De tong van Johan

 

 

 

‘De dood is er tegenwoordig altijd. En het eeuwige leven, Pietje.’

Johan kon het vervolgzinnetje niet laten. De crematie van Jan op Oud Eik en Duinen was ook zo troosteloos geweest. Er was geen traan te bekennen. Allemaal van die uitgestreken gezichten. Er waren geen woorden van afscheid geweest en even had hij gedacht: Moet ik niet wat zeggen? Moet ik niet vertellen hoe lang het geleden is dat Jan z’n levenslied is gestorven? En waarom zijn grote droom een halve eeuw geleden opbrandde, nog voor de eerste groef van de nooit verschenen eigen grammofoonplaat. Hij had het laatste restje herinnering willen ophalen, hoe het klonk, het liedje van verlangen van zijn gestorven beste vriend.

Hij had dan ook achter een hoge zwarte rug zitten huilen toen – en blijkbaar niet alleen voor hem – onverwacht de stem van Richard Tauber achter uit de kist kwam. Op volle sterkte. Jan was er weer even toen zijn levenslied inzette, met de lichte ruis van ver weg: ‘Du bist die Welt für mich.’

Zo mooi zingen tranen, Johan.

Hij hoorde het hem weer zeggen. En hij zag hem weer voor zich. Alsof er in een donkere kamer een negatief oplichtte en langzaam foto werd. Van een grote, vrolijke, dikke zingende jongen. ‘Hoe vind je mij, Johan. Kan ik het? Kan ik het echt?’

Jan wist het. Zanger zou hij worden. Van het levenslied. Zoals de grote zanger toen in het Kurhaus en op de radio. Hij droomde ervan de Haagse Richard Tauber te worden. Ooit. Er zat fluweel in zijn stem, had iemand tegen hem gezegd. Hij barstte bijna van geluk.

Totdat het meisje met de grote blauwe ogen het anders wilde en hij, aan de haak van verliefdheid, zijn droom verloor. Vaste verkering. Huisje, bedje, kindje en Jan stond voor hij het zelf wist, met een nieuwe kleine Jan in zijn armen, zijn liedje van verlangen weg te wiegen. Hij was tot over zijn oren verliefd geweest en dan weet je niet wat je doet. Zijn beste vriend zag hij niet meer staan. Ach ja, zo gaat dat.

 

 

Johan had na het verrassende saluut in het crematorium met zijn rechtermouw zijn wangen afgeveegd, en voor de kist had hij langer stilgestaan dan de anderen en ‘Dag Richard Tauber’ gefluisterd.

Hij was een vreemde in het gezelschap. Ze keken niet naar hem om toen ze naar de koffie en de cake en de paar ongemakkelijke woorden van troost gingen. Verdriet, de armen om elkaar heen en de schouders schokkend tegen elkaar, het was er niet. En nergens was een meisje met blauwe ogen te bekennen. Ook niet in de matte oogopslag van de enige twee kinderen.

Hij was nog even op de voorste bank in de lege aula blijven zitten, tot de kist de grond in zeeg en Jan langzaam wegzakte, het koude vuur van voorgoed vergeten in. Richard Tauber zong nog na in Johans hoofd.

Zo gaat dat, Jan. Er zijn en weg zijn, toen en nu.

Opeens was hij zijn vriend kwijt. Opeens moest Jan in militaire dienst. Opeens beroeps worden. Sergeant-majoor, ergens geplaatst op de Veluwe. In ’t Harde, dacht hij.

De Haagse Richard Tauber in een schuttersputje, het was natuurlijk weer een grap van zijn vader geweest. Hij had hem wel kunnen slaan.

 

 

Bijna alles was mist in zijn hoofd, maar Jan vandaag niet.

Johan had het geluk van het sterke geheugen van zijn moeder. Maar ook dat versleet en verdween. Ook de zonzijde van zijn moeder. Al was mooi weer spelen hardnekkig in zijn genen blijven zitten. Zijn moeder zorgde voor glimlachjes in zijn geheugen. Zij had de jongens grootgebracht met sprookjes en dat kon ze goed. Als de kleine Johan zijn grote mond hield, tenminste. Doe als Jan, Johan, haal die o en die h eruit. Dat had ze van zijn vader, want die riep altijd: Dag Jan en Jan, want met die oohaa heb ik niks te schaften.

