3
“Lang zal ze leven, lang zal ze leven, lang zal ze leven in de glo-ri-a!”
Jesper en Kim komen zingend de trap op naar boven. Het is vrijdagochtend acht uur. Maarten staat zich te scheren. Ik ben veertig.
Mijn man feliciteerde me door me om half acht in zijn armen te trekken en zijn ochtenderectie tegen mijn billen te duwen. Zijn eerste cadeautje, zei hij, ik kon het niet ruilen. Waarna hij wilde weten of mijn ruimhartige aanbod van de avond ervoor nog geldig was.
“Dat hangt af van je tweede cadeautje,” antwoordde ik.
Hij toverde een pakje tevoorschijn. Een klein vierkant cadeautje dat was verpakt in glimmend rood papier en was dichtgestrikt met een fluwelig ogend rood lint.
Gretig trok ik de strik los en scheurde het papier open. Er kwam een zwart doosje tevoorschijn met het logo van een juwelier erop. Ik slaakte een kreetje.
“Je zei dat ik niet te veel moest verwachten…”
“En jij geloofde dat?” bromde Maarten. “Mijn vrouw wordt maar één keer veertig. Je krijgt wat je waard bent, schat.”
Ik keek hem onderzoekend aan, het doosje lag roerloos in mijn hand. Wat zou ik waard zijn: goud of diamant? Allebei zou nog beter zijn.
“Maak nou maar open,” maande Maarten. “Ik moet zo naar kantoor.”
Ik deed wat hij zei, lichtte het deksel van het doosje. Een ring schitterde me tegemoet. Zilverkleurig. Wel met een steen, en zo te zien een serieuze steen, druppelvormig.
“Is-ie echt?”
“Wat denk je zelf?”
“Hoeveel karaats?” Dat leek me de enige juiste vraag.
“Nul komma drieëntwintig,” antwoordde Maarten.
Het klonk armoedig, maar hij zei het zo trots dat ik aannam dat de diamant waardevoller was dan ik vermoedde.
“Hij heeft een helderheid van VVS1,” ging hij verder. “Imperfecties zijn dus zeer moeilijk te zien. Wel met een vergrootglas dat tien keer vergroot, maar dan nog is het lastig. En hij is bijna kleurloos.”
“Is dat goed?”
“Natuurlijk is dat goed, het is een beetje ingewikkeld, ik leg het je vanavond wel uit. Vraag me wat de diameter is.”
“Wat is de diameter?”
“Vier komma nul millimeter. Snap je hem?” Maarten glom bijna net zo hard als de steen. “Hij is peervormig geslepen. Daardoor lijkt hij ietsje groter dan dat hij is. Hij past echt bij jou, want jij bent ook een peer.”
“Pardon?”
“Daarover heb ik je met Kim horen praten, dat je een peer bent. Zij beweerde dat ze een appel was. Geef mij maar een peer, dacht ik nog, een lekkere, sappige peer.”
Ik zuchtte. Inderdaad, ik ben een peer. Ofwel: smal van boven en breed in de heupen. Kims angst om een appel te worden slaat nergens op, ze heeft alle kenmerken van een zandloper in de dop.
“Is het niet zonde, een echte diamant in een zilveren ring?”
Maarten stond op en schoof de gordijnen open.
“Witgoud, Yvon, geen zilver. Doe hem nou eens om. Kim heeft me geholpen met de maat, ze wist precies waar je je sieraden bewaart.”
Dat verbaasde me niet. Ik trok de ring uit het kussentje, hij gleed soepel over de knokkel van mijn linkerringvinger. Ik strekte mijn arm uit en kantelde mijn hand naar boven. De diamant ving een stukje ochtendlicht en fonkelde. De steen was volmaakt, ik veertig. De ring zou langer mooi blijven dan ik, veel langer. “Schat, hij is prachtig, echt schitterend.”
Maarten lachte: “Diamonds are a girl’s best friend, zeggen vrouwen toch altijd? Nu mag je nooit meer klagen.”
Mijn leven lang heb ik gedroomd van het moment dat een man me een ring zou geven met een knoeperd van een diamant. Die prins was op een of andere manier niet de 43-jarige man met horecaspoiler, werkzaam in de IT-sector, die op het moment suprème in een ietwat slobberige grauwwitte onderbroek voor me stond. In mijn droom telde de ring niet nul komma nog wat karaat en was hij volmaakt van vorm, geen peer. Hij zat niet in een doosje, de man schoof hem zelf aan mijn vinger nadat we een rit op zijn paard hadden gemaakt. Langs de branding van een wit strand. Bij zonsondergang. Terwijl deze en andere slechte gedachten door mijn hoofd flitsten, deed ik alsof ik de diamant uitgebreid bewonderde. Daarna sloeg ik het dekbed open en maakte aanstalten om op te staan.
