HOOFDSTUK 1

 

 

 

De groene en gouden tinten trokken de blik van Sara naar het verderop gelegen dal dat doorsneden door een traag stromende rivier glansde in de Afrikaanse zon.

Het landschap dat Sara vanaf de schaduwrijke veranda van de Njangola Farm zag, was echt vredig maar ze fronste haar wenkbrauwen en vroeg zich af of ze er wel goed aan had gedaan door naar Transvaal te komen om voor haar invalide zuster te zorgen.

Toen ze voetstappen achter zich hoorde, keerde ze zich om en glimlachte gedwongen toen ze het vermoeide en betrokken gezicht van haar zwager zag.

‘Moet je even uitblazen?’ vroeg Ray zacht, alsof hij voor zijn vrouw verborgen wilde houden dat hij even met haar zuster sprak.

‘Ja, een paar minuten.’

Hij keek neer op het kleine, slanke meisje met haar roomblanke huid, de hoge jukbeenderen en haar gevoelige mond, die even opvallend was als haar grote blauwgrijze ogen met de lange donkere wimpers. ‘Je zult wel moe zijn,’ merkte Ray op. ‘Je zou er eens tussenuit moeten gaan.’

Sara schudde haar hoofd. ‘Ik ben niet moe, Ray. Uiteindelijk ben ik hier pas een maand.’ Een maand? Het leek wel een jaar, sinds ze alles in de steek had gelaten om gehoor te geven aan de smeekbeden van Irma en hierheen te komen.

‘Ik vraag me af of je zult blijven.’ De stem van Ray klonk lusteloos en zijn blik was somber.

‘Waarom zeg je dat?’ vroeg ze, maar ze ontweek zijn blik.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde Ray onzeker. ‘Ik weet niet hoe groot de genegenheid tussen jou en Irma is.’

‘Kan liefde dan gemeten worden?’ vroeg Sara op haar beurt en ze vroeg zich af, hoe hij zou reageren als ze hem zou bekennen dat ze verliefd op hem was en dat ze al van hem had gehouden voor hij haarzuster leerde kennen.

‘Tja, hoe kun je liefde meten?’ vroeg Ray en hij liet zijn blik dwalen naar het zonnige landschap. ‘Ik denk dat die vraag iets heeft te maken met de kwestie: hoe lang blijft de liefde bestaan?’

Sara hield haar adem in. Ze kende deze sombere ontevreden bui van Ray niet en haar hart kromp ineen. Begon Ray nu al genoeg te krijgen van het eenzame leven dat hij door de ziekte van zijn vrouw moest leiden?

Ze zuchtte even bij de gedachte, hoe anders alles had kunnen zijn als Ray niet hals-over-kop verliefd was geworden op Irma, toen Sara hem aan haar had voorgesteld. Maar gedane zaken nemen geen keer en het zou dus beter zijn met haar gedachten bij het heden te blijven.

Van de bergen kwam nu een lichte bries die de bomen in de tuin deed ruisen en die zuchtend door de bamboebosjes streek. Sara keek ongerust naar de lucht. Ze geloofde niet dat die strakke hemel zo stralend blauw zou blijven. Om een eind aan de drukkende stilte te maken, merkte ze op: ‘Het is nu bladstil, maar ik ben bang dat er storm op komst is.’

Haar zwager knikte verstrooid. ‘Je herkent de voortekenen blijkbaar al.’ Hij keek haar zo onderzoekend aan, dat Sara zich van hem afkeerde en haar blik over het landschap liet dwalen; de tuin met daarachter de velden en de bomen langs de Noordgrens van het terrein, de gebogen wilgen langs de rivier en de bloeiende struiken en acacia’s rond het huis.

‘Sara...’ De stem van Ray klonk heel kalm en ze wendde zich weer naar hem toe. De vraag scheen hem moeite te kosten. ‘Zeg me eens eerlijk, vind je het leven hier niet erg eentonig?’

Ze hoorde hoe ongerust hij was en omdat ze hem gerust wilde stellen, antwoordde ze dan ook meteen met een leugen. ‘Nee, natuurlijk niet, Ray! Hoe kan het leven eentonig zijn als je zoveel schoonheid om je heen hebt?’ Ze maakte een weids gebaar naar het landschap als om haar woorden kracht bij te zetten. ‘Vergeet niet dat er nog zoveel mooie plekjes zijn die ik zal moeten bekijken.’

