HOOFDSTUK 7

 

 

 

Zoals Carl al had beloofd, kwam hij de volgende dag voor de lunch in het huis van zijn moeder aan. Sara was net alleen in de zitkamer, toen hij binnenkwam. Hij bleef even bij de deur staan en keek zwijgend hoe ze de bloemen schikte die ze eerder op de ochtend in de tuin had geplukt. Sara keerde zich om en bloosde.

‘Je moeder is zich even gaan verkleden. Ze zal dadelijk wel komen.’ Carl kwam de kamer verder in. ‘En hoe bevalt de vakantie?’ informeerde hij. ‘Ik hoop dat mijn moeder je niet heeft teleurgesteld?’

‘O nee, ze is verschrikkelijk aardig,’ antwoordde Sara.

‘Je kunt dus goed met haar opschieten. Dat dacht ik al. Iedereen kan trouwens uitstekend met moeder opschieten.’

‘Ben je voor je vertrek nog bij Irma geweest?’ vroeg Sara.

Hij knikte. ‘Ze is heel opgewekt.’ Zijn stem klonk eigenaardig. ‘Je hoeft je over haar niet ongerust te maken en Ray redt zich uitstekend.’

‘Daar ben ik blij om,’ antwoordde Sara.

‘Meen je dat nu?’

Sara keek hem recht aan. ‘Dat meen ik zeker. Dacht jij dan van niet?’ vroeg ze uitdagend.

‘O nee, natuurlijk niet,’ antwoordde hij achteloos. ‘Dat heb je goed gedaan,’ voegde hij er aan toe nadat hij naar de vaas met bloemen had gekeken.

‘Je moeder zou het beter hebben gedaan. Ze doet alles zo kunstzinnig,’ merkte Sara op. ‘Ze heeft veel gevoel voor schoonheid.’ Ze keek naar de deur. Mrs. van der Linden kwam de kamer in. Ze droeg een japon van parelgrijze zijde en had zich licht maar onberispelijk opgemaakt. Sara keek naar Carl en zag dat er een trotse blik in zijn ogen kwam. Hij ging naar zijn moeder toe, legde zijn handen op haar schouders en kuste haar op de wang.

‘Je ziet er, zoals altijd, weer stralend uit,’ zei hij glimlachend. ‘En ik dacht nog wel dat je je niet zo goed voelde?’

Zijn moeder glimlachte. ‘Ik moet bekennen dat ik na de dood van die arme Angela nogal verdrietig was omdat ik hier in de buurt nu niemand meer had.’

‘Je weet wat de oplossing van dat probleem is, moeder, je zou terug kunnen komen naar Ravenspark.’

‘En als jij eens zou trouwen?’

Sara stond er versteld over dat hij niet meteen zei dat zo iets erg onwaarschijnlijk was. Wel keek hij even snel naar Sara voor hij antwoordde: ‘Ik geloof niet dat jij je teveel met het jonge paar zou bemoeien.’

‘Dat moeten we maar afwachten. Ik geloof eigenlijk niet dat ik nog terug zou willen naar Ravenspark. Ik ben al te lang alleen en mijn eigen baas geweest om me weer gedwee naar jouw wensen te kunnen schikken.’

Carl zei maar niets meer en even later gingen ze aan tafel. Na de lunch kondigde de moeder van Carl aan dat ze ging rusten en Carl vroeg aan Sara, of ze zin had om mee naar het strand te gaan. ‘Ik ga zwemmen,’ voegde hij er aan toe. ‘Je kunt meegaan, als je er zin in hebt.’

‘Dat is leuk voor Sara,’ merkte zijn moeder op voor Sara zelf iets kon zeggen. ‘Je neemt de wagen zeker?’

‘Natuurlijk... maar zonder Joshua.’

