HOOFDSTUK 2

 

 

 

Toen ze met het theeblad terugkwam in de kamer, was Carl daar nog steeds alleen. Hij stond voor het raam naar buiten te staren maar keerde zich om toen hij haar voetstappen hoorde en ging onverschillig zitten, alsof hij vond dat hij uit beleefdheid wel een kopje thee moest drinken nu Sara thee had gezet.

‘We krijgen een flinke bui,’ merkte hij op. ‘Het zal goed voor het land zijn, maar voor heel wat bloemen in de tuin zal het wel het einde betekenen.’

‘Ja, jammer! Zoveel bloemen hebben we hier niet. Kunnen we ze niet op de een of andere manier beschermen?’

‘Een heg om de tuin zou de bloemen tegen de regen- en windvlagen kunnen beschutten, maar zelfs dat zou niet veel helpen.’

‘Sara schonk de thee in en reikte Carl zijn kopje aan. Hij bedankte haar koeltjes. Sara vroeg zich af wat er nu in hem om zou gaan. Ze herinnerde zich dat Irma had gezegd, dat hij waarschijnlijk wel zou hebben gemerkt dat Sara verliefd was op haar zwager. Sara begreep dat niet. Ze had zo haar best gedaan haar gevoelens verborgen te houden. Als Carl wèl iets had gemerkt, zou het Ray dan ontgaan zijn, vroeg ze zich af.

Was ze maar niet hierheen gekomen! Ze had spontaan gereageerd op het verzoek van haar zuster en geen ogenblik nagedacht over de problemen waarin zijzelf verzeild kon raken.

Het bleef een tijdlang stil in de kamer, maar toen merkte Carl tenslotte op dat hij onlangs een paar lange gesprekken met Irma had gevoerd. Zijn stem klonk streng en Sara merkte dat hij zijn woorden zorgvuldig koos.

‘Die ene keer was afgelopen maandag, toen jij voor Ray kunstmest was gaan halen in Paulsville,’ ging Carl door. ‘Volgens mij moet je zuster goed in het oog worden gehouden. Die neerslachtige buien zijn gevaarlijk.’

‘Ik probeer altijd haar er weer overheen te helpen,’ zei Sara.

Carl fronste zijn wenkbrauwen, maar voor hij verder kon gaan, kwam Ray de kamer in. Carl keek snel van hem naar Sara. Ze voelde dat ze een kleur kreeg.

‘Schenk zelf maar een kopje thee in,’ zei ze tegen Ray. ‘Ik ga weer naar Irma toe.’ Ze was kwaad op hem omdat hij haar zuster weer alleen had gelaten.

‘Ze wil een dutje doen. Ze vroeg om een slaaptablet,’ zei Ray.

‘Dat heb je haar toch niet gegeven? Ze neemt al veel te veel slaaptabletten in...’ Sara schudde haar hoofd. ‘Als ze nu een tablet inneemt, doet ze vannacht geen oog dicht.’ Ze keerde zich snel om en liep naar de deur. Ze had wel gezien hoe aandachtig Carl naar haar had gekeken. Het was wel duidelijk dat hij grote belangstelling voor Irma had en Sara vroeg zich af, waarom dat feit haar zo ergerde. ‘Ik ga toch maar even naar haar toe.’

Ray wilde al protesteren maar bedacht zich. ‘Wil je Makau room laten halen?’ vroeg hij. ‘Irma wil vanavond kipsalade en fruit met room toe, dus dat eten wij dan ook maar.’

Sara knikte en ging naar Irma toe. De grote kamer had een eigen veranda en er was onlangs een groter raam in gemaakt, zodat Irma een beter uitzicht had als ze rechtop in bed zat. Sara had allerlei bloeiende planten in potten op de veranda neer laten zetten en een roze bougainvillea aan de rand ervan geplant, die een weelde van bloemen zou gaan geven.