Hij fronste zijn wenkbrauwen en dat maakte haar weer onzeker. ‘Ik geloof niet dat je zult blijven, Sara. Je krijgt gewoon de kans niet om ook maar even de deur uit te gaan, omdat je mijn vrouw op al haar wenken moet bedienen. Is ze altijd al zo veeleisend geweest?’ vroeg hij ten slotte, waardoor hij Sara herinnerde aan het feit dat hij Irma pas zes weken kende toen hij zich met haar had verloofd.

‘Absoluut niet,’ antwoordde ze meteen. ‘Je schijnt te vergeten, Ray, dat haar gedrag sterk is beïnvloed door haar toestand.’

‘Vergeten?’ herhaalde hij bitter. ‘Hoe kan ik vergeten, dat Irma na een huwelijk van slechts vijf maanden nooit meer mijn vrouw zal zijn?’ ‘Neem me niet kwalijk.’ Sara beet op haar onderlip en besefte, dat het erg moeilijk was om ook maar iets over haar zuster te zeggen. Wat ze ook zei, Ray scheen het altijd verkeerd op te vatten. Ze had diep medelijden met hem en kon echt wel begrijpen, dat hij verteerd werd door het verdriet en door het angstige vooruitzicht van het eenzame leven dat hij voortaan zou moeten leiden. Irma en hij waren geestdriftig een nieuw leven begonnen en waren van plan geweest op de boerderij alles samen te gaan doen. ‘Ik heb het gevoel,’ mompelde Sara, ‘dat Irma uiteindelijk toch wel zo’n fantastische rolstoel zal gaan gebruiken die ze tegenwoordig voor iemand zoals zij maken. Dan zal ze weer zelf iets kunnen gaan doen en dan vraagt ze vast niet alles meer aan mij...’ ‘Dat vindt ze juist prettig,’ viel Ray haar kortaf in de rede. ‘Ik geloof helemaal niet dat ze ooit weer iets zelf zal willen doen.’

Sara keek even naar zijn strakke gezicht en werd weer bang. Het zou een ramp zijn als de liefde van Ray voor zijn vrouw even snel verdween als dat gevoel was opgebloeid.

Het bleef even stil tot haar aandacht werd getrokken door een ruiter te paard die ze in de verte zag naderen. Ze fronste onwillekeurig haar wenkbrauwen, omdat ze wist dat ze de bezoeker dadelijk zou moeten ontvangen met een beleefde hartelijkheid die ze niet echt voelde. In feite had ze in haar hele leven nog nooit zo’n hekel aan iemand gehad als aan die naderende man. Hij bezat een hooghartigheid die zelfs in de bewegingen van zijn grote slanke lichaam tot uiting scheen te komen.

Hij glimlachte slechts spottend en ze ergerde zich altijd aan de ondoorgrondelijke blik waarmee zijn bruine ogen haar van top tot teen opnamen.

Carl van der Linden... Die naam deed haar altijd denken aan zijn grote witte boerderij die omringd was door een pracht van tropische bloemen en planten en die overschaduwd werd door palmen en bloeiende bomen. Aan de andere kant keek zijn boerderij uit over het dal en aan de andere over de bergen. Op zijn landerijen die eindeloos leken, werd citrusfruit verbouwd naast maïs, katoen en andere produkten die veel geld opbrachten.

Carl stamde uit een adellijk geslacht en door zijn afkomst meende hij zich neerbuigend te kunnen gedragen. Sara ergerde zich aan hem omdat hij vrouwen niet serieus nam en ze slechts beschouwde als een noodzakelijk kwaad. Die indruk had Sara tenminste gekregen van de naaste buurman van haar zwager en ze was ervan overtuigd dat ze haar mening over Carl niet zou veranderen, hoe goed hij ook mocht zijn voor Ray, die als pas begonnen boer vaak de raad of de hulp van zijn buurman moest vragen. Die hulp werd altijd verleend en dat was iets dat Sara eigenlijk verbaasde.

