HOOFDSTUK 4
Om acht uur werd het diner opgediend in een rustige omgeving die getuigde van beschaving en goede smaak. De kamer werd slechts verlicht door twee staande schemerlampen die een zacht licht verspreidden, zodat alle aandacht viel op de gedekte tafel waarop de kaarsen in rijk bewerkte zilveren kandelaars brandden. Op een kast stond de met zorg gekozen wijn klaar, evenals een fles champagne in een koeler. Een bandrekorder bracht zachte klassieke muziek ten gehore.
Carl leidde Sara naar haar plaats en toen ze ging zitten, had ze een wat onwezenlijk gevoel. Ze was in de war geraakt omdat ze die dag nieuwe kanten van het karakter van Carl had leren kennen. De man die tot dan toe zo ongenaakbaar en bijna grof tegenover haar was geweest, bleek een hoffelijke gastheer te zijn geworden, die haar met de grootste voorkomendheid behandelde.
Anna diende het voorgerecht op dat bestond uit grote gegrilde garnalen die kunstig op een zilveren blad waren geschikt. Daarna volgde een gekruide varkensrollade en de maaltijd werd besloten met een abrikozensoufflé, waarbij de gekoelde champagne werd ingeschonken. De koffie met likeur werd in de zitkamer gedronken. Ook daar was de zachte muziek nog te horen. Sara die versteld stond over de goede verstandhouding die nu tussen Carl en haar bestond, zou wel hebben gewild dat er geen eind kwam aan deze avond. Met een vage glimlach herinnerde ze zich, dat ze van plan was geweest zich na de maaltijd meteen te verontschuldigen en naar bed te gaan. Nu ze van de geurige koffie zat te genieten, dacht ze er niet aan een abrupt eind aan deze verrukkelijke avond te maken. Het was alsof al haar verdriet en problemen waren verdwenen, alsof ze in een wereld van rust verkeerde waar niets of niemand haar kon kwetsen.
Ze glimlachte even en omdat Carl haar op dat ogenblik net over de rand van zijn cognacglas aankeek, vroeg hij zacht waarom ze glimlachte.
‘Om de vredige rust,’ antwoordde ze meteen, zonder te beseffen dat haar antwoord misschien een raadsel voor hem zou zijn.
‘Dat begrijp ik niet helemaal,’ zei hij dan ook.
‘Er zijn hier geen problemen,’ zei ze met een zucht.
De bruine ogen van de man keken haar met een eigenaardige blik aan. ‘De problemen scheppen we vaak zelf,’ merkte hij op en hoewel hij zacht had gesproken, meende Sara in zijn stem toch weer die neerbuigende klank te horen. Ze wist wat hij bedoelde en ze kreeg een wrevelig gevoel omdat ze zo onnadenkend had kunnen zijn zo’n opmerking te maken. Als ze over problemen begon, kreeg hij weer de kans om Irma ter sprake te brengen.
‘Dat is in veel gevallen waar,’ antwoordde ze glimlachend, in de hoop op die manier de goede verstandhouding weer te herstellen, ‘maar volgens mij krijg je toch ook vaak met problemen te maken, zonder dat je daar zelf iets tegen kunt doen.’
Zijn ogen fonkelden en zijn blik dwaalde onderzoekend over haar gezicht. ‘Ik geloof echter,’ zei hij langzaam en overtuigd, ‘dat je de problemen in jouw geval toch wel aan jezelf te wijten hebt.’ Hij zei het weliswaar taktvol, maar het was toch een rechtstreekse aanval. Sara boog het hoofd en nam een slokje van haar likeur. Hoe lang zou het nog duren voor hij bekende te weten, dat ze verliefd was op de man van haar zuster. In dat geval, nam ze zich voor, zou ze hem de volle waarheid vertellen. Ze was tenslotte niet naar Njangola Farm gekomen om weer bij Ray te zijn, maar alleen omdat Irma haar dat had gevraagd. Hij zou dan toch wel kunnen begrijpen dat ze op de eerste plaats aan het welzijn van haar zieke zuster dacht. Carl zou moeten toegeven dat ze beslist niet het wufte en berekenende meisje was waarvoor hij haar tot dan toe had aangezien.
