Voordat het gaat sneeuwen
De lichtjes onder hem hadden de rode gloed van rijtjes aardbeien. Er was sneeuw voorspeld en toen die begon te vallen dacht hij dat ze spoedig bedolven zouden zijn. De geur van sneeuw en rook was nu zachter, en voordat het eerste vlokje omlaag dwarrelde voelde hij de sneeuw al op zijn lippen.
Het enige wat hij kon doen was drinken, drinken, drinken en proberen het niet te vergeten. Na ieder glas werd haar gezicht veel helderder dan het hem voor de geest kwam als hij nuchter was. In het volle licht van een gewone dag bleef ze ver en vaag, onzichtbaar en ongrijpbaar. Maar in zijn herinneringen was ze nooit zó vlakbij dat hij haar kon aanraken.
Hij herkende de tuin vanwege de rozestruik. De omheining hing geknakt alsof ze nooit meer overeind gezet kon worden. Ze was niet omgetrapt door een vrolijke dronkelap, want dan kon ze zo weer rechtgezet worden, maar geknakt alsof een voorbijganger ze moedwillig vernield had omdat hij het leven redeloos beu was. Eigenlijk moest ze helemaal uitgegraven en opgestookt worden. Dan zou ik een stel van die lekkere naar nieuw hout ruikende latten en planken uit de houtzagerij halen en een goed hek om die rozestruik bouwen. Hij zou mooie stalen spijkers gebruiken en de latten en overgebleven planken van de stammen van goede bomen, want hij kreeg ze toch goedkoop omdat een van zijn vrienden daar werkte, en van ieder zou hij liefkozend het zaagsel wegvegen en voelen hoe zich dat ophoopte in zijn handpalmen als de houten goudkorreltjes van het leven en weggleed tussen het brede vlees van zijn vingers. Dat sjofele gammele hekje kon een goeie trap krijgen, natuurlijk gevolgd door liefdevolle handigheid om haar een plezier te doen.
Voor hem was alles afgelopen omdat hij gescheiden was.
Hij lag helemaal met zichzelf overhoop, het zand in zijn hersenen stroomde als vroeger door zijn lijf en naar zijn hart, een zandloper wiens roes in ieder spleetje van elke ader en ieder blaasje, bot en zenuw doorsijpelde. Hij werkte als een gek, balancerend tussen vervoering en ellende. Op zijn werk vonden ze hem een vrolijke en betrouwbare kameraad, maar om de dag vergat hij ’s avonds zijn horloge op te winden en dan moest hij weer naar een buurman om te vragen hoe laat het was zodat hij er ’s ochtends tenminste uit kwam, want anders kwam hij veel te laat op zijn werk (of helemaal niet) en dan had je de poppen aan het dansen.
Hij had vier broers en twee zusters, allemaal getrouwd, en allemaal gescheiden, behalve die ene die bij een auto-ongeluk om het leven gekomen was. Het was niet zozeer dat zijn familie uit ongelukkige of onaangepaste mensen bestond, maar juist dat ze heel gewoontjes en compleet waren, meededen met de rest van de mensheid en de familietraditie zo getrouw volgden dat het hem in de slechtste tijden aan het lachen maakte, en in de betere tijden stuurde die traditie hem op zijn pantoffels de straat op om de zondagbladen te kopen en te lezen wat er met andere gezinnen gebeurde. Wat moet je anders doen en denken als het scheermesje van het lot je niet kapot wil snijden en je meer ellende besparen? Soms bedacht hij dat hij een bijbel moest kopen en schietgebedjes omhoog zenden, wat het enige alternatief bood behalve zichzelf dood te zuipen, hetgeen hij zich trouwens niet kon veroorloven. Maar de wereld draait gewoon door en het was zinloos om je af te vragen waar die betere tijden gebleven waren. De oceaan was te diep en te breed om te kunnen ontsnappen van het eiland waarop hij zich toevallig bevond.
Ze zorgde goed voor haar rozen, zag hij toen hij langs de achtertuin kwam waar haar omheining slap hing alsof ze nooit meer overeind zou komen, hoewel ze er bepaald niet slechter aan toe was dan de andere omheiningen in de buurt. Ze leunde op het hek en rookte een sigaret, een jonge vrouw met donker, kort krullend haar en daaronder een bleek, rond gezicht. Haar ogen, scherp licht blauw, gaven iets verlichts en lichtgevends aan haar gezichtsuitdrukking, alsof ze zich bewust was van alles wat zich in haarzelf afspeelde, maar niet van de wereld om haar heen. Hij wist niet waarom ze daar stond, want behalve een sienen muur van een andere tuin viel er niets te zien. Hij bleef staan, zonder iets anders in zijn hoofd dan: ‘Wat een mooie rozen. Ik rook ze toen ik langsliep.’
‘Het zijn anders bepaald geen Baccara’s,’ zei ze strak.
‘Waar heeft u ze vandaan?’
‘Mijn broer woont in Hertfordshire, en hij gaf me wat stekkies uit z’n tuin. Eentje daarvan deed het maar, maar bloeien dat ie doet!’
‘Nou en of,’ zei hij. Geen van beiden wisten ze nog iets anders te zeggen.
‘Dag mevrouw.’
‘Dag hoor.’
Hij zag haar lange tijd niet meer, maar dacht wel aan haar. Hij was meubelmaker in een houtfabriek, maakte de ene week deuren en de andere week raamkozijnen, rijen raamkozijnen en rijen deuren. Vanuit een andere afdeling krijsten de hele dag de cirkelzagen, alsof de geest van een afschuwelijke, duizend ton zware atoombom diep in een aarde sloeg die zijn hoofd bleek te zijn. Schaafmachines gingen tekeer als vier militaire tanks, zodat hij af en toe keek of de muur al omviel om hem voorgoed te verpletteren, en dan waren er nog de freesmachines die als patrouillewagens rond zoemden alsof ze de antwoorden op alle vragen ter wereld zochten... Het slagveld van Normandië, op zijn achttiende, herleefde, maar zonder de aanwezigheid van de doden.
Niet het geluid hinderde hem, maar wel klaagde hij in zichzelf vaak over de kleinere irritaties en het de echte rampen hun gang gaan. Alsof hij zich in zijn armen kneep om te zien of hij nog wel leefde.
Hij bedacht namen voor haar, maar geen daarvan scheen toepasselijk. Haar gezicht stond hem helder voor de geest, maar hij kon zich niet herinneren welke kleren ze aan had. Het was vroeg in de middag en hij martelde zijn geheugen alsof het triplex was met de gedachte of er, en zo ja welk, een kookluchtje uit haar keuken te ruiken was geweest en of ze daar geleund op het hekje had staan wachten op haar man die uit de fabriek op weg naar huis was. Dat laatste zou haast wel, maar het leek hem niet zo belangrijk.