‘Ray zegt dat je een dutje wilt doen,’ zei Sara en ze keek even naar haar zuster die er nogal bleek en lusteloos uitzag.

‘Als ik slaap, weet ik van niets meer. Het is heerlijk om alle narigheid even te kunnen vergeten...’

Sara kromp even ineen. ‘Zeg zulke dingen toch niet,’ smeekte ze. ‘Je weet toch dat de medische wetenschap steeds verder vooruitgaat. Ik blijf hopen dat je eens weer zult kunnen lopen.’

‘Jij hebt alles altijd van de rooskleurige kant bekeken,’ viel Irma ongeduldig uit.

‘Ik ga nu eenmaal liever niet bij de pakken neerzitten,’ gaf Sara toe.

Irma keek loom naar haar op. ‘Jij zou dus je best doen om weer te leren lopen, als je in mijn plaats was?’ Moeizaam probeerde ze rechtop te gaan zitten. Sara keek peinzend naar haar zuster en vermoedde dat Irma langzamerhand zoveel slaappillen innam, dat ze bijna geen uitwerking meer hadden. ‘Dat weet ik niet...’ antwoordde Sara weifelend. ‘Het is misschien nu nog te vroeg, maar als je weer wat sterker bent...’ Ze begreep niet dat Irma de hoop scheen te hebben opgegeven dat ze ooit haar bed zou kunnen verlaten. ‘In elk geval zou ik er nooit in kunnen berusten,’ ging Sara door, ‘voor de rest van mijn leven een...’

‘Zeg dat woord niet! Ik kan het niet aanhoren! Jij zou niet berusten, hè? Ja, jij hebt makkelijk praten. Jij ligt niet hier en jij hebt de dokter niet tegen je man horen zeggen dat er geen hoop op verbetering bestond.’

‘De dokter had dat niet mogen zeggen, als jij het kon horen,’ merkte Sara verontwaardigd op.

‘Ik wilde het weten! Ik ben heus niet laf, al schijn jij dat te denken!’

‘Dat heb ik nooit gedacht!’ zei Sara vriendelijk. ‘Ik vind je juist erg flink, omdat je maar zelden zo neerslachtig als nu bent.’

Het bleef even stil. ‘Ik zei het je wel. Ray wilde niet bij me blijven,’ merkte Irma gesmoord op.

‘Je weet toch dat Carl hier is, Irma. Ray vond natuurlijk dat hij zijn bezoeker niet al te lang alleen mocht laten.’

‘Jij had toch bij Carl kunnen blijven! Maar je mag hem niet, hè?’ vroeg Irma.

‘Dat geef ik toe,’ zei Sara kalm. Ze keek naar buiten waar de lucht opeens donker was geworden en een eerste bliksemflits het noodweer aankondigde.

‘Waarom zijn we ooit hierheen gekomen!’ riep Irma uit. ‘Kijk toch eens, wat een noodweer!’ Er was een stortbui losgebarsten. ‘Als we in Engeland waren gebleven, zou ik nooit dat ongeluk met de auto hebben gekregen! Ga liever weg, Sara en laat me slapen!’

‘Maar, Irma...’

‘Ga toch weg!’

Sara kreeg tranen in haar ogen en keerde zich blindelings om. Kon er toch maar iets voor Irma worden gedaan. Op de gang liet Sara haar tranen de vrije loop. Ze voelde zich zo hulpeloos. Kreeg Irma maar wat meer belangstelling voor alles, dan zou ze minder piekeren. Ze las alleen maar een beetje en verder lag ze voor zich uit te staren. Ze eiste dat Ray uren bij haar bleef zitten terwijl ze wist dat dat nu eenmaal onmogelijk was. Hij bracht weliswaar zijn avonden bij Irma door, maar de zieke vrouw klaagde de laatste tijd, dat Ray zo’n hele avond bijna niets tegen haar zei. Sara droogde haar tranen en bedacht dat de toestand wellicht beter kon worden als er wat spelletjes in huis waren. Vroeger had ze vaak met Irma geschaakt en gekaart.

