HOOFDSTUK 6
Sara stelde tot haar verbazing vast dat Irma het een goed idee vond dat haar zuster op vakantie zou gaan. ‘Het zal je goed doen,’ knikte ze glimlachend. ‘Je hebt het hele jaar nog geen vakantie gehad want na je vorige baan kwam je meteen hierheen om voor mij te zorgen.’
Ray leek ook gelukkig, maar Sara had toch de indruk dat hij diep in zijn hart een beetje neerslachtig was. Hij deed echter alsof hij opgewekt was en toen hij haar naar het vliegveld bracht, wenste hij haar een prettige vakantie en zei dat ze vooral niet over Irma en hem moest piekeren. Ze zouden zich best weten te redden.
Toen het vliegtuig weer landde, werd Sara opgewacht door een auto met chauffeur en met gemengde gevoelens stapte ze in de grote glanzende wagen. Ze vond het aan de ene kant zalig eens zo weelderig te kunnen rijden, maar aan de andere kant zag ze toch ook tegen de kennismaking met de moeder van Carl op. Goed, Carl had Sara dan wel verzekerd dat zijn moeder helemaal niet op hem leek, maar hij had toch ook, al was het wellicht schertsend, beweerd dat zijn moeder haar bezoekster ongetwijfeld zou willen analiseren en daar voelde Sara heel weinig voor. Ze wist dat psychologen en dat soort mensen voornamelijk afgingen, op alles wat ze van iemand te horen kregen. Sara nam zich dus voor om de moeder van Carl zo weinig mogelijk over zichzelf te vertellen, dan zou het veel moeilijker worden om haar bezoekster te analiseren.
De chauffeur vroeg na een tijdje over zijn schouder aan Sara hoe lang ze al in Afrika was.
‘Acht weken,’ antwoordde ze. Natuurlijk vroeg de man meteen hoe het haar beviel. ‘Tja, veel heb ik er nog niet van gezien,’ antwoordde ze wat vaag.
‘Mrs. van der Linden zei dat u hier was om uw zuster te verplegen die door een ongeluk verlamd was geraakt.’
‘Ja, dat klopt.’
‘Het is toch afschuwelijk dat zo’n jonge vrouw invalide is geworden,’ merkte de chauffeur op.
‘Zeg dat wel,’ knikte Sara. ‘De specialisten zeggen allemaal beslist dat mijn zuster nooit meer zal kunnen lopen, maar dat kan ik eenvoudig niet geloven.’
De man knikte. ‘U bent al net zo optimistisch als ik, Miss. Iemand mag nooit de hoop opgeven, vind ik.’
Sara zweeg een poosje en omdat ze de chauffeur een aardige man vond, vroeg ze hem naar zijn gezin. Ze hoorde dat hij een vrouw en twee volwassen zoons had. Hij legde Sara uit, dat hij zowel tuinman, chauffeur, klusjesman als loopjongen was.
‘Hebt u het daar wel naar uw zin?’ vroeg Sara.
‘Ik heb een goede baan en al mijn vrienden zijn jaloers op me. De familie van der Linden staat er dan ook om bekend dat het personeel erg goed wordt behandeld. Ze betalen uitstekend, maar verwachten dan ook wel dat er echt gewerkt wordt.’ Hij knikte peinzend. ‘En dat is niet meer dan redelijk.’
De wagen zwenkte een rustige laan in die aan beide kanten beplant was met bomen. Er stonden mooie huizen langs de weg en elk huis was omringd‘door een tuin. Dit was wel zo verschillend van alles wat Sara tot dan toe in Afrika had gezien, dat ze verwonderd om zich heen keek. Joshua, de chauffeur, zwenkte uiteindelijk een oprit in en stopte.
‘Hier zijn we dan, Miss, Ik hoop dat u hier een prettige tijd zult hebben.’
‘Dank u,’ zei Sara glimlachend en ze keek eens aandachtig naar het grote huis met de brede ramen die nu overschaduwd werden door vrolijke oranje markiezen. Aan de ene kant van het huis stonden hoge palmen en aan de andere zijkant en de voorzijde prijkten perken vol exotische bloemen. Sara zou later vaststellen dat de grond aan de achterkant van het huis in beslag werd genomen door een boomgaard met allerlei soorten bomen.