Na zware lenteregens stroomde de rivier de Trent snel ter hoogte van Gunthorpe, alsof iemand het water in de sluizen met een onzichtbare elleboog voortduwde in de richting van de ondergelopen uiterwaarden. Maar op de regen volgde zonneschijn en hij fietste de heuvel op. Bij het gehucht Kneeten stond hij met zijn fiets op de heuveltop, uitkijkend over naargeestige varens, langs de afdalende tunnel van gebladerte naar de veerpont en de oever aan de overkant. Voor een beter uitzicht draaide hij zich om, zette zijn fiets tegen de muur en ging het kerkhof van Kneeten op. De rivier was zo grijs als oorlogsverf, nergens waren de schapewolkjes tegen de lucht erin weerspiegeld. Wel reflecteerden ze op de stralende velden achter de rivier, op de droge rode daken van boerderijen en dorpjes.
Over het zompende gras liep hij de kleine begraafplaats rond. De zerk van Sarah Ann Gash was doormidden gespleten en omgevallen. Ze was op een eerste september geboren maar het jaar was onleesbaar omdat de zerk juist daar gespleten was. Waar was Sarah heengegaan? vroeg hij zich af, Sarah die niet langer door de hoge wouden wandelde en af en toe de Trent afkeek naar tekenen van storm of zonneschijn.
Hij had heel vroeg zijn kamer verlaten, in de hoop dat hij nog van de volle vrolijkheid van deze zondag kon genieten voordat het hemelse zijk weer omlaag stortte. Zoals honderden keren eerder keek hij uit over de vallei en peinsde zoals gewoonlijk daarover, een vallei zo overzichtelijk en ondiep als hij zelf was. Hij prentte zichzelf in dat het deze keer anders was, zonder op dat moment scherpzinnig genoeg te zijn om te beseffen waarin ’m dat zat. Opgesloten in zijn voor Nottinghamshire zo typische kamer dacht hij na over het verleden, maar nu hij deze blauwe hemel en de open vlakte zag vroeg hij zich af wat de toekomst kon bieden, maar zó dat hij het zichzelf onmogelijk maakte om met een antwoord een eind te maken aan zijn gepieker. Hij betwijfelde trouwens of er onder welke omstandigheden dan ook wel een antwoord mogelijk was, maar hoe onvoldaan hij zich ook voelde, terug naar het gepieker op zijn kamer waar hij de troost van dit rustige, mooie landschap miste, wilde hij niet.
Hij was een man van veertig jaar, die concludeerde dat er tot nu toe niets belangrijks was gebeurd in zijn leven — behalve de dood van zijn ouders, en het verlies van zijn vrouw en kind door een scheiding die zij had gewild en waarin hij maar al te bereidwillig had toegestemd. Zoals hij geloofde dat kantoorbedienden niet werkten, omdat die nooit vuile handen en inktvlekken op hun voorhoofd maakten, zo geloofde hij ook dat hij er niet onder geleden had omdat hij er geen kreupelheid, blindheid of lichamelijke littekens aan over had gehouden. Het was alsof een realistisch besef van wat jij en de wereld elkaar aan konden doen, nog steeds niet in een volledig verdriet in hem wakker kon worden, en wanneer hij zoals nu zich bijna vredig voelde—veel te lang starend naar de kronkelige Trent en de glooiende velden aan de overkant —stond zijn gezicht eerder verward dan blij. De wind trok aan zijn wollen hemd, en hij voelde het tot op zijn botten. Dat was het enige dat hij voelde, merkte hij, en daardoor kwam er langzaam een glimlach op zijn gezicht.
Het pad dat naar de rivier afdaalde, liep dwars door hoge heggen waarover heen als groene sneeuw jonge knopjes lagen, maakte dan onderweg een flauwe wending naar de smalle weilandenstreep langs de rivieroever. De geur van natte wolken en velden steeg op uit de bosjes. Hij wilde naar de rivier, maar had geen zin om met zijn fiets en laarzen door de modder te ploegen als het geplaveide pad daarginds hem iets meer tijd maar veel minder moeite zou kosten.
Vier enorme motoren weer klonken tegen de lucht, en rechts boven de bomen gleed een geweldig vliegtuig weg van een vliegbaan en droeg zijn grijze buik ver weg boven de velden aan de overkant, plotseling stijgend en als een vogel één met de hemel. Iets in hem wachtte op een blauw-witte steekvlam langs dat lichaam, een stille, onopvallende felle explosie waardoor hij voor eeuwig zowel uit de wereld als uit de lucht zou verdwijnen, alsof het geen recht had om daarboven te zijn waar alleen echte vogels en veertjes mochten reizen. Maar toen het vliegtuig zijn vlucht onverstoorbaar voortzette, was hij blij en opgelucht dat er niets mee gebeurde. Er is iets veel belangrijkers dan liefde, dacht hij. Veel belangrijker. Ik voel het, iets waardoor liefde primitief lijkt. Ik kan niet zeggen wat het is, maar ik weet dat het bestaat, al is het dan alleen via liefde te bereiken.
Hij fietste over de lange betonnen brug, bedenkend dat hij wel even bij het muurtje kon stoppen om te kijken hoe de golven op de borstwering uiteen spatten, maar hij wist dat dit uiteindelijk alleen voor een kind boeiend bleef, dus draaide hij om en fietste tegen het verkeer in het pad af waar velden en keien tussen de herberg en de waterlijn omlaag glooiden. De dichtstbijzijnde waterkering stond bijna op gelijke hoogte maar toch weerklonk er het geluid van donderend water uit de diepte, en in de ettelijke zijwatertjes van de rivier zaten mannen geconcentreerd te vissen. Hij legde zijn fiets op het gras en begon aan een wandeling.
Een vrouw en twee kinderen zaten achter de voorste bosjes te picknicken, en zo te zien hadden ze er weinig lol in. Een khaki grondzeil was tussen twee stokken gebonden als scherm tegen de bijtende wind die vanaf de rivier een aanval deed op hun broodzakjes en zout. Ze waren er onder weggekropen, en hij hoorde het geluid van ontevreden stemmen. Met die wind was het moeilijk om een sigaret op te steken, zodat hij zijn jasje als buffer gebruikte. Om hun privé festijn niet te verstoren liep hij achter hen langs, maar toen hij dichterbij kwam ontdekte hij dat hij die vrouw eerder had gezien, toen ze op het hekje van een achtertuin in Radford leunde. Een zevenjarig jongetje tastte onder een deken en haalde een kleine transistor-radio tevoorschijn, waaruit hij het ijle gekrijs van muziek wist te produceren. Eenden vlogen op uit het woud, en toen hun bekken open en dichtgingen tijdens een lage duik in de richting van de vissers, hoorde hij niks vanwege de radio.