Opeens knikte ze vastbesloten en liep naar haar kamer. ‘Ja, dat is een idee,’ mompelde ze. ‘Ik ga meteen naar Paulsville om het een en ander te kopen.’ Ze verkleedde zich snel in een schone spijkerbroek en een witte blouse, greep haar tas en ging naar de zitkamer terug. ‘Ik ga naar de stad,’ zei ze tegen haar zwager. ‘Ik moet boodschappen doen.’

‘Is het dringend?’ vroeg Ray en hij keek met gefronste wenkbrauwen naar buiten. ‘Dit is niet bepaald geschikt weer voor een ritje. Als de wegen door de regen onder water komen te staan, zou je last kunnen krijgen.’

‘De hoofdweg zal veilig genoeg zijn,’ antwoordde Sara en ze merkte wel dat het Carl niet was ontgaan, dat haar zwager zich kennelijk ongerust over haar maakte. Carl zou dat ongetwijfeld verkeerd opvatten.

‘Tenzij die boodschappen erg dringend zijn, zou ik me maar niet buiten wagen,’ merkte Carl echter op.

Ze keek hem opstandig aan. ‘Die bui drijft wel over,’ antwoordde ze en opende de deur.

‘Mag ik vragen wat je gaat halen?’ vroeg Ray.

‘Dat zeg ik liever niet,’ antwoordde ze over haar schouder. Ze zag dat de ogen van Carl fonkelden. Hij ergerde zich natuurlijk omdat ze niet naar zijn raad wilde luisteren. ‘Ik moet echt gaan,’ voegde ze er aan toe. ‘Ik vind het van belang dat die boodschappen nog vandaag worden gedaan.’

‘Wees dan maar voorzichtig. Eén ongeluk is wel genoeg geweest.’

Het noodweer bleef voortduren, maar omdat het lange tijd droog was geweest, konden de wegen nog goed worden bereden. Tegen de tijd dat Sara in Paulsville was, regende het al niet meer. De lucht bleef echter somber en betrokken, zodat het bijna leek alsof het al schemerde, hoewel het nog ochtend was. Ze zou zelfs nog bijtijds terug kunnen zijn om de lunch klaar te maken, dacht ze, nadat ze de auto had geparkeerd en snel naar de zaak liep, waar ze haar spelletjes hoopte te kunnen krijgen. Ze had geluk. Ze kocht speelkaarten, een schaakspel, een dambord en stenen. Ze ontmoette gelukkig geen kennissen, want ze had geen zin in een babbeltje, omdat ze op tijd voor de lunch terug moest zijn.

Zodra ze weer in de auto was gestapt, barstte een nieuwe stortbui los, die de weg in minder dan geen tijd bijna in een rivier veranderde, zodat de terugrit wel veel moeilijker werd. In de verte zag ze felle bliksemflitsen en de ene donderslag volgde op de andere. Door de slagregen kon ze maar weinig van de weg zien en ze reed zo voorzichtig mogelijk, omdat ze bang was te zullen slippen. De weg was een modderpoel geworden en toen ze bij de laatste afslag was gekomen, moest ze toegeven dat ze toch in moeilijkheden was geraakt. De wielen slipten telkens weer weg, zogen zich vast in de modder die hoog opspatte en Sara kon niet sneller vooruitkomen dan amper tien kilometer per uur.

Ze was nog vijf kilometer van haar doel af, toen de wagen tenslotte bleef steken en wat ze ook probeerde, ze kwam geen centimeter meer verder. De wielen zonken zelfs steeds dieper in de modder weg en uiteindelijk zette ze de motor dan ook maar af. De regen viel als een zilveren waterval om haar heen toen ze uitstapte en ze wankelde even onder de kracht van de felle windvlagen. De dunne regenjas die ze aan had, was tegen zo’n stortvloed niet bestand en binnen een paar seconden was ze doorweekt. Ze had zulk noodweer nog nooit meegemaakt ...

