8

“Wat zeg me nou?” brulde Jade opgewonden. “Heeft Floris je ten huwelijk gevraagd?”

Ze waren in Jades auto op weg naar tante Frieda en Amber had haar zus net het hele verhaal over Floris verteld. Nou ja, nog niet het hele verhaal. Amanda had ze voor het gemak nog maar even weggelaten.

“Je gaat het toch wel doen, hè?” praatte Jade door. “Jij en Floris passen hartstikke goed bij elkaar.” Ze remde af en parkeerde de auto plompverloren tegen de stoeprand. “Ik kan niet rijden en praten tegelijk,” verklaarde ze ongevraagd. “Nou, vertel op, je hebt toch wel ja tegen hem gezegd?”

Amber haalde haar schouders op. “Nee, eh…”

“Nee? Amber! Heb je hem afgewezen?” Jade keek Amber scherp aan. “Oh nee, natuurlijk niet. Je weet het nog niet en ik moet je overtuigen. Nou, bij dezen dan maar. Ga maar zo gauw mogelijk met Floris trouwen, dan heb je ook weer meer kans dat Noortje en Reinier bij je terugkomen.”

Bij die mogelijkheid had Amber nog totaal niet stilgestaan.

“Maar als ik nou met Tom zou trouwen, dan geldt dat toch ook?”

“Welnee!” brulde Jade. “Tom heeft een strafblad. Dat ziet de rechter echt niet als een gezond gezin voor opgroeiende pubers. Nee, je gaat voor Floris en dan komt het allemaal weer goed.”

“Maar weet je, Jade… Floris zijn ex is zwanger.”

“Ja, én?”

“Van Floris.”

“Heeft Floris dan nog wat met die ex?” Jade tikte tegen haar voorhoofd. “Stomme vraag natuurlijk. Als ze zwanger van hem is… Shit zeg, dat is wel even een complicatie.”

“Dat vind ik nou ook,” bekende Amber. “Ik ben vroeger heel erg verliefd op Floris geweest. Als Vincent toen niet opeens teruggekomen was, had het best wat tussen ons kunnen worden. Maar nou weet ik het écht niet.”

“Een hele verrassing,” bromde Jade cynisch.

“Wat is een verrassing?”

“Dat jij het niet weet. Wat weet je eigenlijk ooit wél?”

“Nou ja, ik denk…”

Jade schudde haar hoofd. “Nou nee, zul je bedoelen. Je bent zo ontzettend besluiteloos, Amber. Het is gewoon irritant.”

“Alsof jij zo flitsend bent. Jij liep je weken zorgen te maken over je nieren omdat je niet naar de dokter durfde.”

“Ho, ho,” zei Jade. “Ik had het BESLUIT genomen om niet meer te gaan. Dat is heel wat anders.”

“En ik heb het besluit genomen dat ik er nog even over na wil denken,” reageerde Amber gevat. “Dus dat komt op hetzelfde neer.”

Jade keek Amber even hoofdschuddend aan en draaide haar ogen daarna naar de voorruit. “Sorry Amber, met dit gekissebis komen we ook niet verder. Het is jouw leven en… Hé! Kijk nou! Daar fietst Noortje.”

Zonder te kijken, gooide Jade het autoportier wijd open. Een tel later voelden ze een enorme bonk, die werd gevolgd door een gesmoorde schreeuw en een doffe klap.

“Oh nee!” riep Jade ontzet. “Er is iemand tegen het portier gereden.” Ze was met één sprong de auto uit en rende naar de stille figuur die een eindje verderop naast een verkreukelde fiets lag.

Ook Amber maakte dat ze uit de auto kwam en spurtte op het slachtoffer af. “Maar dat is Jonassen!” Amber sloeg haar hand verschrikt voor haar mond. “Of Felix natuurlijk, maar in elk geval is het één van die ellendige beveiligers van Vincent.” Haar ogen flitsten over de weg en zo’n vijftig meter verder zag ze bij de hoek opeens Noortje staan.

“Noortje!” riep ze. “Noortje!” Ze racete – zo goed en zo kwaad als dat op haar torenhoge hakken ging – naar Noortje toe, maar die wachtte de komst van haar aanstormende moeder niet af. Ze sprong op haar fiets en sjeesde de zijstraat in.