Ze nam nog een slokje likeur en langzaam, bijna onmerkbaar, besefte ze dat ze niets liever wilde dan dat Carl zijn mening over haar zou herzien. Het liet haar niet langer koud hoe hij over haar dacht. Ze vond het opeens belangrijk dat hij haar zou kennen, zoals ze werkelijk was.
Ze keek tersluiks maar met hernieuwde belangstelling naar hem. Wat mankeerde haar opeens, vroeg ze zich ongeduldig af. Tot dan toe was hij voor haar slechts de hulpvaardige buurman van haar zwager geweest die ze om die reden beleefd had behandeld, maar nu...
Ze nam nog een slokje likeur en voelde dat ze een beetje licht in haar hoofd werd. Ze dacht na en rekende uit, dat ze behalve een glas sherry voor het diner, nog twee glazen wijn aan tafel had gedronken, gevolgd door gekoelde champagne en nu de likeur. Ze vroeg zich af of ze soms aangeschoten zou zijn. Ze nam snel haar koffiekopje op. Dat moest de reden wel zijn, waarom ze zich minder vijandig dan anders opstelde tegenover de man die daar met uitgestrekte benen op zijn gemak in de leunstoel zat. Ze vroeg zich af wat hij nu zou denken. Het was een raadselachtige en zelfverzekerde man, die helemaal in zijn werk scheen op te gaan, hoewel hij polo speelde en ook naar de Glenview Club kwam als daar iets werd georganiseerd. Ray had verteld dat Carl op zijn terrein zowel een tennisbaan als een zwembad had laten aanleggen.
Carl voelde haar blik en keek op. Ze bloosde even en merkte dat zijn gezicht minder strak werd. Zijn mond leek niet meer zo meedogenloos en zijn houding was minder hooghartig dan anders. Als ze heel eerlijk was, dan mocht ze die man wel. Ze besefte opeens dat de alkohol blijkbaar niet zonder invloed op haar was gebleven, want Carl van der Linden was natuurlijk net zoals anders, alleen zag ze hem ditmaal in een ander licht.
Ze besloot dat ze zich beter terug kon trekken en dronk haar koffie op. Ze mompelde iets en hoopte dat aan haar spraak niet te horen zou zijn dat ze teveel had gedronken.
Carl keek wat verwonderd op de klok. ‘Wil je naar bed? Nu al?’
Ze knikte en stond op. ‘Ik ben erg moe,’ antwoordde ze en ze deed een paar stappen naar de deur. Grote goedheid, het leek wel of ze niet meer op haar benen kon staan.
‘Welterusten dan maar...’ Sara zag dat Carl even geamuseerd glimlachte. Ze hield haar hand tegen haar verhitte wang. Waarom had ze er niet aan gedacht dat ze niet gewend was meer te drinken dan een glas sherry en aan tafel een glas wijn? Hoe vaak had Carl haar glas eigenlijk gevuld? ‘Je weet de weg naar je kamer nog?’ Het klonk zo vermaakt dat Sara wel voelde, dat die onverdraaglijke man haar uitlachte.
‘Dat neem ik wel aan,’ zei ze met opgeheven hoofd. ‘Ik ben er tenslotte al twee keer geweest.’
‘Natuurlijk! Je kunt me altijd roepen als je toch mocht verdwalen.’ Hij zag dat haar ogen fonkelden en zette zijn glas op tafel. ‘Weetje wel, Sara, datje knap bent als je boos wordt?’
‘Welterusten,’ zei ze alleen maar kortaf en het lukte haar om waardig naar de deur te lopen. Ze dankte de hemel toen ze zonder ongelukken haar kamer had weten te bereiken. ‘Het is allemaal zijn schuld,’ mompelde ze woedend. ‘Hij heeft het met opzet gedaan!’
Dat was natuurlijk niet waar en dat moest ze even later zelf toegeven. Hij had tenslotte niet kunnen weten dat ze meestal maar weinig dronk. Het moest door die gekoelde champagne zijn gekomen, dacht ze en ze ging met een zucht op de rand van het bed zitten. Ze knoopte haar blouse los en vroeg zich af, of Carl ook champagne dronk als hij alleen aan tafel zat.
