HOOFDSTUK 12

De advertentie

Martha zit in de vensterbank van haar nieuwe huis en staart de tuin in. Bijna elke dag komt ze wel eventjes kijken hoe het gaat met de verbouwing. Heerlijk vindt ze het hier, ook al is nog lang niet al het werk gedaan.

Werklieden lopen dan ook af en aan. Planken, blikken met verf, rollen behang, lampen... Allerlei materialen worden naar binnen gedragen om het lichte huis nog fijner te maken voor Martha en Paul.

Ondanks alle drukte om haar heen geniet Martha van haar toekomstige huis.

Ze heeft helemaal niet in de gaten dat er zich een bezoeker aandient. Het is Jozef, die na schooltijd zijn nieuwsgierigheid niet kan bedwingen. Hij wil weten waar zijn grote liefde gaat wonen als ze niet langer in het kamertje vlak naast dat van hem zal slapen.

De voordeur van het huis staat open. Jozef kijkt even om zich heen, maar stapt dan naar binnen. In de hal raakt hij toch onder de indruk van de enorme ruimte. Dat is wel even iets anders dan de benauwde woning boven de drogisterij van zijn vader.

Maar dan schudt hij de bewondering voor het huis van zich. Het is het huis van Martha en die verschrikkelijke Paul Velinga. Hij loopt verder door de gang en ziet dan een los stopcontact bungelen aan een paar draadjes. Voordat iemand het heeft kunnen zien geeft hij een harde ruk aan het contact en laat de losse doos op de grond vallen. Dat lucht op! Meteen speurt hij rond of er nog meer losse deeltjes te vinden zijn. Hoe langer het duurt tot het huis af is, hoe langer hij Martha elke dag kan zien.

Nietsvermoedend loopt hij de grote kamer in en schrikt als hij het silhouet van Martha voor het raam ziet. Hopelijk heeft ze niet gezien wat hij gedaan heeft, schiet het door hem heen.

Maar Martha heeft er niets van gemerkt. Ze heeft zelfs niet in de gaten dat Jozef de kamer binnen is gekomen.

„Hallo, Martha," zegt Jozef op een vleiend toontje als hij nog maar twee meter bij haar vandaan is.

Nu is het Martha die schrikt. Ze draait zich om en ziet Jozef staan, met zijn schooltas nog in de hand. „Jozef! Wat kom jij hier doen?"

„Ach, lieve Martha, ik kwam gewoon eens even kijken naar je nieuwe huis. Was Pauls andere huis niet groot genoeg voor jullie?"

Martha kijkt Jozef weemoedig aan. Ze mist Paul, maar dat gaat ze niet aan Jozef vertellen. „Dat was een huurhuis. Dit huis is gekocht."

„Heb je al eens iets gehoord uit Amerika?"

Martha schudt langzaam haar hoofd.

Jozef kan een glimlach niet onderdrukken. „Ach ja, uit het oog, uit het hart... Want hij is nou toch al een maand weg..."

„De post gaat per boot en die doet er lang over," reageert Martha. Het is meer voor zichzelf dan voor Jozef dat ze aan die verklaring vasthoudt.

„Hm." Jozef kijkt de kamer eens goed rond. „Ik ben zo vrij geweest om even door het huis te dwalen. Hier wil je toch van je leven niet wonen."

„Het is het mooiste huis dat ik ooit heb gezien," zegt Martha dromerig.

„Ja, maar veel te chique."

„Chique?" Martha is het helemaal niet eens met Jozef. „Het is nog altijd een bouwval." „Veel te chique voor ons soort mensen," gaat Jozef verder.

„En wat voor mensen zijn dat, Jozef: 'ons soort mensen'?"

Over Jozefs schouder ziet Martha dat Pietje op de drempel van de kamer staat. Op zijn tenen sluipt hij verder en houdt zijn wijsvinger voor zijn mond. Vlak achter Jozef blijft hij doodstil staan.

„Eenvoudige mensen, Martha. Middenstanders uit een gewone wijk," legt Jozef aan Martha uit.

Martha knikt begrijpend. „Als je voor een dubbeltje geboren bent, word je nooit een kwartje. Dat bedoel je toch?"

„Precies. Jij en ik, wij zijn kinderen van middenstanders. Ons leven gaat helemaal gelijk op. We zijn even oud, we zijn buren, we geven les op dezelfde school. Mijn vader en jouw vader... dat zijn toch de beste vrienden, altijd al geweest."

Nu moet Martha lachen. „Vind je dat werkelijk, Jozef?"