Hij hoorde haar vrolijke stem nog: Er was eens een dikke prinses, die zoveel snoepte, dat ze op een dag als een oranje ballon opsteeg voor de ogen van de hele stad…

 

 

Toen Johan naar buiten liep en zag dat de zon scheen en de meidoorn begon te bloeien was hij blij dat hij toch was gegaan. Hij had in de krant in een kleine rouwadvertentie Jans naam gelezen, met niet meer dan ‘namens de familie’ eronder, met dank aan een of ander verpleeghuis in Scheveningen. De dode was van 1 april 1930. Dat moest Jan zijn. Van 1-aprilgrappen moest hij als jongen niets hebben. Zijn familie, of wat daar van over was, ook niet, zo te zien. Johan voelde zich als een luis in hun jassen met kolenpijpen.

Ach ja, dacht hij, een man van tachtig in een versleten rode jas en dan ook nog een grijze paardenstaart aan zijn oude hoofd. Wat moet zo’n man hier? Waar komt hij vandaan? Hij zag het hen denken. De schimmen van Jan. En hij was blij dat een van de doodgravers naar hem toe was gekomen en voorzichtig had gevraagd waarom meneer als enige had zitten huilen. En toen had hij verteld dat zijn vader Jan nog uit het leger had gekend en toen die hoorde dat er niemand voor muziek had gezorgd, had hij gesuggereerd dat een lied van Richard Tauber misschien wel passend zou zijn. Voor Jan. Vandaar.

 

Jan had de tachtig net niet gehaald. Johan had altijd van zichzelf gedacht dat hij het niet zou halen. Nooit van z’n leven, met zo’n warboel achter zich. En nu was hij toch maar mooi al bijna een halfjaar helemaal tachtig. Hij moest de dag plukken, zolang het ging. Niet te veel begrafenissen.

Dat lied. Hij kreeg het niet uit zijn hoofd. Het voegde zich met gemak bij zijn steeds langer wordende toonladder van geheugensteuntjes: ‘Du bist die Welt für mich.’Het waren zijn fluitjes in de mist, de deuntjes die uit het steeds naderbij komende schimmenrijk voor de kleine opklaringen zorgden, zoals het lied van Jan vandaag.

De gedachte dat het voor steeds meer mensen om hem heen zo ongeveer iedere dag oudejaarsdag was, wimpelde hij weg, nog net voor hij lijn 2 instapte. Gelukkig was de tram vrijwel leeg, hij zag alleen de jonge vrouw die vóór hem het crematorium verlaten had, met een mooie wijnkoker. Dat was zijn eerste associatie, want drank kreeg hij niet helemaal uit zijn hoofd en uit zijn genen. Het moest mondjesmaat, dat begreep hij, vanwege het wankele evenwicht en het hinderlijke geklop midden in de nacht op de tochtdeur van zijn hart. En hij wist ook wel dat het enige vet dat hij nog had in zijn lever zat.

Maar de gedachte aan zak en as kwam ook bij hem op, vooral omdat ze er droevig naar keek, naar de donkerrode koker.

 

 

As in wijn. Altijd oudejaar. Oudejaarsavond 1929 was geen feest geweest. Hoewel… zijn moeder had tegen zijn vader geroepen, die laat uit zijn werk kwam: Kom gauw kijken, Johan, wat ik hier in mijn armen heb.

En zijn vader had eerst alleen maar lachend geroepen dat het meer moest zijn dan er in zijn loonzakkie zat. Wat een rooie oliebol, was zijn eerste reactie geweest. Het ging diezelfde avond vanuit het café om de hoek als een lopend rotje door de buurt, tot aan het Slijkeinde. Er was een rooie oliebol geboren in de Geest. Een laat kindje Jezus, maar een week over tijd. Nog zo’n melige grap. Maar zijn vader had zijn zoon wel met z’n beide handen boven zijn hoofd getild. Met tranen in zijn ogen. Grote Johan en kleine Johan. Zijn moeder had zijn eerste verhaal door de jaren heen vastgehouden en verzilverd. Er kwam altijd een schepje bovenop.

