4. De wapens worden gedropt

 

Kapitein Sullivan van De Zeeslang had blijkbaar een bepaalde manier om met een schuit te varen. Al dagenlang deinden ze nu al op de dag zachtjes op en neer bij het een of andere eiland, waar ze voor anker lagen. Die ankerplaatsen waren zo gekozen dat je van zee uit De Zeeslang niet kon zien en ook van de landzijde was er geen gevaar. Zo te zien waren die eilanden helemaal niet bewoond, behalve dat er hier of daar nog een oude schaapherder met zijn kudde rondliep. Arglistig had tenminste door zijn kijker al enige malen een soort schaap van de ene rots op de andere zien springen, maar Mi hield vol dat het geiten waren.

Of het nu geiten of schapen waren deed er niet toe. Aan land kon je door de steile rotsen toch niet komen en wat moesten ze er zoeken? Een kapper zou de stoker daar niet vinden, maar ook geen kroeg en daar ging het om. De leden van de bemanning sliepen dan ook de gehele dag en tegen de avond kwamen ze pas aan dek. Dan werden ook de kapitein en de stuurman actief. Het anker werd gelicht en als het donker werd zochten ze hun weg tussen de gevaarlijke eilanden door. De navigatielichten werden niet ontstoken en hierdoor begreep Arglistig dat er op De Zeeslang geloerd werd. Ze naderden dus het doel van de reis. Dat was natuurlijk Baronia, want al die eilanden lagen ten zuiden van Griekenland, begreep Arglistig.

De vijfde dag werd het ernst. De bemanning was al vroeg uit kooi gehaald en het zeil van het voorruim werd opgerold. John en ook de kapitein daalden in dat ruim af. Het opgeblazen gezicht had de leiding en brulde tegen de matrozen dat je het op het dek kon horen.

Arglistig ging op de trap van de brug zitten zodat hij precies in het ruim kon kijken. Hij begreep nog niet veel van dat drukke gedoe daar beneden. Op aanwijzing van het opgeblazen gezicht trokken de matrozen vijf kisten van de stapel en sleepten ze een eind weg. Met behulp van een groot breekijzer werden ze opengebroken.

Bij de eerste kist boog Arglistig zich ver naar voren, want hij verwachtte dat er wapens te voorschijn zouden komen. Tot zijn teleurstelling waren het auto-onderdelen, zoals ook op de kisten stond aangegeven. Die werden er zonder meer uitgehaald en in een hoek op een hoop gegooid.

Waarom dat was begreep Arglistig niet en zijn verbazing steeg nog meer toen er in die vijf kisten puin werd gedaan. De matrozen stortten het puin uit de zakken in de kisten en toen er een vol was, werd hij weer netjes dichtgespijkerd. Dat gebeurde ook met de andere vier. De vijftig andere kisten bleven onaangeroerd.

Arglistig krabde zich eens op het hoofd, want daar begreep hij niets van. Toen de kisten goed dicht waren, zwaaide de laadboom rond en daalde de tros in het ruim. De eerste kist werd aangeslagen en kwam met een sierlijke boog op het achterdek terecht. Twee, drie, vier en vijf volgden. Toen werd er eerst gerust en kreeg Mi Ling gelegenheid om het eten op te doen. De vijf kisten bleven vlak tegen de verschansing op het achterdek staan.

Arglistig bediende de kapitein en John, die weer onder de zonnetent zaten. John wilde kennelijk iets van de kapitein gedaan hebben, waar deze niet veel voor voelde. Op het laatst gaf Sullivan toe en toen begreep Arglistig pas dat het gesprek al die tijd over hem was gegaan.

„Jij wil zeker wel iets extra’s verdienen?” vroeg John aan hem.

„Altijd,” zei Arglistig en nam een afwachtende houding aan.

„Ga even zitten,” zei John en trok een stoel bij. Arglistig ging wat onwennig zitten en John ging verder: „Vannacht hebben wij een karweitje te doen en daar kan jij bij helpen.”

Arglistig knikte dat hij bereid was en John vervolgde: „Op een bepaalde plaats langs de kust worden er wat pakken uitgegooid.”

