6 Tijdelijke opvang

 

 

 

Zo af en toe komt er iets goeds voort uit wat er in je leven misgaat. Op mijn dieptepunt aangekomen zette ik een beslissende stap - een stap in een andere richting. Ik moest dat huis uit. Ik moest bij mama weg. Later realiseerde ik me pas dat het mijn eigen schuld was dat ik voor mezelf op de loop ging. Tot nu toe had ik gedacht dat mama de oorzaak was van alle ellende in mijn leven. Het was allemaal haar schuld, niet de mijne. Ik leerde op de harde manier dat ik het mis had. Terugkijkend denk ik: als er maar één echt goede raadgever was geweest met wie ik had kunnen praten, misschien was ik dan in staat geweest mezelf te veranderen.

 

Daar in die deuropening wist ik niet langer of ik nu wakker was of sliep. Ik kon niet meer helder denken. Alles was wazig. Eigen schuld. Ik voelde de hitte door mijn lichaam stormen, en de adrenaline door mijn armen en benen vloeien. Ik keek naar mijn voeten en besefte dat ik vanaf mijn middel niets meer kon voelen. Het enige dat ik nog wel kon voelen, was mijn zwoegende ademhaling. Destijds was ik me er niet van bewust, maar volgens mij raakte ik regelmatig buiten westen. Omdat ik niet wist of het donker was geworden omdat ik er al een tijdje had gelegen, of omdat ik niet goed meer kon zien, hing ik daar maar onderuitgezakt. Het enige wat ik wanhopig graag wilde was slapen.

Ik moest mijn bebloede shirt kwijt zien te raken en proberen mijn gezicht schoon te maken. Ik deed een poging om op te staan, maar viel weer terug op de harde vloer. Ik kon mijn hoofd niet eens meer optillen. Ik kreeg het voor elkaar om mijn shirt uit te trekken en dat onder mijn hoofd te stoppen. En toen zag ik vanuit mijn ooghoek een patrouillewagen van de politie van Sandy City bij de trap van de schooldeuren stoppen. De agent stapte uit, kwam naar me toe en begon tegen me te praten. Ik heb geen idee wat hij tegen me zei of wat ik antwoordde. Kort daarna kwam er een tweede auto aan. De beide agenten praatten even met elkaar en kwamen toen weer naar me toe. Als ik even bij bewustzijn was probeerde ik te luisteren, maar eigenlijk had ik er geen zin in. Het kon me allemaal niets meer schelen.

Ze pakten me bij de armen, trokken me overeind, droegen me naar de auto en zetten me achterin. Onder het rijden bleef de agent vragen wie ik was en wat ik daar had gedaan. Toen hij van onderwerp veranderde en over het gevaar van drugsmisbruik begon te praten, werd het me duidelijk dat hij wist dat ik ergens van onder invloed was.

Al luisterend begreep ik dat ik goed in de problemen zat en dat het ernstige gevolgen voor me zou hebben, ook al was ik nog minderjarig. Al snel kwamen we op onze bestemming aan. De agent bracht me naar binnen en zette me op een stoel. Ik merkte dat de uitwerking van de drugs af begon te nemen. Mijn hoofd begon te bonzen.

'Hij wil zijn naam niet noemen en ik heb geen legitimatiebewijs op hem gevonden. Hij moet worden verzorgd. Hij heeft zijn voorhoofd aan het beton kapot gestoten, maar dat dringt niet tot hem door,' zei de agent.

Er kwam een verpleegster die me onderzocht. Ze maakte mijn voorhoofd en gezicht schoon. Net als de agent wist ze precies wat er met me aan de hand was. 'Hij is zo stoned als maar kan,' zei ze tegen hem.

Terwijl ik naar de agent luisterde die met de vrouw achter de balie aan het praten was, drong het vagelijk tot me door dat ik in een of andere jeugdopvang was beland. Ik keek naar de volwassenen die me aan stonden te staren, en samen met mijn bonzende hoofd maakte dat me  woedend.

Door mijn identiteit niet prijs te geven, wist ik dat ik de meeste kans had weg te komen uit het huis waarin ik leefde en dat op de hel leek. Ik was er vrij zeker van, dat het dagen of misschien wel weken zou duren voordat mama zich zou gaan afvragen waar ik eigenlijk uithing. En ik wist ook zeker dat ze nooit de politie zou gaan bellen.