“Blijf lekker liggen,” zei Maarten. “De kinderen komen zo met hun verrassing. Je weet hoe ik daarover denk, hè?” Hij trok een vies gezicht.
“Kom eens hier,” gebood ik, terwijl ik mijn armen naar hem uitstrekte. Hij boog zich naar me over, ik trok zijn hoofd naar me toe. “Dankjewel voor de ring,” fluisterde ik. “Die is zeker vier komma nul gratis pijpbeurten waard.” Ik mikte mijn kus op zijn mond, maar hij trok zich al terug, waardoor de zoen ergens bij zijn oor belandde. Mijn startsnelheid liet zoals gewoonlijk te wensen over.
♦
Verse koffie ruikt nog net zo lekker als toen ik 39 was, godzijdank. Je vermogen tot het adequaat waarnemen van geuren schijnt te worden aangetast als je ouder wordt, ik weet alleen niet wanneer dat verval inzet.
“Hieperdediep hoera!”
Jesper en Kim stappen de slaapkamer binnen. Allebei grijnzend, een tikje opgewonden. Jesper heeft een stapel pakjes bij zich. Ik tel er vier, ze zijn allemaal even groot. Het lijken wel boeken. Kim draagt een dienblad. Jarig zijn heeft voor kinderen louter positieve connotaties. Het betekent feest, cadeautjes en veel aandacht. Ze denken niet wat ik denk: de v van verval draait op volle toeren.
“Mamsie!” Jesper is als eerste bij mijn bed. Hij schuift de stapel cadeaus op mijn nachtkastje, alvorens me stevig te omhelzen. Hij blijft mijn apengatje.
Kim volgt. “Gefeliciteerd, je bent nu van middelbare leeftijd,” zegt ze formeel, voordat ze me op mijn wang kust.
Ze zet het dienblad op bed. Behalve koffie verkeerd zie ik een waldkornbol met oude kaas, een croissantje, roomboter, jam, een gekookt eitje, verse jus en een rode roos in een vaasje. Aan alles is gedacht.
Kim pakt mijn linkerhand. “Kijk Jesper, ze heeft hem om. Mooi hè? Hoe vind je hem, mam?”
“Schitterend,” zeg ik werktuiglijk.
“Ik mocht het van papa niet vragen, maar mag ik hem zondag lenen?”
“Zondag ga je toch bowlen?”
“Precies. En daarna is er een feestje. Hij past precies om mijn middelvinger, echt ziek. Wil je zien hoe hij me staat? Doe eens af…”
“Kim!” Jesper geeft zijn zus een zetje. “Wat had papa nou gezegd? Hou op over die ring. Mama heeft hem gekregen, jij niet.”
Ze werpt hem een boze blik toe. “Ik kan het toch vragen? Vindt ze heus niet erg.”
Ik smeer dik roomboter op mijn croissant, doe er jam op en neem een grote hap. Het is mijn verjaardag, dan mag het. En al was het niet mijn verjaardag, al was het een doodse maandagmiddag, een sombere zaterdagavond of een onaangename donderdagochtend, dan mocht het ook. Je schijnt je niet te moeten laten troosten door zoete of vette voedingsmiddelen. Maar waarmee moet je het anders doen? Ik heb ooit troost gezocht bij een stengel bleekselderij. Werkte voor geen meter. En de liters vocht die zouden worden afgedreven, bleven ook doodleuk zitten waar ze zaten. Rond mijn enkels.
Jesper schraapt zijn keel.
“Mama,” zegt hij dan. “Gefeliciteerd met je veertigste verjaardag. Je bent nu de trotse eigenaar van een diamanten ring. Daar kunnen wij niet overheen. We hebben iets anders voor je…”
“…het is echt gaaf,” vult Kim aan.
Haar broer overhandigt me het bovenste pakje van de stapel. “Ik heb gezegd dat je je cadeau beter niet kon opeten. Onthoud dat.”
Ik frons. Het weegt weinig. Het is geen boek.
“Wat je nu krijgt, is de eerste aanwijzing,” zegt Kim. “Veeg even je mond af, mam, je zit onder de kruimels.” Ze wacht niet af, pakt een servet en doet het voor me. Weer een voorbode van mijn toekomst.
Nieuwsgierig scheur ik het pakpapier open. Een chocoladeletter komt tevoorschijn. Het is een H, een melkchocolade H. Niet de d van dolfijn of de s van Simon, maar de h van? Ik kijk de kinderen vragend aan.
