’s Ochtends hoop ik met Willem aan de ontbijttafel te zitten, maar die staat onder de douche. Ik eet mijn eitje. Zou dat zijn gekookt in mijn douchewater? Bij het vullen van de bidons krijg ik een reprimande omdat ik, bij het wisselen van de bidons, de kraan laat lopen. Ze vraagt mij waar ik naartoe fiets. ‘De Middellandse Zee,’ zeg ik trots. ‘Goede reis,’ zegt ze neutraal, alsof ook de Middellandse Zee op loopafstand is.
Even buiten Maastricht staan de eerste dranghekken voor de Amstel Gold Race. Voor het hek staat een officieel uitziend mannetje in een hesje. De race is nog niet begonnen, maar om netjes aan de overkant te komen zal ik een flink stuk moeten omfietsen. En ik heb al een halfuur verloren met het terugfietsen uit de buitenwijk van de bed & breakfast.
Als de official even de andere kant op loopt, maak ik het dranghek los en glip de weg op. Een paar honderd meter rijd ik glorieus over een verlaten asfaltweg. Vanuit mijn fietstas, in zijn satijnen zakje, hoor ik mijn vader juichen om mijn burgerlijke ongehoorzaamheid. Niets kon hem meer ergeren dan wanneer ik mij conformeerde aan de omgeving.
Voor hem was het een principe om je juist níet aan regels te houden. De wereld diende zich aan hém te conformeren. Pas toen ik mijn rijbewijs had en de verkeersregels kende, begreep ik hoe ver dat ging. Als mijn vader naar links moest op een rotonde, dan reed hij er niet driekwart omheen, maar sloeg hij gewoon meteen linksaf. Ook ging hij ooit met de fiets over de vluchtstrook van de snelweg. Door de Velsertunnel. Toen ik hem vroeg waarom hij dat deed, antwoordde hij: ‘Het was de kortste route.’
Lange tijd heb ik me voor mijn vader geschaamd. Vooral als je in de puberteit zit, je met je hoofd vol pukkels al onzeker genoeg bent, dan wil zo’n vader niet helpen. Zo waren wij op vakantie op Curaçao. We moesten een bus halen (waarom dat per se moest is mij niet duidelijk, het was vakantie). Mijn vader rende voor ons uit en ging voor de bus staan zodat de chauffeur niet zonder ons weg kon rijden. Het duurde een paar minuten voordat mijn zussen en ik kwamen aangehold. De dodelijke blikken van de passagiers in de bus zal ik nooit vergeten.
Een andere Curaçaose herinnering: we waren in Willemstad, waar wij om de een of andere reden elke avond bij een Italiaan in een achterbuurt aten, het terras lag naast de vuilcontainer van een bordeel. Verderop was een straatfeest aan de gang. Ze speelden salsamuziek en iedereen was aan het dansen. Zonder zich ook maar een moment te bedenken stortte mijn vader zich in het feestgedruis en danste hij zijn eigen salsa. Dat de hele dansende menigte verbaasd stond te kijken naar die rare blanke kon hem niks schelen. Intussen stond ik met een rood hoofd aan de kant mijn tranen te bedwingen.
Hoe ouder ik werd, hoe meer ik zijn gedrag kon waarderen. Toen ik zeventien was brachten wij met z’n allen oud en nieuw door in Miami. De ober bracht ons voortdurend het verkeerde eten, en het was nog vies ook. Toen de rekening betaald moest worden, zei mijn vader: ‘Ik tel tot vijf en dan zetten we het op een lopen.’ Lachend renden we weg met een boze ober achter ons aan.
Een jaar voor zijn dood, op het Boekenbal, merkte ik dat mijn schaamte voorbij was. De opening in de zaal was net achter de rug, een dj startte de muziek, de dansvloer was nog helemaal leeg. Onmiddellijk begon mijn vader te dansen; ik herkende de Hugosalsa uit Willemstad. Met open mond stonden schrijvers en uitgevers te kijken naar deze man die rondsprong in een ongestreken roze overhemd. Maar ik ging niet door de grond. Ik was trots op mijn originele vader die zich nooit iets aantrok van wie of wat dan ook, die magische ontdekkingen deed met woorden, die mij en mijn twee zussen opvoedde, de eerste computer in Nederland in elkaar zette en die als je het mag geloven ook het internet heeft uitgevonden. Ik liep de dansvloer op en samen dansten wij onze eigen salsa.