Een paar uur later werd ik naar een huis ten noorden van Salt Lake City overgebracht. In de tussentijd was ik weer aardig bij mijn positieven gekomen. Binnen werd ik voorgesteld aan het echtpaar dat de leiding over het centrum had. Er zaten daar een stuk of tien kinderen, voornamelijk opgroeiende jongens en maar een paar meisjes. Uit de korte introductie werd me duidelijk dat ze me in een soort tussenopvang hadden gezet.

Ze brachten me naar een zaal met een stuk of vijf jongens in de leeftijd tussen de dertien en zeventien, waar ik een bed kreeg toegewezen. Nadat ik me had geïnstalleerd - wat niet veel tijd kostte omdat ik niets bij me had - werd ik naar het kantoor ontboden. Ze vroegen me naar mijn naam zodat ze mijn 'ouders' op de hoogte konden brengen.

Het werd me ineens duidelijk dat ik hier voorlopig niet weg zou komen, of ze nu mijn naam wisten of niet. Het zou het beste zijn om hen zo lang mogelijk tegen te werken, want op die manier kon ik ervoor zorgen dat ik uit huis werd gehaald. Ik had het gevoel dat ik de zaakjes helemaal onder controle had en dat ik het systeem zodanig zou kunnen manipuleren dat ik mijn doel bereikte: definitief bij mama weg.

Niet lang daarna werd ik misselijk, wat steeds gebeurde als de drugs hun uitwerking begonnen te verliezen. Ik was bekaf, had honger, en voelde me beroerd. In de eetzaal merkte ik dat ik de enige nieuweling tussen verschillende soorten tieners was. Sommigen zaten er vanwege emotionele toestanden, en een paar omdat hun huiselijke omstandigheden ontoereikend waren. Ik kon bijna aan hun gezicht zien waaróm ze daar zaten. Eén meisje leek er niet bij te horen. Ik had geen idee waarom zij in zo'n tehuis zat.

Ik pakte mijn dienblad, liep naar haar toe en ging bij haar aan tafel zitten.

'Hoe heet je?' vroeg ze.

'Richard.'

Ik had verwacht dat ze me zou vragen waarom ik hier zat, maar ze begon over de regels van het huis te praten, en over het echtpaar dat hier de leiding had; volgens haar waren ze behulpzaam en gemakkelijk in de omgang. Ze vroeg of ik was opgepakt omdat ik drugs in bezit had.

'Nee, dat geloof ik niet,' zei ik.

Ik dacht na over wat ik zojuist had gezegd en besefte dat ik eigenlijk geen idee had waarom ik hier zat. Ik wist dat de politie me zo stoned had gevonden dat ik regelmatig buiten westen was geraakt. Maar ik had zo'n gevoel dat ze geen idee hadden hoeveel drugs ik wel had gebruikt.

'Ik weet eigenlijk niet waarom ik hier zit,' zei ik.

'Wanneer je weigert je naam te noemen, blijf je meestal net zo lang tot ze erachter zijn gekomen wie je bent.'

'Zo te horen ben jij hier al eerder geweest,' zei ik.

'Ik word hier een paar keer per jaar naartoe gebracht.'

'Hoe oud ben je?' vroeg ik.

'Ik ben nu zeventien,' zei ze. 'Ze weten niet goed wat ze met me aan moeten, want over nog geen half jaar ben ik meerderjarig.'

Ik zat in eenzelfde situatie. Als ze erachter kwamen wie ik was en hoe oud ik was, zouden ze me beslist naar huis terugsturen. Terwijl ik hierover nadacht, onderbrak ze mijn overpeinzingen door te vragen: 'Wat doe je na het avondeten?'

'Dat weet ik eigenlijk niet. Hoezo?'

Ze lachte en ik zag meteen dat ze heel iets anders in het hoofd had dan wat ik had verwacht. Ik had er echt op gerekend dat me verteld zou worden dat er strakke regels waren en dat ze me precies zouden voorschrijven wat ik wel en niet kon doen.

'Kom op, laten we maken dat we hier wegkomen,' zei ze.