Toen Amber eindelijk bij de hoek kwam, was Noortje al in geen velden of wegen meer te bekennen. De tranen sprongen haar in de ogen en er kwam een ontzettend leeg gevoel in haar borst. “Oh Noortje,” prevelde ze. “Beteken ik dan helemaal niks meer voor je?” Heftig snuffend draaide ze zich om en strompelde terug, met ogen die wazig waren van de tranen.

Maar ze had amper tien meter afgelegd toen er met piepende remmen een auto naast haar stopte en ze hoorde Jade roepen: “Stap maar gauw in, hij is nogal kwaad.”

Amber veegde met beide handen over haar ogen waardoor ze weer een helder beeld van de omgeving kreeg. Jonassen zat rechtop verdwaasd over zijn hoofd te wrijven, maar Felix kwam als een dolle stier op hen afrazen.

Amber kreeg opeens haast. Ze schoot de auto in en terwijl ze het portier in ijltempo dichtsmeet, trapte Jade het gaspedaal tot op de bodem in. Met brullende motor schoot de wagen weg en Amber kwakte onzacht tegen de stoelleuning.

Een tel later nam Jade de bocht alsof ze aan de rally van Monte Carlo meedeed en Amber bonkte tegen het portier aan. “Als ik jou was, deed ik mijn gordel om,” adviseerde Jade luchtig.

“Als ik jou was, hield ik op met racen,” pareerde Amber. “Het is hier dertig.”

Jade wierp een blik in de achteruitkijkspiegel en nam gas terug.

“We zijn ze wel kwijt. Welke kant ging Noortje op?”

“Geen idee, ik zag haar nergens meer.” Amber haalde luidruchtig haar neus op. “Sorry, dat klinkt niet fris.”

Jade wees met een priemend vingertje naar het dashboardkastje.

“Daar liggen zakdoekjes.”

“Bedankt.” Amber pakte een zakdoekje en snoot uitvoerig haar neus. “Ik moet ook steeds maar huilen,” bromde ze schor.

“Dat is heel logisch, Amber. Dat zou iedereen doen in jouw geval.”

“Ik wil naar huis.”

“Ja, en dan stapje in je bed en je trekt de dekens helemaal over je hoofd en dan ga je liggen janken tot je ogen je hoofd uit rollen.”

“Zoiets, ja,” knikte Amber.

“Maar daar wordt het echt niet anders van, zusje van me. Dus wat schiet je daar nou mee op?”

“Weet ik veel. Ik moet gewoon huilen. Noortje…” Amber barstte opnieuw in snikken uit.

Jade remde af, parkeerde de auto aan de kant van de straat en sloeg haar arm om Amber heen. “Je moet niet huilen, want daar ga je aan stuk. Je moet vechten. We winnen het wel.”

“Noortje fietste toch zo snel mogelijk van me weg?” snotterde Amber. “Ze houdt niet meer van me.”

“Tuurlijk houdt Noortje van je. Heel erg veel, dat weet ik zeker.”

“Maar waarom sjeest ze dan weg als ik haar roep?” bitste Amber fel. “Leg dat eens uit!”

“Misschien wilde ze die twee maffe beveiligers wel kwijt? Ik bedoel, wij zien Noortje fietsen en een paar tellen later komen die lummels langs gespurt.”

Amber keek haar zus aan. “Noortje mag helemaal niet alleen fietsen. Straks krijgt ze midden op straat een aanval.”

“Nou, misschien heeft Vincent ze daarom ingehuurd. Om daar op te letten.” Jade streelde Amber over haar hoofd. “Kom op, Amber. Het komt allemaal goed.”

“Jij hebt makkelijk praten, maar ik geloof er niks van.”

“Weet je wat wij doen? Wij gaan eerst een bakje koffie halen, dan kun jij weer even tot rust komen en je make-up restaureren. En dan rijden we door naar tante Frieda.”

“Ik wil naar huis.”

“En daar blijf je dan de rest van je leven zitten kniezen, zeker? Geen sprake van! Onze opa wacht op ons.”

“Maar ik…”

“Geen gezanik, Amber. Afspraak is afspraak.” Jade liet haar zusje los en startte de auto.

Tante Frieda stond al op de stoep van het kleine rijtjeshuis naar hen uit te kijken. Ze liep met uitgestoken handen op de auto af.

“Wat heerlijk dat jullie er zijn,” riep ze stralend. “Ik was zo bang dat jullie je op het laatste moment toch nog bedacht hadden.”

“Er was een fietser gevallen,” legde Jade uit. “Dat hield even op.”

“Och heden. Was hij erg gewond?”

