HOOFDSTUK 3
Nog geen uur later voelde Sara zich heel wat meer op haar gemak toen ze de badmantel van Carl had verwisseld voor haar eigen kleren. Ze zat tegenover hem aan tafel te eten. Het gesprek over Irma was afgebroken was komen zeggen dat de kleren van Sara gewassen en gestreken in de garderobe waren gelegd.
Sara was maar al te blij geweest om te kunnen ontsnappen aan het gezelschap van Carl, vooral omdat ze vermoedde dat hij haar nog verschillende vragen had willen stellen. Ze nam er dan ook alle tijd voor om zich aan te kleden. Ze kamde het nog steeds vochtige haar opnieuw, maar haar gezicht was bleek toen ze zich ten slotte weer in de zitkamer bij Carl voegde. Hij had haar even aangekeken en kennelijk het besluit genomen de kwestie van Irma maar even te laten rusten.
Even later waren ze naar de eetkamer gegaan waar een heerlijke maaltijd werd opgediend, die bestond uit soep, een gegrilde biefstuk met champignons en een pikante saus. Carl had beloofd dat hij, als het noodweer nog lang zou duren, Paolo naar de farm zou sturen om Ray te zeggen waar Sara was. Ze bedankte hem, maar zei er verder niets over. Ze voelde er weinig voor om over Ray te praten, omdat ze bang was dat hij iets van haar gevoelens voor haar zwager zou merken.
De hele middag bleef het noodweer voortduren en om half vijf werd Paolo naar Ray gestuurd met de boodschap, dat Sara op Ravenspark was en dat ze waarschijnlijk niet voor de volgende middag naar huis zou kunnen terugkeren. Sara had daar tegen willen protesteren, maar ze zweeg uiteindelijk omdat ze geen andere keus had dan zich neer te leggen bij de besluiten die Carl nam.
‘Ik bezorg je wel veel last,’ zei ze verontschuldigend. ‘Als ik niet naar de stad was gegaan...’ Ze maakte een hulpeloos gebaar. ‘Het heeft weinig nut als ik nu zeg, dat het me spijt.’
‘Het geeft niets,’ antwoordde Carl droog. Ze waren in de zitkamer. Sara stond voor het raam en keek met gefronste wenkbrauwen naar buiten. Carl had een stapel papieren van zijn bureau genomen en zat die op de bank te bestuderen. Even later keerde Sara zich om en zag dat Carl de papieren weer naast zich had neergelegd. Ze besefte werktuigelijk dat Carl weer over Irma wilde beginnen en probeerde dat te voorkomen. ‘Is het hier vaak zulk noodweer?’ vroeg ze.
‘Het is jaren geleden dat het zo erg is geweest als nu. Er zal veel schade worden veroorzaakt, niet alleen aan de planten maar ook aan de gebouwen. Ik ben bang dat de schuren van Ray nu al erg beschadigd zullen zijn.’
‘Hij zei laatst al dat een of twee van de daken nodig hersteld moesten worden,’ knikte ze. Zuchtend stelde ze vast, dat Ray al genoeg problemen had, zonder dat er dingen op de boerderij mis zouden gaan.
‘Dat gold in elk geval voor het dak van de melkerij. Dat werd met stenen van verschillende grootte op zijn plaats gehouden.’
‘Wat was die oom van Ray voor een man?’ vroeg Sara nieuwsgierig.
‘Een aardige kerel, maar een goede boer was hij niet.’
Deze opmerking stoorde Sara. Het was weer echt iets voor die hooghartige Carl om zo neer te kijken op de misschien wanhopige pogingen van een ander. Hij scheen te vergeten dat de hoge opbrengst van zijn bezittingen voor een groot deel te danken was aan de opmerkelijke deskundigheid waarmee zijn boerderij werd geleid.
‘Ik hoop maar dat de schade Ray niet al te veel onkosten zal bezorgen,’ zei ze met nauwelijks bedwongen wrevel.
‘Hij zal de schade waarschijnlijk wel zelf met de hulp van zijn arbeiders kunnen herstellen. Als dat niet het geval mocht zijn, stuur ik hem wel een paar van mijn mensen die met dat soort dingen meer ervaring hebben,’ antwoordde Carl koeltjes, maar hij keek haar toch strak aan alsof hij wat meer dan gewone belangstelling voor haar had.
‘Dat is erg vriendelijk van je,’ mompelde Sara. ‘Je hebt veel voor Ray gedaan.’
Hij glimlachte spottend. ‘Wat ben je opeens beleefd!’
‘Ik ben tenslotte een gast van je,’ legde ze uit.
‘Ja, al is het met tegenzin. Ik hoop dat de beproeving niet al te groot voor je is,’ antwoordde hij.