Resoluut liep ik achter haar aan de zaal uit naar de binnenplaats. Het was voor het eerst dat ik een beetje een indruk kreeg van de plaats waar ik terecht was gekomen. We staken de plaats over. Aan de ene kant waren de kamers van de jongens, zei ze, en aan de andere kant die van de meisjes. Omdat er veel minder meisjes dan jongens in het tehuis waren, hoefden de meisjes geen kamer te delen.

Eenmaal in haar kamer vroeg ik: 'Vinden ze het niet erg dat we hier alleen zijn?'

'Nee, we worden hier een beetje aan onszelf overgelaten,' antwoordde ze. 'We moeten ons gewoon rustig houden en zorgen dat we niet worden betrapt.'

Een paar uur later, toen we samen de kamer uit liepen, wist ik niet goed waar ik aan toe was. Ik had met iemand geslapen die ik nog nooit eerder had gezien. Ik had geen flauw idee wie ze was. Feitelijk wist ik niets van haar. Ik wist niet eens hoe ze heette - en eerlijk gezegd kon me dat ook niets schelen.

Wat afstandelijk vroeg ik: 'Hoe heet je?'

'Ik... ze noemen me J,' antwoordde ze.

Ik wachtte of er verder nog iets kwam, en zei toen wat ongemakkelijk: 'Nou, welterusten.'

Ik stak de binnenplaats weer over en klom in bed. Ik besefte dat ik een nieuw dieptepunt had bereikt.

 

De paar volgende dagen verliepen op vrijwel dezelfde manier. Ik bevond me in een zinloze routine: ontbijten, rondhangen en tv kijken tot aan de lunch, 's middags naar J's kamer, en 's avonds weer terug naar mijn eigen bed.

In de loop van de tweede week begon ik me af te vragen of er thuis iemand was die zou willen weten waar ik uithing. Ik dacht over de diverse mogelijkheden na en vroeg me af of mama gewoon zou aannemen dat me iets was overkomen, of dat het haar geen barst kon schelen en ze zich niets van mijn verdwijning aantrok.

Ik dacht er nog wat meer over na en herinnerde me toen hoe ik me had gevoeld toen David was verdwenen, en dat ik had geloofd dat het nu mijn beurt zou zijn.

Nee!

Dat zou ze toch niet doen!

Dat kon gewoon niet! dacht ik.

Ik wist niet wat waarschijnlijker was: zou ze het accepteren dat er weer een kind van haar was verdwenen en zou ze nu met mijn broertje Keith beginnen, of zou ze er eindelijk mee ophouden?

Diep van binnen wist ik wel wat het meest voor de hand lag. Ik voelde me schuldig omdat ik de kans had aangegrepen weg te komen, en zo ongewild mijn broertje aan haar waanzin had overgeleverd.

Binnen het uur had ik toegestemd naar huis te bellen om mama te vertellen waar ik zat. Ze werd voor een gezamenlijk gesprek uitgenodigd om te beslissen wat er met me moest gebeuren. Ik wist allang dat het enige dat eruit zou komen was, dat ik tot mijn achttiende in het tehuis mocht blijven. En dan zou ik op eigen benen komen te staan. Als ik naar huis ging, zou ik weer in de oude situatie terechtkomen: een uitweg zoeken tot ik achttien was.

Mama stemde toe in een gesprek, maar ik wist heel goed dat het niets aan onze verhouding zou veranderen. Ik begreep maar al te goed dat ze absoluut niet van plan was om te veranderen, en ik was dat evenmin. We zaten in onze eigen leefwijze vastgeroest en het kon ons weinig schelen wat er in de ander omging.

Ze kwam voor het gesprek opdagen en zag er uit zoals ik wel had verwacht, verschrikkelijk: ongewassen, vettig, bij elkaar gespeld haar en met de gele sneeuwlaarzen die ze al jaren droeg. Het was het enige schoeisel dat haar nog paste. Omdat haar lever zo goed als verwoest was, liet de bloedsomloop in haar benen het afweten. Met die laarzen kon ze nog buiten komen. Ze droeg ze dan ook zomer en winter.

Ze zag er dus vreselijk uit, ze stonk naar de drank en ze gedroeg zich als vanouds. 'Het kan me geen barst schelen wat hij doet of waar hij gaat. Het kan me echt geen barst schelen!'

Dat zei ze wel drie of vier keer met dubbele tong tegen de consulent.