„Pakken uitgegooid?” vroeg Arglistig en trok zijn wenkbrauwen in de hoogte.

„Ja, mag dat soms niet van jou?” vroeg de kapitein op norse toon.

„Zeker kapitein. Ik was alleen maar verwonderd,” verontschuldigde Arglistig zich.

John wenkte met de hand en zei sussend: „Het is ook een beetje raar, maar de omstandigheden dwingen ons. Kijk, het zit zo. Heb je weleens gehoord dat er in Baronia twee partijen zijn?”

„Ja, ik heb gelezen, dat ze daar ruzie onder elkaar hebben, maar veel snap ik er niet van,” zei Arglistig.

„Dat is ook helemaal niet nodig, want dat doe ik ook niet. In ieder geval willen die lui onder elkaar een beetje knokken en daarom hebben ze wapens nodig. De ene partij krijgt die wapens open en bloot van Amerika, omdat die daar belang bij heeft, maar de andere partij wil ze ook hebben en die krijgen ze nu van ons. Dat vindt die partij van Amerika weer niet goed en daarom worden ze clandestien ingevoerd.”

„Gesmokkeld dus,” zei Arglistig.

„Zo kan je het ook noemen, maar dat doet niets ter zake. Vannacht gaan de wapens overboord en daar moet toezicht bij zijn. Begrijp je dat?”

„Zeg maar wat ik doen moet en hoeveel het opbrengt,” zei Arglistig.

„Dat is mannentaal,” vond John en ook de kapitein knikte welwillend met het hoofd.

„Tweehonderd gulden de man en als alles goed overkomt, nog eens tweehonderd,” bood John.

„Krijgen de anderen dat ook?” vroeg Arglistig.

De kapitein schoot overeind, maar John lachte en zei: „Hij heeft nog gelijk ook.”

Sullivan liet zich weer in zijn stoel zakken en John fluisterde: „Vijfhonderd als het zaakje goed loopt en zo niet, driehonderd.”

„Akkoord,” fluisterde Arglistig terug, hoewel er niemand in de buurt was om het gesprek af te luisteren.

„Luister dan goed. Vannacht gaan die pakken met wapens overboord en worden daar opgepikt. Dat moet tenminste, maar volgens die lui daar verdwijnen er weleens een paar en dat kost geld, veel geld zelfs. Ik geloof niet aan dat verdwijnen en daarom gaat er vannacht een sloep met vier man mee om te kijken wat waar is en wat niet waar is,” legde John uit.

„Drijven die dingen dan?” vroeg Arglistig onnozel, want hij wist nu meteen waar die zwemvesten voor moesten dienen.

„Ja, die drijven,” bromde de kapitein.

Arglistig keek de kapitein en John dom aan en zei toen: „Maar nat worden ze toch in ieder geval en dan gaan ze roesten.”

Kapitein Sullivan vloog overeind en brieste: „Denk jij soms dat wij op ons achterhoofd zijn gevallen . . . lelijke keukenpiet!”

Weer drukte John hem in zijn stoel terug en zei: „Daar heb jij allemaal geen boodschap mee. Dat komt best in orde. Jij gaat alleen maar met die sloep mee en anders niets.”

„Nou, goed,” bromde Arglistig en schrok toen de kapitein nogmaals overeind vloog, want hij had toch niets gezegd. Ditmaal was hij het niet, want achter hen vroeg het stemmetje van Mi Ling: „Kan Mi vuil vaat mee wegnemen?”

Waar hij vandaan kwam wisten ze niet. Ook niet of hij er al lang had gestaan, maar hij was er en joeg de kapitein een doodschrik op het lijf.

„Schop die Chinees de kombuis in!” hijgde hij en wees met zijn vinger naar Mi, die angstig achteruit deinsde.

„Hij wil alleen de vuile borden en schalen maar hebben om af te wassen,” zei Arglistig, die inwendig om de angst van de kapitein zat te lachen.

„Ik wil niet dat hij hier komt . . . houd hem bij je!” brulde de kapitein.

„Waarom heb je hem dan aan boord gehaald?” wilde John weten.