Ze keek wanhopig naar de wielen van de wagen die voor de helft in de modder waren gezakt. Wat moest ze beginnen? Ze zou verder moeten lopen, maar dat was nu niet bepaald een aanlokkelijk vooruitzicht. Ze keek om zich heen en stelde vast dat ze niet ver van Ravenspark af was, de boerderij waarop Carl van der Linden woonde. Ze voelde er echter niets voor om bij hem hulp te gaan vragen dus haalde ze eens diep adem en liep door. Maar toen er weer een felle blauwe straal langs de donkere lucht flitste, keek ze onwillekeurig toch weer om naar het grote huis. Ze voelde dat haar schoenen zich meteen vastzogen in de modder en raakte even in paniek. Ze zuchtte eens en besloot haar trots bij wijze van uitzondering ditmaal maar te vergeten.

Toen ze ten slotte bij de boerderij aanbelde, besefte ze dat ze er niet bepaald op haar best uitzag, maar ook dat kon haar al niets meer schelen. De mening die Carl over haar had, kon trouwens niet eens meer slechter worden. De huisjongen opende de voordeur, maar Carl bleek net in de hal te zijn en hij keek over de schouder van de jongen verbluft naar zijn bezoekster.

‘Het is wel in orde, Paolo,’ zei hij. ‘Kom binnen...’ Hij maakte een uitnodigend gebaar en zonder op of om te kijken, stapte Sara de hal in. Ze had zich haar hele leven nog nooit zo opgelaten gevoeld als nu ze daar doorweekt en met bemodderde schoenen en piekerig haar op de glanzend gewreven vloer stond.

‘Het... het spijt me erg...’ stamelde ze, ‘maar de wagen is in de modder blijven steken. Het is toch niet erg dat ik hierheen ben gekomen? Ik was hier vlakbij...’ De huisjongen had zich teruggetrokken en ze merkte hoe de man tegenover haar, die er onberispelijk uitzag, naar van top tot teen opnam. Ze voelde dat ze een kleur kreeg en ergerde zich omdat ze zich door de verlichte ramen van het grote huis had laten verleiden hierheen te gaan. Ze had beter doornat naar huis kunnen strompelen, dan zou ze zich nu niet zo vernederd hebben gevoeld.

‘Waar staat de wagen?’ informeerde hij terwijl hij de voordeur achter haar sloot.

‘Daar... een eindje verderop,’ wees ze vaag, maar ze kon alleen maar kijken naar de modderpoel om haar voeten die steeds groter werd. ‘Ik had hier niet moeten komen,’ zei ze verontschuldigend. ‘Ik kan maar beter weggaan...’

‘Ik had je toch de raad gegeven niet de deur uit te gaan,’ merkte Carl op. ‘Maar dat doet er nu niet meer toe. Eerst moet je die natte kleren uittrekken.’ Hij wees naar een deur in de hal. ‘Daar is de garderobe met een douchecel waar je handdoeken kunt vinden. Ik zal een badmantel of iets dergelijks halen.’ Hij trok geamuseerd een wenkbrauw op. ‘Alles zal je wel te groot zijn, maar daar moet je maar genoegen mee nemen tot je kleren weer schoon en droog zijn...’

‘Maar ik wil je geen last veroorzaken,’ viel ze hem snel in de rede. ‘Als je me alleen maar thuis zou willen brengen...’

‘Ik ben niet van plan de kans te lopen ook in de modder te blijven steken,’ viel Carl haar onverstoorbaar in de rede. Hij zei het op een toon, alsof hij haar duidelijk wilde maken hoe dwaas en onnadenkend haar opmerking was geweest. ‘Doe nu maar wat ik zeg en trek die natte kleren uit.’ Het klonk zó gebiedend, dat ze zich er aan stoorde. Ze gehoorzaamde echter en liep naar de aangewezen deur. ‘Leg je kleren maar op de gang. Ik laat ze meteen wassen en drogen.’