De moeder deed het ding uit: ‘Eerst moet je iets eten,’ en ze gaf hem en zijn zusje een hardgekookt ei. Hij hoorde het zachte gekraak van de schaal op een steen, en moest eraan denken dat hij niet ontbeten had. Onder haar openvallende, dikke, rode jas was een bleekgroene trui te zien. Alsof ze zijn ogen op zich gericht voelde, draaide ze haar hoofd naar hem toe en tot zijn stomme verbazing bleek nu dat haar gezicht enorm was veranderd, ofwel hoe zeer zijn geheugen er trekken aan had toegevoegd die ze misschien nooit had gehad. De bleekheid lag over magerder en kleinere botten, en ze was donkerder onder haar ogen. Toch trok ze hem nog steeds sterk aan, alsof ze een meisje was op wie hij als adolescent verliefd was geweest en dat hij toevallig weer ontmoette, dat voor hem de jeugd, naïviteit en onvergetelijke diepte en frisheid opriep van een eerste liefde, waarvan hij wist dat die in het latere leven nooit meer zó beleefd kon worden. Hij besefte opeens dat wanneer hij dacht aan dingen die een paar jaar geleden waren gebeurd, hij altijd het gevoel had alsof hij zijn puberteit heroverde.
Hij deed een stap achteruit, maar zei toen ze hem vorsend aankeek: ‘Ik kwam toevallig langs en herkende u. U woont toch in Radford?’
‘Wie is dat, mam?’
‘Hou jij je mond en eet nou maar.’ Ze was verbaasd en niet blij om deze overduidelijke verstoring.
‘Ik moest aan uw rozestruik denken,’ zei hij glimlachend. ‘Hoe gaat het ermee?’
‘Niet zo best. Ik wist niet dat u me kende.’
‘Ik kwam eens voorbij uw tuin, de enige achtertuin met rozen.’
Ze gaf beide kinderen een radijs, en het meisje dat de grootste kreeg hield hem vast alsof het een pop was, plukte toen de groene stukjes weg en kauwde terwijl ze peinzend naar de rivier keek. ‘Hoe heet je?’
‘Jean,’ zei ze, ‘als het mag.’
Hij glimlachte. ‘Wat zeg je dat grappig.’
‘Nou, Jean, of het nou wel of niet mag.’
‘We hadden het toen over je rozen. Weetje niet meer?’ Ze trok haar jas dicht. ‘Veeg je neus af, Paul. Straks krijg je het over je eten. Er is sindsdien veel gebeurd.’ Ze at niet, behandelde het eten vol respect en gaf het aan haar kinderen. Een troepje jongens kwam langs, zwaaiend met stokken en slingerend met potjes vol kikkervisjes.
‘Wat een bof,’ zei hij, ‘in alle omstandigheden.’
‘Mij kan het in alle omstandigheden niks schelen.’ Toch had haar gezicht zich ontspannen in een glimlach tijdens de korte woordenwisseling sinds hij daar stond.
‘Zo moet je nooit praten,’ zei hij. ‘Je kent toch wel dat rijmpje over de Onverschillige?’ De jongen en het meisje keken hem aan, geïnteresseerder dan hun moeder. Het meisje glimlachte, afwachtend.
‘Ik geloof dat het zo was:
De Onverschillige had blonde haren,
De Onverschillige was geen mooie vent,
De Onverschillige was lang en op jaren,
De Onverschillige droeg een zijen hemd,
De Onverschillige deed veel kwaad,
Ze knoopten de Onverschillige op:
De Onverschillige viel omlaag,
Op een mestvaalt met mest tot over z’n kop!’
Hij voelde zich een beetje mal bij deze voordracht, maar minder toen hij zag dat ze het alledrie leuk vonden.
‘Waar ken je dat van?’
Hij knipoogde. ‘In een boek gelezen.’
‘Wat voor boek?’ vroeg de jongen.
‘Zomaar een boek. Nee, ik jok. Ik weet nog dat m’n vader het me leerde toen ik klein was.’
‘Wat een raar versje om een kind te leren,’ zei ze. Natte blauwe wolken dreven oostwaarts boven de boomkruinen, kil-grijs gerand, maar een zonnestraal scheidde nog steeds de moeder van haar kinderen en verwarmde hen om beurten.
‘Ik hoop maar dat het niet gaat gieten,’ zei ze.
‘Ik ook. Ik kom op de fiets uit Nottingham en ik wou nu een stukje wandelen. Wat is er in de afgelopen twee jaar eigenlijk met jou gebeurd?’ Hij merkte wel dat ze er niet over wilde praten, maar vroeg het toch maar, omdat zij de beslissing moest nemen, hij niet.
‘Da’s een heel verhaal,’ zei ze, hem met een verdere stilte zijn troeven uit handen slaand.
Zo te horen een rotverhaal, dacht hij, zo ziet ze eruit ook: ‘Nou, ik zal je eens wat zeggen: geen enkel verhaal heeft een einde. Ze lopen nooit af. Dus misschien komt er nog wel een wending ten goede. Neem mij bijvoorbeeld, ik ben alleen maar echt gelukkig als ik aan het werk ben.’
Zijn manier van praten wekte haar belangstelling, alsof ze het helemaal niet gewend was dat mensen met haar praatten. Ze vroeg of hij op z’n eentje leefde.
‘Ja,’ zei hij.
‘Ik ook; maar ik heb die twee daar. Je ziet er schoon en netjes uit voor een vrijgezel!’
Hij lachte: ‘Zo moeilijk is dat niet.’
‘Dat vinden sommige mannen anders wel.’
‘Nou, ik moest maar weer eens verder.’
‘Wat is jouw naam eigenlijk?’
‘Mark,’ zei hij. ‘Misschien loop ik nog weleens langs je huis om die rozen te bekijken. Zulke mooie ben ik in heel Radford nog niet tegengekomen.’
Hij klom over een hek en zocht zich een weg door natte brandnetels die tot aan zijn knieën reikten en door zijn broek prikten waar zijn leren laarzen ophielden. Aan de andere kant van het pad belemmerden modderpoelen, waarin een streepje van de ronde gele zon weerspiegelde, hem de weg. De hemel was blauw en zwaar, bewolkt, gestreept, door wegdrijvende grijze wolkeflarden. Zodra hij zich geconfronteerd zag met een lange wandeling begon hij zich genotzuchtig te voelen, wou maar dat hij er nooit aan was begonnen en vroeg zich af of hij nog ooit terug zou komen. De velden strekten zich uit in de verte, vol weerzin om door de mist heuvelopwaarts te glooien achter Southwell. Hij stond aan de rand van kreupelhout dat hem de weg versperde, zware stammen en eeuwiggroene toppen die een ondoordringbaar middelpunt op zijn pad vormden. Zijn benen waren als verlamd, alsof het hem onmogelijk was om daar omheen een vrije baan te zoeken en zijn zwerftocht te vervolgen. Wat had het voor zin om verder te gaan als je niet makkelijk bij het middelpunt kwam? Twee houtduiven vlogen op uit het veld en doken moeiteloos onder in die groene woestenij. Het scheen hem zelfs moeilijker daarin door te dringen dan in zijn eigen binnenste, eigenlijk wel honderd keer zo moeilijk.