Ze kreeg een kleur en wilde dat ze hem eens goed op zijn nummer kon zetten. Ze was echter wel gedwongen beleefd te blijven, hoewel ze zich afvroeg hoe lang ze dat zou kunnen volhouden als hij zo met haar bleef spotten.
‘Ik geloof dat je je vergist,’ merkte ze op. ‘De kwestie is niet dat ik me hier niet op mijn gemak zou voelen, maar ik blijf me bewust van het feit dat ik je last bezorg.’
Carl keek haar smalend aan. ‘Je, pijnlijk bewust,’ verbeterde hij haar.
Ze hief haar kin in de lucht. ‘Die opmerking was volkomen overbodig,’ stoof ze op.
‘Ik ging alleen maar af op de uitdrukking van je gezicht,’ zei hij en zijn stem was al even spottend als zijn blik.
‘Van mijn gezicht is dacht ik geen pijn af te lezen!’
‘Je kunt je eigen gezicht nu niet zien,’ merkte hij op. ‘Ik wel! En je ziet er werkelijk uit alsof je je op een pijnlijke manier in verlegenheid voelt gebracht.’
Ze vroeg zich af of hij haar soms alleen maar plaagde. Tot dan toe had hij haar nog nooit eerder geplaagd. ‘Ik begrijp niet wat je bedoelt,’ zei ze tenslotte op klaaglijke toon. ‘Je spreekt in raadsels.’
De bruine ogen waren ondoorgrondelijk. Het leek wel alsof zijn gedachten even afdwaalden... en Sara had het onbehaaglijke gevoel, dat Irma daar op de een of andere manier iets mee te maken had. Ze zag dat zijn gezicht even verstrakte. Wat dacht hij nu eigenlijk? Ze herinnerde zich wat ze net had gezegd: dat ze hem niet begreep en dat hij in raadsels sprak. Ze moest er ook opeens aan denken dat hij in verband met de toestand van Irma had gezegd, dat ze wellicht zelfmoord zou kunnen plegen, als haar leven ondraaglijk werd.
Sara begreep het opeens. Ze wist wat Carl dacht. Hij had ook aan die opmerking moeten denken en hij had verondersteld, dat ze hem niet had begrepen. Ze had echter heel goed geweten wat hij eigenlijk bedoelde. Hij vond dat het haar schuld was dat Irma zo piekerde, hij had haar gewaarschuwd, dat als haar zuster zelfmoord zou plegen, Sara daarvan de oorzaak zou zijn.
Ze zuchtte eens. Carl keek haar aan. Ze wist dat ze bleek moest zijn geworden. Ze zag dat zijn blik van haar gezicht naar haar nog vochtige haren dwaalde. Hij scheen te beseffen dat ze zich niet op haar gemak voelde en opeens maakte hij de luchtige opmerking, dat het noodweer nu toch eindelijk wat minder scheen te worden.
‘Maar je kunt in geen geval vanavond naar huis terug,’ voegde hij er aan toe, zodra hij een hoopvolle blik van Sara opving. ‘Het gaat niet om de regen, maar om de toestand van de weg.’
‘Ja, natuurlijk...’ Ze keek naar buiten. Het begon donker te worden en de kleuren in de tuin vervaagden. ‘Duurt het lang voor alles na de storm weer is opgedroogd?’ Ze keek hem weer aan. ‘Sinds ik hier ben, heb ik zo iets nog niet meegemaakt. Normaal verdampt het water meteen zodra het niet meer regent en in minder dan geen tijd is het overtollige water dan verdwenen.’
‘Dat zal ditmaal veel langer duren, vooral op de weg hier, die in een flinke bui al heel gauw onbegaanbaar wordt.’
Sara beet op haar onderlip. ‘Maar ik kan morgen toch wel terug?’ ‘Dat geloof ik wel.’
‘En onze wagen?’
‘Maak je daar maar niet ongerust over. Mijn mensen hebben de wagen gauw genoeg weer uit de modder getrokken.’
‘Zou er niets beschadigd zijn?’ Hij was wel erg diep in de modder gezakt.’
‘Dat zullen we moeten afwachten, maar daar hoef jij je niet druk over te maken,’ zei hij achteloos. ‘Ik breng je wel thuis en de rest moet je maar aan Ray overlaten.’
Ze spraken verder over koetjes en kalfjes en Sara vroeg zich af of het gesprek Carl net zo verveelde als haar. Anna, een van de dienstmeisjes had haar al eerder die dag een erg mooie kamer aangewezen die in duifgrijze met lila tinten was ingericht. Sara had de goede smaak van een vrouw herkend. Omdat haar gedachten naar de slaapkamer waren afgedwaald, wachtte Sara een geschikt ogenblik af om een eind aan het vervelende gesprek te maken door te vragen, of ze een uurtje kon gaan rusten omdat ze hoofdpijn had. Dat was weliswaar een leugentje, maar ze durfde het best te beweren, omdat ze ervan overtuigd was dat Carl haar maar al te graag een tijdje kwijt wilde zijn. Ze bedacht dat ze nooit goed met hem zou kunnen opschieten, ze hadden nu eenmaal niets gemeen...