Joshua leidde haar naar de voordeur die al werd geopend eer ze ervoor stonden. De chauffeur deed een stap opzij, zodat Sara de gastvrouw kon begroeten die haar al hartelijk de hand toestak. Sara keek haar wat onzeker aan. De vrouw had een opvallend gezicht. Het was nog ongerimpeld hoewel duidelijk te zien was dat de vrouw tussen de vijfenvijftig en zestig moest zijn. Het was een gezicht met de klassieke schoonheid van de Griekse beelden die Sara eens in een museum had gezien. Het had weliswaar strakke lijnen, maar er was iets heel menselijks in de trekken en de vriendelijkheid van de grote grijze ogen was erg aantrekkelijk. Sara glimlachte meteen en herinnerde zich dat Carl haar al had gezegd, dat zijn moeder helemaal niet op hem leek.
‘Jij moet Sara Morgan zijn! Ik vind het enig om kennis met je te maken, kind. Ik ben de moeder van Carl, maar dat heb je natuurlijk al begrepen. Kom toch binnen, Sara! Wat aardig van je dat je een poosje bij me wilt komen logeren.’
‘Dat is het helemaal niet,’ antwoordde Sara verlegen. ‘Het is juist erg vriendelijk van u dat u een volkomen vreemde heeft uitgenodigd.’ Ze voegde er met een onzekere glimlach aan toe: ‘Ik zou toch ook wel iemand kunnen zijn met wie u helemaal niet kunt opschieten...’
‘Carl heeft me verzekerd dat je erg charmant bent.’
‘O ja...?’ Sara trok een verbaasd gezicht. ‘Nee maar!’ De laatste twee woorden liet Sara zich onwillekeurig ontvallen, maar ze zeiden de pientere oudere vrouw al genoeg.
‘Ik krijg de indruk datje niet zo erg met mijn zoon kunt opschieten. Dat geeft helemaal niets. Hij heeft nooit veel begrip of belangstelling voor vrouwen gehad, maar ik heb hem al gewaarschuwd, dat hij vroeg of laat toch in de val loopt en verliefd zal worden.’ De grijze ogen schitterden ondeugend. ‘Dan krijg ik de kans om hem uit te lachen! Hij zegt altijd dat hij, als hij ooit trouwt, dat alleen zal doen om een zoon en erfgenaam te krijgen. Hij vindt namelijk dat Ravenspark in het bezit van de familie moet blijven.’
‘Het is dan ook een beeldig huis en ik kan me wel voorstellen dat hij een erfgenaam wil hebben.’ Maar hij zou wel een ongevoelige echtgenoot en vader worden, dacht ze. Zijn vrouw en kinderen zouden nooit de kans krijgen om maar één ogenblik te vergeten wie er de baas in huis was.
Sara volgde de gastvrouw door de hal en Joshua bracht de twee koffers van Sara het huis binnen. Een trap leidde naar de bovenverdieping, waar een aantal kamers op de gang uitkwamen. Even later keek Sara verwonderd om zich heen in de weelderige kamer waarheen ze was geleid. Joshua zette haar koffers neer en trok zich bescheiden terug.
‘Wat prachtig!’ zei Sara zacht en ze vroeg zich even verwonderd af hoe ze hier eigenlijk was terechtgekomen, in dit beeldige huis en bij een gastvrouw die zo charmant was als Mrs. van der Linden. Alles leek opeens zo onwerkelijk, alsof het maar een droom was. ‘Heeft u dit allemaal zelf gedaan...?’ vraag Sara toen ze zich met een weids gebaar omkeerde.
‘Ja, dit is inderdaad mijn werk. Ik vind het leuk om dingen te ontwerpen en elk jaar verander ik minstens een van de kamers weer helemaal. Het is een leuke liefhebberij, ook al gaat er soms wel eens iets mis.’
‘O ja?’ Sara begreep dat niet helemaal.
‘ Ja, het kan voorkomen dat de vernieuwde kamer niet zo goed uitvalt als ik had gedacht.’
‘O, nu begrijp ik het. Tja, zo iets kan natuurlijk gebeuren, hè?’ Weer liet Sara haar blik dwalen door de slaapkamer die uitsluitend in blauwe en gebroken witte tinten was gehouden. ‘Ik kan me bijvoorbeeld niet voorstellen dat er nog iets mooiers dan dit te bedenken zou zijn.’