Zijn vader had met hem staan dansen en hem aan iedereen laten zien. De tranen biggelden echt over zijn wangen. Dat de crisis op straat had gelegen en niet alleen zijn vader, maar de hele buurt en de halve stad zonder werk zat en zonder eten, vertelde ze er nooit bij. Het geheugen van zijn moeder had alleen een zonzijde. Het was en bleef hardnekkig mooi weer onder haar papillotten. Dat was haar kracht. Lachen mocht van God.

Zijn vader had om iets anders gehuild.

Om de ellende in de Geest, de kleine, smalle straat die naar het noorden en westwaarts langzaam oploopt naar wat in de stad het zand heette, richting het Paleis, het Statenkwartier en het Kurhaus aan Zee. En die naar het zuidoosten wegloopt in het Slijkeinde, en vandaar verder in de richting Transvaal en de Schilderswijk. Naar wat het veen werd genoemd, naar de modder van de grens tussen slijk en aarde.

Tachtig jaar later, in een tijd van overal opdoemende crisis, begreep Johan er meer dan ooit iets van. De opgekropte woede toen en de machteloosheid en de vernedering van al die vaders en moeders met lege loonzakjes en lege handen en een lege toekomst. Hongerwinter vóór de oorlog was het. Niets te bikken. Bestond dat woord nog? Iets te bikken hebben.

 

 

De verdrietige vrouw in lijn 2 was aan de andere kant van het gangpad gaan zitten. Met de aswijn dicht tegen haar borst aan. En haar armen eromheen. Verbeeldde hij het zich nou, of zat ze er zachtjes tegen te praten? Alsof hij mammie hoorde zeggen. Af en toe wees ze naar buiten. Alsof ze iets wilde laten zien.

‘Tegen wie praat u, mevrouw?’

‘Ik praat in mezelf, meneer.’

Ik ook, had hij willen zeggen, maar hij had haar met rust gelaten en naar buiten gekeken en gezien hoe slecht hij de stad waar hij geboren was kende, terwijl hij wel wist van al die vaders uit Marokko en Tunesië en overal vandaan, die in de openbare bibliotheek naast hem de krant kwamen lezen. En van hun zonen die ze moeilijk in de hand konden houden, van hun dochters die dicht bij elkaar ijsjes stonden te eten buiten bij Florencia. Het was altijd hetzelfde liedje als hij aan Florencia dacht. Het deuntje kwam voordringen in zijn kop. Als een draaiorgel onder zijn grijze haren ging het: Florenciaaaa… sinaasappelen, mandarijnen, olienoten, chocolaa… Florenciaaaa…

Het is Valencia, Johan, niet Florencia. Hij hoorde het Jan nog zeggen. Maar dat ging het andere oor meteen weer uit. Het was een van zijn steunhitjes terug in de tijd, met altijd bewegende beelden erbij. In zwart-wit en in kleur. Soms met het snorrende bijgeluid van de draaiende projector in de Thalia in de Boekhorststraat. Tussen de lefgozers bij een rock-’n-rollfilm. In het oude hoofd van Johan begon het flink te swingen. Bill Haley kwam onder zijn paardenstaart meteen binnen op nummer één, naast Florencia: ‘Rock around the clock’ Was hij met Jan nog in de Thalia geweest? In ieder geval wel bij Florencia. Dat was hun ijspaleis in de verte, vanuit de Geest. Mooier dan de sprookjes van zijn moeder. Hoe heette de familie toch ook alweer?

O ja, de Talamini’s.

Als jongen dacht hij dat het clowns waren of acrobaten uit het circus. Zijn vader noemde het de ijsfabriek. Je kon er zaterdag aan het eind van de middag de klok op gelijk zetten. Jongens, allemaal een ijssie. Ook Jan, vooruit dan maar. De eerste keer dat ze pinguïns hadden gezien, was op een van de waggelende vrachtautootjes waarmee het ijs overal in de stad werd afgeleverd.