Toen ze wat later naar haar kamer ging, bedacht ze dat ze toch wel iets met Carl gemeen had: de belangstelling voor het welzijn van Irma. Ze vroeg zich weer af, waarom Carl zo’n belangstelling voor haar zuster kon hebben. Het zou nog begrijpelijk zijn als hij een oude vriend van Ray was geweest, maar ze kenden elkaar niet langer dan vijf maanden. Het was Sara een raadsel en ze ergerde zich omdat ze de kennelijke bezorgdheid van Carl voor haar zuster niet begreep. Hij toonde een interesse die verder ging dan de wat onpersoonlijke belangstelling van een buurman.
‘Die man is een raadsel,’ mompelde ze boos. ‘Ik wilde maar dat ik hem beter begreep!’
Ze zette die gedachte maar liever van zich af en ging de aangrenzende badkamer in, waar een kleurschema van mauve tinten was aangehouden. Het ovale bad was in de vloer verzonken en de kranen en handdoekenrekken waren van goudkleurig metaal. Een grote ovale spiegel nam bijna een hele wand in beslag, terwijl een andere bedekt was door een tegeltableau van een tafereel onder water, met koralen, zeedieren en bontgekleurde vissen.
Weer herkende ze de hand van een vrouw. Het moest wel iemand met een heel goede smaak zijn geweest. Zijn moeder misschien? Sara schudde het hoofd en veronderstelde dat zijn ouders wel overleden zouden zijn. Een zuster dan? Wat wist ze eigenlijk weinig van hem af?
Ze bukte zich en draaide de kranen open. Ze zag dat er op een glazen blad boven de wastafel badzout, toiletpoeder en shampoo van een erg duur merk stonden. Ze veronderstelde dat ze alles wel mocht gebruiken, maar toch aarzelde ze even. Toen ze wat later echter in het warme en geurige water lag, kreeg ze weer datzelfde behaaglijke gevoel dat ook beneden in de garderobe over haar was gekomen. Dit was een vredig huis. Er heerste een sfeer die haar op haar gemak stelde. Dat was ook het geval geweest in het huis waar ze als partikulier verpleegster had gewerkt. Ze zuchtte eens en dacht wat weemoedig aan de goede en makkelijke baan die ze had opgegeven. De dame die ze had verpleegd had haar vaak kleine geschenken gegeven als blijk van haar waardering. Ze had zelfs nu nog flesjes parfum en kanten zakdoekjes die ze van haar patiënte had gekregen.
Sara had altijd geprotesteerd tegen die geschenken, maar later was ze pas gaan beseffen dat het de zieke dame echt plezier had gedaan het meisje af en toe iets te geven.
Ze zuchtte weer en besefte dat ze eenvoudig geen ander besluit had kunnen nemen. Irma had haar nodig gehad en daarom was ze nu hier. Ze was uit liefde en plichtsgevoel hierheen gekomen en ondanks haar gevoelens voor Ray, wist Sara dat ze geen spijt had van haar besluit.
Hoe moest alles nu verder? De problemen leken groter dan ooit nu Irma was gaan piekeren. Toch had Sara het gevoel dat er een oplossing voor de moeilijkheden moest bestaan. Ze was nooit erg pessimistisch geweest omdat dat nu eenmaal geen nut had. Ze bekeek alles van de rooskleurige kant en ze kon zich nu al voorstellen dat er een geneeswijze gevonden zou worden, waardoor haar zuster in elk geval haar bed kon verlaten zodat ze niet langer dag in dag uit datzelfde uitzicht zou hoeven te zien. Ze moest proberen Irma er zo gauw mogelijk van te overtuigen dat ze toch eens moest proberen aan een rolstoel te wennen. Ze zou zich dan door het hele huis kunnen bewegen en allerlei dingen weer zelf kunnen doen.
‘Als we dat voor elkaar krijgen, zal Irma niet meer aan slaaptabletten denken of aan nog ergere dingen,’ mompelde Sara hardop. Ze lag nog steeds ontspannen in het bad en genoot van het feit dat ze even alleen en zichzelf kon zijn.
‘Het is ook echt nodig om af en toe alleen te zijn,’ had de patiënte die ze in Engeland had verpleegd, haar eens gezegd. ‘We moeten eens kunnen nadenken en dat gaat het beste als je alleen bent. Ik heb me mijn hele leven al aangewend om elke dag minstens één uur alleen te zijn.’
