HOOFDSTUK 5

 

 

 

‘Ik zei verleden week dat je er eens tussenuit zou moeten.’ Ray kwam de tuin in waar Sara bloemen aan het plukken was. ‘Wil je er niet over nadenken?’

‘Waarom, Ray? Ik zei toch al dat ik niet moe was.’

‘Ik ben zo verschrikkelijk bang dat je hier weg zult gaan.’

Sara schudde het hoofd. ‘Niet, voordat Irma me zegt dat ik kan vertrekken,’ beloofde ze.

Ray keek haar verwonderd aan. ‘Dat zeg je op een toon alsof je half verwacht, dat Irma je dat zal zeggen.’

Sara bukte zich om nog een roos te plukken, maar Ray pakte haar bij de arm en dwong haar hem aan te zien. ‘Ray, wat...?’

‘Ze heeft iets tegen je gezegd. Ik wil weten wat ze heeft gezegd!’

Sara sloeg snel haar oogleden neer, uit angst dat Ray wellicht uit haar blik kon opmaken wat er in haar omging. ‘Ze kan soms zo somber zijn, weet je. Meestal doe ik maar net alsof ik dat niet merk,’ legde ze uit en ze trok haar arm los uit de greep van Ray.

‘Waar praat ze over als ze zo somber is?’ vroeg Ray na een korte stilte. Sara antwoordde niet en hij drong aan. ‘Zeg me de waarheid, Sara!’ zei hij op een bijna gebiedende toon. Zo had Sara hem nog nooit horen praten.

‘Ze windt zich op over de verhouding tussen jou en haar. Ze haalt zich het dwaze idee in haar hoofd, dat er een eind zou komen aan jou liefde voor haar. ’ Zo, nu had ze het dan toch gezegd. Ray had haar er toe gedwongen, maar misschien was het wel goed dat het eens werd gezegd. Wellicht zou Ray voortaan wat meer tijd en aandacht aan Irma gaan wijden.

Hij deed zwijgend een stap opzij en leunde tegen een boom. Hij keek Sara met een eigenaardige uitdrukking aan. ‘Vind je dat zo’n dwaas idee?’vroeg hij ten slotte zacht.

‘Dat er een eind aan jouw liefde voor haar zou komen? Natuurlijk is dat een dwaze gedachte!’ antwoordde Sara heftig.

‘Maar ik zei al tegen jou dat liefde niet eeuwig kon duren,’ begon hij, maar Sara viel hem wat angstig en boos in de rede.

‘Nee, je vroeg me hoe lang liefde kon duren,’ verbeterde ze.

‘Goed, laten we geen spijkers op laag water zoeken,’ merkte hij onverschillig op. ‘Irma is sinds het ongeluk erg veranderd. Ze is vitterig geworden, een vrouw die er alleen maar plezier in heeft steeds maar te klagen. Is ze ooit dankbaar voor alles wat jij en ik voor haar doen?’

‘Ze heeft het moeilijk,’ zei Sara en ze dacht aan de eerste ruzie tussen Ray en Irma. Ze herinnerde zich dat Irma had gezegd, dat die ruzie een kloof had veroorzaakt die nooit meer te overbruggen was. ‘Je zou een beetje aardiger tegen haar moeten zijn, Ray.’ De stem van Sara klonk zacht en smekend. Ze sloot even de ogen omdat ze de bitterheid in zijn blik niet wilde zien. Ze vond het van groot belang dat hij anders zou gaan denken. Ze twijfelde er niet aan dat hij nog steeds van zijn vrouw hield, maar ze voelde wel dat zijn liefde verflauwde. Hoe moest het verder gaan als er een eind zou komen aan zijn gevoelens voor Irma? Zo lang hij van zijn vrouw hield, had Sara niets te vrezen want hij had er geen idee van dat zijn schoonzuster van hem hield. Als hij echter niet meer van Irma hield, dan was het niet onmogelijk dat hij aandacht aan Sara ging schenken en dan zouden er grote problemen ontstaan. Sara wist heel goed dat ze flink kon zijn, maar ze betwijfelde toch of ze, als Ray van haar zou gaan houden, hem zou kunnen verzwijgen dat ze al lang van hem hield.

