul zich om en loopt verder de gang in.

Eindelijk heeft hij de deur met het goede nummer erop gevonden. Paul steekt de sleutel in het slot, duwt de deur met de tas in zijn hand open en stapt naar binnen. Het bed is keurig opgemaakt, ziet hij.

Maar het is het laatste wat hij ziet, want als hij de deur achter zich wil sluiten, wordt hij met een hard voorwerp op zijn hoofd geslagen. Bewusteloos zakt hij in elkaar.

Een tijdje later - Paul hééft geen idee hoeveel tijd - komt Paul weer bij. Hij is misselijk en voelt zich duizelig. Met zijn rechterhand voelt hij aan zijn hoofd. Wat bonst dat! Als hij het geluid van een deur hoort, doet hij langzaam zijn ogen open.

„Ah, ik zie dat onze gast aan het bijkomen is," hoort hij vaag.

Paul probeert overeind te komen, maar dat lukt niet zo makkelijk. Hij staat te schommelen op zijn benen. „Ik weet niet... Wat... Waar ben ik? Hé, wat is hier allemaal de bedoeling van?" kan hij met moeite uitbrengen. „Varen we al?"

„Nee, we liggen voor anker in de veilige haven."

Nu herkent Paul de stem. Het is Bruinslot, de directeur van de gevangenis!

„Voorlopig gaan we helemaal nergens heen. Jij zeker niet," gaat Bruinslot verder.

„Maar ik was aan boord van het schip, ik moet naar Amerika," protesteert Paul.

„Amerika? Nou, vergeet dat maar, vriend. Ook al is dit niet precies het luxe hotel waar je hoopte te komen, deze ruimte is wat je voorlopig krijgt." Bruinslot spreidt zijn armen alsof hij de muffige, donkere ruimte wil aanprijzen. „Er wordt voor betaald alsof je in het duurste hotel van New York bent. Zo'n aanbod kon ik natuurlijk niet weigeren." Op het gezicht van de directeur is een vals lachje te zien.

Dan klinkt opnieuw het geluid van de deur. Paul draait zijn hoofd om te zien wie er nu binnenkomt. Wel, hij heeft totaal geen moeite om de nieuwkomer te herkennen. „Stark!"

De miljonair doet een paar passen in Pauls richting. „Welkom in de gevangenis, Velinga. Welkom in Hotel Bajes. Ik moet zeggen: het doet me goed je hier te zien. En het was zo eenvoudig om je hier te krijgen. Simpel een telegrammetje vervalsen met een noodkreet uit Amerika. Zoiets doet wonderen."

Pauls gezicht is ontzet. „Dus dat was een vals bericht... En ik ben er regelrecht ingelopen!"

„Geloof me," zegt Stark grijnzend, „dat kan de beste overkomen."

„En wat wil je nou van mij?"

„Moetje daar nog naar vragen? Je kunt het zelf wel bedenken, zo simpel is het. Ik wil jouw krant hebben."

Paul voelt de woede uit zijn tenen naar zijn hoofd kruipen. Hij wil op Stark aflopen om hem eens goed de les te lezen.

Directeur Bruinslot grijpt hem bij zijn arm. „Rustig blijven staan, ventje," sist hij. „We zijn aan het praten."

Met een ruk schudt Paul zijn arm los en kijkt met samengeknepen ogen naar Stark. „Daar hebben we het al eerder over gehad, Stark, nog voor je hier belandde. En ik zeg je hetzelfde als toen: mijn bedrijf is niet te koop."

„Wie heeft het nu over kopen of verkopen? Ik wil helemaal niet voor jouw krant betalen. Ik wil hem voor niks hebben!"

„Vergeet 't maar."

Stark wijst waarschuwend in Pauls richting. „Niet zo vlug, Velin-ga. Denk er nog eens rustig over na. Je hebt toch niks beters te doen, hier. Buiten vliegt de tijd, maar hier kruipt hij als de traagste slak. Je komt vanzelf wel over de brug." De miljonair draait zich om en loopt naar de deur.

De gevangenisdirecteur loopt achter Stark aan. Met de deurkruk al in zijn hand heeft hij ook nog een waarschuwing voor Paul. „Nog even dit. Je kan bonken, schreeuwen of anderszins lawaai maken, maar er is niemand die je zal horen. Deze cel ligt in totale afzondering van de rest van de gevangenis. De meeste bewakers weten niet eens van het bestaan ervan af."

Vlak voordat Bruinslot en Stark de cel verlaten, roept Paul hen na: „Ik heb één verzoek. Mag ik wel de krant lezen?"

Bruinslot kijkt vragend naar Stark.