“Nee, gelukkig niet. Volgens mij was alleen zijn ego zwaar beschadigd,” antwoordde Jade, maar daar snapte tante Frieda natuurlijk niks van. “We hebben wat voor u meegebracht.” Jade dook de auto weer in en kwam tevoorschijn met een langwerpig pakje dat in aluminiumfolie was gewikkeld.

Tante Frieda nam het aan en begon nog meer te stralen dan ze al deed. “Oh, ik ruik het al. Je hebt zo’n heerlijke cake voor me gebakken.” Ze stapte op Jade af en voor die het kon voorkomen, had ze een hartelijke knuffel te pakken. Daarna draaide Frieda zich naar Amber om en knuffelde haar ook. “Echt lief van jullie. Ik vind het zo fijn dat jullie er zijn. Kom maar gauw mee, ik heb de koffie bruin.”

Amber liep achter tante Frieda en Jade aan naar de voordeur en kwam in een haveloze smalle gang terecht, waar het erg naar gekookte snijbonen, koffie en boenwas rook.

“Doe de deur maar achter jullie dicht, hoor.” Al pratend gooide Frieda aan het eind van het gangetje een verveloze houten deur open. “Va, de meisjes zijn er.”

Er klonk een dof gemompel uit de kamer en terwijl Jade met kwieke passen naar binnen stapte, bleef Amber aarzelend op de drempel staan. Ze voelde zich raar. Over een paar seconden zou ze voor de allereerste keer in haar leven haar opa ontmoeten. De vader van haar gestorven vader.

Zou hij op pap lijken?

Gek eigenlijk, sinds Michel geboren was, had ze veel aan pap moeten denken. Maar als ze heel eerlijk was, wist ze niet meer goed hoe pap er had uitgezien. Ze was zo klein geweest toen hij onder die trein reed. Eigenlijk herinnerde ze zich alleen de tranen van de huilende mensen nog, maar de gezichten was ze kwijt.

“Dag opa,” hoorde ze Jade opgewekt zeggen. “Wat geweldig leuk om u te ontmoeten. Hoe gaat het?”

Amber haalde diep adem om wat moed te verzamelen, maar door de vieze lucht in het gangetje werd ze daar eigenlijk een beetje misselijk van.

“Amber, waar blijf je nou?” klonk het in de kamer.

Amber trok dapper haar schouders naar achteren, stapte over de drempel en keek om zich heen. Ze was in een ouderwetse ruimte die uit twee delen bestond. Een voorkamer en een achterkamer met glazen schuifdeuren ertussen, die nu opengeschoven waren.

Achterin zag ze een tafel die bedekt werd door een vale Perzische loper, met vier ongemakkelijk rechte stoelen eromheen. Tegen de muur stond een dressoir met daarop een dienblad met kopjes en een volle koffiepot.

De voorkamer was al net zo ouderwets ingericht met een ouderwets beige bankstel dat duidelijk zijn beste tijd gehad had, een lage salontafel en een grote leunstoel die met een versleten rood fluweel was bekleed. Alles in de kamer ademde de sfeer van oud en versleten. Het was hier armoe troef, dat was wel duidelijk.

In het hoekje zat een stokoude man in een rolstoel. Hij had een geblokt dekentje over zijn benen. Uit zijn linkerarm kwam een slangetje dat op een druppelend infuus was aangesloten. Zijn gezicht had nog het meeste weg van een geel verrimpeld appeltje en Amber zag hem met een broedende blik in zijn ogen naar Jade staren. Hij leek niet erg blij om haar te zien, maar misschien was dat verbeelding?

Amber toverde een vriendelijk lachje op haar gezicht, liep naar de man toe en stak haar hand uit. “Dag opa, ik ben Amber.”

Het vergeelde appelgezicht draaide zich krakerig naar haar toe, maar haar uitgestoken hand werd compleet genegeerd. Of zou haar grootvader het niet meer goed kunnen zien?

Alsof hij wist wat Amber dacht, keek de oude baas haar opeens indringend aan. Amber kreeg een schok. Hij had net zulke grijze ogen als zij.

Maar veel vreugde brandde er niet in die blik.

Haat…

Lag er pure haat in die ogen?

Of stond ze zich hier weer iets in te beelden?

“Ga lekker zitten, meisjes,” zei tante Frieda hartelijk. “Onze va is een man van weinig woorden. Hij hoort ook niet meer zo best, maar hij vindt het heerlijk dat jullie er zijn.” Ze wees met uitbundige gebaren naar de doorgezakte bank. “Ga nou lekker zitten. Ik schenk koffie in. Willen jullie suiker en melk?” Zonder op antwoord te wachten, rende ze bedrijvig naar het dressoir en greep de koffiepot beet.