Sara was echter vastbesloten er wel voor te zorgen dat het zo ver niet zou komen. Irma had meer dan ooit de liefde van haar man nodig, juist omdat ze al met Sara over haar twijfels had gepraat. Behalve de liefde van Ray, had Irma ook de liefde van haar zuster nodig en Sara was bereid, als het nodig mocht zijn, haar hele leven aan de verzorging van Irma te wijden.

‘Ik geef toe dat ze het niet gemakkelijk heeft,’ merkte Ray op, ‘maar af en toe zou ze toch wel eens kunnen tonen dat ze dankbaar is voor alles wat er voor haar wordt gedaan.’

‘Ik hoef geen woord van dank te horen, Ray. Ik doe alles voor Irma omdat ik van haar houd en bovendien, omdat ik het als mijn plicht beschouw voor haar te zorgen.’

‘Je laat me dus niet in de steek?’

‘Jou?’ vroeg ze en ze fronste haar wenkbrauwen. ‘Ik zal Irma nooit in de steek laten, als je dat soms bedoelde.’

‘Om er nog eens op terug te komen,’ begon hij weer, ‘zou je niet eens weg willen? Er zijn uitstapjes naar de kust die bij een reisburo in Paulsville geboekt kunnen worden... Ik zag er laatst een advertentie van.’

‘Ik wil niet in mijn eentje weg, Ray.’

Hij aarzelde even. ‘Ik heb er eens met Carl over gesproken, bekende hij. ‘Zijn moeder woont in Diera, bij de kust...’

‘Zijn moeder?’ viel Sara hem in de rede. ‘Ik wist niet dat Carl nog een moeder had.’

‘O nee?’ vroeg Ray verwonderd.

‘Ik weet niet waardoor ik de indruk kreeg dat hij geen ouders meer had. Misschien omdat hij er nooit een woord over heeft gezegd.’

‘Hij heeft geen vader meer. Als zijn vader nog had geleefd, zou Carl nu niet Ravenspark en al dat land hebben gehad.’ Ray keek haar aan. ‘Zoals ik al zei, hebben Carl en ik over jou gepraat. Hij zei dat je zijn moeder wel zou kunnen opzoeken...’

Sara viel hem weer in de rede. ‘Wil je me werkelijk vertellen, dat Carl voorstelde dat ik bij zijn moeder zou gaan logeren?’ Sara vroeg zich af wat voor reden Carl daarvoor kon hebben gehad. Ze wist wel zeker dat hij zo’n voorstel niet zonder een bepaalde reden had gedaan.

‘Ik weet wel dat je niet op hem bent gesteld,’ zei Ray, ‘maar dat heeft hier niets mee te maken. Hij had zijn moeder zelf moeten gaan bezoeken, want uit zijn verhaal kon ik opmaken dat zijn moeder zich de laatste tijd niet zo best voelde en vooral behoefte aan gezelschap had. Ze woont alleen, ook al heeft ze natuurlijk wel personeel.’ Hij zweeg even alsof hij eerst wilde vaststellen of Sara belangstelling voor het voorstel had gekregen. ‘Toen haar man stierf, heeft de moeder van Carl Ravenspark verlaten,’ ging Ray door. ‘Ze ging in de buurt wonen bij de weduwe van haar broer, maar die vrouw is onlangs overleden en Mrs. van der Linden schijnt op het ogenblik nogal neerslachtig te zijn. Ze vroeg Carl haar eens te komen opzoeken en hij beloofde dat ook te doen, maar hij krijgt bezoek van een jonge vrouw over wie hij vroeger voogd is geweest. Ze schreef dat ze uiteindelijk naar Ravenspark zou komen, maar onderweg telkens een paar dagen bij kennissen bleef logeren. Carl was boos omdat het meisje hem niet eerder op de hoogte had gebracht van haar plannen. Hij kan het bezoek niet afzeggen of uitstellen, want hij weet niet eens waar hij haar nu zou kunnen bereiken. Ze liet hem alleen weten dat ze hem de dag voor haar aankomst op Ravenspark nog zou opbellen. Ik vertelde hem dat ik me ongerust maakte over jou en dat je volgens mij eens een tijdje rust nodig had...’

‘En hij stelde dus voor dat ik maar bij zijn moeder moest gaan logeren?’ vroeg Sara ongelovig. ‘Dat kan ik nauwelijks geloven.’ Net zo min als ze kon geloven dat hij voogd over een meisje was geweest.