Kim reikt me het volgende pakje aan.
Terwijl ik het openscheur, komt Maarten binnen. Hij draagt een grijs pak, is netjes geschoren, klaar voor kantoor, om hem heen hangt een wolk 1 Million van Paco Rabanne. Kim gaf hem het geurtje voor Vaderdag, de flacon heeft de vorm van een goudstaaf. “Misschien helpt het,” zei ze erbij, “komt dat miljoen vanzelf naar je toe.” Vooralsnog heeft de eau de toilette geen aanzuigende werking gehad. Integendeel. Ze zeggen dat geld niet stinkt. Nou, 1 Million wel, het is een penetrante, loodzware odeur. De eerste keer dat Maarten het ophad, dacht ik dat hij zich per ongeluk met antimuggenspray had besprenkeld, ik kreeg er hoofdpijn van. Misschien moet hij het iets meer doseren, dat zal ik hem toch eens zeggen, het is een geurtje, geen weekmiddel.
“Ze is pas bij het tweede pakje, pap,” zegt Kim snel. “Niks verklappen.”
“Ik bemoei me nergens mee. Jullie doen je best maar. Sterkte met je cadeau, schat, tot vanavond.” Hij wringt zich tussen de kinderen door om me een zoen te geven.
Op een of andere manier doet het tafereel me aan een sterfbed denken. Iedereen is vol leven, vol plannen en ik lig afwachtend in bed, in onwetendheid en onzekerheid. De dag strekt zich als een grillig pad voor me uit, zonder bewegwijzering, zonder zicht op een horizon.
“Gut wat enig, de O,” zeg ik slapjes nadat ik het tweede pakje heb geopend. “Nu heb ik de H en de O. Ho. Ho rijmt op vlo.”
“Er komt nog meer,” zegt Jesper. Hij geeft pakje nummer drie.
Het is de M van Maarten. Ik wil hem roepen, maar besef dat het geen zin heeft; hij stapt nu in zijn auto en rijdt naar kantoor. Hij heeft een doel: IT-problemen oplossen, de economie draaiende houden. Dat doet mijn man. Hij zorgt dat computers werken, zodat werknemers met computers kunnen werken zodat ze geld verdienen waarmee ze spullen kunnen kopen. Vaak kopen ze met het geld dat ze verdienen computerachtige apparaten. Als die verouderd raken, wat ze doorgaans binnen een jaar doen, willen ze weer nieuwe kopen. Moeten ze natuurlijk wel werken. Zonder werk geen centjes. Dus moeten hun computers op het werk het doen. Daarvoor hebben ze Maarten nodig. Computers zijn gevoelige apparaten, gevoeliger dan vrouwen, vindt mijn man, en dat wil wat zeggen. Hij heeft me al vaak uitgelegd dat hij de sterkste schakel is: Maarten de Graaf alias het vliegwiel van de economie. Niet iedereen beseft hoe belangrijk hij is, hij wordt onvoldoende gewaardeerd en de betaling houdt ook niet over. Dat hij desondanks dag in, dag uit, week in, week uit aan zijn plicht voldoet, siert hem. Maarten verzaakt niet, het vliegwiel kent zijn taak en zijn plek.
“Heb je hem al door?” vraagt Jesper.
“Ik heb geen flauw idee,” zeg ik naar waarheid. HOM. Wat moet ik met HOM in chocola? Ik breek een pootje van de H af, doop het in mijn koffie en steek het in mijn mond. Zoete troost.
“Wat had ik je gezegd?” roept Kim. “Ze heeft de eerste letters al op voordat ze de laatste heeft uitgepakt.”
“Ophouden met eten, je moet uitpakken,” maant Jesper. Hij trekt het pootje uit mijn hand. Ik slaak een verontwaardigde kreet.
Het laatste pakje gaat open. Weer een O. HOMO.
Ik neem nog een stukje van de H. De kinderen kunnen me wat. Homo sapiens. Dat is wat ik ben. Een homo sapiens van veertig. Niets meer en niets minder. Ik heb zin om te huilen.
“En?” vraagt Kim. “Wat vind je ervan?”
“Ik wist het al.”
“Wat?”
“Dat ik een mens ben, dat wist ik al, het is geen nieuws. Maar ik ben blij met de letters. Een zee van chocola. Krijg ik de sapiens ook? Nog zeven letters erbij. Kan ik weer even voort.” Mismoedig breek ik het derde pootje van de H af en begin erop te kauwen.
Nu is het Kim die de chocola uit mijn handen trekt. “Jezus mam, je lijkt wel dronken. Wat is er met je aan de hand? Snap je het niet? Je hebt een homo voor je verjaardag gekregen. Dat is het enige wat je nog niet hebt.”