In de loop van de volgende twintig minuten werd mama er verscheidene keren aan herinnerd dat ik nog maar zeventien was. Ik kon niet voor mezelf opkomen en zij was voor mij verantwoordelijk. Nadat ze dat een paar keer om de oren had gekregen bond ze wat in en gaf toe dat we even van elkaar los moesten komen.

Aan het eind van het gesprek was overeengekomen dat ik aan een jeugdprogramma zou deelnemen dat op mijn situatie was afgestemd. Wanneer een kind op het punt staat voor zichzelf verantwoordelijk te zijn maar niet thuis kan wonen, blijft er maar één mogelijkheid over: uit huis te gaan en door jeugdzorg te worden opgevangen.

De overheid zou me pas dan toestaan het tehuis te verlaten als ik aan het programma wilde meedoen waarover ze me al hadden verteld: het jeugdontwikkelingsproject van Sak Lake City. Ik stemde toe eraan deel te nemen. Het was een plaatselijke organisatie die probleemtieners zoals ik probeerde te helpen. Ze leidden een jongerengroep die op de ananasakkers van Hawaii werkte. Aan het eind van de dag had ik alle benodigde informatie gekregen, en waren mama en ik weer op weg naar huis.

We zeiden maar weinig tegen elkaar.

'Je zorgt er maar voor dat je woensdag uit huis bent. Het kan me niet schelen of je met die groep naar Hawaii gaat of in de goot belandt, zolang je maar mijn huis uit bent, jongeman,' zei ze kil.

'Best,' zei ik. Iets anders wist ik niet te bedenken.

Thuis nam ik nog eens alle informatie door die ze me hadden gegeven, en ik begon er echt naar uit te zien. Alles was beter dan thuis te zijn. Ik had geen idee hoe of wanneer ik via het project naar Hawaii kon. Ik maakte me er ook niet druk om. Het belangrijkste was dat me een uitweg was geboden.

Het enige waarvoor ik bang was, was om Keith in dit gekkenhuis te moeten achterlaten. Hoewel ik nog niet had gezien dat mama nu hetzelfde met Keith uitspookte wat ze met David en mij had gedaan, was ik bang dat Keith mijn rol zou moeten overnemen zodra ik mijn hielen had gelicht - dat was met mij gebeurd nadat David was weggegaan.

Het spijt me, maar ik moet echt weg, zei ik stilletjes in mezelf.

 

Ik had me inmiddels van mijn familie losgemaakt, ook van de nieuwe - de families Nichols en Prince, de enigen die oprecht hadden geprobeerd me te helpen - en van de mensen op school die ik als mijn vrienden beschouwde.

Voordat ik de moed kon opbrengen om John en Darlene te vertellen hoe ik in het opvanghuis was beland, had ik al besloten volkomen eerlijk te zijn. Als ze daarna zouden besluiten dat ze me nog steeds wilden helpen, zou dat fantastisch zijn. Als dat niet zo zou zijn, dan wist ik echt niet wat ik moest doen. Feitelijk had ik geen enkele keus. Als ik echt wilde dat ze het hoe en waarom van mijn ware ik zouden begrijpen, moest ik de moed opbrengen open en bloot over mijn wandaden te praten en toe te geven dat ik een roekeloos leven had geleid.

Na thuiskomst ging ik allereerst naar mijn school, naar de jongens die me ooit als een watje hadden beschouwd. Ik vroeg me af wat zij van dit alles zouden zeggen, maar eigenlijk kon me dat weinig schelen. Het enige wat ik wilde was een oplossing zien te vinden, ook al was die maar tijdelijk. Ik zocht naar iets dat al die nare gevoelens zou wegnemen. Ik wilde ergens naartoe waar ik er niet langer aan hoefde te denken, waar ik nergens meer aan hoefde te denken.

Binnen de kortste keren trof ik mijn vriendje Nathan en kreeg ik wat ik zocht - LSD. Het was een prettig idee om me los te kunnen maken van mama, Scott en de schaamte tegenover de familie Nichols nadat ik hun de waarheid zou hebben verteld. Dat was het enige waaraan ik kon denken toen ik weer naar huis liep. Ik wilde weg van alles en iedereen, inclusief mezelf - niets nieuws onder de zon dus.