‘Daar hoef je echt niet zo van op te kijken,’ zei Ray kalm. ‘Zulke dingen gebeuren hier vaak. Iedereen is even gastvrij. Carl heeft zijn moeder zelfs al opgebeld en ze zal het heerlijk vinden als je een weekje bij haar komt.’

‘Irma zal niet willen dat ik haar zo lang in de steek laat. Zelf voel ik er trouwens weinig voor om bij een volkomen vreemde te gaan logeren,’ bekende Sara terwijl ze nog steeds nadacht over de reden, die Carl voor dat vreemde voorstel kon hebben gehad. Ze hadden elkaar drie keer ontmoet sinds ze in dat noodweer bij hem was komen aankloppen en ze hadden zich allebei gedragen alsof er nooit iets tussen hen was gebeurd. Het voorval in de tuin van Carl scheen niet meer van belang. Voor Sara was het een opluchting geweest dat Carl er niet meer aan scheen te denken. Wat haar betrof; ze had het te druk met de verzorging van haar zuster om ook maar aan iets anders te kunnen denken.

Ray keek haar aan alsof hij verwachtte dat ze nog meer zou gaan zeggen. Ze legde uit dat ze geen rust of verandering van omgeving nodig had, want zo lang was ze tenslotte nog niet eens op Njangola.

Hij keek haar met bezorgde blik aan en vroeg haar of ze eerlijk kon zeggen dat de tijd niet omkroop, dat het niet leek alsof ze al een eeuwigheid op Njangola Farm was. Sara was overdonderd door die vraag en ze verraadde zich doordat ze naar een antwoord moest zoeken.

‘Dat is de enige reden waarom ik wil, dat je er eens tussenuit gaat, Sara. Het moet zwaar en eentonig voor je zijn om Irma te verzorgen en de leiding van het hele huishouden op je te nemen... en dat nog wel, nadat je in Engeland zo’n gemakkelijke en plezierige baan had.’

Dat kon Sara moeilijk ontkennen. Het leven was hier ongetwijfeld eentonig en vervelend, want al was ze ook steeds bezig, ze moest toegeven dat de tijd omkroop. Ze besloot echter dat ze Irma niet in de steek kon laten en ze vertelde Ray, dat ze niet van plan was een week bij een volkomen vreemde te gaan logeren. ‘Misschien vindt de moeder van Carl me niet eens aardig.’

‘Het is ook mogelijk dat jij haar niet aardig vindt, maar dat weet je niet voor je naar haar toe bent gegaan,’ antwoordde Ray.

‘Dat klinkt net alsof je probeert me kwijt te raken,’ zei Sara. Ze keek naar het knappe gezicht van haar zwager en haar hart bonsde. Soms veroorloofde ze zich wel eens de weelde hem niet te zien als haar zwager, maar alleen als de man van wie ze hield, ook al voelde ze daarna weer het verdriet dat door haar onbeantwoorde liefde werd veroorzaakt.

‘Misschien heb jij die indruk,’ zei Ray, ‘maar, om heel eerlijk te zijn, Sara, heb ik het gevoel dat je eens een tijdlang niet bij Irma zou moeten zijn.’

 

Het was ruim een week na dat gesprek, dat Sara naar Paulsville reed en ernstig over het voorstel van Ray begon na te denken. Ja, het zou haar goed doen een tijdje niet bij Irma te zijn. Ze was de vorige dag weer zo lastig geweest, dat Sara er hoofdpijn van had gekregen. Onder normale omstandigheden had Sara een uurtje kunnen gaan rusten om die hoofdpijn kwijt te raken, maar natuurlijk had ze nu hiertoe geen kans gekregen. Het zou trouwens ook goed zijn een poosje niet bij Ray te zijn, besefte Sara, omdat het voor haar een beproeving was om te merken dat haar liefde voor hem nog even sterk als vroeger was. Ze vroeg zich echter af wie er tijdens haar afwezigheid voor Irma zou moeten zorgen. Voor Sara op Njangola was gekomen, was er elke dag een wijkverpleegster uit Paulsville gekomen om Irma te verzorgen, maar later had Irma haar bekend, dat ze die vrouw niet kon uitstaan en dat juist dat een van de redenen was geweest, waarom ze Sara had gevraagd naar Njangola te komen. Goed, het zou tenslotte maar voor een week zijn, peinsde Sara en ze dacht aan Ray die best goed voor zijn vrouw kon zorgen, als hij dat wilde. Hij wist haar goed aan te pakken en was af en toe even zorgzaam en hartelijk als Sara zelf. Hij kon Irma de dingen toefluisteren die ze graag wilde horen, haar eens een kus op haar voorhoofd geven als hij de lakens van het bed had rechtgetrokken of het kussen had opgeschud.