“Zwart graag,” zeiden Amber en Jade tegelijk. “Zonder suiker.”

“En dan doe ik er een lekker plakje cake bij,” kondigde Frieda aan. “Ze hebben zelfgebakken cake meegebracht, va. Dat vind je toch altijd zo lekker?”

Maar opa zei niks terug, die zat met samengeknepen ogen naar Amber en Jade te loeren.

Het werd ongemakkelijk stil in de kleine kamer. Je hoorde alleen het zachte tikken van een ouderwetse staartklok en het druppelende geluid van het infuus.

Tante Frieda merkte het blijkbaar ook, want ze begon overdreven met de kopjes en schoteltjes te rinkelen. “Zo, kijk eens meisjes, daar heb ik de koffie.” Ze zette de kopjes neer en dribbelde terug.

“En de cake. Haal ik nog even een beker thee voor va. Die heeft speciale thee, voor zijn zieke nieren.” Ze draafde de kamer uit, maar liet de deur wijd open staan.

“Zo opa,” zei Jade zo hard mogelijk. “Wat ontzettend leuk om u te ontmoeten.”

Opa’s mond vertrok, maar geluid kwam er niet uit.

“We vinden het zo leuk om u te ontmoeten,” riep Jade nog wat harder. “Het werd best wel tijd, vindt u ook niet?”

Amber gaf haar zus een waarschuwend porretje.

“Oh oké,” fluisterde Jade. “Wat een ouwe knorrepot, zeg. Volgens mij vindt hij er niks aan dat we er zijn.”

Opa snoof luidruchtig. “Ik hoor je heus wel, jongedame.”

Bij Jade gingen alle stekels de lucht in. “Oh, is dat zo?” vroeg ze.

“Waarom geeft u dan geen antwoord?”

“Ik praat niet met verraders,” snauwde opa.

“Va bedoelt het niet zo, hoor,” riep Frieda paniekerig vanaf de drempel. “Hij is af en toe wat in de war. Door zijn kapotte nieren, hè. Het bloed is niet meer schoon en zo. Hij moet morgen weer…”

“Ik ben helemaal niet in de war,” viel opa haar luid en duidelijk in de rede, en hij keek vol haat naar zijn dochter. “Ik wil die NSB’ers niet in mijn huis, al heb je nog zoveel geld nodig! Dat heb ik jou vaak genoeg gezegd.”

Frieda werd knalrood en rende op haar vader af. “Maar we moeten allemaal in vrede leven, va. Dat zegt dominee ook.”

“Ik was blij dat die NSB-slet dood was!” brulde opa. “Ik ben nog steeds blij!”

Amber schoof ongemakkelijk over de ruwe stof van de bank heen en weer. Opa was blij dat die…

Maar…

Hij bedoelde toch niet…

Opa keek Amber en Jade nu recht aan. “Ik heb de vlag uitgestoken toen jullie moeder doodgereden was. Dat heb ik jullie vader duidelijk gezegd. De Nederlandse driekleur!” Er kwam een vals lichtje in zijn grijze ogen. “En toen is die sukkel zo kwaad geworden dat hij die trein niet zag.” Hij barstte in een krakerig gelach uit. “Ha, ha, zo had die verrader eindelijk zijn trekken thuis. Had hij maar niet met die NSB’er moeten trouwen!”

Jade stootte Amber aan en stond op. “Dat is helemaal duidelijk, opa Geen zorgen, hoor. We zullen u niet meer lastigvallen.”

“Maar meisjes toch,” riep tante Frieda. “Va bedoelt het niet zo.”

“Zwijg Frieda!” brulde de oude man en daarna keek hij weer naar Jade. “Ik hoef me door zo’n verraadster geen opa te laten noemen!”

“En wij hoeven ons door de moordenaar van onze vader niet te laten uitschelden,” zei Jade op haar professionele stewardessentoontje en ze trok Amber mee naar de deur.

“Moordenaar?” brulde opa overspannen. “Hoe durf je mij te beschuldigen!”

“Laten we het nou gezellig houden,” smeekte Frieda intussen.

“Iemand nog een plakje cake?”

“Als ik u was, ging ik eens met uw vader naar een psychiater, tante,” zei Jade rustig. “Hij spoort echt niet.”