Het is voor Paul wel duidelijk wie de touwtjes van deze actie in handen heeft.

„Misschien moeten we dat maar toestaan," stemt Stark in. „Zijn eigen krant, zolang het duurt."

De deur valt achter Bruinslot dicht.

Paul laat zich op het gammele bed zakken en verbergt zijn hoofd in zijn handen.

Een eindje verderop in het gebouw hoeven de gevangenen niet na te denken of bij te komen van een klap op hun kop. In de wasserij heeft een ploegje bajesklanten corvee. Leuk vinden ze het geen van allen, maar het is beter dan de hele dag alleen maar in de cel te zitten.

In de wasploeg van vandaag zitten ook Jan en Klok. Terwijl er zo af en toe enorme stoomwolken door de ruimte jagen, sorteren zij het vuile wasgoed.

Klok pakt een gevangenistenue uit een van de manden en houdt het voor zijn dikke buik. Hij stoot Jan met zijn elleboog aan. „Drie keer raden van wie dit is."

Jan heeft geen zin in spelletjes. Hij pakt het vuile kledingstuk uit Kloks handen en wil het in de wastobbe gooien. Dan bedenkt hij zich. Hij houdt het kloffie in de lucht en kijkt eens goed. „Aan de maat te zien moet het wel van jou zijn," zegt hij dan tegen Klok. „Man, wat zit er toch een aarde aan je kleren."

„O, dat komt door de tunnel." Meteen slaat Klok een hand voor zijn mond en begint schichtig om zich heen te kijken.

„Welke tunnel?" wil Jan weten.

„Ssst! Niet zo hard." Klok brengt zijn mond op oorhoogte bij Jan. „De tunnel die we aan het graven zijn. Ik had natuurlijk mijn mond moeten houden, het is een groot geheim. Maar nu heb ik het al gezegd, geloof ik."

Jan kijkt de andere gevangene aan. „Geen paniek. Bij mij is het veilig."

Klok haalt opgelucht adem. „Dat weet ik wel, maar volgens Teun wil Stark jou d'r buiten houden."

Jan reageert niet op die laatste opmerking.

„En weet je wat ik nou heb zitten denken?" gaat Klok verder. „Want ik heb ook wel eens goeie ideeën. Ik heb zitten denken; als het nou niet lukt met die tunnel, kunnen we altijd nog de waskarren proberen."

„De waskarren? Maar welke? Die met de schone of de vuile was?"

„Wat maakt dat nou uit!"

„Nou, ik zou toch niet graag tussen de vuile onderbroeken van Teun liggen. Ook al levert me dat mijn vrijheid op."

Klok geeft Jan een flinke por tussen zijn ribben. „Niet onze eigen was, man, maar de was van het ziekenhuis. Die doen we toch ook. Elke dag gaan er een paar waskarren op en neer. Vuile was komt erin, schone was gaat eruit. Ssst. We krijgen bezoek."

Uit zijn ooghoeken ziet Jan nu ook een bewaker in hun richting komen lopen.

„Jan Lampe, er is bezoek."

Jan kijkt verrast op. „Bezoek? Voor mij? Wie is het?"

De bewaker haalt zijn schouders op. „Weet ik niet. Een jongen van een jaar of tien."

„Willem!" Jan wrijft zijn handen flink af aan zijn broek en loopt dan achter de bewaker aan.

Even later wordt Jan de bezoekersruimte van de gevangenis binnengelaten. Hij is ontzettend blij. Willem, zijn eigen Willem, komt hem opzoeken in de gevangenis! Het is dan ook een domper wanneer hij niet zijn zoon, maar Pietje aan de tafel zit zitten.

Zodra Jan halverwege is, staat Pietje op.

Jan probeert snel zijn teleurstelling te verbergen, maar dat lukt niet goed.

„Je had natuurlijk op Sproet gehoopt," zegt Pietje, terwijl hij weer gaat zitten. „Maar die komt niet."

„Misschien verwacht ik wel het onmogelijke." Jan gaat ook zitten en wrijft dan met zijn handen over zijn gezicht."

„Een vader die zijn zoon wil zien... Da's niet zo gek."

Jan haalt zijn handen voor zijn gezicht vandaan en kijkt naar Pietje. „Vind je dat? Ik denk dat jouw vader een goede vader is. Dan klopt het wel watje zegt. Maar Willem moest het met mij stellen. Ik weet niet meer precies wanneer ik de fout in ben gegaan, maar toen het eenmaal begonnen was, was er geen houden meer aan. En... Nou, ik geloof niet dat er nog een weg terug is."

Pietje kijkt naar de verdrietige man. „Er is altijd een weg terug," probeert hij hem op te vrolijken.