Sara sprak hem niet meer tegen. Ray had haar verteld dat het huis van Carl van alle denkbare gemakken was voorzien en ze begreep dus wel dat zijn personeel ook over een wasmachine en elektrische droger zou beschikken. Alles zou echter wel tijd kosten en ze maakte zich ongerust over haar zuster. Irma was nu eenmaal gewend dat Sara haar bij het eten bediende en ze zou zich van streek maken als Sadie haar ditmaal hielp. Aan de andere kant zou Ray zijn vrouw misschien uitleggen dat Sara naar de stad was gegaan en niet op tijd terug had kunnen zijn.

Sara kleedde zich huiverend uit. Het was een opluchting om de natte kleren buiten de deur te kunnen leggen en een warme douche te nemen. Ze droogde zich af met een dikke, zachte handdoek en wikkelde daarna een badlaken om zich heen, want ze moest wachten op de badmantel die Carl haar zou lenen. Ze voelde zich behaaglijk na de warme douche en dacht al niet meer aan het noodweer buiten.

Er werd zacht op de deur geklopt en de huisjongen zei dat de badmantel aan de deurknop hing. Ze bedankte hem, opende de deur en pakte de badmantel die van dikke blauwe stof was, aan de hals en mouwen afgezet met frisse witte biezen, Sara trok hem aan en glimlachte omdat ze erin verdronk. Ze bond de ceintuur om haar middel vast en keek eens in de spiegel. Ze zuchtte diep. Ze had een kam nodig. Ze opende de deur van de garderobe en daar stond Carl in de hal, met haar tas in de hand. Ze glimlachtte verrast tegen hem. ‘Dank je,’ mompelde ze toen ze de tas aanpakte. Ze trok zich niet meteen weer in de garderobe terug. Ze zag zijn blik en ze kreeg de indruk dat hij eigenlijk voor het eerst met echte belangstelling naar haar keek. ‘Ik... ik moet mijn haar nog kammen,’ zei ze opeens verlegen.

Hij knikte kortaf. ‘Je kleren zijn al in de was,’ merkte hij op en hij keerde zich al weer van haar af voor ze hem kon bedanken.

Ze kamde het vochtige haar uit en vond de hele toestand maar onwerkelijk. Hier stond ze dan voor het eerst in het huis van Carl, gekleed in niets anders dan de badmantel die hij haar had geleend. Ze kreeg een kleur, maar haalde de schouders op.

Toen ze de zitkamer inging, zat Carl daar achteloos in een tijdschrift te bladeren. De kamer was groot en gerieflijk ingericht door iemand met veel smaak. De muren waren wit en ze ontdekte slechts een of twee schilderijen, die ongetwijfeld goed en waardevol waren. Langs het brede raam dat bijna een hele muur besloeg hingen rode gordijnen van Italiaanse brokaatzijde en de bank en drie leunstoelen waren met dezelfde stof bekleed. Er stonden enkele mooie antieke tafeltjes en op de vloer lagen verschillende mooie Perzische kleden. In een antieke glazenkast stond veel porselein, terwijl op enkele planken in een hoek bij de schoorsteen een verzameling antieke snuifdozen was uitgestald. Carl van der Linden was ongetwijfeld een ontwikkeld man met een geraffineerde smaak. Hij legde het tijdschrift neer en nam haar even op. Hij glimlachte, maar hij zweeg taktvol over de badmantel die haar niet paste en vroeg slechts of ze zich nu weer wat beter voelde.

‘Zeg dat wel! Ik geloof niet dat ik ooit zo doorweekt ben geweest!’

‘Je had dat kunnen voorkomen als je naar mijn raad had geluisterd.’ Hij maakte een uitnodigend gebaar. ‘Ga toch zitten. Ik heb al iets warms voor je te drinken besteld.’

‘Dank je.’