Hij had zijn vader er vlak voor hij stierf nog een keer mee naartoe genomen. Vanuit zijn aanleunwoninkie achter de rollator naar het beste broodje ei. En dan een Italiaans ijssie slag. Aardbei en vanielje. Hij zat zo graag tussen de vaste jongens – en meissies – op het stenen bankie tegen de warme ruiten van de ijssalon aan. Samen met de duiffies in een lentezonnetje. Je kon hem niet gelukkiger maken. En natuurlijk kwam altijd hetzelfde riedeltje: ‘Kennen jullie dat gassie naast me nog? Johan is niets veranderd in al die jaren. Dit broekie naast me stak toen hij twee turfies hoog was naar iedereen zijn tong uit. En dat doet ie nog.’

Ze zaten er weer samen. Johan hoorde hem weer met iedereen bakkeleien.

De ‘ie’ zat er bij zijn vader ingebakken. Zijn moeder was z’n lieffie en zijn meissie, zeker als ie iets van haar gedaan moest krijgen. Jij krijgt op je falie, jochie. Hij miste zijn vader. Hij was al weer twintig jaar dood. De laatste jaren hadden ze eindelijk een beetje met elkaar kunnen opschieten. ‘Net als vroeger, jongen, gelukkig ben je weer helemaal terug in De Haag. De Haag, dat was zijn stad gebleven. Zonder vroeger bestond hij niet meer. Zonder toen was er niks meer aan.

Johan had het ook, hij kon er niet meer omheen: vandaag en morgen was hem vaak te treurig, hij kon er niet goed meer bij. Hij had in iets anders geloofd, in wat zijn vader had gezongen toen hij opgewonden van woede thuiskwam, voor de oorlog nog, dacht Johan: Ontwaakt verworpenen der aarde… Daar kon je vandaag de dag niet meer mee aankomen. Dat wist Johan. Het strijdlied hing ontheemd onder aan de notenbalk van zijn geheugen. De klank was zoek. Het geloof weg.

Hij hoorde zijn vader weer: weet je nog dat we in de hongerwinter samen in de rij voor de gaarkeuken stonden te blauwbekken voor een bakkie soep. Je was vel over been, jongen. Er zat geen grammetje spek meer aan. Hoewel hij erbij was geweest, kwam dan steevast: Dat heb jij gelukkig nooit meegemaakt. Achter dat troostende bijzinnetje zat een boel kwaadheid en verdriet bij elkaar gepropt. Niet om hem, niet om zijn vader, maar om iedereen die zich voor nop de pleuris werkte. Om dat duppie op z’n kant. Omdat ze iedere cent moesten omdraaien. Om de armoe. Om de moffen ook. Om die schoft van Mussert. Om de jongens die op de Waalsdorpervlakte waren doodgeschoten. Hij kon het woord Duiters niet uit zijn mond krijgen. Nooit. Het bleven voor hem die rotmoffen.

 

Opeens wist hij het weer. Richard Tauber duwde in zijn hoofd Florencia opzij. Na de oorlog hadden zijn ouders van hun spaarcenten een kleine radio gekocht en zat zijn vader op zondagmiddag verscholen achter de krant naar een belcantoprogramma te luisteren. ‘Du bist die Welt für mich’ van Richard Tauber deinde door de kleine huiskamer, ‘Ich liebe dich nur dich’, en wie zijn stille vader achter de krant had gezien, had tranen over zijn wangen zien lopen.

 

 

De vrouw in de tram had ook tranen in haar ogen, zag Johan. Ze liet ze gewoon hun natuurlijke loop, haar prachtige Indische sjaal in, op weg naar de rode wijnkoker. Dochter met moeder op schoot. Het arme kind. Hij dacht aan Lot en aan Flower. Zijn dochter en haar moeder. En Valencia en Richard Tauber en de Rockets verloren het van ‘Let the sunshine in’. Net voordat hij de vaste schemer van de tramtunnel binnenkwam, klaarde het lied zijn oude geheugen op. Als zonlicht. Ze waren er weer. Het zong weer, terug in de tijd.