„Ik heb hem niet aan boord gehaald,” steunde Sullivan, „wij hadden een goede koksmaat, maar die is op de laatste reis naar Baronia gedrost en toen heeft de stuurman die Chinees aangenomen. Ik merkte het pas toen we al een paar dagen op zee waren en toen was het al te laat, want ik kan hem nergens achterlaten, maar nu zwiep ik hem van boord zo gauw we voor de kant liggen.”

„Hier, neem een borrel,” suste John en schonk een glas voor hem in.

Sullivan wierp nog een moordlustige blik op de rug van Mi en wipte toen de borrel naar binnen.

„Dat is dus afgesproken,” zei John tegen Arglistig en deze knikte dat het in orde was.

Hij liep achter Mi aan naar de kombuis toe en vond deze een beetje lacherig bij het fornuis staan.

„Wat moest je daar nu doen?” vroeg Arglistig.

„Ik vuil vaat haal, kok, Mi wil was doen.”

„Je weet toch dat de kapitein je niet in zijn buurt wil hebben?”

Mi keek hem onschuldig aan, grijnsde toen met zijn hele gezicht en hinnikte: „Zag kok kapitein springen hoog?”

Dat was te veel voor Arglistig en hij moest zich snel omdraaien, anders zou Mi zien dat ook hij stikte van het lachen.

„Kapitein maar kinderachtig. . . bang voor kleine Chinees,” vond Mi en goot een straal kokend water op de vuile vaat.

„De kapitein is aan boord de baas en jij moet maar uit zijn buurt blijven als hij dat wil.”

„Goed kok. . . Mi zal uit buurt blijf.”

Arglistig keek eens om of hij het wel meende, maar door de stoom van het kokende water kon hij zijn hulpie niet meer zien. Enfin, wat kon hem eigenlijk die kapitein schelen. Op het ogenblik had hij met John te doen, want dat was de man van de wapensmokkel. Hij was wel benieuwd of zijn vriend met het opgeblazen gezicht ook van de partij was. Dat kon leuk worden. Ook vroeg hij zich af of het wel verstandig was om met die sloep van boord te gaan, want dan wist je niet wat daar intussen gebeurde. In ieder geval waren die wapens het voornaamste en daar ging hij achteraan. Misschien kon hij wel gelijk te weten komen, waar ze verder naar toe gingen.

Hij schrok van het opgeblazen gezicht dat zijn hoofd om de hoek van de deur stak en hem langdurig aankeek. Vervolgens wenkte hij na een blik op de Chinees, dat Arglistig naar buiten moest komen. Deze stapte de kombuis uit en zag dat het opgeblazen gezicht met een norse trek om zijn mond een eind verder op hem stond te wachten. Arglistig slenterde naar hem toe en vroeg: „Moet je mij hebben?”

„Ja, ik heb van de kapitein gehoord dat jij vannacht ook met de sloep meegaat.”

„Ja, mag dat soms niet van jou?” praatte Arglistig de kapitein na.

Het opgeblazen gezicht liep rood aan en siste: „Ik heb de leiding in die sloep en jij hebt maar te doen wat ik zeg.”

„Ik dacht dat mijnheer John meeging,” zei Arglistig. „Wat weet jij van mijnheer John af? De kapitein is hier de baas en niet mijnheer John.”

„Die heeft anders aan mij gevraagd of ik mee wilde gaan en niet de kapitein.”

„Daar deugt ook helemaal niets van. Misschien hebben wij meer last dan gemak van je.”

Daar kon je weleens gelijk in hebben, dacht Arglistig, maar hij zei: „Als ze mij die zevenhonderd gulden zo geven hoef je mij niet mee te nemen.”

Als een kat sprong het opgeblazen gezicht op hem toe, pakte hem bij de borst en trok zijn gezicht naar zich toe. Toen fluisterde hij hees: „Krijg jij zevenhonderd gulden voor dat karweitje?”

„Ja, is dat te weinig,” lijmde Arglistig.

„Te weinig. . . te weinig,” steunde het ,gezicht’, „jij bent stapelgek.”