‘Je hebt het niet gezien zoals het eerst was. Dat was een droom! Zelfs Carl, die zulke dingen bijna nooit opmerkt, zei me dat ik van te voren had kunnen weten dat het kleurschema van de kamer zoals hij was, nooit verbeterd had kunnen worden.’ Ze sprak vriendelijk en geestdriftig, maar Sara merkte toch wel dat de grijze ogen van de vrouw haar intussen onderzoekend opnamen. Er zou maar weinig zijn dat Mrs. van der Linden ontging en Sara nam zich weer voor zo weinig mogelijk over zichzelf los te laten. ‘Ik laatje maar even alleen, kind,’ zei Mrs. van der Linden. ‘Wil je je koffers zelf uitpakken of zal ik Rima naar je toesturen?’
‘Nee, dank u, Mrs. van der Linden,’ antwoordde Sara glimlachend. ‘Ik doe het liever zelf.’
De oudere vrouw knikte en zei met haar welluidende stem: ‘Je bent al net zoals ik. Het is heerlijk om op je gemak je koffers uit te pakken en intussen eens goed om je heen te kijken. Op die manier leer je je nieuwe omgeving beter kennen. Ik pak zelfs mijn eigen koffers uit als ik op Ravenspark logeer, al hoef ik daar de omgeving niet meer te leren kennen.’
Sara keek haar na en dacht weer even aan de badkamer in het huis van Carl, waar ze die echt vrouwelijke flessen badzout en toiletpoeder had aangetroffen.
Toen de deur van de kamer achter Mrs. van der Linden in het slot was gevallen, maakte Sara een van haar koffers open. Het raam bood uitzicht op de stille laan en Sara voelde nu al dat ze echt tot rust kwam. Als ze op de farm was, waar ze Ray bij elke maaltijd zag en voortdurend te maken kreeg met de lastige buien van Irma die telkens maar zei dat ze beter dood kon gaan, was Sara eigenlijk steeds ongelukkig. Zou deze vakantie daar iets aan veranderen, vroeg ze zich af. Alles zou toch weer opnieuw beginnen als ze terug was op de farm. In elk geval nam ze zich voor van de vakantie te genieten en als Mrs. van der Linden het haar zou vragen, zou ze graag nog eens terugkomen.
Ze nam snel een douche en trok een vrolijk gebloemde jurk aan, waarna ze weer naar beneden ging. Toen Sara de zitkamer inkwam, zat Mrs. van der Linden bij het raam en keek naar de boomgaard aan de achterkant van het huis. Ze keerde zich echter meteen naar Sara toe en keek aandachtig naar het slanke meisje met de gave huid en het aantrekkelijke gezichtje.
‘Dat is een aardige jurk,’ merkte Mrs. van der Linden op toen Sara wat verlegen naderbij kwam. ‘Ga zitten, kind, dan laat ik de thee brengen.’ Met een goedverzorgde hand trok ze aan een schellekoord en Rima kwam glimlachend binnen. Ze was een mollige jonge negerin, getrouwd met een man die als tuinman bij de buren werkte. ‘Wil je de thee brengen, Rima?’
‘Zeker, Mrs. van der Linden.’
‘Wat is het hier anders,’ zei Sara toen ze ging zitten en naar buiten keek.
‘Je bedoelt: anders dan Ravenspark? Ja, maar elke omgeving heeft zijn eigen charme, geloof ik. Ik ben op Ravenspark erg gelukkig geweest, maar toen leefde mijn man natuurlijk nog.’
‘Wilde u er na zijn dood niet langer blijven?’
‘Eigenlijk niet. Ik veronderstel ook dat ik het vaak oneens zou zijn met Carl. Hij is nogal dominerend of had je dat misschien nog niet gemerkt?’
Sara was wel zo voorzichtig om die vraag niet te beantwoorden. Ze zei slechts dat Carl en zij niet zo vaak met elkaar te maken hadden. ‘Hij komt af en toe naar de boerderij van mijn zwager toe,’ legde Sara uit, ‘en hij helpt hem vaak. U moet weten, dat Ray die boerderij nog niet zo lang heeft en hij zou gewoon niet weten, wat hij zonder de hulp van uw zoon zou moeten beginnen.’
‘Ja, Carl is wel hulpvaardig.’ Er volgde een eigenaardige stilte. ‘Hij heeft me veel over je zuster verteld. Je moet weten dat Carl en ik lange telefoongesprekken voeren,’ legde ze uit. ‘Het was tragisch dat ze dat verschrikkelijke ongeluk kreeg.’