Het begon te regenen. Zijn binnenste was een mot die in rook dwarrelt, neervalt op de betonnen vloer van zijn persoonlijkheid, die soms met vleugeltjes aanrakend, er overheen vliegend, maar zich er altijd van bewust dat zij daar was in rook en duisternis, en dat zij nooit kon doordringen tot de rijkere achterliggende velden, waar het contact met het universum en de sleutel tot de echte betekenis van het leven lagen. Hij kon dat beton niet aan stukken hakken, zoals het anderen kennelijk wèl was gelukt, een weg openblazen naar zijn binnenste met het dynamiet van kommer en kwel. Het was hem een raadsel hoe mensen dat klaarspeelden. Hoe begonnen ze dan? Wat is het geheim of de kwaliteit van een bondgenootschap met de natuur waarvoor men de mogelijkheid toch ergens in zich moet hebben? Twee houtduiven, weer opgestegen uit het kreupelhout, vlogen door de regen in de richting van de rivier, en gedachtenloos draaide ook hij weer om. Jean en haar kinderen waren verdwenen —wat geen wonder was, want de aanhoudende regen lekte nu al door tot op zijn huid. Hij veegde de waterdruppels van zijn stuur en fietste met gebogen hoofd langs de hoofdweg naar Nottingham.
De rozestruik was inderdaad verpieterd: een of andere organische ziekte had de wortels aangetast en was omhoog gekropen langs alle levensvatbare punten. De meeldauw had hem lamgeslagen, ondanks alle hoop en voortdurende verzorging tussen de bittere en zinloze ruzies met haar man door. De hele buurt had over zijn vertrek geleuterd, maar iedereen had altijd al geweten dat hun huwelijk naar de knoppen was en op een dag zou aflopen. Dat wist Jean nu ook, achteraf. Zelfs de kinderen vroegen na een paar weken niet meer naar hem, toen ze ontdekten dat zij alleen maar urenlang uit haar humeur was als ze dat wel deden.
Ze probeerde de rozen nieuw leven in te blazen, kocht bij de bloemist allerlei vruchtbare compostsoorten en spitte de keiharde grond om, maar ze leken er geen zin in te hebben om in de muffe stadslucht te bloeien. Hun doornen zagen er ’s zomers roestig uit, glanzend onder de blauwe zelfvoldane hemel.
Terwijl ze het ontbijt voor de kinderen klaarmaakte, moest ze aan de man denken die op hun laatste uitstapje naar Gunthorpe met hen had gepraat. Als het zo’n mooie dag als vandaag was geweest, dacht ze, uit het raam naar een schoongeveegde warme hemel kijkend, zou ik met plezier een praatje hebben gemaakt in plaats van hem met m’n geklaag en gemopper weg te sturen. Ze kon daar wel excuses voor bedenken, maar geen enkele reden, hoewel de herinnering haar allerminst deprimeerde terwijl ze in de pap roerde en de worstjes onder de grill legde. Ze aten op school, en maakten thuis zelf een hapje klaar totdat zij rond zessen terugkwam. Wat mannen betrof, het kon haar niks schelen al zou ze er in haar leven nooit meer eentje hebben. Ze had twee keer haar buik vol gehad van Ken, en dat behoorlijk vreugdeloos. Trouwens, ze kon zichzelf wat dat betreft wel redden, zoals alle zichzelf respecterende vrouwen.
Janice kwam naar beneden, al aangekleed, maar Paul had zijn pyjamabroek nog aan en droeg zijn kleren opgerold als een bom onder zijn arm. Ze snauwde en kleedde hem in twee minuten aan, en Janice goot koude melk over zijn pap toen ze de achterdeur uit holde om de bus naar haar werk te halen.
Mark fietste er in zijn lunchuurtje heen, maar ze was niet thuis. Hij vond het niet prettig om in overal gezien te worden, maar kon nu naar haar achterdeur kijken terwijl hij een sigaret rookte en er wel voor oppaste om niet op het gammele hekje te leunen, dat er voor zo’n verrot hoopje trouwens uitzag alsof het het eeuwige leven had. De buren veronderstelden dat hij haar vriendje was en snapten niet hoe iemand die nu en dan haar huis bij donker binnensloop (hoewel niemand hem ooit echt gezien had) zo onverschrokken was om nu op klaarlichte dag daar op straat naar haar serre-raam te gaan staren.
Dat hek moest ik eens opknappen, zei hij in zichzelf. Een paar goeie paaltjes en een rij diepe gaten met beton volstorten en ik zou er een omheining van maken die het wel uithoudt tot de dag dat de gemeente hier de krotten komt slopen, ’t Zou in een dagje gepiept zijn.
Zijn leven lang al werd hij geplaagd door de eigenschap dat hij vragen stelde voordat de tijd rijp was —als zo’n tijdstip tenminste bestond —en daarmee vernielde hij meestal alle mogelijkheden op het beetje lol dat hij had kunnen hebben als hij maar rustig had afgewacht. Maar om half acht die avond (toen het nog licht was: de buren vonden hem maar een lefgozer) klopte hij op de achterdeur, met een duidelijk voorstel in zijn hoofd.
Ze had een grote witte handdoek om haar kletsnatte hoofd, dat net opdook van de laatste spoelbeurt onder de keukenkraan. De twee bovenste knopen van haar bloes waren los, en hij bloosde. ‘Ik kwam toevallig langs en ik wilde even gedag zeggen.’
‘O!’ zei ze, terwijl hij de schemering achter hem duidelijk weerspiegeld zag in haar groene ogen. ‘Ben jij het! Ik dacht dat het Flo Holland zou zijn. Wat moet je?’ De ontmoedigende grofheid van die abrupte vraag werd afgezwakt door een klank in haar stem alsof hij het recht had hier aan te kloppen en iets te willen, en dat ze hem om de een of andere reden beslist niet voor een volslagen vreemde hield. Haar gezicht leek minder bleek, een beetje gezonder nu het donkere haar niet zichtbaar was, de trekken iets harder als die van een vrouw met badmuts en ontdaan van make-up of lippestift. Door het grote raam zag hij de witte electrische flits van de teevee. ‘Ik heb net mijn haar gewassen,’ zei ze. ‘Het spaart een paar centen uit als ik dat bij de gootsteen doe. Ik zal een kop thee zetten en dan kun je over een pa ar minuten binnenkomen.’