Ze ging naar de badkamer en dronk twee glazen koud water. Dat hielp wel een beetje, maar ze merkte dat ze hoofdpijn had gekregen. Ze geloofde nooit dat ze nu in slaap zou kunnen komen, kleedde zich weer aan en veronderstelde dat een beetje frisse lucht haar wel goed zou doen.
Ze opende de deur die vanuit haar kamer op een veranda uitkwam die leidde naar een binnenplaats waaraan ook de werkkamer van Carl lag.
Het was heerlijk koel na de regen en de betrokken lucht was weer opgehelderd en nu bezaaid met sterren. Ze keek peinzend naar de maan en besloot een eindje om te lopen op het terrein. Sara had nog maar een paar stappen gedaan toen ze opeens een geluid achter zich hoorde. Ze keek om en stond tegenover Carl.
Haar hart bonsde. ‘Ik wilde een beetje frisse lucht...’
‘Om nuchter te worden?’ veronderstelde hij. ‘Ik zag je het trapje van de veranda afgaan en het leek me beter je in het oog te houden.’
‘Ik begrijp niet waarvoor dat nodig zou zijn. Ik kan je wel verzekeren dat ik niet nuchter hoef te worden, zoals jij het zo onbeleefd noemde.’ ‘Kleine leugenaarster,’ zei hij zacht. ‘Waarom zei je niet dat je niet gewend bent zoveel te drinken?’
Ze beet op haar onderlip. Dus dat had hij ook al gemerkt. ‘Ik geloof dat ik maar weer naar mijn kamer ga,’ begon ze.
‘Waarom had je frisse lucht nodig? Hoofdpijn?’ vroeg hij.
Sara zuchtte gelaten en gaf toe dat ze hoofdpijn had. ‘Ik dacht dat het buiten wel over zou gaan,’ voegde ze er aan toe.
‘Je zou meer hebben aan een tabletje,’ antwoordde hij. ‘Kom mee naar binnen dan zal ik je er een geven.’
Ze aarzelde even, want ze genoot van de frisse lucht en de tuin die na de regen zo heerlijk geurde. Ze keek op naar Carl en zei kalm: ‘Ik wil liever nog even buiten blijven, als je het niet erg vindt en het lijkt me beter om na al die drank geen aspirine in te nemen.’
‘Je zei net nog dat je naar je kamer wilde,’ merkte hij op.
‘Ik heb me bedacht,’ antwoordde ze wat uitdagend.
‘Echt iets voor een vrouw, maar goed, dan loop ik wel met je mee,’ zei hij en voegde de daad bij het woord, toen ze doorliep.
Ze wandelden over een stenen pad dat naar het zwembad bleek te leiden. Sara bleef opeens staan en voelde dat haar zenuwen tot het uiterste waren gespannen. Ze was zich in haar hele leven nog nooit zo echt bewust geweest van de aantrekkingskracht van een man. Ray had destijds gevoelens bij haar gewekt die ze tot dan toe niet had gekend, maar die gevoelens had ze kunnen verklaren. Wat ze nu meemaakte, verbijsterde haar eigenlijk. Ze was opgewonden, had een gevoel van verwachting en besefte dat haar hart bonsde. Ze kreeg een eigenaardig gevoel van verlangen, dat iets te maken scheen te hebben met de betovering van de avond, die heldere maan en die duizenden schitterende sterren.
‘Ben je van plan hier de hele nacht te blijven staan?’ Ze kwam met een schok tot de werkelijkheid terug toen ze die zachte stem hoorde. Ze keek op naar Carl. Alles was even onwezenlijk. Ze begreep niet dat ze in deze betoverende omgeving samen kon zijn met een knappe man als Carl van der Linden.
‘Nee... nee...’ stamelde ze. ‘Ik... moet weer naar mijn kamer.’
‘Moet?’ herhaalde hij verbaasd. ‘Wat bedoel je daar precies mee?’ Hij kwam een stap naar haar toe en keek haar aan. Ze wist niet wat ze daarop moest zeggen. ‘Je hebt me nog geen antwoord gegeven,’ drong Carl even later zacht aan. ‘Ga je nu terug naar je kamer of niet?’