‘Zegt u dat wel,’ zuchtte Sara. ‘En ze is zo mooi, Mrs. van der Linden. Ik hoop dat u eens met haar kennis kunt maken. Irma zou het heerlijk vinden eens met u te kunnen praten.’
‘Dank je, kind. Ja, ik zou het meisje weleens willen zien voor wie mijn zoon zoveel belangstelling heeft.’
Sara keek haar aan en zag de peinzende blik van de vrouw.
‘Heeft u dan het gevoel dat Carl... meer dan gewone belangstelling voor mijn zuster heeft?’ vroeg Sara onwillekeurig. Ze vroeg het eigenlijk omdat ze nieuwsgierig was naar het antwoord van Mrs. van der Linden.
‘Ja, hij heeft zeker een bepaalde belangstelling voor haar,’ zei Mrs. van der Linden en ze fronste haar wenkbrauwen even alsof ze zich over iets verwonderde. ‘Het is eigenlijk niets voor hem om zich druk te maken over gevoels...’ Ze zweeg, maar het was natuurlijk al te laat.
‘U denkt dat hij belang stelt in de gevoelsproblemen die door het ongeluk van mijn zuster zijn veroorzaakt?’
‘Daar lijkt het veel op,’ antwoordde Mrs. van der Linden zuchtend. ‘Het ergert me altijd zo als ik iets niet begrijp.’ Ze keek Sara wat verontschuldigend aan. ‘Jij kunt het me zeker ook niet uitleggen?’
Sara haalde haar schouders op. ‘Misschien vat u alles te ernstig op, Mrs. van der Linden. ‘Uw zoon heeft medelijden met Irma en natuurlijk ook met haar man. Hij komt vaak een praatje met mijn zuster maken...’
‘Waar praten ze dan over?’ viel de vrouw Sara nieuwsgierig in de rede.
‘Daar heb ik geen idee van.’ Nu Sara erover nadacht, besefte ze dat Irma haar nooit antwoord had gegeven, als ze, alleen om maar wat te zeggen, had gevraagd waar Carl met haar zuster over had gepraat. ‘O... over niets bijzonders,’ zei Irma dan. ‘Hij leest veel en we praten over boeken.’
‘Lijkt je zuster op jou, wat karakter betreft?’ vroeg Mrs. van der Linden langzaam.
‘Nee, ik geloof dat we heel verschillend zijn.’
‘O ja?’ Mrs. van der Linden keek naar de deur die werd geopend. Rima kwam binnen met een groot zilveren blad met een fijn porseleinen theeservies. ‘In welk opzicht, Sara?’ vroeg ze toen.
‘Tja, dat is moeilijk uit te leggen. Ik weet alleen dat we niet op elkaar lijken.’
Het dienstmeisje verliet de kamer weer. ‘Vertel me eens,’ ging de moeder van Carl door, ‘als jou dat ongeluk was overkomen, zou je dan op dezelfde manier als je zuster hebben gereageerd?’
Sara herinnerde zich opeens haar voornemen om de moeder van Carl niets te vertellen, dat haar de kans zou geven het karakter van haar gast te analiseren. Sara besefte spijtig dat de vrouw al heel handig wat te weten was gekomen, ook al was het niet veel.
‘Ook dat is moeilijk te zeggen,’ antwoordde Sara. ‘Maar ik denk dat ik, als ik bezoek van iemand kreeg, niet het gevoel zou hébben dat ik gedwongen moest glimlachen.’
‘Je zuster heeft dus medelijden met zichzelf?’
‘Zo zou ik het niet willen zeggen, Mrs. van der Linden. Ze is ongelukkig, maar zou u dat niet zijn als u op haar leeftijd wist dat er geen hoop bestond dat u ooit weer zou kunnen lopen?’
‘Ja, ik zou wel ongelukkig zijn... maar ik geloof niet dat ik de mensen om me heen zou laten merken, hoe ongelukkig ik was... zeker niet de mensen die zo hun best deden alles gemakkelijker voor me te maken.’ Sara fronste haar wenkbrauwen toen ze die woorden hoorde.