Sara keek naar het prachtige paard dat naderde en ze zag dat de ruiter al naar de boerderij keek. Ze vroeg zich af of hij deze misschien met zijn eigen bezittingen vergeleek. De Njangola Farm was een witgekalkt gebouw met een dak van rode pannen. Naast het huis stonden grote watertanks. De boerderij kon beslist niet mooi worden genoemd, maar binnen was het verrassend gezellig met houten vloeren, mooie kleden en meubelen die voor een deel waren overgenomen van de vorige eigenaar, en voor een deel door Ray en zijn bruid waren meegebracht uit Engeland.

‘Wat zou Carl komen doen?’ vroeg Ray en zijn stem klonk wat opgewekter. Voor hem was het bezoek blijkbaar een aangename afwisseling.

‘Misschien komt hij zo maar eens langs,’ veronderstelde Sara en ze moest denken aan de eerste ontmoetingen die ze kort na haar komst op de boerderij met de bezoeker had gehad. Ze herinnerde zich duidelijk dat ze meteen een hekel aan hem had gekregen. ‘Je hebt hem geen boodschap gestuurd, dus een bepaalde reden kan er niet voor zijn bezoek zijn.’ Ze keek glimlachend naar Ray op en hij knikte, terwijl zijn blik dwaalde naar de lichtplekken die de zon op het haar van het meisje toverde.

‘Je bent ver weg met je gedachten,’ stelde hij vast.

‘Ik probeer me alleen te ontspannen,’ antwoordde ze ontwijkend, maar in feite probeerde ze al een uitvlucht te verzinnen, waardoor ze zich zo gauw mogelijk aan de aanwezigheid van de bezoeker zou kunnen onttrekken. Ze veronderstelde niet dat hij haar niet zou doorzien. Hij wist heel goed hoe ze over hem dacht, net zoals ze wel had begrepen wat zijn oordeel over haar was. Ze ergerde zich aan zijn poging om haar beleefd te behandelen. Ze hadden tot dan toe hun afkeer van elkaar niet laten blijken, maar vroeg of laat zouden hun gevoelens tot een uitbarsting moeten komen en het resultaat daarvan kon alleen maar openlijke vijandigheid zijn.

‘Carl!’ Ray glimlachte hartelijk toen hij de bezoeker begroette. Sara had weer medelijden met haar zwager. Hij had tegenwoordig toch al zo weinig plezier in zijn leven. ‘Wat ben ik blij dat je weer eens hier bent. Je blijft toch een poosje, hoop ik?’

De bezoeker glimlachte slechts vaag en dat stoorde Sara. Waarom besefte die man niet dat zijn bezoek een prettige afwisseling voor Ray was? ‘Wat een schitterend paard,’ zei Ray. ‘Heb je toevallig nog zo’n mooi paard dat je zou willen verkopen?’

Carl had zich uit het zadel laten glijden, de teugels van het paard vastgemaakt en was met twee treden tegelijk de trap naar de veranda opgekomen. ‘Nee,’ antwoordde hij, ‘maar ik kan wel eens gaan praten met Jacob Dessel. Hij fokt prachtige paarden en misschien heeft hij wel een geschikt dier voor je.’ Hij wendde zich naar Sara toe en begroette haar met koele beleefdheid, alsof hij voor het eerst kennis met haar maakte. Ze wenste hem ook stijfjes goedemorgen en richtte zich in haar volle lengte op. Ze zag dat zijn bruine ogen fonkelden en ze vroeg zich af, of hij zich soms ergerde aan haar houding. Ze was twee keer naar de Glenview Club in de stad geweest en had vastgesteld, dat Carl gewend moest zijn aan belangstelling en bewondering. Het leek wel alsof de blikken van alle jonge vrouwen naar die knappe man werden getrokken. Sara had hem zien dansen, maar ze had gemerkt dat hij ook tegen andere meisjes niet veel zei. Haar had hij behandeld met zijn gewone onverschilligheid. Dat was maar goed geweest, vond ze, want ze zou het vervelend hebben gevonden om een soort vriendelijkheid te moeten voorwenden die ze niet voor hem voelde.