Ze deed de deur dicht, en hij was ervan overtuigd dat ze hem zou vergeten, per-ongeluk-expres als het ware. Hij stond bij het hekje te roken, maar deze keer aan haar kant van het hekje, en het was verbazingwekkend hoe stevig dat hek eruit zag vergeleken bij de verrotte vervallen paaltjes aan weerskanten.
Toen hij op het punt stond om weg te gaan, trok ze de deur open. De sjaal om haar natte haar gaf haar iets zigeunerachtigs, maakte haar ogen donkerder en haar gezicht smaller. ‘Kom dan,’ zei ze, ‘het water staat al op.’ Soms, op een van zijn fietstochten, reed hij kilometers lang terwijl hij diep in gedachten was, totdat hij opeens besefte dat hij geen van de vertrouwde herkenningspunten op de weg achter hem had opgemerkt. En nu, vervuld van een geluksgevoel in plaats van gepieker, kon hij zich geen details voor de geest halen vanaf het moment dat hij melancholiek bij het hekje had gestaan en toen opeens tegenover haar aan tafel zat.
‘Waarom ik eigenlijk kwam,’ zei hij, ‘was die omheining.’
‘Ik dacht om mij,’ zei ze.
‘Doe niet zo sarcastisch. Ik ben timmerman en ik kan ’m voor je opknappen.’
‘Wat wil je ervoor hebben?’ vroeg ze.
‘Niks, ik doe ’t voor m’n lol.’
Met een lange vork hield ze een snee brood boven het vuur. "t Is de moeite niet waard. Dat hek is al eeuwen zo. Trouwens, als deze winter net zo streng wordt als de vorige kan ik de hele handel in de haard smijten zodat de kinderen en ik niet uren in de rij bij de kolenboer hoeven te staan.’
‘Het brood verbrandt,’ zei hij. Ze smeerde er boter op en schonk een beker thee in. ‘Ik eet nooit totdat de kinderen in bed liggen. Ik krijg indigestie van hun gesodemieter. Toen Paul vanavond een kopje brak, gaf ik een gil alsof iemand een mes in m’n rug stak. De arme stakker wist niet hoe ie het had.’
‘Aan zenuwen heeft niemand wat,’ lachte hij.
‘Vertel mij wat. Maar ik werd nu eenmaal zo geboren.’
‘Wie niet? Soms verdwijnt het wel.’
‘Op middelbare leeftijd,’ zei ze, ‘en daar wacht ik dan maar op.’
‘Dat duurt nog een hele tijd,’ zei hij.
Ze boog zich voorover om haar sigaret aan te steken. ‘Ga je weleens naar een kroeg?’
‘Soms. Jij?’
‘Bijna nooit. Maar misschien zou ’t me wel goed doen om er eens uit te zijn.’
‘Waar ga je op vakantie naartoe?’ vroeg hij.
‘Je hebt me op m’n vakantie ontmoet.’
‘Naar Gunthorpe?’
‘Zo af en toe ga ik er met de kinderen heen. Vorig jaar zijn we naar Matlock geweest, een boottochtje op de Derwent en daarna de grotten in. Gelukkig vonden ze het prachtig. We hebben het een stuk leuker nu Ken weg is, maar ook wel minder breed natuurlijk.’
‘Hij komt vast nog weleens terug,’ zei hij, alsof dat idee hem goed deed.
‘Toen de kinderen vroegen waar hij heen was —zo dol waren ze niet op ’m, maar ze misten hem in het begin toch wel —zei ik dat hij een poosje in Londen aan het werk was. Maar ze weten donders goed dat hij niet terugkomt. Een paar weken geleden liep ik met Janice in de stad en we staken op Slab Square net over toen er bij het stoplicht een bus stilstond, en uit het raampje hoorde ik hem schreeuwen: “Hoe is het, Jean, schatje?” en toen ik omkeek zat ie daar in al zijn glorie met een ander wijf! Janice vroeg wie dat was en ik zei dus maar dat wij daar geen barst mee te maken hadden en sleepte haar mee toen ze wilde gaan kijken. Nee, die komt nooit meer bij mij terug. En dat is hem maar geraden ook. Wil je nog thee?’
‘Graag. Zaterdag knap ik die omheining op. Soms werk ik dan, maar ik kan dat overwerken nu weleens laten schieten.’
De buren bleven staan of staarden naar zijn rug toen ze langskwamen, of ze draaiden zich aan het eind van de straat om om te kijken wat hij in vredesnaam uitvoerde. Er hing een lage lucht, en de zware drukkende zomerwarmte hing over de keukens en rijen buiten-w.c.’s. Als hij eenmaal iets om handen had, kon hij niet rusten totdat hij het echt af had. En het was weer eens wat anders dan die eeuwige deuren en ramen op de fabriek. Hij groef de verrotte paaltjes uit, wrikte de roestige spijkers los zodat hij het overtollige hout onder het voorraam kon leggen als wintervoorraadje. De gaten werden met een duimstok gelijk gemaakt en tijdelijk met stokjes aangegeven terwijl hij het cement mengde. Tijdens twee fietstochtjes had hij de vorige avond de palen afgeleverd, en zij mopperde maar stemde tenslotte toe toen hij erop stond dat ze zolang in de keuken moesten liggen. Als ze in de tuin lagen, zou iemand ze ’s nachts jatten, zoals hij zelf had gedaan.
Janice en Paul keken toe, genietend van de caramels waarop hij ze getrakteerd had. ‘Je doet het geweldig,’ zei Jean, toen ze hem een beker thee bracht.
‘Waarom ook niet, als ik toch bezig ben.’
‘Ik ga boodschappen doen, maar ik ben zo terug’ —alsof hij zich gênant hoorde te voelen nu hij alleen achterbleef in een vreemde tuin.
Hij richtte zich op en nam de thee aan. De eerste drie palen stonden, gestut door bakstenen. ‘Als je voor een hele week eten in huis haalt, kun je wel een extraatje gebruiken. Hier’ —en hij stak haar een paar pond toe.
‘Nee,’ zei ze, op zo’n afdoende toon dat hij niet kon aandringen, ‘ik red me best.’
Hij verfrommelde de bankbiljetten in zijn hand met knedende vingers tot zijn knokkels er wit van zagen, wensend dat ze zouden verdwijnen en dat hij niet zo stom was geweest om het aan te bieden.
‘Ik wil niet vervelend doen,’ glimlachte ze, ‘maar ik heb het echt niet nodig. Je doet al genoeg voor me.’
‘Lekkere thee,’ zei hij, ‘en daar was ik ook aan toe. Ik wilde alleen maar bijspringen, meer niet.’ Hij nam zijn pet af en veegde het zweet achterover in zijn haar. ‘Dam je weleens?’