‘U schijnt te denken dat Irma veel klaagt,’ merkte ze op. ‘Ik moet u een verkeerde indruk van Irma hebben gegeven. Ze is echt wel dankbaar voor alles wat we doen...’ Ze zweeg opeens en herinnerde zich dat Ray eens had gezegd dat Irma haar dankbaarheid nooit eens toonde. Ray had gelijk gehad, maar Sara verwachtte aan de andere kant niet dat haar zuster steeds weer haar dankbaarheid zou moeten tonen. Als je telkens je dankbaarheid moest tonen was dat vernederend voor degene die de woorden zei en de ander die bedankt werd, raakte er maar door in verlegenheid.
‘O ja?’ vroeg Mrs. van der Linden terwijl ze de thee inschonk. ‘Ik ben maar blij dat je zuster waardering heeft voor alles wat haar man en jij voor haar doen.’
Sara zuchtte even. Ze had het onaangename gevoel dat ze Irma in een verkeerd daglicht had gesteld, ook al was dat beslist niet haar bedoeling geweest.
De eerste twee dagen verliepen rustig en plezierig. Sara en de moeder van Carl konden zo goed met elkaar opschieten, dat het wel leek alsof ze elkaar al maanden kenden. Ze gingen elke morgen naar het strand om er te zwemmen en te zonnebaden, maar ze gingen voor de lunch weer terug naar huis. Na de maaltijd ging Mrs. van der Linden even rusten en meestal lag Sara in die tijd op het gazon een boek te lezen. Ze had al die tijd in Afrika al een beetje bruin willen worden, maar op de farm van Ray had ze nooit de kans gekregen om ook maar een uurtje in de zon te liggen.
Op de derde dag zei Mrs. van der Linden dat ze die avond in een hotel zouden gaan eten. ‘Carl zal je waarschijnlijk wel hebben verteld, dat ik dat af en toe graag doe,’ ging Mrs. van der Linden door. ‘Ik vind dat een prettige afwisseling en het is soms goed wat meer werk van je uiterlijk te moeten maken.’
De gedachte een avondjurk te moeten dragen deed Sara denken aan de bepaald niet vleiende opmerking die Carl had gemaakt. Ze kreeg een kleur en Mrs. van der Linden vroeg haar of er soms iets aan scheelde.
‘Nee, dat eigenlijk niet.’ Sara aarzelde, maar toen ze de vragende blik van Mrs. van der Linden op zich gericht zag, legde ze uit: ‘Carl zei eens dat ik er als een vogelverschrikker zou uitzien in een blouse met kantjes.’
‘Zei hij dat echt?’ Mrs. van der Linden zette grote ogen op. ‘Dan zijn er maar twee mogelijkheden, Sara: mijn zoon mag jou wel of hij heeft een uitgesproken hekel aan je.’
‘O nee,’ protesteerde Sara. ‘Ik laat hem volkomen koud, dat weet ik wel zeker.’
De oudere vrouw keek Sara met een eigenaardige blik aan. Het bleef even stil. ‘Meisje, tegen een vrouw die hem volkomen koud laat, zegt een man niet hoe ze er in dit of dat zal uitzien. Zo’n vrouw merkt hij niet eens op en hij doet zeker geen moeite zich voor te stellen wat die vrouw het beste zou staan.’ Ze zweeg afwachtend. ‘Vind je dat ook niet logisch?’
‘Tja...’ Sara was niet overtuigd, al moest ze toegeven dat het nogal eigenaardig was dat Carl zo’n weinig vleiende opmerking had gemaakt. ‘Dan kan hij alleen maar een hekel aan me hebben.’
‘Maar hij verzekerde me toch dat je charmant was, weet je wel?’
‘Ik geloof dat hij dat alleen maar zei om u gerust te stellen, Mrs. van der Linden. U zult hem toch wel hebben gevraagd wat ik voor een meisje was?’
‘Ja, natuurlijk!’
‘Daarop moest hij vanzelfsprekend wel iets vleiends over me zeggen.’ Sara dacht even na en voegde er toen lachend aan toe: ‘Hij kon toch niet zeggen: ‘Ik mag haar niet zo erg, maar ik wed dat jij het misschien wel met haar kunt uithouden’, of iets dergelijks?’
Mrs. van der Linden schoot in de lach. ‘Je hebt gevoel voor humor, kind, en dat mag ik wel. Dus... zelfs al ben je ervan overtuigd dat mijn zoon je niet mag, toch schijn je geen wrok te koesteren.’
Sara haalde haar schouders weer op. ‘Dat helpt zo weinig, vindt u niet? Wrok ontaardt meestal in een gevoel dat je niet meer kunt beheersen.’