‘Dat vindt hij niet erg. Hij heeft het werk in de tuin al moeten verwaarlozen doordat hij Sara en mij zo vaak moest rijden... Je weet hoe hij zich ergert als het onkruid opschiet en hij het niet kan bijhouden.’ Sara wist niet of ze het wel prettig vond een middag met Carl naar het strand te gaan en zocht wanhopig naar een uitvlucht. Ze kon echter geen goed excuus bedenken en ging dus berustend haar zwemspullen halen. In plaats van terug te gaan naar de zitkamer, besloot ze in de tuin te wachten tot Carl zou komen. Ze hoorde stemmen en begreep opeens dat Carl met zijn moeder uit de zitkamer de tuin was ingegaan. Sara vroeg zich af wat ze nu moest doen. Ze wilde al doorlopen naar het hek, maar bleef staan toen ze Mrs. van der Linden haar naam hoorde noemen. Ze kon niet alles verstaan, maar bleef onwillekeurig staan luisteren.

‘Verliefd op haar zuster? Dat meen je toch niet, moeder?’

‘In elk geval toon je wel veel belangstelling voor de invalide, jonge vrouw.’

‘Ik heb alleen maar belangstelling voor haar omdat ze invalide is geworden...’ Sara kreeg gewetenswroeging en liep een paar stappen door maar haar nieuwsgierigheid werd haar toch weer de baas. ‘Volgens mij heeft Irma het niet gemakkelijk met haar zuster!’

Sara beefde opeens van woede. Hoe durfde Carl haar zo te veroordelen terwijl ze zich zoveel voor Irma had moeten ontzeggen. Het was natuurlijk waar dat Carl minachtend op haar neer keek omdat ze nu eenmaal van Ray hield, maar de gedachte was nog nooit bij haar opgekomen dat Carl blind was voor alles wat ze voor Irma deed. Sara liep met tranen in haar ogen door. Ze kon gewoon niet geloven dat Carl zo onrechtvaardig kon oordelen. Ze begon haast te denken dat ze zijn opmerking verkeerd begrepen moest hebben, ook al had ze alles duidelijk verstaan.

Als Carl zo over haar oordeelde, wat zou Mrs. van der Linden dan wel van haar denken? Sara wist dat ze een goede indruk op de moeder van Carl had gemaakt. Zou de vrouw haar zoon wellicht tegenspreken?

Sara herinnerde zich dat Carl haar had gezegd dat hij het voorstel om bij zijn moeder te gaan logeren had gedaan, om verschillende mensen gelukkig te maken. Hij wilde dat Irma en Ray vaker samen konden zijn en dat Sara dan niet in de buurt was. Sara dacht even na over haar eigen gevoelens voor Carl. Ze waren wel veranderd, dat kon ze niet ontkennen. In het begin van haar verblijf op de farm had ze een hekel aan hem gehad, maar dat gevoel was overgegaan. Maar als ze dan al iets voor hem voelde, hoe stond het dan met haar liefde voor Ray?

Ze wist het allemaal niet meer. Ze was hierheen gekomen om al haar problemen even te kunnen vergeten. Ze droogde haar tranen en besloot de opmerking van Carl maar van zich af te zetten. Hoe moest ze zich nu tegenover hem gedragen? Kon ze nog wel vriendelijk tegen hem zijn?

‘Ik kan alleen maar beleefd zijn,’ mompelde ze en ze hoopte dat er geen spoor van haar tranen te zien zou zijn. ‘Maar eens komt de dag, waarop ik hem kan zeggen hoe ik denk over hem en de ideeën die hij zich in zijn hoofd schijnt te halen.’

Even later kwam Carl met zijn moeder naar haar toe. ‘Hebben we je laten wachten, kind?’ vroeg Mrs. van der Linden verontschuldigend.

‘Ik heb even van de tuin genoten,’ antwoordde Sara. ‘Aan de bomen en struiken te zien moet de tuin ouder zijn dan het huis.’

‘Dat klopt,’ antwoordde de moeder van Carl. ‘Hier heeft vroeger een boederij gestaan. De tuin is opnieuw aangelegd, maar de bomen en struiken konden op hun plaats blijven staan.’

Carl zei niets meer en keek onderzoekend naar Sara. Zijn moeder ving die blik op. ‘Je hebt natuurlijk ook wel gemerkt dat Sara zo’n waardering toont voor haar omgeving.’