‘Ik geloof dat Irma roept,’ merkte Ray op en hij fronste zijn wenkbrauwen.

‘Ik ga wel even kijken of ze iets nodig heeft.’ Sara was blij dat ze weg kon gaan en liet de twee mannen alleen.

Irma zat met een mokkend gezicht rechtop in bed. Haar opvallende schoonheid had niet geleden onder het ongeluk waardoor haar beide benen verlamd waren geraakt. ‘Ik heb al een paar keer geroepen,’ klaagde ze. ‘Wat deed je toch?’

‘Ik was op de veranda. Ik heb je niet gehoord, Irma, anders zou ik wel meteen zijn gekomen. Ik moet Ray er toch eens aan herinneren dat er een bel bij je bed aangelegd moet worden. Toen ik laatst in Paulsville was, heb ik ernaar geïnformeerd. Er schijnt hier ergens in de buurt een man te zijn die dat kan doen, maar ik begreep niet precies waar die man woonde. Het was zo druk in de winkel, dat ik niet om een nadere verklaring durfde te vragen.’ Ze glimlachte. ‘Waarom riep je eigenlijk?’ Ze had intussen de sprei gladgetrokken en raapte een boek op dat Irma op de grond had laten vallen.

‘Je hoorde me dus niet, hè?’ De mooie mond van Irma vertrok even. ‘Je praatte zeker weer te druk met mijn man, niet?’

Sara fronste haar wenkbrauwen en keek verwonderd op haar zuster neer. ‘Wat bedoel je?’ vroeg ze.

‘Was mijn man soms niet bij je?’

‘Ja, hij kwam ook naar de veranda.’

‘Hij was even hier, maar hij liet me al gauw weer alleen. De laatste tijd heeft Ray het geduld niet meer om bij me te blijven.’

Sara beet op haar onderlip en vroeg zich af wat ze daarop moest zeggen. ‘Kan ik iets voor je doen?’ vroeg ze tenslotte.

‘Daar hadden we het anders niet over,’ viel Irma bitter uit. ‘Ja, ik heb dorst.’

Sara keek even naar het opvallend knappe gezicht van haar zuster en weer begreep ze maar al te goed, waarom Ray de voorkeur aan Irma had gegeven. Volgens Sara had hij niet eens gemerkt dat hij op haar diepe indruk had gemaakt. Ze had hem ontmoet op een feestje toen een vriendin hem aan haar had voorgesteld. Zodra Sara hem had gezien, was haar hart gaan bonzen en haar vingers waren gaan tintelen toen hij haar een hand had gegeven.

Hij was groot en blond en had een onweerstaanbare glimlach. Met zo’n man had Sara altijd gehoopt eens te kunnen trouwen. Hij had die avond vaak met haar gedanst en ze had verondersteld, dat hij zich ook tot haar aangetrokken had gevoeld, maar later was ze te weten gekomen dat hij haar alleen maar telkens weer had gevraagd omdat ze zo licht en goed danste. Hij had haar thuisgebracht en zelfs een afspraak met haar gemaakt. Destijds logeerde ze tijdens de vakantie bij Irma. Wat was ze opgewonden geweest, herinnerde Sara zich. Ray moest haar wel aardig vinden, anders zou hij geen afspraak met haar hebben gemaakt. Zou hij haar, als ze elkaar weer ontmoetten, misschien kussen? Wat moest het heerlijk zijn om zijn armen om zich heen te voelen!

Die tweede avond gingen ze samen eten en daarna weer dansen, ’s Avonds laat bracht hij haar weer thuis. Toen de auto voor het huis stopte, had Ray zijn arm op de rugleuning van haar stoel gelegd en Sara had zich net vol verwachting naar hem toe willen keren, toen de voordeur werd geopend en Irma als een prachtig beeld op de drempel stond, omlijst door het licht vanuit de hal. Ze was blijkbaar ook uit geweest want ze droeg een beeldige avondjapon van witte kant. Sara hoorde hoe Ray zijn adem inhield. Even later had ze hem aan haar zuster voorgesteld. Dat bleek het eind van de droom van Sara te worden en nog geen zes weken later waren Ray en Irma verloofd. Een maand daarna had Sara met een glimlach om de mond maar met een groot verdriet in haar hart in de kerk meegemaakt hoe Ray en Irma werden getrouwd.