‘Dat is maar al te waar. Je hebt een volwassen kijk op bepaalde dingen. Hoe oud ben je eigenlijk?’
‘Drieëntwintig,’ antwoordde ze.
De moeder van Carl zuchtte even. ‘Wat een heerlijke leeftijd! Geniet er maar van, Sara... en laat geen kans voorbijgaan.’
‘Kans?’ herhaalde Sara.
‘Je bent een knap meisje en je bent jong... dat is een volmaakte toestand. Ik was precies even oud als jij toen ik mijn eerste huwelijksaanzoek kreeg. Ik wees het natuurlijk af, omdat ik het oog al had laten vallen op de vader van Carl... een grote, knappe man. Zijn zoon lijkt op hem en daar ben ik altijd dankbaar voor geweest. Elke moeder wil graag een grote, knappe zoon hebben.’ Haar stem klonk trots en Sara glimlachte begrijpend.
‘Hebt u nog meer kinderen?’ vroeg ze.
‘Nog twee dochters, maar die zijn allebei ver weg. Antoinette is met een Braziliaan getrouwd en Nicolette met een Fransman. Ik zie mijn dochters slechts eens in de twee of drie jaar en ik weet eigenlijk niet of dat goed of verkeerd is. Het is na elke ontmoeting erg moeilijk om weer afscheid te moeten nemen.’
‘Ja, dat kan ik me voorstellen,’ zei Sara begrijpend. ‘Ik geloof niet dat mijn zuster of ik hierheen gekomen zouden zijn als onze ouders nog hadden geleefd.’
‘Geloof je echt dat je zuster er net zoals jij over zou hebben gedacht?’
Sara glimlachte aarzelend. ‘Misschien zou Sara toch met Ray hierheen zijn gekomen omdat hij dat nu eenmaal wilde. Een vrouw moet haar man nu eenmaal volgen, niet?’
De oudere vrouw dacht een ogenblik na. ‘Als jij getrouwd zou zijn, zou jij je eigen wensen dan achterstellen bij die van je man?’
‘Ja, dat denk ik wel.’
‘Omdat je van hem hield?’
‘Natuurlijk, ik zou niet met hem trouwen als ik niet van hem hield.’ Ze keek de oudere vrouw peinzend aan en besefte opeens verschrikt dat ze de afgelopen minuten heel wat over zichzelf had losgelaten. Het was niet verstandig van haar geweest, bedacht ze, maar wat deed het ertoe? Zo belangrijk was het niet geweest. Ze besloot dat ze maar beter over iets anders kon beginnen. Ze vroeg naar het meisje dat Carl zou komen bezoeken. ‘Ray zegt dat Carl vroeger haar voogd is geweest,’ voegde Sara er aan toe. ‘Dat kan ik me nauwelijks voorstellen.’
‘Dat neem ik je helemaal niet kwalijk,’ zei Mrs. van der Linden glimlachend. ‘Zo was het dan ook niet precies. De vader van het meisje vond haar nogal oppervlakkig en voor hij stierf liet hij zijn vermogen voor haar vastzetten. Carl moest het geld beheren tot ze meerderjarig zou zijn. Carl vond het niet prettig om het geld voor het meisje te moeten beheren, maar hij wilde zich niet onttrekken aan de laatste wil van haar vader. Natuurlijk werd Marie verliefd op hem. Welk meisje is er ooit niet verliefd op haar voogd geworden? Dwaas kind! Ik geloof dat Carl haar uiteindelijk een paar flinke tikken heeft gegeven om haar van die bevlieging te genezen. Zulke onzin is nu eenmaal niets voor Carl!’
Sara moest even glimlachen. Die arme Marie! Ze had verstandiger moeten zijn en niet verliefd moeten worden op een man zoals Carl, die kennelijk geen belangstelling voor vrouwen had.
Mrs. van der Linden merkte op, dat haar zoon het helemaal niet prettig had gevonden, toen hij hoorde dat Marie hem wilde komen opzoeken. ‘Hij zou wel een uitvlucht hebben verzonnen om dat bezoek te voorkomen,’ ging ze door, ‘maar Marie was wel zo handig hem daar niet de kans toe te geven. Ze kent Carl goed genoeg en ze wist wel dat hij haar liever niet zou ontvangen. Ze zorgde er dus voor dat hij geen andere keus had. Hij zal haar wel weer flink onderhanden nemen, maar daar trekt ze zich niet veel van aan. Ze weet dat blaffende honden niet bijten.’