“Maar dat komt van zijn nieren! Begrijp dat nou toch. Hij is in de war.”

“Hoe durf je te zeggen dat ik in de war ben!” brulde opa. “Er mankeert mij niks.”

Jade trok Amber mee de gang in. “Kom zus, we gaan naar huis.”

“Maar alsjeblieft, meisjes! Begrijp het dan toch!” riep Frieda smekend. Ze schoot langs Amber en Jade heen en ging breeduit voor de voordeur staan.

“Oranje Boven!” hoorden ze opa in de kamer brullen.

Jade bleef staan en trok haar wenkbrauwen op. “Wij begrijpen het maar al te goed, tante. U wilt geld van ons. Daar was uw vader heel duidelijk over.”

“Maar het water staat me tot de lippen! Va heeft vierentwintig uur per dag verzorging nodig! Dat kan ik niet opbrengen.”

“Dat is ons probleem toch niet?” zei Jade schamper. “U hebt ons in het verleden ook aan ons lot overgelaten.”

Tante Frieda barstte in tranen uit. “Maar begrijp het dan toch, alsjeblieft. Va is al jaren zo en ons moeder zorgde voor hem. Maar nu is ze dood en ik… ik kan het niet aan! Ik ga eraan kapot!”

“Oranje Boven!”

Jade sloeg haar armen over elkaar. “Daar hebben we in Nederland nou verpleeghuizen voor, tante. Daar kan hij zo terecht. En dan steken ze op Koninginnedag vast de vlag wel uit. Kan hij daar fijn van de Nederlandse driekleur genieten.”

“Maar ik kan va toch niet zijn huis uitslepen? Dat wil hij niet! En je weet toch zelf ook hoe dat daar gaat? Ze mogen één keer per maand douchen en de rest van de tijd liggen ze in hun eigen poep weg te rotten!”

“Dat is allemaal heel sneu, tante. Maar daarvoor moet u toch heus bij de regering zijn.” Jade haalde diep adem en Amber zag haar ogen verontwaardigd fonkelen. “Die man gaat er prat op dat hij onze pap de dood heeft ingejaagd! Hij viert feest omdat onze moeder verongelukt is. Denkt u nou heus dat wij hem willen helpen?”

“Oranje Boven!”

“Maar dat is een onzinverhaal! Dat zuigt hij ter plekke uit zijn duim!”

“Hij gelooft er zelf heilig in, dat is wel duidelijk. Dus ik…”

“Maar va vraagt toch niet om hulp? Ik vraag het. Ik heb hulp nodig.”

“Dan zou ik het zorgloket van de gemeente maar eens bellen, tante. Daar kunnen ze u vast wel verder helpen,” bitste Jade. “En kunnen we er nu even door? Wij gaan naar huis.”

“Maar help me dan toch! Jullie zijn steenrijk en ik heb niks.”

Jade draaide zich resoluut om, pakte Ambers hand weer beet en liep naar de keuken. “Ze hebben hier vast wel een achterdeur. Kom op, Am.”

Terwijl ze de keukendeur uit draafden, hoorden ze hun opa in de verte nog schreeuwen: “Opgeruimd staat netjes!”

Ze haastten zich via het verzakte tuinhek het erf af en tussen scheve verveloze schuttingen door volgden ze een smal, door onkruid overwoekerd achterpaadje tot ze aan het einde van het huizenblok kwamen. Vandaar liepen ze terug naar de straat.

“Tante Frieda staat bij de auto op wacht,” bromde Jade. “Wat moeten we daar nou weer mee?”

“Van haar kant kan ik het wel begrijpen,” zei Amber langzaam.

“Ze zit om geld te springen. Het is daar allemaal vervallen en versleten.”

“Daar hoef ik toch niet financieel voor op te draaien? Zeker niet na deze ontvangst.”

“Die opa is psychisch niet in orde, Jade. Daar hoef je geen psycholoog voor te zijn om dat te kunnen vaststellen. Hij leeft compleet in het verleden. Een vergevorderd geval van Alzheimer als je het mij vraagt.”

“Hij is vals,” zei Jade. “Als hij echt heeft staan lachen toen mam verongelukte en pap is daardoor in blinde woede onder die trein gereden…”

“Dat kan best allemaal fantasie zijn. Dementerenden verzinnen hun eigen verhalen en daar houden ze zich dan als een reddingsboei aan vast.”