Dag Flower. Dag Vlinder. Dag Sun.

 

Er waren steeds meer gaten in zijn geheugen. Johan wist waar het zwarte gat van de dood te zien zou zijn. Op een uur dat alles leeg was. Hij keek er niet naar uit. Maar hij piekerde er ook niet meer over. Het lied kwam gelukkig nog steeds tevoorschijn. Op zijn oude dag in de tram op een easy rider met vleugels terug naar Hair. Verborgen onder zijn rode jas. Niemand zag dat zijn versleten schoenen nog van dansen wisten. Niemand zag in zijn hoofd de jonge Johan terug, bijna onherkenbaar gelukkig in het strijklicht onder de bomen van het Vondelpark, opgenomen tussen al die omhooggestoken armen die als halzen van wilde zwanen naar de zon reikten. Niemand zag het uitgelaten meisje dat met honderd anderen in zijn armen viel.

Dag Flower, had hij zich zomaar laten ontvallen. Zeg maar Vlinder, maar je mag me ook Sun noemen. Ze had de schoonheid van drie meisjes en drie namen.

Was het zeven jaar Flower en Vlinder en Sun geweest, of langer?

Dat Lot in mei 1968 van een roze wolk het leven binnenviel, was niet toevallig geweest. Het was het meest dierbare beeld dat hij bij zich droeg en telkens opwreef, zoals hij als kind de eerste ijsbloemen van het raam wegpoetste en dan naar buiten kon kijken en zag dat de sneeuw echt was.

Daar lag Flower, op een veldbed vol strooibloemen, met kaarsen en wierookstokjes om haar heen. Als Madonna lang voor Madonna er was. Met haar kind. Met Lot kraaiend van plezier in haar wiegende armen. Hasjcake en ‘Let de sunshine in’. Ze stonden met z’n allen te zingen op een versierde kraakzolder. Dat hij bijna veertig was, vond hij helemaal niet oud. En twintig jaar jonger viel niet op. Zo verliefd, dat kende Johan nog niet. Dat gevoel van vrijheid dat de tijd onbezonnen maakte. Of verzon hij dat, maakte hij het mooier. ‘A thing of beauty is a joint forever.’

 

Was hij het De Haag van zijn jongensjaren ontvlucht, van galg naar rat – zoals zijn vader hem nariep – naar Amsterdam en verder? Of was hij gevlucht, uit angst dat alles thuis misschien wel hetzelfde zou blijven? Dan liever weg en onbereikbaar. Net zo klakkeloos onbereikbaar als twintig jaar later, alleen in een beschilderd busje op weg van weer helemaal niets naar ‘Hotel California’.

Het kwam opnieuw in zijn hoofd, op vleugels van de Eagles. Opgewonden en broodmager met net zo’n staart in zijn haar, die hij voor het eerst in een elastiekje had gewurmd toen hij eindelijk in het Vondelpark terecht was gekomen. Altijd zingend op weg naar alles en nergens. Van het beloofde land naar het gedroomde land. Naar weer een hemel op aarde. Fluitend naar sprookjesland. En de prinsessen achter hem gewoon in de steek gelaten. En zijn moeder.

Hij had haar nog over haar ingevallen wangen geaaid, vlak voor ze stierf. Zoals zij het vroeger bij hem had gedaan. Ben jij dat, Johan? Wat ben je mager. Krijg je wel genoeg te eten? Waren dat haar laatste woorden geweest? Of had ze gelispeld dat ze elkaar zo weinig hadden gezien?

Johan zag haar nog sterven met een zuchtje, met de smalle glimlach van een prinses zonder kroontje, toen hij onder het Spui uitstapte en even op een bank moest gaan zitten, voordat hij de roltrap nam naar boven en naar buiten. Hij schudde een paar keer zijn hoofd, alsof het leeg moest. Voor het eerst was hij te oud voor alles tegelijk. Maar het ging niet. Het liedje stokte niet. En dat kwam doordat Vlinder de tunnel binnen bleef vliegen. Flower. Hij zag haar zwaaiend achter op hun witte fiets: Ik ben nooit moe, daar is geen tijd voor, Johan.