De oudere vrouw zweeg en glimlachte toen ze zag dat Sara haar met grote ogen aankeek. ‘Daar ben jij het blijkbaar niet mee eens. Vertel me eens, meisje, hoe is de verstandhouding tussen jou en mijn zoon precies?’
‘Ik ben bang dat we elkaar niet erg begrijpen,’ antwoordde ze eerlijk.
‘Nooit eens een beetje vriendelijkheid?’
‘Daar is zelden iets van te merken,’ antwoordde Sara.
‘Dat kan je blijkbaar niets schelen.’
‘Och, nee...’ Sara vroeg zich even af of ze dat wel meende.
Het bleef even stil. ‘De meeste jonge vrouwen zouden maar al te graag de aandacht van mijn zoon trekken.’ Het klonk nogal eigenaardig. ‘Misschien ben je al verliefd?’ vroeg Mrs. van der Linden en Sara was pienter genoeg om te beseffen dat Carl zijn moeder moest hebben verteld dat Sara verliefd was op haar zwager. Ze had dat het liefst willen ontkennen, maar dat kon ze moeilijk doen omdat Ray helemaal niet ter sprake was gekomen. Ze was trouwens erg eerlijk en ze kreeg dan ook onwillekeurig een kleur. ‘Aha, ik zie het al,’ zei Mrs. van der Linden langzaam.
‘Ik praat er liever niet over,’ zei Sara en haar stem klonk een beetje scherp. Ze vond het wat hinderlijk dat Mrs. van der Linden het telkens weer klaarspeelde iets te weten te komen, ook al was Sara meestal op haar hoede.
‘Neem me niet kwalijk, kind,’ zei de moeder van Carl.
Rima kwam de kamer binnen om te zeggen dat Mrs. van der Linden aan de telefoon werd geroepen. ‘Het is uw zoon.’
De grijze ogen van de oudere vrouw glansden toen ze snel opstond en de kamer verliet, na zich tegenover Sara te hebben verontschuldigd.
Een paar minuten later kwam ze terug en keek Sara gelukkig aan.
‘Marie komt uiteindelijk toch niet op bezoek bij Carl. Ze heeft zich bedacht en nu komt hij morgen hierheen. We kunnen hem voor de lunch verwachten.’ Mrs. van der Linden ging weer zitten maar ze bleef naar het gezicht van Sara kijken.
Sara slikte eens krampachtig en fronste haar wenkbrauwen. Carl... hier? Ze zou zich het vijfde wiel aan de wagen gaan voelen. ‘Dan kan ik maar beter weggaan,’ mompelde ze. ‘Hij wil me niet in de buurt hebben, dat weet ik wel zeker.’
‘Dat is onzin, kind. Je bent hier gekomen voor een beetje rust en dat zul je krijgen ook!’
‘Ik kwam echter ook om u gezelschap te houden omdat Carl niet kon komen...’
Mrs. van der Linden begon een beetje ongeduldig te worden. ‘Sara, hij weet toch dat je hier bent en hij stelt zelf voor om te komen. Dat moet toch voldoende zijn.’
‘Tja...’ Sara zuchtte eens. Dat klonk wel logisch maar toch... ‘We hebben nu eenmaal niets gemeen, ziet u,’ voegde ze er aan toe.
‘Hoe weet je dat?’ vroeg Mrs. van der Linden.
‘Dat voel ik,’ antwoordde Sara.
‘Dat is onzin, kind. Hoe kun je zoiets weten, als je niet met iemand over alles en nog wat hebt gepraat?’
Sara bedacht weer dat ze met Carl maar één ding gemeen had: de belangstelling voor het welzijn van Irma. Ze herinnerde zich ook dat ze met hem, toen ze in zijn huis was, wel prettig had kunnen praten.
Mrs. van der Linden merkte op, dat Carl en Sara hier samen een paar dagen op vakantie zouden zijn en dan eindelijk de kans kregen om te ontdekken of ze al dan niet iets gemeen hadden.
‘Pieker jij nu maar nergens over,’ besloot ze. ‘Ik heb het gevoel dat jullie hier allebei een heel plezierige vakantie zullen hebben en dat jullie echt bevriend met elkaar zullen zijn, als die vakantie is afgelopen.’