HOOFDSTUK 2

 

 

 

De volgende middag ging Liane, die er heel jong en aantrekkelijk uitzag in een turkooiskleurige zonnejurk met witte biezen langs de hals, het middel en de zoom, op weg naar Kimara Lodge. Ze nam nu de weg, die eigenlijk een lange boulevard was met kokospalmen aan weerszijden, en veel bloembakken. Aan beide kanten van de weg lagen Flints citrusplantages onder de Afrikaanse zon. In de verte rezen bergen op en de toppen ervan verdwenen in een zilverkleurige wolkenmassa. Ze zuchtte even, maar zou niet hebben kunnen uitleggen waarom. Die vage aanval van neerslachtigheid was een soort voorbode van nare herinneringen en, voordat ze het besefte, was ze diep in gedachten verzonken over wat er had kunnen zijn als ze haar kaarten wat handiger had uitgespeeld, wat haar verhouding tot haar baas betreft. Maar, nu ze terugkeek, had ze voordat de schok van zijn verloving haar had getroffen, nooit helemaal beseft hoe diep haar liefde was voor de grote knappe zakenman met zijn koude ogen en zijn onpersoonlijke stem. Kirsty had het al veel eerder door gehad en, toen ze Liane erover onderhield, had ze ten antwoord gekregen dat haar nicht verliefd was op haar baas en dat ze de hoop koesterde dat hij haar liefde ooit nog eens zou beantwoorden, Kirsty, praktisch als altijd, had haar, met vooruitziende blik, zonder aarzelen aangeraden hem te vergeten, maar hoewel Liane inwendig toe moest geven dat Kirsty het bij het rechte eind had, was haar wijze raad toch maar moeilijk op te volgen geweest.

Haar dromerij kwam plotseling tot een einde toen ze de hoge smeedijzeren hekken bereikte, waar ze doorheen moest om de tuinen van Kimara Lodge binnen te kunnen gaan. Ze gingen geluidloos open door hun goed geoliede scharnieren; ze sloot ze achter zich en stond enkele sekonden stil om de schoonheid van de tuinen in één blik in zich op te nemen. Ginds stond een groep jacaranda’s bij een fraai gevormde vijver en de bloesem hing laag neer als een zachte, blauwe kantsluier en dicht erbij stond een tuinhuis met vlammend rode bougainvillea, neervallend op het strooien dak vanaf een siermuur ernaast. Liane werd nu getroffen door een ander visioen van schoonheid; het was een van de uitgestrekte gazons en de plantenrijke borders, de terrassen en de bloemperken en daar weer achter wenkte een gewelfde opening in een muur Liane verleidelijk toe en ze vroeg zich af wat zich daar achter zou kunnen bevinden. Ze zag alleen een glimp van een prachtige witte klimroos, die zo weelderig was als ze nog nooit eerder had gezien en de bloemblaadjes trilden als sneeuwvlokken in een bries.

Ze liep verder langs de goed onderhouden oprijlaan met bloemborders en lage, zoet geurende struiken.

Ze was bijna bij de voordeur, toen deze openging en Flints grote, indrukwekkende gestalte in de deuropening verscheen, een glimlach op zijn zongebruinde gezicht.

‘Goedemiddag,’ groette hij haar en kwam lichtvoetig langs de witte marmeren trap naar beneden. ‘U ziet er heerlijk koel uit. Hebt u geen last van de hitte op dit uur van de dag?’

Ze knikte en zei met haar kalme, muzikale stem: ‘O, jawel hoor. Maar ik heb een koude douche genomen voor ik wegging en dat was heerlijk verfrissend.’ Ze voelde zich op haar gemak en toch was ze op een onverklaarbare manier getroffen door de persoonlijkheid van deze man - die zelfverzekerde houding, die vagelijk arrogante manier waarop hij zich gedroeg, de krachtige gelaatstrekken en de manier waarop zijn steengrijze ogen met een zachte hoogmoed glinsterden. In één oogopslag zag ze wat hij droeg; een volmaakt passende pantalon van donkerblauw linnen, het witte hemd onberispelijk tegen zijn gebruinde hals en glimmende sandalen van gebroken wit leer.

‘U ziet er ook koel uit,’ zei ze, zijn glimlach beantwoordend. ‘Maar ik neem aan dat u gewend bent aan deze hitte en het daarom nauwelijks nog merkt?’

‘Dat klopt gedeeltelijk. Maar er zijn wel momenten dat ook ik het wat te gortig vind.’ Hij wees op de treden die naar de schaduwrijke stoep voerden. ‘Hebt u zin om iets te drinken voordat we beginnen?’