Ze slikte eens krampachtig. ‘Natuurlijk wel,’ antwoordde ze en ze deed vastbesloten een stap achteruit.
‘Nog niet, meisje,’ klonk zijn stem zacht en hij greep haar stevig bij de pols. Ze probeerde zich meteen los te rukken, maar ze kreeg geen kans en ze hoorde hem lachen toen hij haar met een snelle beweging naar zich toetrok. Ze was nog steeds een beetje in de war, maar ze probeerde toch het hoofd af te wenden toen hij haar wilde kussen. Met een gebiedend gebaar pakte Carl haar kin vast en hief haar gezicht naar zich op. Ze zag hoe zijn ogen geamuseerd glinsterden voor hij het hoofd boog en haar kuste, teder en verleidelijk, alsof hij haar vroeg hem terug te kussen. Ze slikte eens en probeerde zich te verzetten, maar toen begreep ze dat ze weerloos was in zijn sterke armen. Aan de ene kant nam ze zich boos voor zich niets van zijn kus aan te trekken, maar... aan de andere kant kon ze het niet laten te reageren op zijn liefkozing.
Zijn kus was van teder nu hartstochtelijk en veeleisend geworden. Ze voelde zijn armen als stalen banden om zich heen toen hij haar heftig tegen zich aandrukte. Hij was ongelooflijk sterk en ze wist dat het geen zin had tegen zo’n kracht tegen te stribbelen. Ze voelde zich klein en hulpeloos en liet zich meeslepen door de gevoelens die de kus bij haar opwekte.
‘Ik dacht wel dat ik dat prettig zou vinden,’ zei Carl toen hij haar tenslotte losliet en haar wat spottend aankeek. ‘En ik merk wel dat jij het ook al niet onaangenaam vond. Dat moeten we toch nog eens doen.’ Wat zei hij dat onverschillig! Hij vond het blijkbaar nogal grappig en ze kreeg het idee dat hij iets dergelijks al veel vaker had gedaan. Zelfs in het vage licht kon ze zien dat zijn mond wat minachtend was vertrokken en ze werd plotseling razend.
‘Je bent afschuwelijk! Ik hoop niet dat je trots bent op jezelf!’
Carl lachte alleen maar. ‘Je wilt toch niet ontkennen dat je het prettig vond, Sara?’
Sara haatte hem op dat ogenblik. Wat was er toch met haar aan de hand. Ze moest gek zijn geweest. Ja, dat was het natuurlijk, dacht ze en ze kreeg een kleur. Ze nam zich voor om nooit meer een druppel wijn te drinken.
‘Ik vond het allerminst prettig!’
‘Jokkebrok!’ zei hij zacht en hij bleef haar aankijken toen hij er nog zacht aan toevoegde: ‘Je vond het zelfs zo prettig, meisje, dat je er geen bezwaar tegen zou hebben gehad als ik nog wat verder zou zijn gegaan...’
Ze keek woest naar hem op. ‘Hoe kun je zulke monsterlijke dingen tegen me zeggen! En je hebt blijkbaar een nogal hoge dunk van jezelf!’ Ze kreeg tranen van woede in haar ogen en het ergste van alles was, dat ze zich schaamde omdat ze zich niet tegen Carl had verzet. Ze had tegen moeten spartelen. ‘Je... je p-praat net over me alsof ik het soort meisje zou zijn, dat... dat...’ Meer kon ze niet zeggen en ze snikte gesmoord toen ze zich van hem afkeerde omdat de tranen over haar wangen rolde.
Ze liep snel het pad af en hoorde Carl vragen, of ze misschien een glaasje water wilde hebben. Ze gaf hem geen antwoord en toen ze zich uitkleedde en naar bed ging, besefte ze dat haar hoofdpijn alleen nog maar erger was geworden.
De volgende ochtend werd ze wakker omdat het zonlicht de kamer binnenstroomde. Ze had nog steeds hoofdpijn en ze vroeg zich af, hoe ze daarmee in vredesnaam had kunnen slapen. Het verbaasde haar trouwens dat ze na het voorval in de tuin een oog dicht had kunnen doen. Hoe moest ze Carl die ochtend onder de ogen komen? Het liefst zou ze onopgemerkt het huis uit zijn geglipt.