Carl knikte zwijgend. ‘De tuin van Ravenspark is ook prachtig,’ stelde Sara vast en ze voelde dat ze onwillekeurig bloosde.

‘Gaan jullie nu maar gauw, dan hebben jullie een lange middag,’ stelde Mrs. van der Linden vast. ‘Ik ga eerst rusten en dan moet ik nog een paar brieven schrijven. Jullie hoeven je dus niet te haasten.’ Na die woorden keerde ze zich om en liep over het gazon terug naar het huis.

‘Klaar?’ vroeg Carl aan Sara.

Ze knikte en liep met hem mee naar de glanzende witte auto. Hij hield het portier voor haar open en sloot het weer zodra ze was ingestapt. Even later reden ze door de schaduwrijke laan weg. Na korte tijd hadden ze de bewoonde wereld al verlaten en Sara kon genieten van het uitzicht over de blauwe zee. Langs de kust lagen hier en daar kleine huizen tussen de bosjes en verder naar het Oosten tekenden de beboste heuvels zich tegen de horizon af. Het leek net een schilderij van een Hollandse schilder.

‘Het is net een tafereel van Hobbema, vind je niet?’ vroeg ze.

Hij keek haar verrast aan. ‘Het is grappig dat je dat zegt. Dat heb ik ook altijd gedacht,’ antwoordde Carl. ‘Je kunt het hele landschap op zijn schilderijen terugvinden. Ik mis alleen een molen.’ Hij liet zijn blik ronddwalen. ‘Ik wist niet dat je belangstelling had voor Hollandse schilders,’ merkte hij op.

‘Ik heb hun schilderijen wel eens op tentoonstellingen gezien en vooral de werken van Hobbema zijn me toen opgevallen. Zijn doeken zijn zo vredig...’

Hij glimlachte vaag. ‘Dan zijn wij het daarover tenminste eens,’ stelde hij vast. Hij zweeg. ‘Jij hebt het wel vaker over vrede en rust. Kun je die dingen hier vinden?’ vroeg hij.

‘Ja, bij je moeder wel,’ gaf ze toe.

‘Je bent dus blij dat je bij haar bent gaan logeren?’

‘Zeker, je moeder is een volmaakte gastvrouw en ze heeft me net zo hartelijk ontvangen, als jij me al had voorspeld,’ gaf Sara toe.

‘Moeder geniet echt van je bezoek. Ze zei al dat ze je wilde uitnodigen om nog eens terug te komen.’

Sara zweeg even terwijl ze over de kustweg reden tot ze bij het strand waren, waarin een beschutte baai een parkeerplaats was aangelegd. Er waren een paar badhokjes waarin de zwemmers zich konden verkleden. Sara trok zich in een badhokje terug. Ze voelde zich niet helemaal op haar gemak. Sinds ze Ray had leren kennen, was ze nooit meer met een andere man uitgegaan. Ze begon het een prettig vooruitzicht te vinden de hele middag met Carl op het strand door te brengen.

Ze trok haar badpak aan en kwam met een bontgekleurd badlaken het hokje weer uit. Ze merkte dat Carl vol belangstelling naar haar keek en haar hart begon opeens vreemd te bonzen.

‘Ik zie dat je al een beetje bruin bent geworden,’ stelde hij vast.

Ze gingen zwemmen en genoten van de kalme zee. De hemel was helderblauw met hier en daar een donzig wolkje. Sara liet zich op haar rug drijven, zette alle problemen van zich af en ontspande zich.

Toen ze later met Carl het water uitkwam, was ze zo ontspannen dat ze niet eens een vijandige houding tegenover hem had kunnen aannemen, zelfs al zou ze dat hebben gewild.

‘Geniet je echt een beetje van je vakantie, Sara?’ vroeg Carl en ze vond dat zijn stem bijna bezorgd klonk. Dat begreep ze niet. Dat paste helemaal niet bij de opmerking die hij over haar had gemaakt.

‘Ja, ik heb het hier heerlijk,’ bekende ze nadat ze was gaan zitten en de armen om haar opgetrokken knieën sloeg.