Op bed in mijn kamer dacht ik weer na over wat ik tegen John en Darlene zou zeggen. Ik had er geen enkele behoefte aan mama deelgenoot te maken van wat er van mij terecht was gekomen; het zou haar vermoedelijk ook niet interesseren. Maar ik wist dat het John, Darlene, Rob en Judy wél zou kunnen schelen.

Zowel de familie Nichols als de familie Prince had me geleerd dat ik mijn tekortkomingen onder ogen moest zien, en dat als ik maar genoeg in God geloofde, ik om vergeving zou kunnen vragen, en mezelf zou kunnen vergeven voor al mijn boze gevoelens. Als ik mijn handen maar van de drank en de drugs af hield en van alles wat slecht voor mijn lichaam was, zou ik kracht en vrede vinden. Ik zag wat voor uitwerking het in hun leven had, dat het waar was, maar toch kon ik nooit de moed opbrengen die ene stap te zetten.

Ik maakte de balans op van mijn misstappen van het afgelopen jaar, en kwam tot de volgende conclusie:

John en Darlene konden niet begrijpen wat voor leven ik in Californië had gehad, en ze hebben geen idee hoe ik nu leef.

Hoe moeten ze dan begrijpen dat ik hulp nodig heb? vroeg ik mezelf af.

Nadat ik had besloten dat ik niet met hen kon of wilde praten, viel ik gewoon op mijn vroegere destructieve gedachten terug.

Ik haalde de met LSD doordrenkte postzegels uit mijn portemonnee, scheurde er eentje doormidden, legde die op mijn tong en stopte de andere terug. De uitwerking kwam veel sneller dan ik me herinnerde, en omdat ik het nog eens wilde meemaken, gebruikte ik de andere helft meteen daarna.

Ik lag op mijn rug op bed en beleefde een roes die echt angstaanjagend was. Ik wist wie ik was en waar ik was, en toch was ik er niet zeker van. Ik wist wat ik had gedaan, maar wist niet zeker of ik het was, of dat ik in de droom van iemand anders was verzeild. De combinatie van de hallucinaties, mijn roekeloze geestestoestand en een toenemende paranoia verlamden me. Ik durfde me niet te bewegen, maar geloofde toch dat ik me bewoog, ook al was dat niet zo. Die paar weken in het tehuis had ik niets gebruikt, maar nu was ik weer in mijn oude fout vervallen.

Ik kon niet stil blijven zitten, maar durfde ook niet overeind te komen. Ik haalde de tweede postzegel uit mijn portemonnee en legde die in z'n geheel op mijn tong.

 

Ineens drong het tot me door dat ik weer in het Mesapark vlak bij mijn huis was. Het was allang donker en ik zat boven op een klimrek. Ik kon me niet herinneren dat ik naar het park was gelopen, of welke weg ik had genomen. Ik kon me ook niet herinneren hoe lang ik daar al zat.

Ik keek over het park en de huizen heen en zag de telefoon- en de elektriciteitskabels die van straat naar straat liepen. Ik was aan het vliegen. Terwijl ik hoog boven de huizen vloog lette ik er goed op regelmatig uit te wijken om niet in de kabels verstrikt te raken.

Ik vloog steeds verder, door de hele buurt en daarna naar een groot meer. Ik vloog met mijn hoofd omlaag richting het meer en was ervan overtuigd dat ik zo meteen op de grond te pletter zou slaan. Maar door mijn lichaam op te richten kon ik verder vliegen. Ik ontdekte al snel dat mijn angsten groter werden als ik in de richting van het meer ging. Onder me zag ik een hele bende dieren die alle andere kinderen opvraten die hierheen waren gevlogen en te pletter waren gevallen.

De angst veranderde in paniek toen ik niet meer om kon keren. Terwijl ik boven een plek bleef hangen zakte ik steeds verder omlaag. Toen ik op de grond stond, kwam er meteen een horde dieren op me af. Ik rende en probeerde wanhopig mijn lichaam weer van de grond te krijgen om naar het park te kunnen vliegen. Onder het hardlopen liet ik me opzettelijk op de grond vallen. Maar ik had zoveel wind in de rug dat ik net als een vliegtuig bij het opstijgen weer los kwam.