Jozef kijkt haar indringend aan. „Ja, Martha, dat vind ik. Jouw vader is een geweldige man. Iets minder geweldig dan de mijne, een stuk minder eigenlijk, maar toch een beste man. Vergeet die Paul met zijn Amerika en zijn chique huis. Jij en ik zijn voor elkaar gemaakt."

Pietje kan de valse vleierij van Jozef niet langer aanhoren. Hij prikt Jozef in zijn rug. „Dat lijkt me stug."

Jozef krimpt ineen van schrik, maar draait zich dan vliegensvlug om. „Wat?!"

Pietje doet snel een stap achteruit om buiten het bereik van Jozefs hand met de schooltas erin te blijven. „We trappen er niet in, Jozef. Mijn zus heeft al een verloofde."

Jozef draait zich weer om en kijkt Martha bijna wanhopig aan. „Maar het was toch uit?"

Ook Pietje kijkt naar zijn zus. Hij wil weieens horen hoe ze die verschrikkelijke Jozef de waarheid gaat vertellen.

Maar tot zijn schrik blijft Martha zwijgen.

In het rovershol van de Bende van de Zwarte Hand dringt het daglicht naar binnen. Rond de grote tafel zitten de vier leden vol verwachting naar hun roverhoofdman te kijken. Wat is er zo dringend dat Pietje hen heeft opgetrommeld om meteen te komen vergaderen?

Pietje laat er geen gras over groeien. „Rovers van de Zwarte Hand. We hebben een speciale missie te volbrengen. We moeten Jozef zien weg te houden van mijn zus. Hoe we dat gaan doen, weet ik nog niet. Wie heeft er een idee?"

Engeltje steekt zijn hand op. „Jozef breekt z'n been, dan loopt-ie op krukken en kan hij haar niet volgen."

„Hoe breken we Jozefs been?" wil Pietje weten.

Engeltje heeft daar zo snel geen oplossing voor.

„Ik weet 't," roept Kees dan. „We verstoppen z'n bril. Dan ziet hij geen klap. Ik weet het uit eigen ervaring. Zonder bril kan hij Martha niet meer vinden."

Pietje schudt zijn hoofd. „Met of zonder bril ziet hij evengoed."

„Hè?"

„Hij draagt alleen een bril omdat het geleerd staat. Er zit gewoon vensterglas in."

„Om indruk te maken op Pietjes zus," legt Engeltje uit.

„Die man is gek!" vindt Kees.

„Ja, op Martha," vult Engeltje aan.

Nu bemoeit ook Sproet zich met het gesprek. „We sturen Paul een brief, dat hij snel terug moet komen."

Ook dit vindt Pietje geen goed plan. „Weetje wel hoe lang een brief erover doet? En wie zegt dat die brief aankomt. Er zijn genoeg brieven die ongeopend terugkeren naar de afzender, dat weet jij maar al te goed."

Sproet kijkt Pietje kwaad aan. „Je moet eens ophouden over mijn vader!"

Pietje slaat met de hamer op tafel voor er verder iets gezegd kan worden. „De Zwarte Hand moet in actie komen. Maar hoe?"

Op dat moment komt er iemand tevoorschijn vanachter een stapeltje kratten en dozen. Het is een jongen van ongeveer hun eigen leeftijd. Vijf paar ogen zijn op hem gericht.

„Als je wil dat Jozef je zus met rust laat, moet je een andere vrouw voor hem vinden."

Pietje weet even niet hoe hij het heeft. Wie durft zomaar het rovershol van de Zwarte Hand binnen te lopen? „Zeg, wie ben jij dan wel dat je je met onze zaken bemoeit?"

De jongen kijkt even naar Engeltje.

„Eh... Dat is, eh... Klaas." Engeltje schraapt nog een keer zijn keel voor hij verder gaat. „Hij wil lid worden van de bende."

Pietje kijkt Klaas onderzoekend aan. Daarna kijkt hij naar Engeltje. „En waarom is dat niet van tevoren besproken?"

„Dat kan nu toch?"

„Ja ja. Het is wel raar dat hij zich eerst verstopt had. Een lekkere manier om je aan te melden voor onze bende door eerst ons hol binnen te sluipen."

„Dat was een test," verklaart Engeltje. „Kijken hoe goed de controle hier is. Niet zo best dus."

Daarin moet Pietje hem wel gelijk geven. „Hm. Goed dan. Voor nieuwe leden geldt een proeftijd van drie maanden." Hij wijst een lege kist aan als stoel. „Ga daar maar zitten."

Pietje blijft naar Klaas kijken. Vreemd. Hij heeft de jongen nooit eerder gezien en hij kent toch bijna alle jongens uit de buurt.

„Het was wel een goed idee van eh... Klaas," brengt Engeltje het gesprek weer terug op Jozef.