Alles was zo snel gegaan omdat Ray een boerderij in Zuid-Afrika had geërfd en na het bruiloftsmaal was het jonge paar dan ook meteen naar het nieuwe huis vertrokken.

Hun snelle vertrek was voor Sara een opluchting geweest en haar leven ging weer zijn gewone gang. Het was wel moeilijk maar ze moest proberen haar knappe zwager zo gauw mogelijk te vergeten. Toen sloeg het noodlot echter toe. Ze kreeg geen kans om Ray te vergeten, want binnen enkele maanden nadat ze afscheid van het gelukkige paar had genomen, had ze het besluit moeten nemen haar goedbetaalde baan als particulier verpleegster bij een adellijke dame op te geven en naar Zuid-Afrika te vertrekken. Het was geen gemakkelijke beslissing geweest voor Sara, omdat ze nog steeds van Ray hield. Aan de andere kant kon ze de brief van Irma, waarin ze had gesmeekt “haar gezelschap te komen houden en een beetje te helpen,” niet negeren. Omdat ze nog vrij jong waren toen ze hun ouders hadden moeten verliezen, waren ze veel samen opgetrokken en erg op elkaar gesteld geraakt. Sara was nu drieëntwintig en haar zuster twee jaar ouder.

‘Krijg ik nu nog wat te drinken?’ Sara schrok op uit haar gedachten en ze knikte glimlachend tegen haar zuster. ‘Ik zal een lekker kopje thee voor je zetten,’ beloofde ze.

‘Ik wil geen thee, ik wil sinaasappelsap,’ zei Irma.

‘Goed, dan haal ik dat meteen voor je.’

‘Maak maar nieuw sap. Ik lust geen sap dat al een tijdje heeft gestaan. Dat smaakt bitter.’

‘Ik zal zorgen dat er vers sap wordt gemaakt.’

‘Laat dat niet door Sadie doen. Ze is me niet schoon genoeg.’

‘Ze is heel schoon,’ sprak Sara haar tegen. ‘Ze is het beste dienstmeisje van de hele streek, dat zegt iedereen.’

‘Goed, goed, wind je niet zo op!’

Sara zweeg verder en liep al naar de deur.

‘Als je iets te drinken voor me hebt gehaald, moet je een poosje bij me blijven,’ zei Irma nog. ‘Je schijnt niet te beseffen dat ik me afschuwelijk verveel, als ik hier maar zo alleen moet liggen.’

‘Ik laatje nooit te lang alleen,’ sprak Sara haar geduldig tegen, ‘maar vergeet niet dat ik nog meer te doen heb.’

‘Ik zou niet weten wat dan wel!’

Sara zuchtte eens en probeerde nog steeds haar geduld te bewaren. Soms kon dat moeilijk zijn, vooral als Irma net zoals nu een dwarse bui had. Misschien zou ik in haar geval net zo zijn, dacht Sara, omdat ze besefte hoe verschrikkelijk het moest zijn de hele dag maar in bed te moeten blijven. ‘Hoe jij er ook over mag denken, Irma, er zijn echt nog wel andere dingen die gedaan moeten worden.’

‘Zoals voor Ray zorgen, veronderstel ik?’ De stem van Irma klonk spottend en haar zuster kromp even ineen. ‘Daar hebben we Sadie en de huisjongen voor.’

‘Maar je weet dat die twee nu eenmaal niet kunnen koken.’

‘Goed,’ zuchtte Irma en ze liet zich achterover vallen. ‘Je hoeft tenslotte geen verontschuldigingen te verzinnen voor de tijd die je aan en met Ray besteedt.’

‘Ik geloof niet dat ik je goed begrijp, Irma,’ zei Sara en ze fronste haar wenkbrauwen weer.