Hij keek haar ondoorgrondelijk aan toen hij opeens over iets anders begon. ‘Ik had het vanmorgen al over je zuster. Weet je wel dat ze bijzonder terneergeslagen is?’

Sara knikte. ‘Dat weet ik zeker. Ik probeer haar over die neerslachtige buien heen te helpen, maar soms lukt me dat niet.’

‘Hoe heb je dat dan geprobeerd?’

‘Ik blijf bij haar zitten en probeer haar met een praatje af te leiden. Ik wil haar ervan overtuigen dat het leven later, als ze weer wat sterker geworden is, heus wel de moeite waard zal zijn.’

Carl scheen daar over na te denken. ‘Ze zou de een of andere liefhebberij moeten hebben.’

Sara knikte. ‘Ik ben vandaag spelletjes gaan kopen. Ze liggen in de auto en ik hoop maar dat ze niet nat zijn geworden. Alles zou misschien beter worden als Ray en Irma samen een spelletje zouden doen.’

Carl keek haar met een eigenaardige blik aan. Het was net alsof hij haar opeens in een heel ander licht zag, dacht ze, maar ze vergat geen ogenblik dat hij waarschijnlijk wel zou weten dat ze verliefd was op haar zwager.

‘Daarom wilde je dat noodweer dus trotseren,’ zei hij langzaam. ‘Vond je dat zo dringend, dat het met alle geweld vandaag moest gebeuren?’

‘Op dat ogenblik leek het me dringend,’ gaf Sara toe. ‘Nu besef ik wel dat het dwaas van me was me in dat weer te wagen.’

Hij knikte peinzend. ‘Je zei me dat alles misschien beter zou worden. Vertel me eens, waarom moeten je zuster en zwager spelletjes gaan doen opdat alles “beter” zou worden?’

Ze fronste haar wenkbrauwen en keek hem verwonderd aan. ‘Die vraag begrijp ik niet goed.’ En voor hij iets kon uitleggen merkte ze al op: ‘Je toont wel erg veel belangstelling voor mijn zuster en ik moet toegeven, dat me dat verbaast, want ik had eigenlijk niet verwacht dat jij je zou bekommeren om de problemen van anderen.’

Hij trok een wenkbrauw op. ‘Je bent wel openhartig...’

Ze kreeg een kleur en sloeg haar lange wimpers neer. ‘Neem me niet kwalijk, maar...’

‘Je hoeft je niet te verontschuldigen,’ viel hij haar weer ongeduldig in de rede. ‘Verontschuldigingen zijn meestal frasen die slechts uit beleefdheid worden gezegd.’

Ze glimlachte even. Die man was tenminste eerlijk en er ontging hem maar weinig.

‘Waar moetje nu weer om glimlachen?’ informeerde hij.

‘Je vond mij nogal openhartig, maar jij zegt ook precies wat je denkt...’ Ze zweeg omdat de deur werd geopend en de huisjongen met een dienblad binnenkwam.

‘Dank je, Paolo, zet het maar hier op de tafel.’

De jongen gehoorzaamde, keek tersluiks naar Sara en verliet de kamer weer.

‘Het is krachtige bouillon,’ zei Carl. ‘Daar word je wel weer warm van.’

‘Dank je wel...’ Ze maakte nu kennis met een heel andere kant van de man die tot dan toe zo onverschillig tegen haar had gedaan. Hij had dus ook echt menselijke trekjes. Hij begreep iets van vrouwen, anders was hij haar niet haar tas komen aanreiken. Hij had haar meteen zijn badmantel geleend en ervoor gezorgd dat haar kleren weer werden gereinigd. Bovendien had hij warme bouillon voor haar laten brengen.

‘Lekker?’ vroeg hij nu. ‘Sterk genoeg?’

‘Precies goed, dank je,’ antwoordde ze glimlachend. ‘Je hebt gelijk, ik word er heerlijk warm van.’