Toen ze een bad had genomen en aangekleed was, had ze haar zelfbeheersing in zoverre teruggekregen dat ze de feiten onder de ogen durfde zien. Ze had zich wel vaker uit een netelige toestand moeten redden en dit zou ook de laatste keer niet zijn.
Ze keek in de spiegel nadat ze zich licht had opgemaakt. Irma zei altijd dat een vrouw meer zelfvertrouwen kreeg door zich op te maken en dat scheen nu dan ook juist te zijn, want toen Sara uiteindelijk haar kamer verliet, stelde ze tot haar eigen verbazing vast dat ze een zelfverzekerde houding kon aannemen.
Carl zag er onberispelijk uit, ook al droeg hij een ribfluwelen broek die beslist niet nieuw was en een in blauwe tinten geruit overhemd. Er was geen lachje op zijn gezicht te zien en met een strak gezicht wenste hij haar goedemorgen.
‘Goedemorgen,’ zei ze voor ze tegenover hem aan tafel ging zitten. Ze maakte een opmerking over het weer en Carl zei ernstig, dat hij het volkomen met haar eens was. Het was een prachtige ochtend na het noodweer van de vorige dag. Toen liet hij zijn blik snel over haar gezicht dwalen.
‘Ik hoop dat je goed hebt geslapen?’
Ze knikte. ‘Heel goed, dank je.’
Anna kwam binnen met een schaal gebakken eieren en spek die ze op de tafel neerzette.
‘Mag ik je bedienen?’ vroeg hij beleefd nadat Sara haar grapefruit had opgegeten.
‘Ja... maar niet teveel.’ Het was eigenaardig maar de gereserveerde houding die hij nu had aangenomen, bracht haar meer van haar stuk dan zijn grapjes. Deze beleefde voorkomendheid leek overdreven en ze vroeg zich af of het soms toch een masker was, waarachter hij het feit verborg dat hij de toestand nogal vermakelijk vond. De zelfverzekerdheid die ze eerst had gevoeld, begon langzamerhand te verdwijnen. Beschaamd herinnerde ze zich het voorval van de vorige avond en vooral het feit dat ze zich niet voldoende tegen Carl had verzet. Ze vroeg zich af of zijn minachting voor haar nu nog groter dan vroeger was geworden. Als hij wist dat ze verliefd was op Ray, en daar was ze bijna zeker van, dan moest hij haar wel minachten. Hij moest wel denken dat ze een flirt was. Het was eigenlijk ook walgelijk en ze moest toegeven dat Carl reden had om haar te minachten.
‘Je eet helemaal niet,’ stelde Carl vast.
Ze schudde vaag het hoofd. ‘Ik heb geen trek... het spijt me...’
Hij nam haar weer op met die onderzoekende blik die haar snel haar gezicht deed afwenden.
‘Wil je soms liever iets anders eten?’ informeerde hij bezorgd. Goed, ze was tenslotte zijn gast en hij wilde natuurlijk dat ze toch iets zou eten.
‘Nee, dank je,’ antwoordde ze zacht. ‘Ik heb geen honger.’
‘Nog een kopje koffie?’
‘Nee, dank je.’ Ze raakte in verlegenheid en ze probeerde iets te bedenken om zich maar terug te kunnen trekken. Dat lukte echter niet en na een lange stilte zei ze aarzelend: ‘Ik zou toch nog graag een kopje koffie hebben, als... als je het niet erg vindt.’
Carl schonk de koffie in en aarzelde even voor hij volkomen kalm opmerkte: ‘Er is geen enkele reden waarom je je zo opgelaten zou moeten voelen. Eet liever wat, dan voel je je vast een stuk beter.’
‘Ik zou geen hap door mijn keel kunnen krijgen.’ Het scheelde niet veel of ze kreeg tranen in haar ogen. Ze had er geen idee van hoe beschaamd en ongelukkig ze eruit zag. Ze kon niet vermoeden dat Carl misschien wel een beetje medelijden met haar kreeg.