‘Ja, graag vruchtesap,’ antwoordde ze, ‘sinaasappel als u dat hebt.’

‘Natuurlijk’. Hij zette haar in een van de vrolijke, met katoenen stof overtrokken stoelen, ging zelf de kamer binnen en ze hoorde het tinkelen van glaswerk en ijs. Ze leunde achterover, sloeg haar benen over elkaar en legde haar handen op de leuning van haar stoel. Ze merkte dat ze een poging deed geheel ontspannen te zijn en over niets na te denken. Maar het verlangen naar Richard was voortdurend aanwezig en dat herinnerde haar aan haar hopeloze liefde voor hem. Zou ze net zo nauw met hem kunnen samenwerken als vroeger, nu ze wist dat hij met een andere vrouw getrouwd was, nu hij elke avond het kantoor haastig zou verlaten, verlangend naar de vrouw van wie hij hield? Ze zag zijn huis voor zich; het was haar bekend omdat ze er vaak geweest was en er zelfs weekenden had doorgebracht, als hij haar dat had gevraagd in verband met de hoeveelheid werk. Het huis was het typische voorbeeld van een woning van een geslaagde zakenman, met de mooiste tapijten en gordijnen en de kostbaarste meubelen. Overal stond antiek en Liane had zichzelf dikwijls voorgesteld hoe zij dat alles met liefdevolle zorg en waardering zou afstoffen en verzorgen.

Nu was alle hoop weggevaagd en plotseling sloeg een duistere golf van wanhoop over haar heen en ze zou zich het liefste hebben overgegeven aan een huilbui om zo tenminste enige verlichting te vinden.

‘Hier is uw drankje, Miss Goulden. ’ Flints kalme stem was een opluchting en maakte abrupt een einde aan haar sombere overpeinzingen. Snel draaide zij haar hoofd naar hem om waardoor de vonken er af leken te spatten en Flint, wiens aandacht erdoor getrokken werd, keek er geboeid naar met een hoogstmerkwaardige uitdrukking op zijn gezicht. ‘Het is vers sinaasappelsap,’ zei hij even later. ‘Ik wist niet zeker of u er suiker in wilde.’

Liana nam een slok en schudde toen het hoofd.

‘Het is precies goed zo, Mr. Dawson,’ glimlachte ze en ze keek hoe hij op zijn gemak zijn lange, pezige lichaam neervlijde in de stoel tegenover haar. Hij hield een glas limonade in zijn hand en zette dat voor zich op tafel.

‘Vindt u het vervelend als ik u Liane noem?’ vroeg hij na een poosje. ‘We gebruiken hier niet vaak de achternaam en dat zult u al wel gemerkt hebben toen u met Kirsty naar de stad ging.’

‘Ja, iedereen die ze tegenkwam noemde ze bij de voornaam.’

Meer werd er niet over gesproken, maar Liane wist dat Flint eenvoudigweg had aangenomen dat hij en zij elkaar voortaan bij de voornaam zouden noemen. Ze zaten ongeveer een minuut of tien en praatten luchtig over koetjes en kalfjes en vooral Liane had het over onbelangrijke dingen - zoals mensen met een gebroken hart dat plegen te doen. Weer rezen er herinneringen in haar op, pijnlijk en zinloos.

Plotseling zei hij, nogal onverwacht: ‘Er is iets in je ogen, Liane, dat ik niet kan begrijpen. Iets van verdriet. Wat gaat er in je om?’

Ze was even uit het veld geslagen omdat ze niet meteen een antwoord voorhanden had. ‘Ik wist niet dat ik er anders uitzag dan normaal, Mr. eh . . . Flint.’

Het even trekken van zijn lippen verried zijn vermaaktheid over de moeite die ze had gehad zijn voornaam voor de eerste keer te gebruiken.

‘Kom,’ zei hij om het haar gemakkelijk te maken, 'ik zal je de tuinen laten zien.’ Hij stond op, toen zij haar glas leeg had. ‘We beginnen aan de voorkant en dan zal ik je eerst mijn lievelingsplek laten zien.’

De bleek een zomerhuisje te zijn met een strodak zoals zij al eerder had gezien, maar dit verrukkelijke huisje, dat gemaakt was van blokken die de boeiendste vormen hadden en zorgvuldig in elkaar waren gepast, was een flink eind van het pad tussen mangobomen en andere tropische gewassen neergezet.

‘O, wat mooi!’ riep Liane spontaan uit terwijl ze stilhield voor de deur die omrankt werd door rode rozen. ‘Als het van mij was, zou ik hier heel vaak komen!’