Ja, Ray zou zich wel kunnen redden, dacht Sara toen ze langzaam Paulsville binnenreed, ook al zouden Sadie en de huisjongen natuurlijk ook moeten helpen.

Ze parkeerde de wagen, ging een paar boodschappen voor Ray doen en haalde ten slotte briefpapier en enveloppen voor Irma. Toen ze alles had, wilde ze nog een of twee boeken voor haar zuster kopen. Ze stond die net uit te zoeken toen Bernard de zaak inkwam.

‘Hallo! Ben je soms van plan de hele voorraad te kopen?’

‘Dag, Bernard! Wat leuk dat ik je weer eens zie,’ antwoordde Sara glimlachend.

‘En ik ben blij dat ik je hier aantref. Ik vond het jammer dat je zaterdag niet kwam dansen.’

‘Mijn zuster voelde zich niet goed en daarom ben ik maar bij haar gebleven.’

‘Ray kwam anders wel naar de club,’ stelde Bernard vast. Hij vond het wellicht vreemd dat Ray die avond niet liever bij zijn vrouw was gebleven.

‘Ray had de hele week hard gewerkt,’ antwoordde Sara. ‘Hij moest werkelijk eens een beetje afleiding hebben.’

Bernard knikte langzaam. ‘Het moet niet gemakkelijk zijn om altijd een invalide in huis te hebben. Ik zal nooit vergeten hoe ontdaan we allemaal waren toen dat ongeluk was gebeurd. Het was niet te geloven dat de knappe vrouw van de nieuwbakken jonge boer voor de rest van haar leven invalide zou blijven. We zijn er allemaal minstens een week door van slag geweest.’

Sara zei maar niets. Irma was meer dan een invalide. Het was volslagen onmogelijk dat ze haar benen nog ooit zou kunnen gebruiken. Wilde ze toch maar eens proberen zich in zo’n rolstoel te leren bewegen... Tot nog toe had ze echter ronduit geweigerd ook maar aan een rolstoel te denken. Ze wilde niet in zo’n ding worden gezien. Als ze dan volslagen hulpeloos moest blijven, zei ze, dan wilde ze tenminste niet in het openbaar worden gezien.

Bernard deed snel een boodschap voor zijn zuster en vroeg of Sara een kopje thee met hem ging drinken. Dat vond ze een goed idee en nadat Bernard haar pakjes naar de auto had gebracht, ging ze naar de club waar ze buiten een tafeltje onder de palmen wisten te vinden. Ze zaten al aan de thee, toen Carl ook kwam. Hij zag er goed uit in een witlinnen broek en een wit overhemd dat aan de hals openstond. Hij bleef aan hun tafel even staan praten met Bernard, die de volgende zaterdag weer bij hem zou komen werken. Bernard beloofde te komen en Sara had het gevoel dat het niet lang meer zou duren of Bernard zou voldoende geld hebben om zelf een boerderijtje te kunnen kopen.

‘Drink je een kopje thee met ons mee?’ vroeg Bernard. ‘We zitten hier ook nog maar net.’ Carl knikte en wenkte een serveerster.

‘Hoe gaat het met je zuster?’ vroeg hij aan Sara, nadat hij ook thee had besteld. ‘Ik heb de afgelopen twee dagen niet naar Ray toe kunnen komen, maar als ik morgen tijd heb, kom ik een poosje met Irma praten.’

Hij maakt zich dus nog steeds ongerust over Irma, dacht Sara en ze herinnerde zich opeens wat Irma laatst tijdens een huilbui had gezegd. ‘Ik wil het liefste maar doodgaan en dat gebeurt ook... als Ray en jij eens niet zo op jullie hoede zijn!’ Later had Sara haar zuster weer met veel geduld tot bedaren weten te brengen, maar Irma had haar toen wel ernstig aangekeken en opgemerkt: ‘Het zou voor iedereen veel beter zijn als ik uit dit leven verdween... als ik het geluk van anderen niet langer in de weg zou staan.’ Ze bedoelde natuurlijk dat Sara en Ray na haar dood samen gelukkig konden worden. Sara was de kamer uitgegaan en ze had om die opmerking gehuild. De rest van die dag had ze zich erg neerslachtig gevoeld.