Ze vouwde haar armen over elkaar, waardoor haar blouse naar beneden werd getrokken. ‘Ik heb het in geen jaren gedaan, maar ik kan het wel.’
‘Goed, we kunnen het vanavond doen.’
‘Da’s best. Ik zal wat sigaretten kopen.’
Die kon hij niet weigeren, omdat ze ai gepikeerd was geweest over dat geld; zo’n subtiele tederheid van haar kant gaf hem trouwens net zoveel genot als wanneer ze zich te buiten waren gegaan in een geheime en onverwachte omhelzing.
Toen de omheining eindelijk stond en de kinderen in bed lagen, aten zij een vredig avondmaal van koud vlees en boerenbrood, koffie en augurkjes, kadetjes met jam. ‘Je hebt je uitgesloofd,’ zei ze, ‘en ik ben er vreselijk blij mee.’
‘Ik heb me uitgesloofd,’ zei hij met volle mond, ‘maar dat was het waard. Die omheining is niet klein te krijgen, dat garandeer ik je.’
Ze damden drie spelletjes en iedere keer versloeg hij haar, hoewel de derde keer met moeite. *’t Is nu wel mooi geweest,’ lachte hij, terwijl hij zijn jasje aantrok. In zijn zak tastte hij naar zijn munten. ‘Heb je er nooit over gedacht om een kostganger te nemen?’ vroeg hij, terwijl hij haar strak aankeek.
Dat had ze, maar ze wilde het niet zeggen. Dat zou te snel zijn. Hij kwam dichterbij om haar te kussen, maar ze duwde hem zachtjes weg en liep met hem naar de deur. Ze vond hem aardig, omdat hij om alles scheen te denken en niets vanzelfsprekend vond. Bovendien was hij vriendelijk en hulpvaardig, een zeldzame man. De hemel was helder, zonder sterren. Alleen t.v.-antennes en schoorstenen waren tussen jou en de hemel, en die hielpen je warm te blijven.
‘Ik zal er over denken,’ zei ze, zijn arm aanrakend.
Aan het einde van de beste dag die hij in jaren had meegemaakt, voelde hij zich afgewezen toen hij de tuin uitliep door zijn eigenhandig gemaakte hek.
Het poortje klikte, dus sloot ze de deur af en ging de tafel afruimen.
Ze zag hem een maandlang niet meer, terwijl ze hem iedere dag verwachtte. Haar man zag ze diverse keren op verschillende plekken in de stad, maar nooit liep ze Mark tegen het lijf. Waarom komt hij niet meer? vroeg ze zich af. Hij maakt een gloednieuwe, prachtige omheining, en denkt dan dat ie er als de eerste de beste mooie meneer zonder één woord vandoor kan gaan. Dat kan ie natuurlijk ook, dacht ze, toen ze op een avond in haar eentje zat. Hij was misschien beledigd dat ik zijn geld niet aannam, maar zo zijn kerels, ze hebben meteen de bokkepruik op als ze binnen vijf minuten geen slet van je kunnen maken. Of ze doen niets, of ze willen alles te snel.
Maar hij was vlak bij haar, zo dichtbij, zo innig, dat ze hem soms levensecht zag, hoewel hij verdween als ze hem probeerde aan te raken. Ze wachtte op hem, maar het leek alsof hij voor eeuwig verdwenen was, misschien omdat hij bang was voor haar en twee kinderen, misschien omdat ze hem met haar koelheid had afgeschrikt. Toch beschouwde ze zichzelf als warmbloediger dan hij kon weten, en als bewijs dacht ze aan de vele keren dat ze het besef dat haar man met andere vrouwen naar bed ging niet kon verdragen totdat ieder greintje liefde tussen hen voorgoed vernietigd was. Zelfs Ken verloor dan zijn neiging tot slippertjes, en vaak zelfs zijn wellust voor degene die hij in zo’n periode achteraan zat. Ze vochten hun eeuwige strijd uit met zo’n onberekende, onbewuste kwaadaardigheid dat een vaag besef van noodlot en heldhaftigheid hen beiden te pakken kreeg, geconcentreerd als ze erop waren om de emotionele rust van de ander volledig te verwoesten. Geen van beiden won of verloor — tenzij je uiteindelijk van Ken kon zeggen dat hij verloren had toen hij er vandoor ging. Tijdens die ruzies dacht zij er meestal aan dat hoe langer twee mensen bij elkaar waren, hoe onmogelijker het werd. Als ze drie dagen niet tegen hem sprak, tenminste niets beschaafds tegen hem zei, leek het alsof de sfeer haar hersens aantastte, alsof ze nooit meer in staat zou zijn om iets duidelijk onder ogen te zien zonder wanhopige pogingen te doen. En als ze drie dagen lang niets anders deed dan tegen hem praten, was dat net zo’n ellende die misschien nog grotere schade aanbracht, want geen van beiden had nog een goed woord over de ander.
Maar deze herinneringen verdwenen zodra ze aan Mark dacht, en dan voelde ze zich bijna gelukkig. Toen kwam hij terug.
Hij voelde de zachte, midzqmerse warmte en een aangenaam briesje waarvan het minieme geluid verdronk in het eindeloze bruisen van de branding. Voor de eerste keer van zijn leven had hij niet alleen vrede met de wereld, maar ook met de mensen in die wereld. Ergens achter zijn gesloten ogen klonk het gekletter van de kinderschepjes op de stenen. Hij kon met geen mogelijkheid langer stilstaan bij de ellende die uiteindelijk dit geluk had veroorzaakt. De zee sloot alle onnodige beschouwingen uit. Het ritme van de zee scheidde hem van alles wat in de verleden tijd ooit macht over hem had uitgeoefend. Hij lag op een pier, en de stenen onder hem waren het enige dat hij bezat. Hij stak zijn hand uit en voelde Jeans dij, tastte hoger totdat hij een teder kneepje in haar hand kon geven. Je ging naar zee opdat de zee je kon opeisen, maar dat gebeurde nooit, nooit plukte hij je uit de breekbare schelp van leven en geluk die je door een soort wonder had ontdekt, nooit sleepte hij je terug in de dodelijke diepte die nu achter je lag. Dat kon niet meer. Dat wisten ze allebei zeker. Je was dromerig, en je had een kalm zomerdagje uitgekozen om hier te liggen, waar gevaar ver van je was.
Jean kwam overeind om hun voedsel uit te zetten en hij hoorde hoe de kinderen hun schepjes neergooiden en naderbij kropen zonder op te staan. ‘Mark,’ zei ze, ‘ik krijg de doppen van die flessen niet los.’
‘Sla er met een steen op. Dan wil het wel.’
Ze gooide een steentje tegen zijn schoen. ‘Als je niet overeind komt, geef ik je een zoen, luie rotzak.’
‘Zoen me dan.’