Ze was vandaag precies een maand geleden gestorven, veel te vroeg. Nog geen zestig was ze geworden. Hij was niet naar haar begrafenis geweest. Ibiza was te ver voor hem. Lot was er vanuit Kenia wel onmiddellijk heen gevlogen. Ze had hem verteld hoe het was.

Vlinder kon niet meer, Johan.

Vlinder was op.

Flower had op een bed van bloemen gelegen op het strand van Ibiza. Omringd door haar laatste oude vrienden. Ze hadden ‘Let the sunshine in’ voor haar gezongen. Met de muziek erbij vanuit een versierde toetermicrofoon op een houten terras achter haar.

Ze zongen het ook voor jou, Johan. Dat wilde Flower. Voor Jonny, zei ze.

Voor mij? Voor Jonny? had hij in zijn mobieltje geroepen.

Ik geloofde het ook niet, had Lot gezegd, want niemand kent Jonny meer.

Toch, Johan?

 

 

Lot kende haar vader beter. Ze kon door hem heen kijken en dat wist Johan. Ze spaarde hem op afstand.

Hoewel… Ze had hem vanmorgen vanuit Kenia gebeld. Alleen maar om te zeggen dat ze even tegen hem aan moest janken om al die mensen die daar aan aids stierven. Het zijn er zoveel, Johan. Er lopen hier een miljoen aidsweeskinderen huilend naar hun vader en moeder te zoeken. Het is verschrikkelijk. Waar is iedereen, Johan? Wat doen jullie daar in godsnaam? Wie zijn dat, die daar bij jou in Den Haag roepen dat we er hier een potje van maken?

Lot was in alles een arts zonder grenzen en ze kon niet meer, dat hoorde je, al zou ze het nooit zeggen. Het onvermogen om in opstand te komen en om de wereld aan te klagen. Dat was het bij Lot. Johan wist het. Razend en moedeloos tegelijk over wat ze stuitende hebzucht noemde en stuitende onverschilligheid.

Van wie had ze dat?

Niet van hem. Hij had vooral meegeroepen en meegezongen en eigenlijk nooit het achterste van zijn tong laten zien. Je hebt een tong en een pen voor strijdliederen en spandoeken, Johan. Wie had dat ook alweer tegen hem gezegd? Was dat zo geweest?

Lot liep er niet voor weg, ze ging eropaf.

Helpen is beter dan schreeuwen, Johan. Zet dat eens op een spandoek in Den Haag. Stenen hart, koud hart, laf hart, slap hart. Iemand moet toch iets doen.

Johan zei het niet, maar hij was er te oud voor. Hij zag ook wel dat de wereld om hem heen niet meer de zijne was. Maar kwaadheid en ergernis verstopte hij, samen met moedeloosheid, achter het oude liedje. Want als hij het waagde in een bui van overmoed, die al lang niet meer hagelde, een bittere opmerking te maken, dan werd hij uitgelachen waar hij bijstond. Hij kwam er hier en nu niet mee weg. Hij kon Lot niet helpen. Hij had de stem niet meer.

Gaat wat wij waren en wie wij waren dan voorgoed voorbij?

 

 

Op de roltrap de tramtunnel uit gleed hij het zonlicht in, en hij zag door de grote etalageruiten in de openbare bibliotheek de mevrouw zitten die altijd naast haar rollator de krant zat te spellen. Ze zag hem en zwaaide. Ze had hem vorige week op de Vijverberg onder de beroemde Johan aangesproken met de voorzichtige vraag of hij misschien de dichter Leo Vroman was. Meneer leek er verduveld veel op. Twee druppels water met één staartje. Ze had zich glimlachend verontschuldigd. Mensen dachten wel vaker dat hij Leo Vroman was.