Er schiet een peloton amateurwielrenners voorbij. Allemaal mannen met bierbuiken in strakke fietskleding. Eentje kijkt met een misprijzende blik om naar mij, de langzame fietser. Opgelucht steek ik bij Eijsden de grens over. Ik hoop dat er nu een eind komt aan gastvrouwen die willen dat je met een emmer onder de douche gaat en natte uitsmijters in druilerig weer. Aan wielrenners met bierbuiken. Of in ieder geval aan de drukte in Nederland, waar je elke twintig minuten wel een of andere provinciale weg moet oversteken, waar je nooit alleen bent. Ik wil de wildernis, de natuur, urenlang alleen fietsen, bang zijn om te verdwalen en van dorst om te komen (of beter nog: mijn waterreservoir te gebruiken). Ik wil heuvels en zonnige luchten, velden met klaprozen, de geur van lavendel, zonnebloemen!
In ieder geval krijg ik de heuvels. Direct over de grens beginnen de Ardennen in al hun ernst. Ik heb in mijn leven nog nooit serieus met de fiets geklommen. De tochten met mijn vader waren altijd over vlak terrein, met hooguit een heel klein heuveltje. Nu gaat het steil omhoog, en niet voor een klimmetje. Het zijn beklimmingen waar geen eind aan komt. Na elke bocht hoop ik de top te zien, maar dan gaat het klimmen gewoon door. Bij elk tandje terugschakelen hoop ik dat de verzuring stopt, maar na een halve minuut is het toch te zwaar en beginnen mijn benen weer te trillen. Daar komt nog bij dat ik veertig kilo aan bagage meetors. Dat is toch een beetje alsof je een fietstocht naar de Middellandse Zee maakt met Yolanthe Cabau van Kasbergen achterop.
Na een uur helse beklimmingen trap ik mijn weg naar boven in het lichtste verzet. In een of ander dorp ga ik zo traag dat een wandelaar mij inhaalt. Nog even en ik moet afstappen – de gruwel van elke fietser. De afkeer van het afstappen houdt mij op de been. Maar hoeveel heuvels kan ik dit nog volhouden? Ik ben nog niet eens in de hoge Ardennen beland. Ik mis nu mijn fietsmaatje, iemand met wie ik samen zou kunnen lijden en schelden. Maar mijn vader is dood.
Op dat moment moet ik denken aan het verhaal ‘Het grote stikken’ van Anton Koolhaas. De held is Wampoei, een oude snoek die in een verwaarloosde vijver in een plantsoen woont. Hij is de enige snoek in de vijver, en met groot gemak eet hij elke vis op waar hij zin in heeft. Wampoei is trots op zijn roofkunsten en bij gebrek aan andere snoeken of bewonderaars verzint hij een publiek dat hij ‘ziet’ als hij zijn ogen naar achteren draait. Ze zitten in zijn hoofd en sporen hem aan in de aanval te gaan. Na het opslokken volgt gejuich. De enige die hij niet opeet is het vrolijke bliekje Wissus, die zo achterlijk is dat hij het gevaar van Wampoei niet ziet. Vlak voor de ogen van de snoek maakt hij allemaal buitelingen en roept dan: ‘Voor een bliek niet gek.’ Uiteindelijk verslindt Wampoei Wissus natuurlijk wel en is hij zijn enige maatje kwijt. In een bui van razernij richt hij een slachting aan in de vijver tot een visser hem eruit haalt – het grote stikken.
Ik probeer Wampoeis trucje met een imaginair publiek over te nemen. In mijn hoofd staat er een meute mensen langs de dorpsstraat. Ze schreeuwen mij de heuvel op. De meesten versta ik niet, want ze praten Frans of een of ander Vlaams dialect, maar ik begrijp hun intenties. Ik mag ze niet teleurstellen. Een toeschouwer rent met me mee. ‘Niet afstappen!’ roept hij. Ik kijk naar de heuvel en zie hem als een vijand die ik moet verslaan. Als ik afstap heb ik verloren. Mijn hart bonst bijna uit mijn borstkas, het zweet loopt langs mijn wenkbrauwen, ik heb bijna niet meer genoeg vaart om overeind te blijven. Maar ik moet die heuvel halen. Ik mag op mijn pedalen staan, ik mag zigzaggen. Maar ik mag ze niet teleurstellen. De helling wordt nog steiler, altijd wordt de helling vlak voor de top nog steiler. De heuvel is een sadist, maar ik zal hem bedwingen. Ik ben verzuurd en ik heb kramp in mijn kuiten en polsen, maar ik fiets door.