“Dat kan allemaal wel zo zijn, maar wat moet ik daarmee? Sinds we zoveel geld geërfd hebben, weet iedereen me te vinden. Ik krijg soms wel twintig bedelbrieven op een dag. Allemaal even zielig.” Jade snoof en wierp een boze blik op Frieda die als één brok ellende eenzaam op de stoep voor het vervallen huis stond.

“Laat dat mens het lekker zelf uitzoeken.”

Amber schudde langzaam haar hoofd. Frieda zag er zo verlaten en hulpeloos uit. “Ze is wel familie. Ik heb best medelijden met haar.”

Jade sloeg haar armen demonstratief over elkaar. “Ach, hou nou even op, zeg. Dat mens heeft zich nooit ook maar iets van ons aangetrokken.”

“Dat heeft ze uitgelegd, Jade.”

“Uitgelegd? Wij waren amper zeven toen we onze ouders verloren! Alle twee op één en dezelfde dag! Maar met ons had niemand een spat medelijden. Als tante Wies er niet was geweest, waren wij elkaar ook nog kwijtgeraakt.”

Amber beet op haar lip. “Je hebt helemaal gelijk, Jade. Maar ik vind haar toch zielig.”

“Nou, ik niet. Ze vond mij ook niet zielig.” Jade haalde haar mobieltje tevoorschijn. “Ik bel even een taxi, dan laat ik die auto straks wel ophalen door een bodybuilder van de sportclub.” Ze keek Amber fanatiek aan. “En als jij hier nog gezellig schattig nichtje en tante of lieve opa en kleindochter wilt spelen, dan ga jij je gang maar. Ik ben hier weg.”

“Weet je waar ik nou zo gigantisch van baal?” vroeg Jade.

Amber en Jade stonden samen op de stoep voor de wolwinkel van tante Wies en Jade keek de wegrijdende taxi met een zure blik in haar ogen na.

“Dat de taxi zo duur was?” antwoordde Amber. “Of vind je het niet leuk dat het bezoek aan tante Frieda zo’n puinhoop geworden is?”

“Ik baal dat ik die cake niet meer mee teruggenomen heb. Nou gaan die lui hem zitten opeten en ik heb er ontzettende trek in.”

Amber schoot in de lach. “Volgens mij heb ik boven nog een stuk staan. Als Tom hem tenminste intussen niet soldaat gemaakt heeft.” Amber wees op haar auto die langs de stoep geparkeerd stond. “We kunnen ook naar Verkley rijden en lange Soesters halen. Ik las in de Soest Nu dat ze deze week in de aanbieding zijn.”

“Daar knoei ik altijd zo mee,” bromde Jade. “Ze zijn heerlijk, maar als ik een hap uit de voorkant neem, dan kloddert alle slagroom-vulling via de achterkant op mijn kleren.”

“Dan moet je maar niet zo gulzig eten. Zelf heb ik daar nooit last van.”

“Nee, met die muizenhapjes die jij neemt…”

“Ik moet eigenlijk erg plassen,” bekende Amber. “Dus als je even wilt besluiten of je nog mee naar boven gaat…”

Jade keek op haar horloge en knikte. “Ja, ik ga mee. Peter verwacht me toch nog niet. Kunnen we nog even verder kletsen.”

Ze liepen de winkel in en Amber zwaaide vrolijk naar Elsje die achterin bij de grote houten toonbank een kop koffie dronk. Op de kruk naast haar zat een meisje met rode haren dat ook enthousiast terugzwaaide.

Amber bleef staan en kneep haar ogen tot spleetjes. Dat zag ze niet goed.

Noortje?

Was dat Noortje?

Maar dat kon toch niet? Noortje was keihard weggefietst toen ze haar moeder aan zag komen…

Het meisje gleed van de kruk en stormde op Amber af. “Mama! Mama! Ik wil niet meer naar papa. En Reinier wil ook naar huis.”

Amber sloeg haar armen om Noortje heen en terwijl de tranen over haar wangen gleden, drukte ze haar dochter tegen zich aan, alsof ze haar nooit meer los wilde laten.

“Oh Noortje, ik ben zo blij dat je er bent,” snikte ze. “Ik heb je zo vreselijk gemist.”

“Niet huilen, mama. Daar kan ik niet tegen, dat weet je best.”

“Oké, ik hou er alweer mee op,” snufte Amber, maar de tranen bleven natuurlijk gewoon doorstromen. “Ben je met de fiets?”

“Ja, toen ik die twee engerds eindelijk kwijt was, ben ik meteen hierheen gereden.”