„Inderdaad." Opnieuw geeft Pietje Engeltje gelijk. „De grote vraag is: hoe zoeken we een vrouw voor Jozef?"

Nu begint iedereen aan de tafel door elkaar heen te praten.

„Een vrouw op straat..."

„Nee, eentje uit het gekkenhuis."

„Of een andere Juf van school?"

„Arme juf!"

Pietje doet hier niet aan mee. Hij mept maar weer eens met de hamer op tafel. „Stilte, of jullie krijgen allemaal één cent boete!"

De rovers houden meteen op met praten en kijken hun hoofdman afwachtend aan.

Pietje houdt zijm hoofd een beetje schuint, draait het van links naar rechts. Dan komt hij overeind en leunt met zijn handen op de tafel. „Ik weet 't! Ik ga naar de krant!"

Pietje is half lopend en half rennend van het rovershol naar het kantoor van Het Laatste Nieuws gegaan. Het kostte hem geen moeite om de redacteur te vinden die hij eerder samen met Paul Velinga had gezietn. Niemand hield hem tegen: Pietje Bell zorgt altijd voor nieuws en met nieuws worden extra kranten verkocht.

In een paar miniuten legt Pietje uit wat hij wil.

„Een advertenti e. 'Man zoekt vrouw.' Dat bedoel je?" vraagt de krantenman.

„Ja, wat kost dait?"

„Nou, dat is nog niet de vraag. Eerst moet ik weten onder welke rubriek ik die advertentie kan plaatsen."

„Weet ik veel!" Pietje snapt niet dat de redacteur zo moeilijk doet. „Mensen zoeken toch van alles? Personeel, een huis, hun weggelopen hond..." „Ja, maar dit is wat anders, Pietje," zegt de redacteur rustig. „In dit geval zoek je eigenlijk een huwelijkskandidaat."

„Nou, dan noem je 't gewoon 'huwelijkskandidatenadvertentie'. Het is wel geen gehoor, maar goed."

De redacteur aarzelt nog. „Het is hoogst ongebruikelijk."

„Het is dus iets nieuws? Dat hoort in de krant. En het is ook voor het goede doel. Denk aan je baas."

„Oké," geeft de man glimlachend toe. „Ik zal de advertentie plaatsen als een soort experiment. Je hoeft niet te betalen, maar je moet wel voor de tekst zorgen." Hij geeft Pietje een notitieblokje van de krant.

Pietje buigt zich meteen over het papier.

Op dat moment komt een secretaresse het kantoor van de redacteur binnen met een stuk papier in haar hand. „Ik krijg hier zo'n raar bericht uit Amerika binnen! Ze schrijven dat Paul nooit is aangekomen."

De redacteur kijkt haar verbaasd aan. „Wat? Nooit is aangekomen?" Hij grijpt naar het papier en begint te lezen.

Zodra Pietje het woord 'Amerika' hoort, stopt hij met schrijven. Hij kijkt gealarmeerd op.

„Ze schrijven ook dat ze hem helemaal nooit gevraagd hebben om naar Amerika te komen," zegt de redacteur dan. „Nou snap ik er helemaal niks meer van." Hij kijkt naar Pietje. „Heeft je zus al bericht van hem ontvangen?"

„Nee."

„Het is me een raadsel. Waar kan hij in vredesnaam zijn?"

Pietje en de jongens van de Zwarte Hand staan in een kringetje bij elkaar op de pont in de Rotterdamse haven. Pietje leunt tegen de reling en buigt tegelijkertijd iets voorover. Op zijn knie heeft hij het schrijfblokje. Na het nieuws over Paul was het hem niet meer gelukt om in het kantoor van de krant een goede tekst voor de advertentie te bedenken. Hij heeft de hulp van de Zwarte Hand echt nodig voor deze klus.

„Wat vinden jullie van: Lelijke, schijnheilige bemoeial..."

„...zoekt lelijke, gemene mopperkont..." gaat Engeltje verder.

„.. .van een vrouw."

„Bril geen probleem!" stelt Kees voor.

„Moet goed kunnen dansen!" bedenkt Jaap.

Pietje schrijft alles op. „Ja, dansdiploma vereist."

„Maar hoe gaat het nu verder?" vraagt Sproet zich hardop af.

„Hoe bedoel je?"

„Nou, als er brieven komen van vrouwen."

„Wij moeten die vrouwen gaan goedkeuren," vindt Engeltje.

„Ja, natuurlijk!" Pietje geeft Engeltje een klap op zijn schouder. „Voor Jozef moeten we de aller, allerbeste uitkiezen."

„Waar gaan we dat doen?"

Pietje haalt zijn schrijfblok weer te voorschijn en voegt nog iets aan de advertentietekst toe.