Even later vloog ik hoog boven het meer. Ik vloog sneller en sneller, tussen de kabels boven de huizen door regelrecht naar het Mesapark. Terwijl ik steeds sneller vloog gaf de angst om de noodzaak tussen de kabels te blijven me de nodige moed. Mijn zelfvertrouwen nam toe als ik een paar kabels wist te ontwijken, maar dan werd ik weer door nieuwe achtervolgd waardoor ik nog sneller moest vliegen. Ineens kon ik mijn ogen dichtdoen en toch veilig tussen de kabels door vliegen. Zo vloog ik naar het park terug. Vlak voordat ik daar aankwam, vloog ik zo hoog en zo snel dat de zwarte kabels als strepen aan me voorbijschoten. Ik zocht mijn weg door een dicht web terwijl ik steeds dichter bij het park kwam.

 

Het duurde even voor ik wilde begrijpen wat het allemaal echt betekende. Al die emotie, al die gevoelens die ik diep van binnen had weggestopt, kwamen steeds weer naar boven als ik high was. Ik begon mijn ervaringen tijdens een drugsroes te vergelijken met mijn eigenlijke leven, en zag toen hoe dicht de roes bij de werkelijkheid lag. Ik wist best dat ik, als ik nog veel langer met de drugs en de drank doorging, als een dakloze jongere zou eindigen. Ik kon het beeld van de dieren op de grond die me achterna zaten niet uit mijn hoofd zetten. Ik vergeleek ze met de jongens op school die nu bang voor me waren - diezelfde kinderen die me ooit in de 'groep' hadden opgenomen en me nu meden - die jongens dus die nu zeiden dat ik niet deugde.

 

Ik herinner me niet meer wat er daarna gebeurde. Dat zal wel door de roes zijn gekomen. Ik lag op mijn rug boven op het klimrek naar de nachtelijke hemel te kijken. Ik was koud, nat en doodop en begon weer bij zinnen te komen. Ik ging rechtop zitten. Toen ik naar huis terugliep tekende de dageraad oranje strepen langs de horizon. Terug in mijn slaapkamer wist ik niet meer wat waan of werkelijkheid was. Ik wist niet wat ik had gedroomd en wat ik echt had beleefd. Ergens had ik het gevoel dat veel van wat ik me van de roes herinnerde sterk mijn diep weggestopte gevoelens benaderde.

Ik slaagde erin zonder wroeging, verdriet of schuldgevoelens afstand te nemen van wat ik had gedaan. Het enige wat ik wist was dat het vrijdagnacht of zaterdagochtend was. Ik ging op bed liggen en deed mijn ogen dicht.

Na het ontwaken ging ik naar de badkamer, waar ik moest overgeven. Normaal gesproken zorgden koud water en een nat washandje ervoor dat ik er redelijk presentabel uitzag. Ik liep naar boven en keek door de hordeur naar de krant op de veranda. Het was de zondagskrant. Ik had er geen idee van of mama wist wat ik had uitgespookt, of dat ze niet eens had gemerkt dat ik meer dan anderhalve dag had geslapen.

Ik ging naar de keuken en zag haar naar een klein tv-toestel op het aanrecht zitten kijken. Ik zei geen woord, haalde een cola uit de koelkast en ging weer naar mijn kamer.

Ik kan me beter wat fatsoeneren voordat ik naar de familie Nichols ga, dacht ik.

Na de douche zag ik dat mijn gezicht er vreselijk aan toe was en dat mijn ogen gezwollen waren. Ik was lijkbleek en zag er echt afschuwelijk uit. Een paar minuten lang bekeek ik mezelf in de spiegel. Ik wist dat ik hulp nodig had, hoe eerder hoe beter. Fysiek zou ik het niet veel langer meer kunnen volhouden. Als ik zo doorging zou het mijn dood nog worden. Ik kleedde me aan en verdween voordat iemand het in de gaten had.

Ik wist dat de familie Nichols kort na de middag uit de kerk zou komen. Als ik naar hen toe wilde, zouden ze dan thuis zijn. Maar toen ik de straat uit liep besefte ik dat ik hen niet onder ogen durfde te komen. Ik kon niet vertellen wat ik de laatste weken had doorgemaakt. Ik wist heel zeker dat ze zouden vragen waar ik was geweest en dan zou ik een smoesje verzinnen om mijn afwezigheid te verklaren.

Overstelpt door schaamte draaide ik me om, liep naar huis terug en ging weer naar bed. Ik kon hen gewoon niet onder ogen komen, niet nu.