Ze kwam tot de werkelijkheid terug, toen ze besefte dat Carl haar vragend aankeek omdat ze hem nog geen antwoord op zijn vraag had gegeven. ‘Het gaat vandaag wat beter met Irma,’ zei ze. ‘Gisteren was ze erg terneergeslagen... het was nogal moeilijk voor ons...’ Ze zweeg omdat ze dat eigenlijk niet had willen zeggen. Carl moest dat wel als een klacht van haar kant beschouwen.

Hij dronk peinzend zijn thee en de aandacht van Sara werd afgeleid omdat Bernard opmerkte: ‘Daar heb ik eigenlijk nooit bij stilgestaan, Sara... maar misschien kan ik ook eens een uurtje op bezoek komen om Irma wat afleiding te bezorgen?’

Het gezicht van Sara klaarde weer op en dat ontging Carl niet. ‘Zou je dat echt willen doen, Bernard? O, ik zou je al erg dankbaar zijn als je eens per week zou komen, al was het maar voor een uurtje!’

Hij beet even beschaamd op zijn onderlip en zei dat hij daar al veel eerder aan had moeten denken. ‘Als Carl morgen wil komen, zoek ik wel een andere dag uit. Donderdag?’

‘Uitstekend. Irma zal het heerlijk vinden als ik het haar vertel.’ ‘Opgetogen zal ze echt niet zijn,’ waarschuwde Carl voorzichtig. ‘Bernard, je moet er rekening mee houden dat Irma depressief is. Natuurlijk zal ze naar je bezoek uitkijken, maar het is misschien beter als je beseft dat zo’n bezoek van jou voor haar alleen maar de eentonige sleur even verbreekt.’

‘Meen je dat?’ vroeg Bernard ontdaan. ‘Ik wist helemaal niet dat ze zo depressief was... al is dat natuurlijk wel begrijpelijk,’ voegde hij er aan toe. ‘Je schijnt heel wat van haar af te weten,’ besloot hij en hij keek Carl aan.

‘Ik heb Sara verteld, dat ik al eerder iets dergelijks heb meegemaakt...’ Hij zweeg en haalde even zijn brede schouders op. ‘Daar zullen we nu niet op ingaan. Probeer alleen niet te vergeten, Bernard, dat je geduld met Irma moet hebben als ze een sombere bui heeft. Blijf haar opzoeken, want het zou niet goed voor de toestand van Irma zijn, als je eerst regelmatig kwam en daarna je bezoeken opeens zou staken. Ze zou vanzelfsprekend aannemen dat je je bij haar verveelde en dat je genoeg van haar had gekregen.’

‘Ik begrijp het...’ knikte Bernard peinzend. ‘Ik zal er aan denken, Carl.’ Hij wendde zich weer tot Sara. ‘Ik kan elke week wel een uurtje missen,’ verzekerde hij haar, ‘en ik kan mijn zuster vragen of ze ook eens naar Irma wil gaan, op een andere dag dan ik, natuurlijk.’

‘Dat is erg vriendelijk van je, Bernard, dank je wel.’ Sara glimlachte dankbaar tegen hem en ze merkte dat Carl met een eigenaardige blik naar haar keek.

Korte tijd later keek Bernard op zijn horloge en zei verontschuldigend dat hij nu weg moest gaan. ‘Jullie vinden het toch niet erg?’ vroeg hij terwijl hij van de een naar de ander keek.

‘Natuurlijk niet,’ antwoordde Carl. ‘Doe de groeten van me aan Richard en Emma.’

‘Dat zal ik doen. Misschien zie je Richard zaterdag wel. Hij gaat naar de polowedstrijd kijken.’

‘Ja, als er niets tussenkomt, speel ik zaterdag mee.’

‘Goed, dat zal ik hem vertellen. Tot ziens dan maar!’

Sara keek Bernard na en voelde zich niet helemaal op haar gemak nu ze alleen met Carl achterbleef. Hij zag er verschrikkelijk beheerst en zelfverzekerd uit. Ze besefte dat ze in het begin echt een hekel aan hem had gehad, maar het zou een geruststelling voor haar geweest zijn als ze had kunnen zeggen, waarom ze precies een hekel aan hem had gekregen. Hij was weliswaar vaak hooghartig en onverschillig, maar verder had ze eigenlijk niets op zijn gedrag aan te merken.