Hij moest ergens een bundeltje gedichten van hem hebben, thuis, op het stukgelezen stapeltje met Simon Vinkenoog en Hans Verhagen en Remco Campert. Ach ja, Het leven is vurrukkulluk. Lag het daar ergens tussen? Er overviel hem iets van jaloezie. Dat had hij nooit, op iemand lijken die hij zelf had willen zijn. Op een oude dichter in Amerika. Met het geluk van iedere dag schrijven. Had Jan dat niet tegen hem gezegd? Johan, ik moet iedere dag zingen en jij moet iedere dag schrijven. Het moet, Johan.

Er waren wat eigen liedjes geweest, ‘Go with the flow’,op de vleugels van geverfde veren. Hij kon het niet meer terughalen. Het was weggevallen. Nee, een Vroman was hij niet tussen al de lezende kranten, die in stilte elkaar vriendelijk groetten en niemand lastigvielen.

 

 

Net als zijn vader vroeger zat Johan even later achter de krant onzichtbaar te huilen. Om Flower en Vlinder en Sun. Om zijn in de steek gelaten Lot. Om de woede die er niet meer was. Om Jan ook. En om het tekort, het verlies, het mooi weer spelen. En ook wel om gisteren, toen hij kliedernat van de regen bijna van de stoep was gefietst met de woorden: zo ouwe hippie, ben je soms door de politie van het wiettuintje van je dak gespoten?

Ze hingen al lang niet meer aan zijn lippen. Voor het eerst vandaag was er geen muziek meer in zijn hoofd, alleen vage beelden: Vlinder en Lot die hem uitzwaaiden, terwijl hij nergens naartoe ging. Hij werd zachtjes op zijn schouder getikt door een lezer naast hem, die wees naar een mobieltje op de grond. Het was van hem. Er was een bericht van Lot.

Later, dacht hij.

En toen hij naar buiten liep, langs het Binnenhof en de Hofvijver, had hij geen oog voor de vlucht zwanen die in het lentelicht op het water was neergestreken. Hij stak gebogen de weg over naar de Plaats en keek op van een sliert kinderen die uit de Gevangenpoort op Johan afrende. Nee, niet op hem, maar op Johan de Witt. Hij herkende het gekwetter van de gelukkige schoolklas, die als een vlucht jonge mussen rond het beeld neerstreek. Met glinsterende oogjes keken de kinderen omhoog naar Johan en een van de jongetjes stak zijn tong uit naar de beroemde Hagenaar.

Het beurde hem op. Alles was weer even op z’n plaats, dacht hij. Het hield hem op de been, zolang het ging. Eerst maar naar de Molenstraat en dan langzaam aan naar de Geest en het Slijkeinde. Stukje bij beetje ging het. Op achtergebleven refreintjes van zijn onverslijtbare goede humeur. Eerst maar eens de volle tachtig zien te halen, mijmerde hij. Gelukkig voor hem was oudejaar nog ver weg.

 

 

Wie even verderop, in het verlengde van de Geest, drie maanden eerder op oudejaarsavond 2009 langs zijn raam op de eerste etage van het smalle huis aan het Slijkeinde was gelopen, had Johan bijna uitgelaten kunnen horen zingen, voor de kleine radio die op de lage boekenkast stond, vlak naast zijn bed en de stapels grammofoonplaten en cd’s. Hij zong tegen een muur, die tot aan het plafond was volgeplakt met foto’s en affiches en losse teksten. Hij zong tegen zijn memory lane.

Ze waren er allemaal bij op zijn tachtigste verjaardag, de liedjes van zijn leven. Als houvast en ruggensteun van zijn niet te vergeten eigen tijd.

Je zag Johan met Flower en Lotje zwaaiend voor Paradiso in de zomer van 1968. En samen, bijna niet te vinden tussen de duizenden mensen bij Pink Floyd op Kralingen in 1970. Ze moesten onder het potloodpijltje staan, naast de handtekening van Supersister.

Je ontdekte Johan tussen George en Barry en Rinus en Cesar voor Rock Palace in de Torenstraat. JUST A LITTLE BIT OF PEACE IN MY HEART, staat er in hanenpoten bij, en: THE GOLDEN EARRINGS VOOR JONNY DUTCHIE.