Ze boog zich over hem heen, de zee op haar lippen, haar haar een zwart scherm tegen de zon toen hij zijn ogen open deed. ‘Gisteravond in bed wasje anders zo lui niet.’
‘Die matras was ook zo hard.’ Schreeuwend sprong hij op toen ze hem venijnig in zijn ribben porde, ging op zijn knieën zitten om de doppen los te schroeven. Hij kon niet naar de steentjes en aarde waarop ze zaten kijken, maar staarde wat over zee terwijl hij al zijn kracht aanwendde, naar de verre grijze golfslag die lucht en aarde scheidde, naar de dichtstbijzijnde zee arm die omzoomd was door grijs brakhout en gebroken witte klippen. Van de honderd pond die hij gespaard had, hadden ze voor twee weken twee kamers kunnen huren op een half uurtje lopen landinwaarts, aan de rand van het stadje, maar met een weids uitzicht op zee.
’s Nachts als de kinderen sliepen, gingen ze naar het strand, liepen langs de vloedlijn en langzaam terug terwijl de hemel in brand stond en de zee bloed-zwart en glad was, liepen op blote voeten naar de branding en stonden hand in hand onder het gekrijs van nachtvogels.
Als ze samen naakt in bed lagen, met boven hen een brandend peertje, hij in haar en samen verbonden in de rust na de liefdesdaad, dacht hij dat haar ogen verwrongen waren van pijn, tot hij besefte dat het een schimmenspel was van het peertje daarboven dat door de pieken van haar haar scheen en schaduwen maakte op de huid rond haar gesloten ogen. De nachten werden één nacht, de dagen één dag nu de vakantie afliep. De kinderen zouden zich de dagen heugen, maar zij alleen de nachten. Ze voelde de warme stevigheid van zijn schouders en rug, het ontspannen vlees van zijn billen. Alles was ontspanning, en liefde, en stilte, en zij vroeg zich af wanneer dat uiteen zou spatten in de geweldige kleuren van de chaos, glimlachte toen om haar pessimisme en klampte zich vast aan de hoop dat dat nooit zou gebeuren.
‘Ben je gelukkig, schat?’ vroeg hij, haar stemming aanvoelend, want hij durfde dat nooit te vragen als hij wist dat het niet zo was.
‘O ja. Jij dan?’
Ze rolden op hun zij. ‘Nooit ben ik zo gelukkig geweest,’ zei hij. ‘Dat weet je.’
‘Dat weet ik.’
Het regende toen ze de volgende dag op de trein stapten, een zachte zomerbui uit lage wolken, waardoor ze gelukkiger waren dan wanneer ze de kust bij stralend weer hadden moeten verlaten. ‘Als ik hard spaar,’ zei hij, ‘kunnen we hier volgend jaar weer heen.’
‘Hoeveel maanden is dat?’ vroeg Paul, die met zijn schep in de vloer van het compartiment probeerde te graven. Mark zei het hem.
‘En hoeveel weken is dat dan?’
‘Zo’n vijftig weken.’
‘En hoeveel minuten is dat dan?’
Hij greep zijn pen en schreef in de marge van zijn krant. ‘Eenentwintig duizend,’ lachte hij.
‘Ik zal ze tellen,’ zei Paul, terwijl de trein in beweging kwam en hij tegen zijn moeder aanviel.
Het hek stond overeind, en de rozestruiken ook. Ieder takje zat vol verborgen doornen tussen de laatste overblijfselen van de voorbije bloei. Ruim een jaar was voorbijgegaan en een smerige wintervorst lag over de fabrieken en huizen. Het fabrieksterrein nam meer ruimte in beslag dan de huizen. Aan de andere kant van Ilkeston Road werden hele straten opgeruimd, een blauwdruk van betegelde toegangswegen kwam bloot te liggen. Blokken flats, mager en hoog op de heuvel in de richting van Canning Circus, stonden als haarpieken recht overeind als verstijfd om een of andere verschijning aan de horizon die geen menselijk oog kon zien omdat de mens niet van beton en balken, ramen en hout was gemaakt. Zulke flats hadden nu de plaats ingenomen van de krotten die jarenlang de bloei van madeliefjes hadden tegengehouden, dacht hij toen hij naar huis reed, op weg naar zijn avondmaal.
‘Thuis’ was de plek waar Jean en haar kinderen eens met haar man hadden gewoond, en waar hij nu van ze mocht wonen, hoewel niet als man en vrouw, want zijn bed stond in het zijkamertje. ‘Ik zie niet in waarom we de slaapkamer niet zouden delen,’ zei hij.
‘Ik wel,’ gaf ze terug. ‘Ik heb privacy nodig.’
Toen ze na hun sublieme zomervakantie aan zee terugkwamen in Nottingham, was het effect totaal anders geweest dan hij had verwacht. Door de roes van die vakantie scheen hun gespannen behoefte aan elkaar gebroken te zijn. Hij had gedacht dat het het begin van een rijk, vol leven met elkaar zou zijn, maar in plaats daarvan bleek het het toppunt van genegenheid en intimiteit te zijn geweest van waar ze nu langzaam afdaalden, door de een of andere passiviteit in Jean. Hoewel het haar niet kon schelen of de buren dachten dat zij en Mark samenleefden, scheen ze toch bang te zijn om dat echt in praktijk te brengen.
Bij tijden had ze er spijt van dat ze ‘een kostganger’ had genomen, hoe nuttig en liefdevol hij ook was. Hij was kalm en teder, niets bracht hem uit zijn doen, of het eten nu niet klaar was of dat de kinderen aan hem hingen en met hem solden na lange overuren. Hij was een en al goedheid. Hoe hij ook geboren was, in zijn latere leven had hij een gelijkmatigheid gevonden waar hij niet van afweek. Die goedheid van hem gaf haar steeds meer schuldgevoelens om de manier waarop ze haar man het huis had uitgedreven — hoewel ze in haar hart wist dat hijzelf daar evenveel schuld aan had gehad als zij.
Mark kwam ’s avonds thuis met een brede glimlach omdat zij er was, en dan stond ze op van tafel en probeerde zijn blijdschap te evenaren, maar ze voelde zich altijd wanhopig onbehaaglijk als de kinderen erbij waren. Als die buiten speelden, stond ze niet eens op. Omdat hij zich zo gelukkig voelde, waren haar slechte buien een marteling voor hem. Als hij vroeg wat eraan scheelde, en ze kon hem geen antwoord geven, bewees dat hem alleen maar dat hij in dit huis overbodig was.
‘Ik moest maar weg,’ zei hij laat op een avond.
Ze sprong op. ‘Nee Mark, dat meen je niet, dat meen je niet.’
‘Wat moet ik anders?’
‘Blijven, bij me blijven. Ik zou het niet kunnen verdragen als je wegging.’