„Denk je?" Jan leunt met zijn armen op tafel voorover naar Pietje. „Ik zit hier nog tien jaar vast. Als ik eruit kom, is Sproet een volwassen man. Dan kom ik hem op straat tegen en herken ik mijn eigen zoon niet meer."

Het lijkt alsof Pietje zich opeens iets herinnert. Hij steekt een hand in zijn jaszak en legt dan een foto van Sproet op de tafel. „Hier. Die hebben we gemaakt op het verlovingsfeest van mijn zus."

Jan schuift de foto voorzichtig naar zich toe en bekijkt het gezicht van Willem intens. Hij glimlacht naar de foto en er komen een paar tranen in de hoeken van zijn ogen. „Weet je, Pietje, er gaat geen dag voorbij of ik denk eraan wat ik allemaal van mijn kinderen moet missen." Hij schudt zijn hoofd. „Ik heb er een rotzooitje van gemaakt."

Pietje kijkt hem zwijgend aan.

Voordat ze verder nog iets tegen elkaar kunnen zeggen, komt de bewaker terug. „Zijn jullie klaar? Het heeft nu wel lang genoeg

geduurd, hoor. D'r staan nog drie karren was op je te wachten, Lampe."

De avond na het bezoek aan Sproets vader gaat Pietje naar het huis van zijn vriend. Hij rent het armoedige steegje in, waar een paar bouwvallige woningen staan. Voor de deur van Sproet blijft hij even staan, maar loopt dan verder. Hier hoeft hij nooit aan te bellen. Zodra hij in de kamer is, ziet hij dat Sproet en de anderen ook net thuis zijn.

Fonsie en Lenie zijn samen met Sproet een tas aan het uitpakken.

„Hé, Pietje!" groet Lenie. „Moetje zien wat we vandaag hebben gevonden!"

Pietje loopt naar de tafel toe en ziet een paar mooie koppen en borden, ook al komen ze niet van hetzelfde servies. „Zo, lekker bont, zeg."

„Ja, vrolijk. Er lag een hele berg op de..."

Sproet snoert haar de mond. „Pak nou maar uit."

„Waarom mag ik niet vertellen wat we op de vuilnisbelt hebben gevonden?" wil Lenie van haar broer weten.

Sproet draait zijn hoofd af.

Pietje geeft hem een klap op zijn schouder. „Hé Sproet, ik ben bij je vader geweest."

„Hebben ze je vandaag weer opgesloten?" reageert Sproet.

„Nee, ik heb hem opgezocht."

„Je bent gek!"

Marie, de oppas, komt naar de jongens toe lopen. „Willem, je moeder wil niet dat er over hem gepraat wordt," bijt ze Sproet toe. Ze knikt in de richting van de kleintjes.

Op dat moment komt Sproets moeder thuis. Wat ziet die er moe uit, denkt Pietje.

Lenie rent meteen op haar moeder af en omhelst haar.

De moeder van Sproet heeft kennelijk de laatste opmerking van Marie gehoord, want ook zij komt naar de tafel en kijkt Sproet aan. Terwijl ze haar jas uitdoet en over een stoel hangt, vraagt ze: „Over wie mag je niet praten?"

Het blijft even stil in de kamer. Iedereen kijkt mevrouw Lampe zwijgend aan, niemand durft iets te zeggen.

Sproet aarzelt, zucht en zegt dan zachtjes: „Hij is naar de gevangenis geweest."

Sproets moeder kijkt Pietje doordringend aan. „Dat kunnen we je niet verbieden, Pietje. Maar ik wil wel dat je er nooit meer met Sproet over praat."

Pietje ontploft bijna. „Maar waarom niet? Hij mist jullie!"

„Dat had hij dan maar eerder moeten bedenken," reageert mevrouw Lampe boos. „Ondertussen weet ik niet hoe ik de eindjes aan elkaar moet knopen. Moet ik de zorg van m'n kinderen overlaten aan hun nicht van amper veertien, omdat ik mezelf drie slagen in de rondte moet werken om nog iets te verdienen."

Alsof het gesprek daarmee afgelopen is, loopt ze naar Hannes toe en tilt hem op. „O, mijn lieve, lieve jongen, mama heeft je zo gemist, mama heeft je zo gemist."

Pietje slaat met zijn vuist op tafel.

Mevrouw Lampe draait zich meteen weer om.

Pietje kijkt haar recht in de ogen. „Ja, en hoelang heeft u Hannes niet gezien? Een uur of tien? Z'n vader mist hem al maanden hoor. En niet alleen hem, maar jullie allemaal."

Zonder op een reactie wachten loopt Pietje het huis van Sproets familie uit.