Even plotseling als hij hem had vastgepakt, liet hij Arglistig weer los en draafde met grote passen naar de zonnetent, waar de kapitein nog steeds met John zat. Arglistig grijnsde achter zijn rug en toen hij zich omdraaide zag hij Mi, die bij de deur van de kombuis stond te giechelen als een jong meisje. Of hij het hele gesprek had gehoord, wist Arglistig niet, maar die Chinees kwam altijd op plaatsen waar hij niet hoorde of gewenst werd. Als je niet beter wist zou je denken dat hij liep te spioneren. Veel had hij trouwens niet kunnen verstaan, want hij stond er te ver vandaan.

Wacht, daar had je het. Het ,gezicht’ kwam naar hem toe gestormd, regelrecht van de kapitein vandaan. Arglistig dacht dat hij hem aan zou vliegen, maar hij blafte alleen: „Je moet direct bij de ouwe komen!”

Arglistig knikte en liep langs het ,gezicht’ heen naar de zonnetent toe. Het ,gezicht’ kwam zwaar hijgend achter hem aan. Zo stonden ze even later samen tegenover de kapitein en John.

De kapitein keek Arglistig vuil aan en barstte toen los: „Wat hebben wij jou geboden voor dat karweitje?”

„Mag hij het ook horen?” vroeg Arglistig en wees met zijn duim opzij naar het ,gezicht’.

Die barstte bijna van woede en ook de kapitein zelf sprong haast uit elkaar en maar moeilijk perste hij eruit: „Vooruit, zeg het!”

„Vijfhonderd als het goed gaat en driehonderd als het misloopt,” zei Arglistig prompt.

Het opgeblazen gezicht kon geen woord meer uitbrengen en John zei tegen hem: „Je moet niet zo’n trammelant maken en beter luisteren.”

Het ,gezicht’ liet met een fluitend geluid zijn adem ontsnappen en hakkelde toen verontwaardigd: „Hij liegt het.”

Arglistig haalde medelijdend de schouders op en met een meewarige blik op het ,gezicht’ vroeg hij: „Hebt u mij nog nodig?”

„Nee, ruk jij maar in,” zei de kapitein nijdig, maar John knikte hem goedkeurend toe.

Het opgeblazen gezicht zei helemaal niets, want dat kon hij op dat moment niet. Arglistig hoorde de kapitein een paar minder vleiende opmerkingen tegen hem maken en als een geslagen hond droop hij af. Voor de kombuis stond Mi Ling en draaide met een uitgebreide grijns op zijn gezicht de natte zwabber in het rond. Hij deed het zo handig, dat het opgeblazen gezicht, die aan de andere zijde van het dek liep, de waterspetten in zijn nek kreeg.

„Dat kan vannacht gezellig worden,” mompelde Arglistig, toen hij de kombuis instapte.

„Wat zegt kok?” vroeg Mi Ling.

„Niets, ik zong,” bromde Arglistig.

„Kan geld mee verdien . . . veel geld, ja . . . vriend mij ook verdien veel geld met zing,” zei Mi met een ernstig gezicht.

„Doe eens een goed woordje voor mij,” lachte Arglistig, maar dat begreep Mi niet.

Hij was klaar met vaten wassen en na een laatste veeg over de houten aanrecht keek hij vol verwachting naar de kok Braadbaart. Die keek zoekend rond, maar kon geen ongerechtigheden ontdekken. Daarom knikte hij welwillend tegen zijn hulp, die met een zacht stemmetje zong: „Wel te rusten, kok,” en naar zijn hut verdween.

Arglistig sloot de kombuis af en ging ook naar zijn hut. Hij trok een dikkere broek aan en een trui, want hoewel het overdag flink heet was, koelde het ’s nachts behoorlijk af. De enveloppe met de Amerikaanse dollars deed hij in een waterdicht zakje en hing dit met een touwtje om zijn hals. Hij voelde nog eens of het pistool goed onder zijn arm zat en meldde zich toen bij de stuurman. Die was bezig om het achterruim open te leggen en Arglistig hielp hem een handje. Per slot van rekening werd hij er extra voor betaald.

De stuurman daalde met een matroos in het ruim af en het opgeblazen gezicht liet een stevige lijn in het ruim zakken. Intussen hadden een paar andere matrozen het anker opgehaald en nu voeren ze langzaam bij het eiland vandaan.