Carl was languit in het zand gaan liggen en met een zijdelingse blik zag Sara, dat zijn lange lichaam bruin en gespierd was. Ze vergeleek hem even met Ray die weliswaar ook knap was, maar zijn gezicht vertoonde niet de trekken van een sterk karakter, wat bij Carl wel het geval was. Ray had mooie ogen met lange wimpers, maar zijn blik was niet zo openhartig als die van Carl.

Ze schrok op uit haar gedachten toen Carl haar vroeg waar ze nu aan dacht. Hij richtte zich op en keek haar met gefronste wenkbrauwen aan. ‘Ik kon wel aan je gezicht zien dat je niet aan prettige dingen dacht.’

Sara bloosde en zocht snel naar een antwoord, maar het lukte haar niet iets te verzinnen, zodat ze glimlachend zei, dat het alleen haar aanging, wat ze dacht. ‘Het wordt trouwens tijd om terug te gaan,’ voegde ze er aan toe. ‘We zijn al uren weg.’

‘ Je praat dus liever over iets anders, hè? Moeder zei toch al dat we ons niet hoefden te haasten! Maar goed, als je genoeg hebt van mijn gezelschap, dan gaan we wel.’ Zijn gezicht stond plotseling nors.

‘Dat is het niet,’ ontkende Sara snel. ‘Ik begrijp niet waarom je dat zou denken.’

Ze keek hem aan en wachtte op zijn antwoord. ‘Weet je wel zeker dat je weg wilt?’ vroeg hij.

Ze schudde meteen haar hoofd omdat zijn blik weer wat vriendelijker was geworden. ‘Eigenlijk niet,’ gaf ze toe. ‘Het is hier heerlijk!’

‘Je bent wél wispelturig,’ liet Carl zich ontvallen. ‘Waarom weet een vrouw toch nooit wat ze wil?’

Sara lachte. ‘Probeer jij mijn karakter nu ook al te analiseren?’ vroeg ze.

‘Aha, moeder is dus met jou bezig geweest, hè?’ vroeg hij geamuseerd. ‘Ik heb je gewaarschuwd! Ik wed dat ze heel wat over je karakter te weten is gekomen, zonder dat jij daar iets van hebt gemerkt.’

‘Ik heb het wel gemerkt,’ stelde Sara vast, ‘maar ik kon er niets tegen doen. Ik had haar vragen al beantwoord voor ik me herinnerde dat ik voorzichtig had willen zijn.’

‘Dus dat had je je dan wel voorgenomen?’

‘Natuurlijk! Jij had toch al verteld dat je moeder zou proberen mijn karakter te analiseren.’

Hij keek haar doordringend aan. ‘Ik ben benieuwd wat ze over je te weten is gekomen. Ik moet het haar toch eens vragen.’

‘Ik heb het gevoel dat ze een betere indruk van me heeft gekregen dan jij,’ merkte Sara op.

Carl trok zijn wenkbrauwen op. ‘Hoe weet je wat voor indruk ik van jou heb gekregen?’ wilde hij weten.

Even kreeg ze de neiging om hem te vertellen dat ze het gesprek tussen hem en zijn moeder had opgevangen, maar ze hield haar mond. Ze had trouwens geen zin om een prettige middag te bederven. ‘Misschien heb ik wel gevoeld dat je geen hoge dunk van me hebt,’ gaf ze glimlachend toe.

Het bleef even stil. ‘En misschien heb je je wel volkomen vergist, Sara,’ antwoordde hij koeltjes.

Ze keek hem verwonderd aan. ‘Ik heb juist een hoge dunk van je,’ merkte hij langzaam en duidelijk op.

‘Een hoge...?’ Ze staarde hem ongelovig aan, wat geen wonder was omdat ze weer aan het afgeluisterde gesprek moest denken. ‘Dat geloof ik gewoon niet.’