Ik zie mijn vader voor me, aan de andere kant van de pingpongtafel. Ik ben een jaar of twaalf, we staan in de achterkamer van het ouderlijk huis. Het is ook onze eettafel als we gasten hebben – wat niet vaak gebeurt. Maar nu wordt er gepingpongd. Er wordt gepingpongd alsof ons leven ervan afhangt. Normaal laten ouders hun kinderen wel een potje winnen. Mijn vader niet. Elke service is om te winnen. Elke smash is genadeloos hard. Dat hij tegen een twaalfjarige speelt doet er niet toe. En dat is nog niet het ergste: het ergste zijn de rally’s, waarbij hij mij eindeloos van links naar rechts laat rennen. Het balletje valt in de uiterste linkerhoek, dan weer in de uiterste rechterhoek. Ik ren mij suf om het bij te houden. Mijn hart bonst in mijn keel. Als ik eindelijk uitgeput ben maakt hij het af met een smash door het midden.
Huilend bereik ik de top van de heuvel. Het is echt de top, de weg verdwijnt niet achter een bocht. Ik zie hem heerlijk naar beneden slingeren. Verderop gaat hij weer omhoog, maar dat is van later zorg. Nu mag ik afstappen en een halve bidon leegdrinken, want ik heb het verdiend.
De volgende heuvel is natuurlijk nog steiler en langer dan de vorige. Ik moet denken aan een ezel die ik heb gezien in India, in Bihar om precies te zijn. Ik was daar om een nieuwe serie op te nemen voor de vpro. We stonden, zoals gebruikelijk, in de file en hadden alle tijd om te kijken naar de massa van lukraak plassende mensen, karren en kippen die India India maken. Een ezel met een uitzonderlijk zware kar, waarvan ik mij niet eens kon voorstellen dat zeven ezels die voort konden trekken, zakte door zijn hoeven. Het dier was uitgehongerd, je kon de ribben tellen. Op zijn bek stond schuim, zijn hoofd legde hij op de grond en ik twijfelde of hij nog wel leefde. De menner van de kar kennelijk ook, hij klom van zijn bok en hurkte naast de ezel neer. Wat een bijzondere band met dieren hadden die Indiërs toch, dacht ik nog. De menner greep een dikke bamboestok van de kar, liep terug naar de ezel en gaf hem een ongenadig harde klap op zijn ribbenkast. Ondanks het lawaai van Indiase muziek uit een slechte speaker, het ratelen van een suikerrietpers, een dieselaggregaat en een koor van autoclaxons, die ook India India maken, hoorde ik het bamboe tegen de ribben slaan, maar de ezel gaf geen sjoege. Er volgde een tweede, zo mogelijk nog hardere klap. Een stuk bamboe brak af, de ezel hees zich op zijn voorhoeven. Nog een klap, dit keer tegen zijn achterwerk. Even later liep de ezel weer, alsof er niets gebeurd was.
Op die tweede heuvel ben ik die ezel. Eigenlijk ben ik al dood, maar toch moet ik door. Een peloton wielrenners flitst voorbij, de laatste draait zich om en kijkt spottend naar de ezel. Maar ook deze heuvel haalt de ezel zonder af te stappen. En de volgende ook. En het dozijn andere van die dag ook.
’s Avonds, op de camping bij Spa, stel ik het plassen zo lang mogelijk uit. Dit is het moment van de waarheid. In een opnieuw ijskoud en verlaten wc-blok grijp ik in mijn fietsbroek en voel mijn lul. Hoera! Alles doet het weer. Door het klimmen en dalen in de heuvels werd ik gedwongen om af en toe van positie te veranderen.
Gerustgesteld ga ik verder in Knausgård. Wat een wonderlijk proza is dit. Ik weet niet eens zeker of je het wel proza kunt noemen, het is meer een extreem gedetailleerde opsomming van zijn leven. Die avond lees ik dat Knausgård naar een oudejaarsfeestje gaat. Hij heeft biertjes gesmokkeld en loopt door de sneeuw naar het feest. Op het feest ziet hij een meisje dat hij leuk vindt, maar hij durft niet met haar te praten. Deze passage neemt meer dan vijftig bladzijden in beslag. Af en toe is het hemeltergend saai en af en toe is er een interessant detail. Een paar keer sta ik op het punt te stoppen met dit boek, maar iets houdt mij aan het lezen.