‘Ik ga hier zo vaak heen als ik maar kan,’ zei hij. ‘Het is er koel, schaduwrijk en eenzaam.’

‘Eenzaam?’ Ze hief het hoofd op om hem in het magere, tanige gezicht te kijken. ‘Wil je dan wel eens alleen zijn?’

‘Natuurlijk,’ antwoordde hij. ‘Het is onnatuurlijk om zo nu en dan niet eens naar eenzaamheid te verlangen.’

‘Eenzaamheid ...’ Voor de tweede keer herhaalde zij een woord dat hij had gebruikt en haar ogen, zo helder als blauw Venetiaans glas, dwaalden automatisch weg, over de vlakten van Kimara Lodge naar de wijde bushvelden, die zich tot in het oneindige uitstrekten. ‘Er is anders al genoeg eenzaamheid hier,’ mompelde ze tegen zichzelf. En toen zei ze, voordat hij daar op kon inhaken: ‘En, in ieder geval, u woont alleen.’ De gedachte aan zijn vriendin kwam even in haar op, samen met de gedachte dat Flint wel eens niet veel langer alleen zou blijven wonen.

‘Ik leef alleen,’ gaf hij toe, maar wees er toen op dat de huishoudelijke staf toch altijd om hem heen was. ‘En ook op het werk heb ik heel wat boys om me heen,’ voegde hij er aan toe. ‘Nee, Liane, hier en alleen hier kan ik er zeker van zijn niet gestoord te worden.’ Hij keek neer op haar aantrekkelijke gezicht. ‘Kom binnen,’ nodigde hij haar uit. ‘Het is een voorrecht, kindje, want er zijn maar heel weinig mensen die hier binnen mogen komen.’

Kindje...? Liane keek zwijgend voor zich uit, niet in staat haar gevoelens te ontleden. Er had zich een zekere gespannenheid van haar meester gemaakt en ze vroeg zich nu ernstig af of Flint er wel de man naar was om zich bezig te houden met zoiets onnozels als een flirt. Hij was in ieder geval heel wat aardiger dan ze had verwacht. Uit wat Kirsty had verteld, had Liane zich het beeld gevormd van koele onpersoonlijkheid, van ontoeschietelijkheid en zelfs van onverschilligheid. Flints houding was wel heel anders en, op een of andere onduidelijke manier, voelde ze dat ze op haar hoede moest zijn.

Ze ging het zomerhuis binnen en hield de adem in toen ze om zich heen keek. De vloer was prachtig betegeld met, in het midden, een kokosmat. Een divan met helderkleurige stof bekleed, paste bij de korenblauwe gordijnen, terwijl de gepleisterde muren witgekalkt waren. Kleine, met smaak gekozen voorwerpen en een paar mooie, Afrikaanse houtsnijwerken, completeerden het geheel, nog afgezien van een verzonken boekenkast, die verscheidene in leer gebonden boeken bevatte, die naar Liane aannam, niet altijd in het zomerhuis bewaard werden vanwege de mogelijke beschadiging door insekten.

'Het is prachtig.' Ze wendde zich weer tot hem en merkte toen dat zijn belangstelling alleen haar gold en niet het vertrek en ze voelde dat ze een kleur kreeg. ‘Eh - zullen we nu weer gaan?’ Op de een of andere manier wilde ze liever weer naar buiten toe, en weg uit de geïsoleerdheid van het zomerhuis.

‘Wil je niet eventjes gaan zitten?’

Ze schudde meteen het hoofd.

‘Ik zou liever de tuinen willen bekijken,’ zei ze.

Hij haalde z’n brede schouders op. Ze voelde iets van teleurstelling in zijn houding, maar hij drong er niet verder op aan dat ze zou blijven. Inplaats daarvan bracht hij haar naar een terras waar de briljante kleuren van canna’s en anthuriums opvlamden en ook paradijsvogel-bloemen en oranje clivia’s groeiden.

Daarna liet hij haar de borders zien en hij wees haar op de verschillende kleuren van de hibiscussen, evenals de schoonheid van de Judasboom die eruit zag als een violette nevel, wanneer hij bloeide. Hij vertelde haar welke van de vele planten, struiken en bomen inheems waren en welke uit andere landen geïmporteerd waren en ze vernam dat hij planten uit alle delen van de wereld had laten komen en dat zijn ouders en grootouders er, voor zijn tijd, nog veel meer hadden ingevoerd.

‘Geen wonder dat het zo’n prachtige tuin is,’ zei ze ademloos toen ze tenslotte terug waren op de stoep, met opnieuw een koele drank voor zich. ‘Ik heb genoten, Flint. Ik ben je erg dankbaar. Het zal een prachtige herinnering voor me zijn om mee terug naar huis te nemen.’