De kapitein en John kwamen ook aan dek, maar de stuurman had de leiding. Na een flinke ruk aan de lijn begon het opgeblazen gezicht te halen en Arglistig trok er ook aan. In de lus zat een bundel plastic zakken, die in het gangboord werden neergelegd. Een van de matrozen maakte de bundel los en hield een van de zakken klaar.

Nu kwam er een ander pak naar boven en Arglistig zag aan de vorm en kleur dat dit met het zwarte motorjacht aan boord was gebracht. Hij hielp ijverig mee en kreeg al spoedig het pak in zijn vingers. Net wat hij dacht. Door het doek van de verpakking heen kon hij voelen dat het geweren of stenguns waren.

„Schiet op,” zei het opgeblazen gezicht en wees op de plastic zak, die de matroos uitnodigend naar Arglistig toestak.

O, hij begreep het al. Die wapens gingen in de plastic zakken en daarom konden ze ook niet nat worden. Hij liet het pak in het plastic glijden en de matroos legde het in het gangboord neer. Het ,gezicht’ had intussen het volgende pak opgehesen, dat Arglistig in de tweede plastic zak liet glijden.

Bij het tiende pak riep het ,gezicht’: „Zakken!” en prompt kwam er een nieuwe bundel plastic naar boven. Ze werkten flink door en Arglistig begon het warm te krijgen in zijn dikke trui. Gelukkig was het nu gauw gebeurd, want in het gangboord lagen er al heel wat.

„Klaar!” riep een tijdje later de stuurman en kwam met de matroos naar boven toe. Beiden hadden een paar dozen onder de arm, die ze aan de kapitein gaven. Arglistig wist dat daar de zaklampen in zaten en hij had nu wel een vermoeden waarvoor deze gebruikt werden. Daar had je het al. De kapitein en John deden de batterijen in de lampen en keken of ze wel brandden. Die goed waren deden ze voorlopig weer in de dozen. De stuurman slingerde nog een paar rollen touw aan dek en toen waren de zwemvesten aan de beurt.

Intussen was het geheel donker geworden en de kapitein gaf bevel om de machine te stoppen. Nu werd het stil aan boord. De Zeeslang deinde heel zachtjes op het zo goed als rimpelloze water, dat inktzwart leek. In de verte pinkten een paar lichtjes, waardoor Arglistig vermoedde, dat ze niet ver van de kust lagen.

„Vooruit,” fluisterde het ,gezicht’ nijdig en drukte hem een eind touw in de hand. In het halfdonker zag hij dat de matroos om iedere plastic zak een zwemvest rolde en dat met een eind touw stevig vastbond. Arglistig volgde zijn voorbeeld en na een half uurtje lagen de vijftig pakken, gerold in zwemvesten netjes in het gangboord. Toen pas deden ze de zaklampen in de plastic zakken, maar ze lieten deze nog niet branden. Het plastic werd daarna zorgvuldig dichtgebonden, waarna het zaakje voor verzending gereed was. De kapitein keek op zijn horloge en mompelde: „Nog een half uur.”

Het was half twaalf, dus om twaalf uur ging het gebeuren. In de kajuit van de kapitein stonden een paar kisten met flesjes bier klaar, waarvan ze er gretig een opdronken. Toen gingen ze weer aan dek, waar de kapitein bevel gaf om de sloep te strijken. Die werd naar buiten gewerkt en aan de lijn achter het schip gehangen. Op de voorplecht stond een matroos, die voortdurend met het dieplood in de weer was, want wegens ondiepte konden ze niet al te dicht bij de kust komen.

Er werd ergens op gewacht, maar wat dit was wist Arglistig niet. Ze keken allemaal naar de kust, dus daar moest het wel vandaan komen. Plotseling flikkerde er een groen licht. Het was maar even te zien, een paar kilometer rechts van hen. Onmiddellijk gaf de kapitein bevel om de machine aan te zetten en heel langzaam gleed De Zeeslang in de richting waar het groene licht gezien was. Na een paar kilometer varen liet hij de motor weer stoppen en wachtten ze opnieuw. Na een minuut of vijf flikkerde nogmaals het groene licht even op, om direct weer te verdwijnen.