Hij begon een beleefd gesprek met Sara, die zich na enkele ogenblikken al afvroeg of ze hem soms verveelde. Ze nam haar tas van de lege stoel naast haar op en wilde al opstaan, toen ze opeens aan de bel dacht die ze voor Irma wilde laten aanleggen. Ze besloot Carl te vragen, of hij soms het adres wist van de man die dat zou kunnen doen. Hij keek haar aandachtig aan toen ze hem uitlegde wat de bedoeling was.

‘Ja, ik ken die man en ik weet waar hij woont,’ antwoordde Carl, maar hij voegde er dadelijk aan toe: ‘Het is echter niet nodig dat Ray zich die kosten op zijn hals haalt. Ik heb zelf een jongen die zulke karweitjes graag doet en hij kan het ongetwijfeld klaarspelen.’

Sara keek hem dankbaar aan voor ze iets zei. ‘Het is erg vriendelijk van je dat je dat allemaal voor ons wilt doen. Die bel is echt van belang, want het komt wel eens voor dat ik Irma niet hoor als ze me roept.’

‘En dan wordt ze natuurlijk lastig, veronderstel ik.’

‘Je schijnt wel veel van haar af te weten,’ zei ze en onwillekeurig gebruikte ze dezelfde woorden als Bernard.

‘Ze interesseert me. Om eerlijk te zijn, interesseren jullie drie op Njangola me allemaal,’ voegde hij er raadselachtig aan toe. Sara staarde hem verwonderd aan en zag dat hij haar wat uitdagend aankeek. Ze keerde haar gezicht van hem af en het haar blik dwalen over de prachtige omgeving vol bloeiende bloemen die in de zachte bries heen en weer bewogen. De tuinen van de club waren schitterend aangelegd en goed onderhouden. De perken vol bonte bloemen werden afgewisseld met struiken en bomen, terwijl hier en daar banken op schaduwrijke plekjes stonden.

‘Waar denk je nu aan?’ vroeg Carl opeens.

‘Mijn gedachten gaan alleen mij maar aan,’ liet ze zich onwillekeurig ontvallen. Het was haar bedoeling niet geweest zoiets onvriendelijks te zeggen.

‘Ben je altijd zo terughoudend of alleen tegenover mij?’ vroeg Carl.

Sara keek hem vragend aan. ‘Ik weet niet precies wat je bedoelt...’

Hij glimlachte spottend. ‘Speel je nu het domme blondje?’ informeerde hij. ‘Als een vrouw geen antwoord op een vraag wil geven, doet ze vaak alsof ze er niets van begrijpt.’

Sara wist niet of ze nu kwaad moest worden of moest lachen. In plaats daarvan zei ze rustig: ‘Denk je dat ik je vraag met opzet ontwijk?’

‘Dat blijkt wel.’ Hij schonk nog een kopje thee in en het bleef even stil. ‘Heeft Ray iets gezegd over een voorstel van mij?’ informeerde hij. ‘Ik bedoel dat je mijn moeder zou kunnen opzoeken...’

‘Vertel me eens,’ zei ze langzaam, ‘waarom wil je dat ik je moeder ga opzoeken die ik niet eens ken?’

‘Ray zal je dat toch allemaal wel hebben uitgelegd!’

‘Hij zei wel dat je moeder zich niet goed voelde en gevraagd had of je haar eens kwam opzoeken. Ik begrijp echter niet, waarom ik die taak van jou moet overnemen.’ Ze keek aandachtig naar zijn gezicht en probeerde te weten te komen wat er nu in hem omging.

‘Ray zei dat je een poosje rust nodig had en een beetje afleiding. Dat ben ik met hem eens.’ Hij legde haar met een gebaar het zwijgen op omdat ze alweer wilde protesteren. ‘Ik begrijp best dat je misschien de indruk krijgt dat ik je met jouw zaken wil bemoeien, maar als je verstandig bent, denk je toch eens over mijn voorstel na. Je zou je niet op je gemak voelen, als je ergens alleen in een hotel was en omdat ik op het ogenblik onmogelijk naar mijn moeder toe kan gaan, stelde ik Ray voor dat jij bij mijn moeder zou gaan logeren. Hij maakte zich kennelijk ongerust over je.’ Sara sloeg haar oogleden neer en begreep dat Carl weer aan haar gevoelens voor Ray zou denken. ‘Het is misschien een wat ingewikkelde manier om verschillende mensen gelukkig te maken,’ besloot hij.