‘Weet je,’ zei hij na een korte stilte, ‘ik kan me voorstellen dat je je na een voorval als dat van gisteravond, niet op je gemak voelt. Ik kan je echter verzekeren dat je er niet meer over hoeft te piekeren. Ik ben het al vergeten en ik kan je alleen maar aanraden dat ook te doen.’ ‘Vergeten? Je vraagt me het maar te vergeten?’ Sara moest moeite doen om haar tranen te bedwingen. ‘Ik zal het nooit vergeten... nooit!’ ‘Je neemt het me dus nog steeds kwalijk?’
Ze schudde meteen het hoofd. ‘Nee... ik neem het mezelf kwalijk.
Ik... ik ben nu eenmaal niet gewend om veel te drinken, zie je.’ Haar stem trilde even toen ze er aan toevoegde. ‘Ik had al die drank moeten weigeren.’
Carl fronste zijn wenkbrauwen alsof hij kwaad was op zichzelf. ‘Je piekert teveel, Sara. Kom, eet liever wat, al is het maar een sneetje geroosterd brood met marmelade. Ik vrees dat ik je vanmorgen geen gezelschap kan houden, want ik heb het een en ander in mijn werkkamer te doen. Je zult je echter wel een paar uur met mijn boeken bezig kunnen houden. Irma vertelde me dat je vroeger graag las. Ik zal je dadelijk mijn bibliotheek wijzen en als je soms een boek van me wilt lenen, zeg me dat dan maar gerust.’ Hij was vriendelijk, maar onverschillig. Hij reikte haar de schaal met het geroosterde brood aan en zijn nuchterheid stelde haar opeens gerust. Ze kon zelfs weer vaag glimlachen toen ze hem bedankte. Hij keek even peinzend naar haar toen ze het brood besmeerde en stelde toen voor, dat ze, als ze genoeg kreeg van zijn boeken, ook de tuin in kon gaan en eens een praatje moest maken met Masara, de tuinman, die haar de namen van alle bomen en bloemen kon vertellen.
‘Je weet dus dat ik dol op bomen en bloemen ben?’ vroeg ze verwonderd.
‘Irma vertelde me datje op Njangola een tuin probeert aan te leggen. Omdat je hier nog maar kort bent, veronderstel ik dat er veel planten zijn die je niet kent. Als je eens in mijn tuin rondkijkt, kun je zien welke planten je zou willen kopen.’
‘Dank je.’ Ze zweeg en besefte dat Carl haar handig over haar verlegenheid heen had weten te helpen. Het was nu net alsof er de vorige avond helemaal niets was gebeurd, dacht ze. ‘Ray vertelde me al dat de tuin hier zo prachtig was,’ merkte ze op en ze nam zich voor eerst de tuin in te gaan, want de zon scheen nu weliswaar nog, maar het was altijd mogelijk dat het later weer zou gaan regenen.
‘De tuin is inderdaad aardig, maar na het noodweer van gisteren zul je alles niet op zijn best zien. Het is echter verbazingwekkend hoe snel de meeste struiken en bomen zich weer herstellen.’
Korte tijd later was Sara buiten en ze keek genietend om zich heen want de tuin van Carl was een weelde van kleuren. Masara, de tuinman, vond het prettig om Sara rond te leiden en hij vertelde haar geestdriftig over de struiken en bomen. Hij noemde de namen van alle bloemen in de perken, die in een overvloed van tinten fel afstaken tegen het donkere groen van de struiken.
Later ging Sara weer naar binnen en bracht een paar uur in de bibliotheek door. Toen het tijd voor de lunch werd, kwam Carl haar halen.
‘Heb je je niet verveeld? Het spijt me dat ik je geen gezelschap kon houden, maar ik zag wel dat Masara een goede gids voor je is geweest.’ Zijn stem klonk koel en beleefd. Hij was zo volkomen anders dan de vorige avond en het leek onmogelijk dat deze man Sara de vorige avond zo hartstochtelijk had gekust. Deze man op de drempel was weer even ongenaakbaar als hij voorheen altijd was geweest. Zijn blik was weer onverschillig en zijn mond strak.