„Goed zo,” bromde John, die naast Arglistig stond, want het groene licht was bijna recht tegenover de brug van De Zeeslang te zien geweest.

„In de sloep,” commandeerde de kapitein en het opgeblazen gezicht liet zich als eerste naar beneden zakken. Daarna volgde John en tenslotte Arglistig en een matroos, die Pedro heette. Vanaf De Zeeslang trokken ze de sloep aan de lijn naar voren en vlak daarop greep het ,gezicht’ het eerste pak beet dat neergelaten werd. Door het plastic heen knipte hij de zaklamp aan en liet het pak toen zachtjes in het water glijden.

Dat kunstje kende Arglistig ook en om de beurt dropten ze een pak met een brandende lantaarn uit de sloep. Omdat ze telkens een eindje naar voren werden getrokken, werkten ze het gehele gangboord af, zodat de pakken aan boord niet versjouwd behoefden te worden.

Achter en opzij van De Zeeslang dreven half onder water een aantal pakken rond. De lampen gaven door het water en het plastic heen maar een flauw licht. Het leek wel of er een rijtje glimwormen of koraaldiertjes in zee lagen. Maar je kon het ook vergelijken met een verduisterde illuminatie op Koninginnedag. Als het geen wapensmokkel betrof en als ze niet ieder ogenblik gesnapt konden worden, zou je met genoegen naar die glimwormen gekeken hebben, maar nu was het anders.

Arglistig voelde dat de lijn in de sloep werd gegooid, zodat de verbinding met De Zeeslang was verbroken. Hij hoorde dat de machine weer op gang kwam en zag de schuit langzaam in het duister verdwijnen.

Het opgeblazen gezicht zat aan de riemen en roeide met vlugge slagen in tegenovergestelde richting. Plotseling flitsten de navigatielichten van De Zeeslang aan en deze voer full speed op de haven van Baronia aan.

Maar voordat de lichten van De Zeeslang aansprongen gebeurde er nog iets aan boord, of liever gezegd buiten boord. Een slanke gedaante glipte op het voordek tussen de ijzeren stangen van de verschansing door en liet zich snel aan een touw naar beneden zakken. Als een aap slingerde hij aan dat touw heen en weer, totdat hij het water bereikte. Nog even hield hij het touw vast en plantte zijn blote voeten tegen de zijkant van het schip aan. Toen gaf hij zich een flinke af zet en begon dadelijk met een snelle schoolslag van het schip weg te zwemmen. Hij bleef zoveel mogelijk onder water en kwam slechts zo nu en dan even boven om adem te halen. Van De Zeeslang af konden ze hem in het donkere water niet zien en niemand lette er trouwens op.

Toen de schuit ver genoeg weg was, bleef hij even stilliggen. Hij nam een vast punt op de wal als richting en zwom toen met een rustige lange slag naar het lichtje dat hij daarvoor uitgekozen had. Na een goed uur zwemmen kreeg hij vaste grond onder de voeten en waadde over een soort strandje naar de vaste wal toe. Onder aan de rotsen bleef hij even zitten uitrusten, toen mompelde hij: „Water toch nog koud zijn, brr . . . vlug aantrekken wat doen.”

Uit een plastic zak, die om zijn hals Hing, haalde hij een handdoek, een broek, een hemd en een paar gymnastiekschoentjes, die hij aantrok. Vervolgens ging hij op verkenning uit en al spoedig was hij tussen de rotsen uit het gezicht verdwenen.

De Zeeslang voer intussen met volle kracht en met volle lichten op verder naar de haven van Baronia. Van wegduiken achter de rotsen of zonder licht varen was nu geen sprake meer. Integendeel, hoe meer herrie en spektakel, hoe beter het was.

Daarom was het ook voor een patrouillevaartuig van de marine van Baronia een klein kunstje om De Zeeslang te ontdekken. Het was bekend dat deze op weg was naar Baronia en dat hij vermoedelijk wapens aan boord had.