Het voelt zo mistig in mijn hoofd, ik ben moe. Net veertig en nu al doodop. Het zal de spanning wel zijn. Straks krijg ik nog migraine ook. Kan die chocolade een handje bij helpen. Zul je altijd zien, zit ik vanavond kotsmisselijk op het etentje met Maarten, de kinderen, Mona, mijn ouders en de dames van de vogelopvang. Begint mijn moeder weer over de overgang, dat zij daar heel vroeg inschoot en dat het nu waarschijnlijk mijn beurt is.
Jesper is bij me op bed komen zitten. Hij aait me over mijn hoofd.
Ik neem een slok koffie, even tot mezelf komen.
“Sorry,” zeg ik. “Ik ben een beetje in de war. Leg het me nog een keer uit, wat moet ik precies met een homo?”
“Je moet niks,” zegt Jesper rustig. “Maar Kim en ik vonden dat je wel een oppepper kon gebruiken. Iets nieuws, iets anders. Op je werk ontmoet je niemand…”
Hij noemt mijn hulp aan de vogels werk. Dat vind ik lief. Hij is de enige. “Ik ontmoet heus wel mensen,” spreek ik hem tegen. “Laatst nog, die marinier van de Bijzondere Bijstand die die grutto kwam brengen. Hij was er slecht aan toe.”
“De marinier of de grutto?” grapt Kim.
“We konden hem niet redden, Kim, hij zat vol hagel. Het was heel naar.”
“Je had je beter om die marinier kunnen bekommeren dan om die kievit. Hij was in uniform, toch? Hou ik van.”
Soms denk ik dat mijn dochter in het ziekenhuis is verwisseld.
“Het was een grutto. En hoe denk je dat papa het had gevonden als ik had aangepapt met een marinier?”
Jesper pakt mijn waldkornbol. “Eet je deze nog op? Nee hè, te gezond zeker.”
Ga je gang, gebaar ik. Hij valt aan op de bol alsof hij in geen maanden heeft gegeten.
“Mam,” zegt Kim plechtig. “Je hebt een blind date met een homo. Wij denken dat je hem geweldig zult vinden. Ik heb hem al voor je uitgecheckt via Skype. Hij is niet zo’n homo homo, dus je loopt niet voor gek.”
Jesper knikt instemmend. Hij kan niet praten omdat hij een halve waldkornbol aan het vermalen is.
“Geen homo homo?” echo ik zwakjes.
“Geen leren-broek-open-kruis-pet-en-snor-homo, je weet wel wat ik bedoel. En zijn stem is ook niet zo hoog.”
Zonder enige gêne scheert Kim alle homo’s over een kam. Ik heb de puf niet om haar te corrigeren.
“Hij ziet er normaal uit, maar hij is zo gay als wat. Dat bedoel ik.”
“En waarom moet ik met hem uit?”
“Hij wordt je GBF.”
“Mijn wat?” Het klonk als djie bie ef. Ik begrijp haar niet.
“Je GBF ofwel gay best friend. Iedere vrouw heeft er eentje nodig, geloof me.”
“Jij hebt te veel Amerikaanse films gezien.”
Jesper neemt een slokje van mijn jus. Ik pak de eerste O en probeer hem te breken. Dat lukt niet, dus bijt ik er zo maar in.
Kim kijkt hoofdschuddend toe. “Daarom heb je hem ook nodig, om je te corrigeren. Papa doet het niet. Als je zo doorgaat, weeg je op je vijftigste honderd kilo. Je bent nu al te zwaar.”
“Hoezo? Ik ben 69 kilo.”
“Geloof je het zelf?”
Ik voel me betrapt. De laatste keer dat ik me woog, is drie jaar geleden, na een zware buikgriep van tweeënhalve week. Op het dieptepunt daarvan woog ik 69 kilo. Nou ja, 69 en een halve kilo, om precies te zijn. Ik vond het zo’n mooi gewicht dat ik de weegschaal daarna bij het grofvuil heb gezet, en mezelf op een jurkje van Karen Millen heb getrakteerd, waar ik met enige moeite inpaste.
“Wat me op je volgende cadeau brengt,” gaat Kim verder. Ze trekt iets onder het bed vandaan. Wanneer heeft ze dat daar neergelegd?
Jesper heeft zijn Nintendo gepakt en is een spel begonnen. “Dit was niet mijn idee,” zeg hij zonder op te kijken. Ze heeft niet de moeite genomen om hem in te pakken.
“Kom je bed uit, mam, en ga erop staan.”
“Echt niet! Ik heb net gegeten.”
“Alsof dat wat uitmaakt,” schampert Kim.