Carl keek haar op zijn beurt verbaasd aan. ‘Wel, je bent in elk geval eerlijk. Je noemt me dus een leugenaar?’ Hij leek boos maar hij wist zijn gevoelens goed te beheersen. Sara veronderstelde dat in zijn hele leven niemand hem ooit een leugenaar had durven noemen.

‘Ik weet toevallig heel zeker dat je beslist geen hoge dunk van me hebt,’ zei ze ernstig. ‘Vraag me niet hoe ik dat weet, want dat kan ik je niet vertellen. Het is voldoende, dat ik het bewijs heb gekregen dat mijn veronderstelling juist was...’

‘Bewijs?’ viel hij haar in de rede. ‘Wanneer was dat dan?’

‘Vandaag! Ik ben echter niet van plan er nog meer over te vertellen, dus we kunnen het onderwerp beter laten rusten.’ Haar stem klonk smekend.

‘Ik denk er niet aan. Nee, meisje, dat zul je moeten uitleggen en wel... meteen!’

Sara raakte in verlegenheid bij de gedachte te moeten bekennen dat ze zijn gesprek had afgeluisterd, ze slikte eens krampachtig en toen ze naar hem keek, zag ze wel dat hij zou blijven aandringen tot hij alles precies wist.

Ze kreeg een kleur en vertelde hem dat ze had gehoord hoe hij tegen zijn moeder had gezegd, dat Irma het volgens hem niet makkelijk had met haar zuster. ‘Daardoor heb je wel bewezen dat je geen hoge dunk van me hebt,’ besloot ze.

Het bleef lang stil. Sara voelde de bries langs haar verhitte wangen strijken. Het bleef zo lang stil dat ze uiteindelijk het hoofd ophief en hem aankeek, maar ze wendde haar blik direkt weer van hem af toen ze zag hoe streng en hard zijn ogen stonden. Toen hij eindelijk de stilte verbrak, klonk zijn stem vriendelijker dan ze had verwacht.

‘Ik moet je een kompliment over je zelfbeheersing maken, Sara. Elke andere vrouw zou er direkt over zijn begonnen en had me dan waarschijnlijk ook dadelijk gezegd hoe ze over me dacht. Jij zweeg echter. Omwille van mijn moeder, veronderstel ik?’

Sara knikte en keek hem vragend aan. ‘Ben je niet kwaad omdat ik ben blijven luisteren?’

‘In zekere zin ben ik blij dat je dat hebt gedaan, want het betekent dat we tenminste openhartig met elkaar kunnen praten. Om te beginnen, nieuwsgierig Aagje, moet ik wel zeggen, dat als je al een gesprek afluistert, je dat maar beter goed kan doen. Je hebt namelijk een paar woorden niet verstaan en juist daardoor kan een hele zin veranderen. Ik zei letterlijk: “In het begin dacht ik, volgens mij heeft Irma het niet makkelijk met haar zuster.” Ik voegde er echter aan toe dat ik nu vond, dat Irma van geluk mocht spreken omdat jij haar wilde verzorgen.’

Sara staarde hem met grote ogen aan. ‘Ik heb het dus toch niet goed begrepen?’ vroeg ze tenslotte stamelend. ‘Het spijt me... ik had niet zo voorbarig een konklusie mogen trekken.’

‘Dat klopt,’ gaf hij toe, ‘dat had je niet mogen doen.’

Sara slikte eens. Hij had dus de waarheid gesproken en ze had hem nog wel een leugenaar genoemd.

‘Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik voel me nogal dwaas,’ bekende ze.

Ze keek hem wat angstig aan, maar tot haar grote verbazing glimlachte hij plotseling en toen hij sprak, klonk zijn stem kalm en vriendelijk. ‘Zullen we het dan maar vergeten, Sara? Er zijn nu eenmaal ogenblikken die beter vergeten kunnen worden, hè?’

Sara knikte en vroeg zich af, of hij bij die woorden soms ook dacht aan dat andere ogenblik, dat ze maar beter konden vergeten. Hij wachtte kennelijk op een antwoord en ze knikte weer, maar nu kon ze tenminste glimlachen. ‘Inderdaad, bepaalde momenten kunnen maar beter worden vergeten.’