Sara was het nog steeds niet met hem eens. ‘Stel je voor dat je moeder me niet aardig vindt? Om eerlijk te zijn, als ik in haar plaats was, zou ik niet opgetogen zijn als me een onbekend meisje werd opgedrongen.’

‘O nee?’ vroeg Carl glimlachend. ‘Je kent mijn moeder niet! Ze vindt het heerlijk jongelui om zich heen te hebben en ze is altijd blij als ze weer nieuwe kennissen krijgt. Ze is psychologe en ze zal jou dus ongetwijfeld willen analiseren. Dat is nu eenmaal een liefhebberij van haar die ze ondanks al mijn pogingen niet wil opgeven. Je zult mijn moeder vast aardig vinden,’ voegde hij er aan toe en zijn glimlach maakte zijn strakke gezicht wat vriendelijker. ‘Ze lijkt geen zier op haar zoon, als dat je soms dwars mocht zitten.’

‘Dat was weer echt een opmerking voor jou, hè?’ liet Sara zich ontvallen.

‘Ik probeerde je alleen maar gerust te stellen over mijn moeder. Het is zo gemakkelijk een verkeerde indruk van iemand te krijgen door hem of haar met een familielid te vergelijken. Maak je maar niet ongerust, zodra je mijn moeder ziet, zul je nauwelijks kunnen geloven dat ik haar zoon ben.’

Sara keek hem achterdochtig aan. Ze kon niet geloven dat hij haar nu echt plaagde! ‘Ik moet toegeven dat je moeder een aardige vrouw lijkt, als jouw beschrijving tenminste klopt.’

‘Dan ga je dus toch bij haar logeren?’

‘Tja, ik begrijp nog steeds niet waarom jij belangstelling zou hebben voor mijn welzijn...’ Ze zweeg en voelde dat ze een kleur kreeg. ‘Ik bedoel... je kent me nauwelijks en...’

‘Ik heb geen belangstelling voor jou welzijn,’ viel Carl haar kalm maar onverstoorbaar in de rede, ‘maar ik weet dat mijn moeder teleurgesteld zal zijn nu ik haar niet kan komen opzoeken. Als jij in mijn plaats gaat, bewijs je niet alleen mij een dienst, maar tevens jezelf!’ Hij zweeg en om de een of andere onverklaarbare reden kreeg Sara de indruk dat hij zijn woede probeerde te verdringen. ‘Ray zal dan meer tijd aan zijn vrouw moeten besteden en dat zal zowel voor hem als voor Irma goed zijn.’ Zijn stem klonk bijna grimmig. Sara vroeg zich opeens af, of de reden van het voorstel van Carl was, dat hij haar uit de buurt van Ray wilde krijgen. Waarom toonde Carl toch zoveel belangstelling voor de problemen op Njangola? Je kon hem beslist niet bemoeiziek noemen...

Toen Carl haar daarna nog eens vroeg of ze iets voor de logeerpartij voelde, zei ze tot haar eigen verbazing dat ze graag naar zijn moeder zou gaan en als een echte vrouw, informeerde ze meteen wat voor kleren ze dan zou moeten meenemen.

‘O, broeken en blouses... gewoon, wat je hier ook draagt,’ antwoordde Carl achteloos. ‘Af en toe gaat moeder graag uit eten, misschien kun je dus ook nog iets moois meenemen.’

‘Je bedoelt een lange japon?’

‘Of een lange rok met een blouse met kantjes of zo...’ Hij zweeg opeens en schudde toen zijn hoofd. ‘Nee, kantjes zijn niets voor jou. Je zou er als een vogelverschrikker uitzien. Nee, een...’

‘Dank je wel!’ viel Sara hem nijdig in de rede. ‘Ze hebben veel tegen me gezegd, maar ze hebben me nog nooit een vogelverschrikker genoemd.’

‘Voor alles is er een eerste keer,’ merkte hij lachend op. ‘Je bent gewoon mager, waarom wil je dat niet bekennen?’

‘Dat is altijd nog beter dan te dik zijn.’ Ze keek hem woedend aan. ‘Moet je iemand dan altijd krenken?’