Er viel ineens een pijnlijke stilte die haar, door zijn onverklaarbare aard, deed schrikken. Flints gezicht was een masker, strak en ondoorgrondelijk.

‘Je hebt anders nog tijd genoeg om over je terugkeer te gaan denken.’ Hij nam zijn glas en luisterde naar het tinkelen van het ijs. ‘Je bent hier nog geen week.'

‘Nee, maar de tijd gaat zo vlug als je met vakantie bent.’ Ze had er geen notie van waarom ze dit zei, want er was niets dat ze liever wilde dan dat de tijd langzaam voorbij zou gaan. De gedachte naar kantoor terug te gaan en met Richard te moeten werken, terwijl ze wist dat hij van een andere vrouw hield, was iets waarvoor ze terugdeinsde. Er trok een wolk over haar gezicht en voor de man die tegenover haar zat, leek het alsof ze was verdwaald in een wereld vol schaduwen. Hij fronste en zijn stem. klonk zo scherp als een mes toen hij sprak.

‘Daar heb je die uitdrukking weer in je ogen! Wat is er toch met je?’ Een vreemde spanning beving haar.

‘Ik weet niet wat je bedoelt.’ Ze hoorde hoe hij ongeduldig snel ademde.

‘Je zit ergens over in,’ stelde hij vast en hij richtte zijn grijze ogen zo indringend op de hare, dat het leek alsof hij haar zuiver door hypnose wilde dwingen hem in vertrouwen te nemen.

‘Ik geef toe dat dat zo is,’ zei ze, ‘maar het is zo iets persoonlijks dat ik er niet over kan praten.’

‘O, juist,’ zei hij en voegde eraan toe: ‘Je bent te jong om zorgen te hebben. Hoe oud ben je eigenlijk?’

Ze keek hem aan vanwege de direktheid van zijn vraag, maar vertelde hem toch hoe oud ze was en zag toen hoe zijn wenkbrauwen omhoog gingen van verbazing.

'Vijfentwintig?’ Zijn blik ging over haar heen. ‘Je ziet er geen dag ouder uit dan twintig.’

Ze bloosde bij deze vleiende woorden, maar zei niets.

‘Met een gezicht en een figuur als jij,’ zei hij met hetzelfde gebrek aan terughouding als even tevoren, ‘had je allang getrouwd moeten zijn.’

‘Ik trouw niet,’ zei ze, automatisch sprekend.

‘Niet trouwen?’ herhaalde hij en zijn stem werd weer scherper. ‘Dat komt me vreemd voor. Heb je iets op het huwelijk tegen?’

Liane aarzelde. ‘Ik heb er geen afkeer van op de manier waar je aan denkt,’ begon ze tenslotte en hij antwoordde onmiddellijk.

‘Hoe denk ik er dan wel over, Liane?’ vroeg hij ernstig en dringend.

‘Ik heb het gevoel dat je denkt dat ik iets tegen mannen in het algemeen heb - en dat ik ze alleen aanvaard als vrienden en bekenden, bedoel ik.’ Ze was verward en dat was goed merkbaar. Haar slanke vingers speelden onrustig met het glas. Flint keek haar aan met zo’n intense blik dat ze er nog onzekerder van werd en zei toen: ‘Die conclusie van daarnet, dat je niet gaat trouwen, heeft die iets te maken met de zorgen waar je het over had? Of heb ik het mis?’

Het was duidelijk dat hij een antwoord wilde hebben en zo was ze dan ook gedwongen te zeggen: ‘Ja, het klopt. Mijn besluit om nooit te trouwen heeft te maken met de zorgen waar ik het over had.’

Flint zei hier niets op, maar ze voelde dat hij het niet van zich af had gezet en toen ze tenslotte zei dat het tijd werd om weg te gaan knikte hij automatisch, alsof hij nauwelijks had gehoord wat ze zei.

Hij vergezelde haar helemaal tot aan de Gimbulu Farm en verliet haar bij de poort met de hoop uit te spreken dat hij haar weer zou zien in de Club, voor de dansavond.

Kirsty, die door het raam van de grote kamer had gezien hoe Liane met Flint langs de weg aan kwam wandelen en nog even bij de poort had staan praten, keek haar nicht vragend aan toen deze do kamer binnenkwam.

‘Ik heb genoten!’ zei Liane terwijl ze ging zitten. Wat een pracht van een tuin! Ik heb nog nooit zo’n schitterende kleurenzee gezien. Flints ouders...’