Ja, het was inderdaad prettig om alleen te zijn. Sara bleef zo lang mogelijk in het bad en toen ze ten slotte uit het water stapte, haastte ze zich helemaal niet met aankleden. Ze begreep dat ze die avond met Carl aan tafel zou zitten en ze wilde dat ze wat anders had om aan te trekken dan haar spijkerbroek en die witte blouse.
Ze maakte zich een beetje op en keek peinzend naar haar spiegelbeeld. Haar gedachten dwaalden af naar Irma die veel knapper was dan zij. Ray was volkomen van de kaart geraakt zodra hij Irma zag en dat was geen wonder. Irma had altijd al meer vrienden gehad dan Sara. Ook in haar werk bij een grote verzekeringsmaatschappij was ze veel met jongelui in aanraking gekomen. Sara had eerst in een ziekenhuis gewerkt en zich toen laten overhalen partikulier verpleegster te worden. Van die beslissing had ze gelukkig nooit spijt gekregen.
De taak had haar echter zo in beslag genomen, dat er weinig tijd was overgebleven om eens uit te gaan. Dat kon Sara alleen tijdens haar vrije dagen of in de vakantie doen. In die tijd nam een andere verpleegster dan het werk van Sara over, zodat Sara haar patiënte met een gerust hart kon achterlaten om te gaan logeren bij Irma in het huisje, dat ze had geërfd van een oom. Irma was zijn lievelingsnicht geweest en hij had haar het huisje nagelaten en aan Sara een klein legaat gegeven.
Tijdens een van die bezoeken was Sara gaan beseffen hoe mooi haar zuster eigenlijk was. Bij elke gelegenheid dromden de jongelui om Irma heen en ze kon zoveel afspraken maken als ze maar wilde. Ze had echter nooit serieuze belangstelling voor een man gehad, voor ze kennis had gemaakt met Ray. Het was van beide kanten liefde op het eerste gezicht geweest en al had het Sara veel verdriet gedaan, ze had moeten toegeven dat Ray en Irma voor elkaar geschapen leken.
Ze herinnerde zich nog de plechtigheid in de kerk, waar iedereen vol bewondering naar de stralende bruid aan de arm van haar knappe bruidegom had gekeken. Niemand had de zuster, die als bruidsmeisje optrad, een blik waardig gekeurd, niemand had gezien hoe ongelukkig Sara toen was geweest. Sara had dapper geglimlacht toen er foto’s werden gemaakt en niemand had kunnen vermoeden dat die dag het hart van Sara was gebroken.
Carl was niet in de zitkamer toen Sara beneden kwam. Daar was ze blij om. Het was een beproeving om een beleefd gesprek te moeten voeren met iemand aan wie je feitelijk een hekel had. Ze hoopte dat hij uit de buurt zou blijven tot ze aan tafel konden gaan en na de maaltijd zou ze hem welterusten zeggen en naar bed gaan.
Ze liep naar het raam en stelde tot haar grote opluchting vast, dat het niet meer regende. Het was echter helemaal donker geworden zodat ze niets meer kon zien buiten de lichtkringen van de lampen die langs het dak van het huis waren bevestigd. Ze keek naar een uitbouw en besefte dat dat de eetkamer moest zijn, die aan de oorspronkelijke boerderij was toegevoegd. De kamer had grote ramen met witte luiken. Langs de zijkant liep een veranda die begroeid was met klimplanten. Vernuftig verborgen lampen wierpen een getint licht op de veranda en de ranken van de klimplanten. In sierpotten stonden lelies en andere bloeiende planten die Sara van die afstand niet goed kon onderscheiden.
Plotseling hoorde ze zachte voetstappen achter zich en Sara keerde zich snel om. Carl was de kamer binnengekomen en stond nu bij de schoorsteenmantel. Hij nam haar onderzoekend op en zag blijkbaar wel dat ze echt haar best had gedaan om zo goed mogelijk voor de dag te komen. Hij had zich verkleed en droeg nu een bruin linnen pantalon met een wit overhemd en een das waarop een wapen was geborduurd. Hij had blijkbaar rekening gehouden met het feit dat zij zich niet had kunnen verkleden en onwillekeurig keek ze hem dankbaar aan. Hij glimlachte.
‘We kunnen over een halfuur eten. Wil je soms iets drinken?’
‘Ja, graag,’ antwoordde Sara opeens verlegen. ‘Een glas sherry, alsjeblieft.’
Toen hij naar de kast liep om de glazen in te schenken, keek Sara peinzend naar hem. Ze moest bekennen dat hij een knappe man was, maar bij uitzondering ergerde dat haar ditmaal niet zoals anders.
Hij reikte haar een mooi kristallen glas aan. Ze bedankte hem glimlachend. Dat halfuurtje voor het eten werd misschien toch niet zo vervelend als ze had verondersteld, dacht ze.