‘Ik heb een prettige ochtend gehad, dank je.’ Sara deed ook koeltjes. Het leek wel alsof ze weer op de oude voet verder gingen. Ze besefte dat er met geen woord meer over de vorige avond zou worden gesproken en ze vermoedde dat Carl er niet eens meer aan zou denken. ‘Kan ik na de lunch terug naar huis?’
Hij knikte onverschillig. ‘De zon is vanmorgen flink warm geweest en de weg zal dus wel weer droog genoeg zijn om te worden bereden.’
‘Ik ben je werkelijk dankbaar voor alles wat je hebt gedaan,’ merkte Sara eerlijk op.
‘Dat is echt niet nodig,’ antwoordde hij kortaf. ‘Je was blijven steken en je kwam mijn hulp inroepen. Onder die omstandigheden zou ik iedereen hebben geholpen, net zoals jij dat zelf ook zou hebben gedaan.’
Ze knikte en voelde zich op haar nummer gezet. Wat terneergeslagen besefte ze dat ze op de een of andere manier was veranderd door het samenzijn met Carl van der Linden, dat ze nooit meer hetzelfde meisje zou zijn dat ze de vorige ochtend nog was geweest.
De volgende zaterdag kleedde Sara zich met meer zorg dan anders voor de dansavond op de club. Ze vroeg zichzelf liever niet af waarom ze meer aandacht aan haar uiterlijk besteedde dan anders. Het was een vermoeiende dag geweest. Irma had een lastige bui gehad en op alles aanmerkingen gemaakt, zodat het Sara moeite had gekost om haar geduld te bewaren. Ray had zich echter al gauw niet meer kunnen beheersen en voor het eerst had hij echte ruzie met zijn vrouw gekregen. Irma had heftig liggen huilen en Ray had zich schuldig gevoeld toen hij het huis verliet. Sara had nauwelijks geweten hoe ze haar eigen tranen moest bedwingen toen ze probeerde haar zuster te troosten. Irma had telkens weer gezegd dat ze liever dood wilde gaan dan zo verder te moeten leven. Ze had verward over het ongeluk gepraat en daar Ray de schuld van gegeven, omdat hij volgens haar toch had moeten weten dat er iets met de wagen niet in orde was. Sara had haar armen troostend om haar heen geslagen, maar Irma had haar ruw van zich afgeduwd. ‘Ik wed dat hij de wagen wèl eerst zou hebben nagekeken, als jij ermee had willen rijden!’ liet ze zich toen heftig ontvallen.
Sara had haar mond gehouden, maar die opmerking had haar diep getroffen. Ze had weer beseft dat ze zich in een netelige toestand bevond. Ze werd zelfs even zo boos dat ze bijna besloot haar koffer te pakken en te vertrekken, maar Irma had al snel toegegeven spijt te hebben van haar uitval.
Ray was uiteindelijk teruggekomen en naar de slaapkamer van zijn vrouw gegaan. Een kwartier later was hij Sara met een strak en bezorgd gezicht komen zeggen, dat de ruzie weer was bij gelegd. Het was zijn beurt geweest om een avond uit te gaan, maar hij had zuchtend opgemerkt:
‘Ik blijf vanavond natuurlijk bij Irma. Ga jij je maar verkleden voor de dansavond op de club.’
Sara had een ogenblik geaarzeld. Ze besefte echter wel dat ze er nodig eens uit moest gaan en Irma had haar toch niet nodig, nu haar man die avond bij haar zou blijven.
Sara had Ray voorgesteld die avond bij Irma te gaan eten en dat had hij goedgevonden. Sara had erg haar best op de maaltijd gedaan en alles keurig op twee dienbladen klaargezet. Daarvoor werd ze beloond toen ze Irma zag glimlachen. ‘Dat ziet er heerlijk uit,’ zei Irma. ‘Wat ben jij toch handig in die dingen!’ Ze keek bewonderend naar het tuiltje bloemen op het dienblad. ‘Het is net een tuintje in een eierdopje! Kon ik het maar als een aandenken bewaren.’