Daarom hadden ze de haven van Baronia geblokkeerd en nu kwam hij daar in volle glorie aanvaren.

Het zoeklicht van het patrouillevaartuig flitste aan en gleed langs de zijkant van De Zeeslang. Kapitein Sullivan, die op de brug stond, grijnsde en riep: „Twee man op het achterschip bij de kisten!”

Twee lachende matrozen slenterden naar het achterdek toe en gingen maar zolang op de kisten met puin zitten. Vanaf het marinevaartuig werd niet de lamp geseind: „Stoppen. . . wij komen aan boord.”

Van De Zeeslang werd niet teruggeseind, maar kapitein Sullivan legde er daarentegen nog een schepje op en haalde alles uit de motor wat er inzat. Nu, dat kon het marinevaartuig ook. Daar lieten ze de motor ook op volle kracht draaien en al spoedig liepen ze merkbaar op De Zeeslang in.

Weer werd er met de lamp geseind: „Stoppen en bijdraaien” en het zoeklicht liet De Zeeslang niet meer los. Al varende waren ze hoe langer hoe dichter bij de ingang van de haven gekomen. Het marinevaartuig lag aan de buitenkant en trachtte door naar binnen te komen De Zeeslang in de haven te drukken.

Eerst bleef Sullivan nog wat rechtdoor varen, waarop het kanon van het marinevaartuig in werking werd gesteld. Een flinke rookwolk, een harde knal en ongeveer een dertig meter voor de boeg van De Zeeslang spoot het water omhoog.

„Nu wordt het te link,” mompelde Sullivan en stuurde De Zeeslang meer naar de kust toe. Ook verminderde hij vaart, wat toen het marinevaartuig ook deed. Nog verder draaide De Zeeslang naar links en er was geen twijfel meer, hij gaf zich gewonnen. Het marinevaartuig ging achter De Zeeslang varen en seinde niet meer: „Stoppen en bijdraaien”, want De Zeeslang liep de haven van Baronia binnen.

Vlak voor de haveningang gebeurde het. Toen het zoeklicht even op het achterdek van De Zeeslang bleef rusten, brulde Sullivan tegen de twee matrozen: „Gooi ze te water!”

Tot verbazing en verontwaardiging van de marinemannen aan boord van het patrouillevaartuig werden de vijf kisten achter elkaar tussen de stangen van de verschansing door geschoven en kwamen met een flinke plons in het water terecht. Een van de matrozen van het patrouillevaartuig had de tegenwoordigheid van geest om snel een boei met een dreg eraan over boord te gooien om de plaats te markeren waar de kisten te water waren gegaan. Kapitein Sullivan grijnsde erom en liet de vaart uit De Zeeslang lopen, want hij was in de haven van Baronia aangekomen.

Nu gehoorzaamden ze op De Zeeslang wel, want gewillig voeren ze door naar de kade, die voor de marine was gereserveerd. Daar stonden een paar mannetjes klaar om De Zeeslang te helpen meren, want de radio had het nieuws al aan de commandant doorgegeven.

Die commandant kwam enige tijd later zelf aan boord en nam in de kajuit het eerste verhoor. Om een aanloopje te hebben vroegen ze eerst aan de kapitein waar hij vandaan kwam en wat voor lading hij in had.

Al spoedig bleek uit de papieren dat er vijf kisten te kort waren, waar auto-onderdelen inzaten.

Kapitein Sullivan deed erg schichtig, maar beweerde toch dat er puin in de vijf kisten had gezeten en dat ze bij het maken van de bocht te water waren geschoven. Het spreekt vanzelf dat de commandant vroeg waar hij dat puin vandaan had en Sullivan antwoordde prompt dat dit opveegsel was van een vroegere lading en dat ze nu pas gelegenheid hadden gehad om het ruim grondig schoon te maken.

De commandant geloofde er niets van en was als iedereen van de marine overtuigd, dat in die kisten wapens zaten. Kapitein Sullivan werd meegenomen en de rest van de bemanning bleef onder bewaking op De Zeeslang achter. Voorlopig gingen ze allemaal eens lekker slapen, maar dat deed de kapitein in een cel van het politiebureau.