Er stond nog een beker op het dienblad en Sara zag dat er zwarte koffie in zat. Carl pakte de beker op maar dronk niet van de koffie. Hij wendde zich half van haar af en keek naar buiten.

‘Ik ben bang dat het nog wel een tijdje zal duren voor het weer opklaart,’ zei hij langzaam en hij keerde zich weer naar haar toe. ‘Als het weer zo slecht blijft, kun je niet terug naar Njangola tenzij je gaat lopen en dat zou ik je niet aanraden, zelfs niet als de regen even zou ophouden.’ Hij zweeg en vroeg zich blijkbaar af hoe ze weer thuis zou moeten komen. ‘We zullen het maar moeten afwachten,’ zei hij met een zucht. ‘Intussen zal het wel langzamerhand tijd voor de lunch zijn.’ Hij nam haar even van top tot teen op. ‘Of wil je misschien liever een half uurtje wachten tot je je kleren weer kunt aantrekken?’

Ze knikte meteen. ‘Graag... als je dat goedvindt.’

‘Zeker.’ Het bleef weer even stil. ‘Om nog even terug te komen op hetgeen ik over je zuster zei,’ merkte hij tenslotte op, ‘toevallig maak ik me inderdaad bezorgd over haar, ook al heb jij blijkbaar de indruk dat ik me niets aantrek van de problemen van anderen. Ik heb al eens eerder iemand meegemaakt die zo depressief was als Irma en ik weet dus wat het gevolg daarvan zou kunnen zijn.’ Hij keek zo streng en sprak zo ernstig dat Sara er bang van werd.

‘Wat probeer je me duidelijk te maken?’

Weer volgde een stilte die ditmaal nog langer duurde. ‘Ik geloof datje de waarheid wel kunt verwerken,’ zei hij en zijn gezicht kreeg weer die hooghartige trek die ze zo goed van hem kende. ‘Het is misschien beter je zuster niet telkens als ze erom vraagt slaappillen te geven.’

‘ Je...’ Sara keek hem met grote ogen aan. ‘Bedoel je... Ja, wat bedoel je eigenlijk?’ vroeg ze angstig.

‘Ik zei al dat ik iets dergelijks eerder heb meegemaakt,’ antwoordde Carl kalm. ‘Een vriend van me had een nicht, die net zo’n ongeluk had gekregen als dat van Irma. Ze werd zo neerslachtig dat ze uiteindelijk zelfmoord heeft gepleegd.’

‘Zelfmoord...’ herhaalde Sara gesmoord. ‘Je denkt dat... dat Irma ...’ Ze schudde heftig haar hoofd. ‘Nee, zo iets zou ze beslist nooit doen!’

‘Het is mogelijk, het is zelfs heel goed mogelijk als haar toestand ondraaglijk mocht worden.’

Weer viel er een lange stilte. Sara zette peinzend de beker met bouillon weer op het blad terug. Ze dacht aan Irma die zich ongerust maakte over de verhouding tussen haar man en haar zuster. Irma zou steeds meer van slag raken. Daar had Sara natuurlijk al eerder aan gedacht, maar nu scheen er een nieuw gevaar bij te zijn gekomen. Het was tenslotte een feit dat Irma het telkens weer had over slapen en hoe heerlijk het moest zijn om van niets meer af te weten. Irma had zelfs eens met even zoveel woorden gezegd dat ze het liefst zelfmoord zou plegen.

Ze hief het hoofd op en zag dat Carl onderzoekend naar haar zat te kijken. Hij gaf haar blijkbaar de schuld van de neerslachtigheid van Irma. Ze had steeds geloofd dat zijn oordeel haar koud liet, maar nu hinderde het haar dat Carl ervan overtuigd scheen te zijn, dat ze niet alleen naar Zuid-Afrika was gekomen om voor haar zuster te zorgen, maar ook omdat ze dan bij Ray kon zijn. Dat stond wel duidelijk op het gezicht van Carl te lezen.