Er hingen platenhoezen van Hair en van De Cliché-mannetjes, met eroverheen gekrabbeld: WAARIN ONZE BEIDEN HEREN RIJMEN EN DICHTEN ZONDER DE SLIP VAN HUN HEMD OP TE LICHTEN. Met de groeten van Kees en Wim uit café De Sport.

En Jonny Dutchie met wilde staart en baard en friends boven op zijn busje op Hippie Hill San Francisco, in 1975, hing ernaast.

En provo Johan die met Koosje Koster op de Dam krenten uitdeelt.

REMEMBER JANIS staat er op een affiche van Janis Joplin met ME AND BOBBY MCGEE EN JONNY D erop geschreven.

Op een ander affiche zingt Boudewijn de Groot ‘Welterusten, Meneer de President’. VOOR JONNY EN FLOWER (1968).

Op een foto van hippies rond een podium ergens buiten in de velden van Monterey in 1973 is Johan nauwelijks meer te herkennen met zijn waaiende baard en grote gleufhoed. REMEMBER ME, JONNIE D staat eronder. Wie goed kijkt, ziet dat DON’T ervoor is doorgekrast.

En Johan als hulpkabouter in de Amsterdamse gemeenteraad, net zichtbaar achter Roel van Duijn.

En Johan schaterend tussen Ramses Shaffy en Liesbeth List in, in 1965 voor zijn flowerpower busje.

En vlak naast zijn bed, boven de radio, de kleine Johan in korte broek en met zijn blonde kuif, tegen zijn glimlachende moeder aan geleund, op de Haagse kermis van 1935. LACHEN VOOR DE FOTOGRAAF, staat erbij.

Johan had er op de avond van zijn tachtigste verjaardag zowaar nog een beetje voor staan swingen, in een versleten T-shirt, waarop bijna weggewassen het al lang niet meer fluoriserende woord FLOWERPOWER traag meedeinde. De elastiekjes waren uit zijn staart en zijn dunne grijze haren dansten als een sluier over zijn gezicht, toen hij meezong wat hem al jaren overeind hield en hem bij vlagen gelukkig maakte. Het klonk hartverscheurend hoog en hees, met lange uithalen en weinig adem…

Mamma, oooooh, I don’t want to die…’ Queen kwam thuis op het Slijkeinde als altijd weer op één binnen. Op de voet gevolgd door ‘Hotel California’ en ‘Imagine’ en ‘Angie, oh Angie’, samen met Flower… ‘Angie, I still love you, remember all those nights we cried?’

Je had hem moeten zien meezingen met de Eagles en de Stones en John Lennon en de anderen van de top van 2009. En je hoorde het hem vrolijk denken: Wie zei er ook alweer dat de jaren zestig voorbij waren?

En toen later die oudejaarsavond de muziek van zijn jaren zich opnieuw vermenigvuldigde over de stad en de wereld en iedereen meezong wat hij al zo lang uit zijn hoofd kende, toen kwam zijn eigen stem bijna niet meer uit boven het naderende vuurwerk voor de eerste dag van zijn tachtigste jaar.

Alleen wie toen nog langsliep op het Slijkeinde en omhoogkeek en bleef staan en luisterde, die kreeg vanzelf kippenvel en tranen van Johans stem van achter het raam. Het klonk, voor wie ook treurde dat de zanger er niet meer was, als een klaaglied in een hooglied van alle tijden: ‘Laat me, laat me mijn eigen gang maar gaan. Laat me, laat me, ik heb het altijd zo gedaan.’

 

 

Niemand, helemaal niemand zag een oude man met een paardenstaart in een veel te grote, versleten rode jas drie uur na de crematie van zijn beste vriend op een lentemiddag in 2010 uit de Molenstraat de Geest in lopen, op weg naar het Slijkeinde van zijn stad.

Niemand zag boven hem, hoog aan de hemel, de vlucht wilde ganzen in hun deinende V van vrijheid, licht jankend in de heldere lucht.

Niemand zag de ordening en de harmonie en de samenhang.

En niemand zag dat er een gans uit de V was gevallen en stuurloos fladderend achterop was geraakt.

Niemand zag dat hij het houvast van geluid kwijt was.