“Ben je daarom zo snel weg gesjeest?”

“Ja, natuurlijk. Je dacht toch niet dat ik voor jou wegfietste? Ik moest die griezels kwijt.”

Amber voelde hoe Jade haar aanstootte. “Zie je nou wel dat het niks met jou te maken had? Ik heb het je toch gezegd?”

Noortje deed een stapje achteruit en keek Amber smekend aan.

“Ik wilde nooit echt bij papa wonen, maar dat moest ik van papa tegen die rechter zeggen.”

Amber keek Noortje verbaasd aan. “Maar Noortje, als ik dat geweten had, dan was ik toch met je meegegaan? Dan had je gewoon de waarheid kunnen vertellen.”

“Het was een geheimpje, zei papa. Als ik het tegen je zei dan ging hij Michel van je afpakken en jij houdt zoveel van Michel.”

Noortje begon nu ook te huilen.

Amber trok haar dochtertje troostend tegen zich aan. “Ach kindje, heb je dat voor mij gedaan?”

Noortje knikte. “Ik wil niet meer naar papa. Papa is steeds maar boos. Hij slaat Rosalinde.”

Amber veegde over haar ogen en keek haar dochter geschrokken aan. “Slaat hij Rosalinde ook? Ik dacht dat hij zo dol op haar was?”

“Papa heeft erge zorgen,” snikte Noortje. “Dat zegt Rosalinde. Daar komt het van, zegt ze. Maar ik vind er niks aan. Hij schreeuwt zo hard en dan krijg ik hoofdpijn.”

“Dat van die zorgen kan wel kloppen,” mengde Elsje zich in het gesprek. “Onze actiegroep Red de Jachthuislaan zit Vincent Bering in zijn nek. Hij schijnt aan alle kanten geprobeerd te hebben om mensen om te kopen. Zelfs gemeenteraadsleden.”

“Waarom verbaast mij dat nou niet?” bromde Jade en ze keek vol medelijden naar Amber.

“Niemand durft tegen hem te getuigen, dus we hebben nog geen harde bewijzen,” praatte Elsje door. “Maar meester Antons is er druk mee bezig.”

“Hoe eerder Vincent weer ophoepelt als burgemeester, hoe beter,” verklaarde Jade resoluut. “Dan is dat ellendige bouwplan Jachtlust misschien ook van de baan.” Ze zuchtte diep. “Maar ja… die vent is net onkruid. Dan steekje de vlag uit omdat je eindelijk van hem verlost bent en dan staat hij toch weer in vol ornaat te bloeien.”

“Er gaan wel geruchten dat sommige beleggers vraagtekens bij Jachtlust beginnen te zetten,” zei Elsje langzaam.

“En dat houdt in?” vroeg Jade.

“Als de beleggers het niet meer willen financieren, dan wordt het moeilijk voor ze,” antwoordde Elsje. “Zonder geld kunnen ze niet.”

“Dat klinkt hoopgevend,” vond Jade.

Elsje haalde haar schouders op. “Ik reken nergens op. Voorlopig is het alleen maar geroddel. Alle kans dat het morgen weer anders is.”

“Die verhalen komen toch niet bij Ida Piersma vandaan?” schrok Jade.

“Nee, ik heb het van meester Antons. Die is meestal aardig betrouwbaar.”

Amber luisterde maar half. Ze was veel te druk bezig om Noortje te troosten en zelf haar neus te snuiten. “Zullen we onderhand eens naar boven gaan?” vroeg ze. “Ik moet nog steeds ontzettend nodig plassen.”

“Goed plan.” Jade knikte. “Ga ik de cake opzoeken. Jij zo ook een plak, Elsje?”

Ze waren net aan hun tweede kop koffie – met cake – begonnen, toen de huistelefoon ging.

“Laat maar lekker bellen,” stelde Amber voor. “Ik heb helemaal geen zin in gezeur.”

Maar even later verscheen het keurig gekapte hoofd van zuster Speelman om de hoek van de deur en zij keek Amber uitnodigend aan. “Ik heb notaris Anfering voor u aan de lijn.”

“Ik ben er niet,” verklaarde Amber.

Zuster Speelman keek schuldig. “Tja, eh… Hij dreigt met de politie.”

“Dan neem ik hem wel even,” zei Tom en hij sprong energiek van zijn stoel.