“Je denkt toch niet dat ik me hier voor jullie ogen ga wegen? Geen sprake van.”
“Je bent veertig, dit is het moment van de waarheid. Je moet de feiten van je leven onder ogen zien.”
“Je bent niet goed snik.”
“We trekken er een kilo af voor je ontbijt en je nachtpon,” belooft ze.
Ik leg het dienblad opzij. Ergens ben ik wel nieuwsgierig. Volgens mij valt het namelijk wel mee. 71, 72 Kilo, zoiets zal het zijn.
De weegschaal is digitaal. Kim tikt hem aan met haar voet, het scherm komt tot leven. “Nu moet je erop gaan staan.”
Ik doe wat ze zegt. Op het schermpje vliegt een reeks streepjes voorbij, alsof de schaal diep nadenkt. Dan komt hij met het antwoord. 81,8 kilo.
Oh. Mijn. God.
“Minus een kilo ontbijt…ahum…” zegt Kim met de nadruk op ahum, “maakt dat 80,8 kilo.”
Ze pakt haar mobiel en begint er driftig op te tikken. Ze heeft net haar nagels laten doen. Ze zijn lang, puntig en donkerpaars. Er zitten witte bloemetjes op, waarschijnlijk om de pinnigheid ervan te verzachten, al helpt dat niet erg.
“Je hebt een BMI-index van 28,3. Je valt in de classificatie overgewicht. Dat betekent dat je officieel te zwaar bent en een verhoogd risico hebt op hart- en vaatziekten en een verhoogd cholesterolgehalte.”
Verslagen laat ik me terug op bed zakken.
“De BMI-app liegt niet,” zegt mijn dochter.
Er prikt iets achter mijn ogen. Het wordt me te veel, deze verjaardag. Ik probeer mijn tranen tegen te houden door een paar keer kort en snel via mijn neus in te snuiven. Het helpt amper. It’s my party, I can cry if l want to.
Jesper kijkt even op van zijn Nintendo. Zodra ik zijn bezorgde blik zie, breken de dijken door. Kim slaat haar arm onhandig om mijn schokkende schouders en kijkt haar broer vragend aan.
“Even dit opslaan,” mompelt hij. Hij bewaart zijn spel, loopt dan naar de badkamer en komt terug met een sliert wc-papier. “Ik zei je toch dat het geen goed idee was?” zegt hij tegen Kim.
Hij overhandigt me de sliert, die ik dankbaar aanvaard. Ik snuit mijn neus. Het getrompetter breekt de spanning. Jesper imiteert het geluid, Kim begint te proesten. Het is me nog nooit gelukt mijn neus te snuiten zonder de geluidsbarrière te doorbreken.
“Kijk, ze kan weer lachen.” Jesper klinkt opgelucht.
“Moeten jullie onderhand niet naar school?” vraag ik als ik uitgesnoten ben.
“We kunnen wel een keertje te laat komen,” vindt Kim. Dat vindt ze elke dag en daar handelt ze ook naar.
Ik ga weer liggen, trek het dekbed over me heen en kauw verder op de half afgekloven O. Mijn kroost voelt haarfijn aan dat dit niet het moment is om protest aan te tekenen.
“Nog even over jullie cadeau,” zeg ik met volle mond. “Je vader vond het maar raar en gelijk heeft hij. Ik hoef geen homo.”
“Hij is hartstikke aardig mam, echt,” probeert de gulle geefster.
Ik bedenk me dat dit de goedkoopste verrassing is die ik ooit van mijn kinderen heb gehad. Vier chocoladeletters van 2,50 per stuk, dat is vijf euro per kind.
Jesper is naast me op bed gaan liggen.
“Leg jij het even uit, naar jou luistert ze tenminste.” Kim zit alweer op haar mobiel. Ze is meer gehecht aan dat apparaat dan aan wie of wat dan ook.
“Als je mijn gewicht twittert, leen jij nooit meer iets uit mijn schoenenkast, Kim.” Zou ik mijn pumps überhaupt nog passen als ik binnenkort honderd kilo weeg? Met mijn laarzen heb ik nu soms al een probleem, die willen niet altijd over mijn kuiten.
“Relax, vrouw. Ik whatsapp Mandy dat ik te laat ben.” Jesper draait zich op zijn zij om me te kunnen aankijken.
“Jouw nieuwe beste homovriend heet Mitchell. Hij is 34 jaar en heeft een online reisbureau. Hij is gespecialiseerd in droomreizen.”
Droomreizen met de d van dolfijnen. Misschien kan hij een korting voor me ritselen, zou hij toch nog van pas komen.