‘Ik ben niet gek, Sara. Het knappe meisje in bed keek haar zuster met half dichtgeknepen ogen aan. ‘Voor ik met Ray trouwde, was jij al verliefd op hem. Dat kon iedereen destijds zien... net zoals nu nog, trouwens. Ik wed dat Carl het ook wel weet, want zulke dingen ontgaan hem heus niet. Ik vraag me vaak af, of je blij bent dat ik die dag met de wagen ben gaan rijden, zonder te weten dat de remmen niet in orde waren. Je zult wel opgetogen zijn geweest toen Ray je dat telegram stuurde om je te laten weten dat ik in het ziekenhuis lag...’

‘Irma!’ riep Sara verschrikt uit. ‘Hoe kun je zulke afschuwelijke dingen zeggen?’

‘Je kunt nu wel verontwaardigd doen, maar durf je te ontkennen dat je verliefd op Ray was... dat je nog steeds van hem houdt?’

Het kostte Sara moeite om antwoord te geven en het duurde dan ook even, voor ze kon vragen: ‘Als je dat dacht, waarom heb je me dan gevraagd hierheen te komen?’

‘Toen ik die brief schreef, wist ik nauwelijks wat ik al dan niet wilde. Ik voelde me verslagen en had geen toekomst meer. Ik wist dat het leven van Ray verwoest was omdat ik nooit meer zijn vrouw zou kunnen zijn. Ik kon hem niet eens meer vriendschap bieden...’

‘Dat kon je wel! Jullie kameraadschap zou alleen maar groter zijn geworden juist omdat jullie niet meer als man en vrouw konden leven.’ ‘Wat ben jij toch idealistisch! Welke man van Ray zijn leeftijd verlangt niet naar meer dan vriendschap van zijn vrouw?’ Sara antwoordde niet en Irma ging door: ‘We gingen samen zwemmen en tennissen, maakten lange wandelingen over de velden...’ Irma kon zich niet meer beheersen en barstte in tranen uit.

Het volgende ogenblik sloeg Sara al troostend de armen om haar zuster heen. ‘Huil niet, Irma, alsjeblieft, huil toch niet zo. O, kon ik maar iets doen!’ Ze maakte zich kwaad over haar eigen hulpeloosheid. Ze kon het noodlot wel vervloeken omdat Irma, een jonge vrouw van vijfentwintig, voorgoed gebrekkig was geworden. ‘O, kon ik je maar helpen,’ zuchtte ze. ‘Waarom moeten zulke ongelukken toch gebeuren?’

‘Ik had nooit kunnen denken dat mij zo iets kon overkomen, Sara. O, waarom ben ik toch niet doodgegaan?’

‘Nee?’ riep Sara uit. ‘Je zult zien dat het leven toch de moeite waard kan zijn. Geloof me, Irma, mettertijd wordt alles heus wel beter.’ ‘Mettertijd... je bedoelt dat de tijd voorbijgaat en ik hier in bed maar steeds ouder lig te worden, terwijl mijn man niet meer van me houdt en iedereen medelijden met me heeft? Dat zal ik niet kunnen verdragen!’ Sara wiegde haar zuster heen en weer en had een brok in haar keel gekregen, zodat ze geen woord kon uitbrengen. Waarom is dat ongeluk mij niet overkomen, vroeg ze zich af. Ik ben sterker dan Irma, ik zou wel over het ergste heengekomen zijn en weten te leren hoe ik verder moest leven.

‘Huil nu niet meer,’ smeekte ze. ‘Ik zal wat te drinken voor je halen en dan blijf ik bij je zitten zo lang je maar wilt.’

‘Echt, Sara? Blijf je de hele dag bij me?’ Irma maakte zich los uit de armen van haar zuster en zocht haar zakdoek onder het kussen.

Sara knikte en probeerde te glimlachen. ‘Ik ben zo terug,’ beloofde ze voor ze de kamer verliet.

In de keuken, waar Sadie op een kruk de bovenste plank van een kast stond schoon te maken, bleef Sara even tegen de deur geleund staan en dacht over het voorval in de slaapkamer na. De toestand in huis scheen steeds moeilijker te worden. Irma piekerde blijkbaar en ze werd gekweld door de gedachte dat haar man aandacht aan Sara zou gaan besteden. Zelf leed Sara onder het verdriet van haar zuster en er was geen hoop dat de toestand zou veranderen. Op de Njangola Farm leefden drie mensen bijeen die veroordeeld waren de rest van hun leven ongelukkig te zijn.