Jade schoot meteen overeind. “Laat Amber dit maar regelen, Tom. Meester Antons heeft gezegd dat je nu echt een poosje low profile moet blijven. En ruzie schoppen met die zak van een notaris valt daar niet onder.” Al pratend keek Jade Amber aan en maakte met haar hand vegende gebaren in de richting van de deur.

Amber kwam zuchtend overeind en liep met zuster Speelman mee naar de hal. Daar haalde ze haar meest formele toontje uit de kast. “U spreekt met mevrouw Wilkens, waarmee kan ik u helpen?”

“Mevrouw Wilkens, notaris Anfering hier. Is Noortje bij u?”

“Waarom vraagt u dat?”

“Noortje is verdwenen. En dat gebeurde kort nadat de beveiligers u in de buurt gesignaleerd hadden.”

“Is Noortje verdwenen?” riep Amber ontzet. “Wat hebben jullie met mijn dochter gedaan?”

“Leuk geprobeerd, mevrouw Wilkens. Maar een toneelcarrière is voor u niet weggelegd, laten we het daar maar op houden.”

“Wat bedoelt u precies?”

“Ik bedoel dat ik dadelijk de politie bij u langs stuur met een huiszoekingsbevel. Als we Noortje bij u aantreffen, ziet u uw beide kinderen nooit meer terug, dat kan ik u verzekeren.”

“Die grootspraak moet u nog maar waar zien te maken,” bitste Amber.

“Daag mij niet uit, mevrouw Wilkens.”

Het klonk dreigend en Amber besefte dat ze slechte kaarten had.

Ze kon maar beter een beetje met de vent omslijmen, daar schoot ze waarschijnlijk meer mee op. “Ik geloof dat ik Noortje net aan zie komen.”

“In dat geval wil ik u verzoeken om haar onmiddellijk naar huis te sturen,” sprak de notaris.

“Ze is al thuis. Ik ben haar moeder.”

“Ze woont thuis bij haar vader aan de Molenstraat en dat blijft zo. Tenzij u instemt met de verkoop van het winkelpand.”

“Daar wil ik nog even over nadenken en ondertussen slaapt Noortje vannacht bij mij.”

“Daar zou ik onder bepaalde voorwaarden mee in kunnen stemmen.”

“En die zijn?” vroeg Amber. Ze baalde meteen van die woorden.

Dat klonk veel te gretig! Ach, wat maakte het uit? Anfering wist toch wel dat ze alles zou doen om haar kinderen terug te krijgen!

Notaris Anfering liet een formeel kuchje horen. “U neemt het voorstel van Real Estate Services De Vossenberg b.v. aan, en we ondertekenen de desbetreffende akte morgen.”

“Daar ga ik een nachtje over slapen, meneer Anfering. Maar luister eens, als ik dit huis verkoop, hoef ik uw miljonairsvilla niet. Ik wil dan ergens anders een woning naar mijn smaak laten bouwen.”

“Het spijt me, mevrouw Wilkens, die villa is bij de deal inbegrepen. Maar het goede nieuws is, dat u die woning helemaal aan uw eigen smaak kunt laten aanpassen. Bovendien is er voor Hemerling Fournituren ruimte in het nieuwe winkelcentrum gereserveerd.” De notaris kuchte alweer, alsof hij zijn laatste woorden bij Amber wilde laten bezinken. “Dat houdt dus in dat de wolwinkel van uw tante Wies gewoon blijft bestaan, alleen op een andere locatie, amper vijftig meter verderop,” voegde hij er ten overvloede nog even aan toe.

“Oké, zoals gezegd, daar ga ik over nadenken.”

“Als u akkoord gaat met de deal, zorg ik voor een bezoekregeling met uw kinderen.”

“Dat moet dan wel eerlijk gaan. Ik snap dat Vincent ze ook wil zien, maar dan moeten we de week maar opdelen. Dus ik wil ze óf in het weekend óf tijdens de midweek bij me hebben.”

“Dat zal ik doorgeven, mevrouw Wilkens. En als u belooft dat u Noortje morgen weer naar de Molenstraat stuurt, kan ze vannacht bij u blijven logeren.”

Amber werd kwaad. Logeren? Bij haar eigen moeder nog wel!

Dat zou ze die vent… Maar ze besefte nog net op tijd dat ze weinig keus had en maar beter een beetje aardig kon blijven. “Dat is afgesproken, notaris. Ik wens u nog een fijne dag verder.”

Zonder op het notariële antwoord te wachten, verbrak ze de verbinding en ging terug naar de woonkamer, waar alle hoofden zich belangstellend in haar richting draaiden.