Kirsty, die bezig was bloemen te schikken in een vaas, onderbrak haar. ‘Zei je Flint?’ Ze sprak langzaam en wat verbaasd. ‘Noemen jullie elkaar al bij de voornaam?’

‘Hij zei dat iedereen dat hier deed.'

‘Ja, wij die hier wonen doen het, maar ik heb nooit geweten dat Flint er zo tuk op was om zo amikaal te doen met een vreemde. Tegenover mensen die hij niet goed kent is hij altijd nogal gereserveerd en koel en hij gaat gewoonlijk elke familiariteit uit de weg. Zei hij nog iets over de dansavond.’

‘Alleen dat hij me daar hoopte aan te treffen,’ antwoordde Liane opzettelijk vaag. Het was duidelijk dat Kirsty een beetje verwonderd was over Flints houding tegenover haar.

‘Alma komt ook,' zei Kirsty, hoorbaar de geur van de bloemen opsnuivend. ‘Hoe vind je dit boeket?’ vroeg ze, van onderwerp veranderend.

Liane knikte en glimlachte bewonderend. Er volgde een stilte en ze keek door het open raam naar het rustige, door de zon geblakerde landschap buiten de tuin.

‘Ik geloof,’ zei Kirsty, en leidde daarmee Lianes aandacht af van het uitzicht,’ dat ik maar eens ga kijken wat Sylvester aan het doen is. We gaan vanavond barbecuen. Ik hoop dat je er zin in hebt.’

‘Zin in hebben?’ zei Liane, ‘ik vind het zelfs heerlijk!’

‘Om eerlijk te zijn, het is eigenlijk meer weer voor salades en zo, maar daar begin ik een beetje genoeg van te krijgen en Mark vast ook wel, al klaagt hij nooit over wat hem voorgezet wordt - de lieverd! ’ Zoals altijd straalden Kirsty’s ogen, als zij over haar man praatte en Liane, die naar haar keek, voelde een enorme leegte van binnen en een hunkering naar wat had kunnen zijn. Het was de droom van elke vrouw, dacht ze, een man te hebben en een thuis, waar haar kinderen gelukkig en veilig zouden zijn. Die droom was voor Liane in rook opgegaan op die zwarte dag dat Richard haar had verteld dat hij zich met. Mariene verloofd had.

Terwijl Kirsty naar de keuken ging, begon Liane de tafel te dekken en toen ze daarmee klaar was zag ze door het raam dat Mark uit de truck stapte; hij was naar de stad geweest om mest in te kopen en wat boodschappen voor Kirsty te doen.

‘Ik kwam de Van Galts tegen,’ zei hij, toen zijn vrouw de keuken uitkwam. ‘Ze hebben ons uitgenodigd voor een diner, vrijdag over een week. Ze vertelden dat er acht man geïnviteerd waren.'

‘Da’s leuk,’ zei Kirsty en keek naar haar nicht. ‘Dat is waarschijnlijk ter ere van jou. Je zult ze wel mogen, de Van Galts; het zijn boeren, net als wij, en hun zoon en dochter helpen mee. Kathie is twintig en Carl is zesentwintig.’

‘Wil je beweren dat ze een diner geven, enkel en alleen omdat ik hier ben?’ vroeg Liane verbluft. ‘Dat is nog eens gastvrijheid!’

‘We willen allemaal dat je een heleboel prettige herinneringen meeneemt als je ons weer verlaat,’ zei Mark glimlachend, en ze kreeg de indruk dat zijn scherpe ogen wilden zien of haar hartzeer al wat minder was geworden.

‘Ik moet er niet aan denken, aan weggaan,’ bekende ze met een diepe zucht. ‘Ik zou me hier misschien kunnen vestigen.’

‘Waarom doe je dat dan niet?’ zei Kirsty aanmoedigend. ‘Jij, met jouw ervaring, kunt gauw genoeg een baan in Ravensville krijgen.’

Liane zuchtte en schudde het hoofd.

‘Het zou een te groot risiko zijn, Kirsty. Ik zou alles wat ik bezit moeten verkopen.’

‘Helemaal niet. Je kunt al je spullen hier naartoe laten sturen.'

Liane zweeg. Ze dacht aan Richard en hoe zeer hij op haar steunde. Ze kon hem niet in de steek laten, vond ze, en haar gedachten vlogen terug naar de woorden die hij gesproken had toen ze wegging van kantoor om met vakantie te gaan.

‘Ik moet bekennen, Liane, dat ik erg blij zal zijn je weer terug te zien op kantoor.’

Nee, ze kón hem niet in de steek laten. Ze zou altijd tot zijn beschikking staan, voor het geval hij haar ooit eens echt nodig zou mogen hebben.