Nadat Sara alleen had gegeten, was ze een bad gaan nemen. Sadie en de huisjongen zouden wel afruimen en de afwas doen. Toen Sara in het warme water lag, vroeg ze zich af wat ze toch moest doen. Het ene ogenblik besefte ze dat ze Njangola maar beter kon verlaten, maar het volgende moment zag ze haar zieke zuster weer in gedachten voor zich, Irma ... die haar zo nodig had.
Ray had de auto al voor het huis gereden en hij stond buiten, toen ze instapte en de motor startte. ‘Ik sta er verbaasd over dat alles nog werkt,’ zei ze toen de motor meteen aansloeg. ‘Toen we op weg hierheen de wagen zagen staan, was hij half weggezakt in de modder.’
‘Ik heb er zo’n idee van dat Carl niet alleen de wagen door zijn mensen uit de modder heeft laten halen, maar dat de auto ook is nagekeken. Hij heeft me eens verteld dat hij een jongen in dienst heeft die het fijn vindt om aan auto’s te prutsen.’ Hij deed een stap achteruit. ‘Prettige avond, Sara! Kon ik maar...’ Hij zweeg opeens, hief groetend de hand op en keerde zich om.
Had Ray willen zeggen dat hij het liefst met haar mee had willen gaan, vroeg Sara zich af. Wilde hij soms niet bij zijn vrouw blijven?
Sara reed voorzichtig het pad naar de hoofdweg af en dwong zichzelf alles te vergeten wat nu achter haar lag. Ze kon zich beter een avond echt ontspannen. Het zou de volgende morgen vroeg genoeg zijn om haar taak weer te hervatten. Het kwam vaak voor dat Irma na een neerslachtige bui weer wat opgewekter was alsof ze echt haar best deed zich in de omstandigheden te schikken, dus misschien dat de volgende dag wat gemakkelijker dan deze zou worden.
Toen Sara uiteindelijk op de parkeerplaats van de club stopte, had ze haar problemen van zich af kunnen zetten. Ze ging naar binnen om de mensen die ze kende te begroeten. Ze had al eerder kennis gemaakt met Grace en Hal Drake, die allebei artiesten waren en die in een van de aardige huizen aan de rand van de stad woonden. Ze kwamen nu naar Sara toe en vroegen haar of ze iets wilde drinken. Al gauw kwam er aan hun tafeltje een jongeman zitten die Sara ook al had ontmoet: Bernard Kirkby, een vrijgezel die zijn zuster en zwager op de boerderij hielp en tijdens het weekend meestal voor Carl werkte. Hij had Sara eens in vertrouwen verteld dat hij hard zwoegde om zoveel te sparen, dat hij uiteindelijk zijn eigen boerderij kon kopen.
‘Hallo, Sara, wat leuk je weer eens te zien!’
‘Wat zie je er geweldig uit in die jurk! Je lijkt er wel zestien mee!’
Sara bloosde, maar trok tegelijkertijd een lelijk gezicht. Greta nam Sara eens van top tot teen op. ‘Zestien, zei je, Bernard? Tja, je zou wel eens gelijk kunnen hebben.’
‘Natuurlijk niet,’ merkte Sara op, ook al wist ze dat de blauwe japon met de wijde rok haar jong deed lijken, want dat hadden Ray en Irma haar ook al verteld. ‘In elk geval wil ik er niet eens uitzien als een meisje van zestien!’
‘Op die leeftijd heb je nog geen echte problemen,’ stelde Greta wat weemoedig vast.
Dat was waar, moest Sara stilzwijgend toegeven. Ze keek om zich heen, maar Carl zag ze nergens. Even later vroeg Bernard of ze zin had om te dansen. Hal vroeg haar daarna voor de volgende dans, waarna Bernard haar weer opeiste. Nog steeds was Carl niet gekomen.
Om half elf kondigde Sara aan dat ze maar naar huis wilde gaan. Bernard trok een teleurgesteld gezicht en probeerde haar nog over te halen wat langer te blijven, maar ze schudde het hoofd.
‘Ik ben moe,’ legde ze uit, maar als ze eerlijk was, moest ze bekennen dat de hele avond van het begin af aan een teleurstelling was geweest. Carl van der Linden was immers niet komen opdagen...