‘Misschien heb je gelijk en ik bied je mijn veronschuldigingen aan. Om echter op die kwestie van je kleren terug te komen, zoals ik al zei, neem maar broeken en blouses mee en iets wat je aan het strand kunt dragen.’ Hij begon ongeduldig te worden.

‘Neem me niet kwalijk, ik vroeg het alleen omdat ik niet wist of ik ook zou moeten werken.’

‘Werken?’

‘Je zei toch dat je moeder er niet zo best aan toe was en omdat ik verpleegster ben...’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Ze is van streek door de dood van haar schoonzuster, maar ze is niet ziek, hoop ik,’ besloot hij.

‘Irma weet er nog niets vanaf,’ merkte Sara op. ‘Als zij het vervelend vindt, kan ik natuurlijk niet gaan.’

Het bleef even stil. ‘Maak je daar maar niet ongerust over. Irma zal blij zijn als je gaat.’

‘Blij?’ herhaalde Sara verbluft. ‘Hoe kom je daarbij?’

‘Irma zal wel weten dat je een poosje rust nodig hebt,’ antwoordde hij. En aan de toon van zijn stem hoorde Sara al, dat ze hem over dit onderwerp maar beter geen vragen meer kon stellen.

Op de parkeerplaats namen ze even later afscheid van elkaar. Hij liep door naar zijn eigen auto en Sara maakte met een peinzend gezicht het portier van haar wagen open. Ze voelde opeens een onrust die ze niet kon verklaren. Het was een gevoel van verwachting dat, voor het ogenblik tenminste, al haar problemen naar de achtergrond deed verdwijnen.

Wat mankeert me toch, vroeg ze zich af toen ze over de stoffige weg onder de palmen voortreed, waar donkere negerkinderen speelden die lachend naar elke auto wuifden. Ze vroeg zich af waarom alles er plotseling veel zonniger en vrolijker uit scheen te zien.

Ze neuriede zelfs een wijsje toen ze thuiskwam en de lichte kamer van Irma inging waar overal vazen met bloemen stonden. Toen ze de gordijnen opentrok zag ze dat Irma zelfs glimlachte.

‘Zo, we zullen de zon maar eens binnenlaten,’ zei Sara en ze keek even genietend naar het weidse uitzicht.

‘Wat ben je vandaag opgewekt,’ stelde Irma vast. ‘Heb je de hoofdprijs in de loterij gewonnen?’

De hoofdprijs? Dat was een fortuin en Sara bedacht meteen dat ze in zo’n geval al dat geld zou willen besteden om de hele wereld af te zoeken naar een specialist die haar zuster zou kunnen helpen.

‘Nee, dat niet, maar het is waar: ik ben vrolijk. Dat heb je nu eenmaal wel eens,’ gaf ze toe.

‘Waar ben je vanmiddag geweest?’ vroeg Irma nieuwsgierig.

‘Naar Paulsville.’

‘Alleen?’

‘Natuurlijk!’ antwoordde Sara.

‘Ik heb Ray de hele middag niet gezien. Ik dacht dat hij misschien bij jou was.’

Sara zuchtte eens en haar gezicht betrok. ‘Ray is druk bezig met het herstellen van de schade die door het noodweer is veroorzaakt.’

‘Daar doet hij dan wel lang over.’

‘De schade was dan ook aanzienlijk. Carl heeft een paar mensen hierheen gestuurd om Ray te helpen.’

Irma leunde achterover in de kussens, pakte een doos bonbons en koos peinzend een lekkere uit. ‘Ik vraag me toch af waarom je vandaag zo opgewekt bent,’ mompelde ze weer.

Sara aarzelde en vroeg zich af of ze over haar vakantie zou beginnen. Nee, misschien kon Ray dat zijn vrouw beter vertellen. ‘Jij bent toch ook wat vrolijker dan anders,' zei ze tegen Irma.

‘Dat geef ik toe. Vraag me maar niet, waarom, want dat zou ik je niet kunnen uitleggen,’ bekende Irma.

‘Ik heb het een en ander voor je meegebracht,’ zei Sara glimlachend en ze begon haar tas uit te pakken.

‘Je bent erg goed voor me, Sara,’ zei Irma plotseling en haar stem klonk peinzend toen ze er zacht aan toevoegde: ‘Ik verdien het eigenlijk niet datje met zoveel toewijding voor me zorgt. Ik ben een ondankbaar mormel... dat weet ik best.’