“Mitchell runt zijn reisbureau alleen, vanuit huis. Hij heeft een moeilijke tijd achter de rug. Zijn vriend heeft hem verlaten, hij is eenzaam. Eigenlijk zoekt hij een maatje.”
“Wil hij niet liever een man als maatje?”
“Natuurlijk. Maar zijn probleem is dat hij snel verliefd wordt en dan meer wil.”
Ik knik begrijpend, hoewel ik er niet veel van snap. Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst verliefd was. Dat moet veertien jaar geleden zijn, na de geboorte van Kim. Ik wist niet dat het een meisje zou worden, had mezelf en Maarten geestelijk voorbereid op nog een jongen. Ik zou hem Jelle noemen en vast veel van hem houden, net zo veel als van Jesper, ook al leek me dat ergens wel een opgave, want de lading liefde die ik voor hem in huis had, had me overrompeld. Mona, die zelf geen kinderen heeft, vroeg me een keer wat ik zou doen als ik moest kiezen tussen Jesper en chocolade. Ik hoefde er geen seconde over na te denken, kun je nagaan.
Hoeveel kinderen passen er in een vrouwenhart? Je weet het niet als nummer twee zich aandient. De ontsluitingsweeën deden belachelijk zeer, geen verrassing, dat deden ze bij Jesper ook. Het persen ging vlotter en sneller, het pad was immers al gebaand. Het venijn zat hem in de staart. Kim had haar handjes tegen haar wangen gedrukt en hield die daar toen ze, voortgestuwd door een lange laatste perswee, uit het geboortekanaal werd bevrijd. Ik scheurde links en rechts uit, de verloskundige leek teleurgesteld en verzuchtte: “Jammer, we gingen net zo lekker.” Ik lag op het punt te zeggen dat het woord ‘we’ de werkelijkheid in dit geval enigszins geweld aandeed, maar ach, ze zat in haar rol, ze geloofde dat we samen een klus aan het klaren waren. Als dat haar een goed gevoel gaf, wie was ik om haar zonnige zienswijze te verknallen?
Maarten zag het als eerste. “Het is een meisje!” riep hij uit. “Toch?”
De verloskundige trok de beentjes van de baby uit elkaar – ook een manier om iemand welkom te heten op de wereld – en bevestigde zijn vermoeden.
“Ja hoor, een meid,” zei ze. Ik houd niet van het woord meid. Het rijmt op geit. Nooit op tijd. Het heeft iets oneerbiedigs.
Maarten en ik keken elkaar aan.
“Een meisje,” fluisterde ik. “Jesper heeft een zusje.” Ze werd op mijn borst gelegd. Ze had geen haar, haar ogen zaten stijf dicht, haar gezicht kon wel een strijkbout gebruiken, maar dat alles viel in het niets bij de warme gloed die zich als een razende over mijn borstkas verspreidde. Ik had een dochter. Een meisje. Ze zou een vrouw worden en op haar beurt ook weer kinderen baren. Ze huilde, alsof ze nu al begreep dat haar leven mooi maar ook pijnlijk zou zijn. Ik huilde van puur geluk met haar mee.
♦
“Weet je wat het leukste is?” zegt Kim. “Op jou zal hij niet verliefd worden. Je bent een vrouw met overgewicht, hij is homo. Jullie kunnen weinig schade bij elkaar aanrichten.” Kim kan mensen op een onnavolgbaar vernietigende wijze troosten.
“Waarom denken jullie dat ik iemand nodig heb? Ik heb Mona al.”
“Je bent toch dol op homo’s? Je hebt het altijd over Paul de Leeuw. Kun je eindelijk je eigen homo krijgen en dan wil je hem niet.”
De H was op en van de O was niet veel meer over. Ik voel me eerder misselijk dan bevredigd. Mona heeft nog niet gebeld, ook geen SMS gestuurd. De laatste keer dat we elkaar spraken, had ze het voortdurend over ene Denise, die ze in Mexico had ontmoet. Denise woont in Eindhoven en houdt van extravagante feesten. Mona heeft alleen twee katten, ze zit al jaren in de WAO. Ze kan zich zonder problemen in het nachtleven storten, niemand die zich daaraan stoort. Haar katten klagen niet. Ze pissen weleens op de bank, maar daar blijft het bij.
“Waar hebben jullie hem gevonden?” Ik ben wel nieuwsgierig hoe mijn kinderen het voor elkaar hebben gekregen, want waar tik je een 34-jarige nicht op de kop? Marktplaats misschien?
Jesper en Kim overleggen zonder woorden, denkend dat dat mij ontgaat. Kan ze het aan, zeggen hun blikken. Kim neemt het voortouw.