‘Kan ik iets voor u doen, Miss Sara?’ vroeg het negermeisje.

Sara kwam weer tot de werkelijkheid terug. ‘Nee, dank je, Sadie, ik kwam alleen wat sinaasappelsap halen voor Mrs. Barton.’

‘Ik heb net vers sap gemaakt, Miss Sara.’ Sadie sprong van de kruk en schonk een hoog glas vol sap.

Sara nam het glas van haar aan. ‘Dat ziet er lekker uit. Ik zie dat je het glas hebt opgewreven.’

‘Ja, het ziet er zo mooi uit als het glanst.’ Sadie pakte een dienblaadje, legde er een kanten kleedje op en nam het glas weer uit de hand van Sara. ‘Ziet dat er niet aardig uit?’ vroeg ze.

Sara knikte. Iedereen deed zijn best alles zo prettig mogelijk voor Irma te maken en het was jammer dat Irma dat maar zelden opmerkte. Ook ditmaal viel het haar niet op, maar dat weet Sara aan de neerslachtige bui van haar zuster.

‘Dank je, Sara,’ zei Irma. Ze nam een slokje en keek haar zuster wat verontschuldigend aan. ‘Ik heb toch liever dat Ray bij me is, vind je dat erg?’

‘Natuurlijk niet. Ik zal hem naar je toesturen.’

‘Denk je dat hij zal komen?’

‘Waarom twijfel je daaraan?’ vroeg Sara meteen.

‘Hij vindt het niet prettig meer om bij me te zijn.’

‘Dat is onzin, Irma. Dat verbeeld je je maar. Ray aanbidt je gewoon.’

‘Ja, vroeger... maar hoe lang duurt de liefde tussen twee mensen, waarvan de een zo nutteloos is geworden als ik?’

Hoe lang duurt de liefde? Binnen een uur hoorde Sara die vraag twee keer stellen. Ray moest van zijn vrouw blijven houden! Hij had haar trouw tot in de dood beloofd en aan die belofte mocht hij zich niet onttrekken.

‘Irma vroeg of je een poosje bij haar komt zitten,’ zei Sara toen ze in de kamer kwam, waar Ray met Carl zat te praten.

Hij stond met tegenzin op en Carl keek met dichtgeknepen ogen van de man naar het meisje. ‘Ik kom zo terug,’ beloofde Ray. ‘Wil jij theezetten, Sara?’

‘Natuurlijk, Ray... Zal ik jouw kopje dan naar de slaapkamer brengen? Irma is vandaag erg neerslachtig...’ zei Sara.

‘Ze kon beter gaan slapen,’ zei Ray met gefronste wenkbrauwen. Hij had blijkbaar liever bij Carl willen blijven.

Sara stond op om thee te gaan zetten. ‘Je zei dat Irma vandaag erg neerslachtig is?’ vroeg Carl plotseling, nog voor ze bij de deur was.

Sara bleef staan en keerde zich om. ‘Ja,’ antwoordde ze.

‘Is daar soms een bepaalde reden voor?’ vroeg de man.

‘Die reden is nogal duidelijk! Irma ligt daar maar en...’ Sara zweeg. Ze ergerde zich aan de neerbuigende toon waarop Carl zijn vragen had gesteld. Sara had willen uitleggen dat Irma zich allerlei dingen in het hoofd scheen te halen en dat het voor een meisje, dat altijd zo aktief was geweest als Irma, wel heel erg moest zijn om steeds maar in bed te moeten liggen. Ze bedacht zich nu echter dat ze niet van plan was zo iets uit te leggen aan een man, die het anders niet eens de moeite waard vond om iets tegen haar te zeggen.

Hij staarde haar aan en wachtte tot ze door zou praten. Sara moest echter moeite doen om haar tranen te bedwingen, want ze herinnerde zich plotseling dat Ray met tegenzin aan het verzoek van zijn vrouw had voldaan. Ze wist dat Irma natuurlijk zou voelen, dat Ray liever bij zijn bezoeker was gebleven.

Sara voelde er niets voor Carl iets van al haar narigheid te laten merken en zonder nog iets te zeggen, ging ze de kamer uit.