“Je moet er niets raars van denken, mam, maar we hebben hem via een app gevonden.”
“Een app?”
“Een app voor mobiele telefoons. Grindr heet-ie, het is een homo-spotter, zeg maar.”
“Een homo-spotter? Dat meen je niet, wat vreselijk,” zeg ik verontwaardigd. “Is het een islamitische app? Zodat moslims een straatje om kunnen als er een homo in de buurt is? Dat zou toch niet moeten mogen. Heeft Wilders er al wat tegen gedaan, heeft hij een motie ingediend?”
Kim begint keihard te lachen.
“Dit móet Mandy horen.” En hup, daar gaat ze weer.
“Kun je je telefoon alsjeblieft even wegleggen? Ik ben jarig.”
Jesper schudt zijn hoofd. “Mam, die app is juist bedoeld voor homo’s. Zodat ze elkaar kunnen vinden.”
Ik kijk hem niet-begrijpend aan.
“Homo’s die op zoek zijn naar een maatje, een seksmaatje. Die maken een profiel aan bij Grindr, gaan online en kunnen dan de dichtstbijzijnde homo in de buurt vinden. Als de wederzijdse gegevens bevallen, kunnen ze elkaar direct ontmoeten.”
“Gegevens, wat voor gegevens?”
“Gewoon, gegevens: lengte, gewicht, haarkleur, nationaliteit, bottom, top, dat soort dingen. En een foto natuurlijk.”
Jesper vertelt het geroutineerd, alsof hij kind aan huis is bij Grindr. Mijn apengatje. Het woord krijgt spontaan een andere connotatie. Hoe groot is de stap van apengatje naar bruinwerker? Ik wilde net aan de tweede O beginnen, maar heb ineens geen trek meer.
“Hoe weet jij dit allemaal?” vraag ik. Het komt er scherper uit dan ik dacht. Terwijl ik alle homo’s een warm hart toedraag, eerlijk waar. Paul de Leeuw lijkt me in het echt hartstikke aardig, net als Carlo Boszhard en André van Duin. Gerard Joling en Gordon komen soms wat vals uit de hoek, maar zijn altijd lief voor hun moeder, zeker als die overlijdt, zoals bij Gordon. Hij was ontroostbaar, nog steeds denkt hij elke dag aan haar. Dat doen niet alle zonen, elke dag aan hun dode moeder denken. Maarten had een homocollega die heel ver ging. Toen zijn moeder het loodje had gelegd door een verwaarloosde griep, kocht hij alle rode rozen uit het dorp op en legde die hoogstpersoonlijk langs de weg van zijn ouderlijk huis naar haar laatste rustplaats. Hij bestelde een koets met vier witte paarden en van die pluimen op hun hoofd. Zijn vader en broers weigerden mee te betalen, die vonden het zonde van het geld. De homozoon nam een extra hypotheek op zijn huis, zo diep zat die moeder bij hem. Volgens Maarten raakte hij later aan de drank en van lieverlee aan lager wal.
Ik breek toch maar een stukje van de M af. Chocolade is niet alleen troost, het helpt ook bij paniekaanvallen.
“Jullie hoeven trouwens geen koets met paarden te regelen voor mijn begrafenis,” zeg ik tegen de kinderen. “Dat zou je vader niet trekken, als hij dan nog leeft. Cremeer me maar. In stilte.”
Kim hoort me niet, ze is verdiept in haar chat met Mandy.
“Je bent pas veertig, je gaat nog lang niet dood.” Jesper staat op van het bed. “We moeten nu echt naar school, mam.”
Hij mag niet weg, ik moet hem nog iets vragen, iets dringends. O ja. “Hoe komt het dat jij ineens zo veel weet over homo’s?”
“Gewoon, door jongens op school. Sommigen verdienen zo wat bij.”
“Wat?” Mijn maag draait zich om.
“Die lokken oude homo’s met Grindr. Van die desperate gevallen die slecht in de markt liggen. Als ze een paar van die mannen in het park een handje helpen, kunnen ze daarna nieuwe Beats kopen.”
Ik schuif het dienblad opzij, ren naar de badkamer en laat me op mijn knieën voor de wc zakken. De zalmroze pot kleurt bruin. De letters zijn niet meer als zodanig herkenbaar, er drijft een blubberige, enigszins schuimende massa in de pot. Ik kokhals weer en loos de volgende lading.
“Goed zo, mam,” roept Kim vanuit de slaapkamer. “Als je zo doorgaat, hoef je geen gras te maaien vandaag.”
Ik wil roepen dat het december is, dat niemand gras maait in december. Mijn kinderen zijn zo ver verwijderd van de natuur, ik heb steken laten vallen.
Jesper is me naar de badkamer gevolgd en aait me over mijn rug. “Ik zei een handje helpen, geen mondje. Dat doet bijna niemand. Nou ja, Hassan heeft het een keer gedaan. Hij zou ons voor zijn verjaardag mee naar de film nemen, maar had geen geld. I took one for the team, zei hij. Hassan is een grappige gast, je zou hem aardig vinden.”
Weer braak ik, ik blijf maar braken. Flarden van de croissant vinden hun weg terug naar de buitenwereld. Het verbaast me, zouden mijn maagsappen niet meer werken? Die croissant moet toch allang verteerd zijn? “Wat zijn biets? Zijn dat schoenen?”
“Koptelefoons. Beats by Dr. Dre, die ken je toch wel? Met zo’n rode b op de zijkant. Hassan heeft wel drie paar.”
“En jij?” weet ik eruit te persen. “Ben jij ook aan het sparen voor dokter Beats?”
“Dr. Dre. Ik doe dat niet, wat denk je nou? Dat zou Laura ook niet leuk vinden.”
“Laura?” Ik leun met mijn ene arm zwaar op de pot, met de andere veeg ik een natte pluk haar opzij. Mijn vingers ruiken naar overgeefsel en chocola.
Jesper durft me niet aan te kijken.
“Heb je verkering?”
Hij knikt.
“Een meisje?”
“Wist je dat nog niet? Onze dwerg heeft een reuzin gescoord.” Kim voegt zich bij ons. “Gatverdegatver mam, maak je de wc wel schoon straks?”
“Hou je bek over Laura,” zegt Jesper boos. “Je bent gewoon jaloers omdat niemand verkering met jou wil. Weet je hoe de jongens uit mijn klas jou noemen? Stekkerdoos. Stekkerdoos met kortsluiting. Niemand durft hem erin te pluggen.”
Kim begint op Jesper in te beuken. Hij biedt schreeuwend verzet.
Ik kom moeizaam overeind. “Gaan jullie nou maar naar school. Bedankt voor het ontbijt. En voor de homo. Ik zal erover nadenken.”
“Hij heet Mitchell,” zegt Kim, terwijl ze de arm van haar broer uit de kom probeert te draaien. “Zondag hebben jullie een lunchafspraak in Amsterdam. Om twaalf uur.”
Jesper weet zich los te rukken, wil me op mijn wang kussen, maar deinst terug, waarschijnlijk vanwege het chocoladebraaksel. Hij zwaait en dendert met sprongen de trap af, een groot deel van de treden overslaand. Levensgevaarlijk, hij breekt zijn nek nog eens.
“Hoorde je wat ik net zei? Ik wil er een nachtje over slapen.”
“Morgen gaan we winkelen,” gaat Kim onverstoorbaar door. “Je moet een goede eerste indruk maken. Homo’s zijn erg op uiterlijk.”
Protesteren heeft geen zin. Kim trekt een grimas en rent haar broer achterna.
Ik haal een washandje over mijn gezicht, spoel mijn mond en kruip terug in bed waar ik de restanten aantref van het ontbijt: een stuk M, een brok O en een leeg doosje van een diamanten ring van nul komma drieëntwintig karaat.
Mijn mobiel piept. De eerste SMS op mijn verjaardag, wie o wie? Vast Mona. Snel pak ik mijn mobiel van mijn nachtkastje. Foute gok. Er komt een dagaanbieding door. Maarten heeft me daarvoor onlangs opgegeven. Volgens hem zijn de deals heel aantrekkelijk en moet ik ze goed in de gaten houden. Vandaag is de Varta Batterijbox afgeprijsd van 61,05 naar 21,95. De box wordt geleverd met 29 batterijen van verschillende formaten en een batterijmeter. Hij kan makkelijk worden opgeborgen.
Gelukkig maar. Wat heb je aan een box met 29 batterijen die je nergens kwijt kunt, tenzij je bereid bent een extra kamer aan je huis te bouwen? Weet je wat? Ik doe hem mezelf cadeau, de batterijbox. Waarom niet? Batterijen heb je nooit genoeg. Ik ben veertig. Mijn zoon heeft verkering, ik raak hem kwijt. Zijn vriendjes verlenen hand- en spandiensten aan overjarige homo’s omdat dat stukken beter verdient dan vakken vullen of een krantenwijk. Een wantoestand die ik waarschijnlijk ergens aanhangig moet maken, maar ik weet niet waar. Als ik het Maarten vertel, wil hij meteen emigreren. Ik knabbel nog wat aan de O. Hopelijk dommel ik zo in slaap en vliegt mijn verjaardag voorbij.