Hij nam haar in zijn armen. ‘Ik wil helemaal niet weg. God weet dat dat het laatste is dat ik wil. Ik zou het niet kunnen. Maar waarom ben je dan niet gelukkig, schat?’
‘Je bent veel te goed,’ zei ze, terwijl haar tranen zijn gezicht tegen het hare natmaakten. ‘Je bent veel te goed voor me, Mark. Ik verdien dit niet.’
‘Welwaar,’ zei hij, vechtend tegen zijn eigen tranen. Hij vroeg zich af waarom hij volgens haar dan te goed was, maar er scheen geen tijd te zijn om daarbij stil te staan. ‘Jij verdient al het goede dat jou overkomt,’ ging hij verder, als een smeekbede dat ze toch in vredesnaam zou accepteren wat hij te bieden had. Maar ze bleef huilen, alsof de wanhoop zich als een mosgroene maan in haar hart had genesteld en ze die nooit meer kwijt zou kunnen raken. Het was moeilijk haar te troosten, onmogelijk haar te bereiken, maar hij omarmde haar en streelde haar haar, zei dat hij van haar hield, van haar hield, dat hij haar mooi vond, geweldig, de vrouw van zijn leven. Maar hij voelde zich leeg, wist dat hij dit alles op het verkeerde moment zei, dat niets tot haar doordrong, want ze was onbereikbaar voor hulp en sympathie, onbenaderbaar. ‘Ga maar weg,’ kreunde ze, ‘ga maar weg.’
‘Dat kan ik niet, nooit.’
‘Ga bij me weg, ga weg.’ Het was niet de eerste keer dat ze zo over haar toeren was, maar deze keer trok hij het zich zo hevig aan dat hij dacht dat zijn hart uit zijn lijf zou barsten; zozeer leed hij zelf onder deze manifestatie van haar ongelukkige verdriet, dat hij haar op geen enkele manier kon helpen. Ze had zoveel, alles als je bedacht dat er verder niets meer was dat zij zou kunnen bereiken of naartoe leven.
Soms kwam haar zuster op de kinderen passen en dan gingen ze naar een goeie film, of liepen pratend en hand in hand door de straten, gingen later een café in om zich in een hoekje te verliezen in hun gezamenlijk geluk. Ieder weekend namen ze de kinderen mee op een boottochtje naar Beeton of op een picknick aan de andere kant van Catstone Hill. Hij deed niet alleen zijn best met de kinderen, maar genoot daar zelf zo van dat het hem geen enkele inspanning kostte. Dit voelde ze en ze hoopte dat wanneer hij zich zo uitsloofde, hij wonderen kon verrichten zodat haar leven toch de moeite waard was. Als zij niet alles kon hebben, was de wereld een woestijn in het holst van de nacht waar ze nooit uit zou komen.
Tegenover haar ontroostbare wanhoop stond hij machteloos. ‘Maak je toch niet zo van streek, Jean. Wat is er toch? Hoe kan ik je helpen?’
Het feit dat hij dat vroeg, betekende dat hij haar helemaal niet kon helpen. ‘Ik weet het niet,’ zei ze, ‘ik ben altijd bang. Er is iets mis, en ik weet niet wat. Ik weet niet eens waarom ik eigenlijk leef. ’
‘Moet er dan een reden zijn? Waarom zou je die moeten weten? Ik weet het ook niet, maar mij kan het niet schelen.’
‘Natuurlijk kan het jou niet schelen. Daarom ben je ook goed!’ Haar gehuil klonk door het huis, alsof ze opzettelijk gepest werd door een ongevoelige aanwezige. Maar het kwam allemaal uit haarzelf voort, dacht hij, haar steviger omarmend. De marteling van deze hulpeloosheid kreeg ook op hem vat, het feit dat zijn egoïstische liefde niets kon aanrichten tegen de onverklaarbare lijdensweg die zij aflegde en die hem onverdraaglijk was. Het ging hem door merg en been en hij begon ook te huilen, bezeten van een spijt dat hij Jean niet kon volgen in dit verdriet dat haar van hem wegnam en waaraan hij geen deel mocht hebben.
Ze hielden elkaar heftig vast, zaten op de grond en huilden hardop.
Op een ochtend stond hij op en bakte een ei voor zijn ontbijt. Jean werkte niet meer, en voordat hij het huis uitging bracht hij haar altijd een kop thee.
Buiten viel een miezerige, zwarte ochtendbui. Het raam klapperde. Het was jammer om eruit te moeten, toch ging hij graag naar zijn werk waar hij de hele dag werd opgeslokt door lawaai en houtkrullen, terwijl hij eindeloze rijen deuren en ramen in elkaar zette. Zijn werk was ook minder eentonig geworden omdat hij nu het hoofd van hun afdeling was, een onofficiële voorman wiens positie nog niet door de directie was bevestigd omdat zij zijn opslag zo lang mogelijk wilden uitstellen. Maar die opslag kwam er wel, hoewel hij nu al de nadelen zag omdat zijn gesprekken met vrienden minder joviaal waren geworden dan vroeger. Toch was dit een beter leventje, ook al timmerde hij zelf nog wel mee om er zeker van te zijn dat de opdrachten van die dag prompt ’s avonds klaar waren.
De traptreden kraakten toen hij met het blad naar boven ging. De kinderen logeerden een weekje bij haar zuster, en de afgelopen nachten hadden zij samen in haar bed geslapen. ‘Ik moet naar m’n werk,’ zei hij, zijn mond naast haar oor.
Haar witte schouders en de roze bandjes van haar nachthemd glansden in het licht van het bedlampje, haar lange donkere haar uitgewaaierd over het kussen. Ze deed haar ogen open en ze zag hoe zijn magere gezicht naar haar glimlachte, een onzekere glimlach omdat hij nooit zeker wist in welke stemming zij wakker werd. Hun gezichten waren als twee boekomslagen, en toen ze tegen elkaar waren aangedrukt scheen alles daartussen verzameld te zijn en niets kon nog ontsnappen. Ze kusten elkaar lang, wat zeldzaam was op hun ochtenden. ‘Goed geslapen?’ vroeg hij, terwijl hij de thee voor haar inschonk.
‘Heerlijk,’ glimlachte ze.
‘Dan wordt het een fijn dagje voor je.’
Ze bedacht hoe goed zijn gezicht toch was, hoe knap en mager, vol intelligentie en gevoel en alles waarmee een vrouw gelukkig kon zijn. Ze voelde zich rustig en behaaglijk. ‘Blijf vandaag thuis.’
‘Ik laat me door een beetje regen niet tegen houden,’ glimlachte hij.
‘Oké. Nog een kusje voor je gaat.’
Toen hij ’s avonds thuiskwam, zag hij aan het einde van de straat al dat de luiken dicht waren. De poort zat op slot, sloot hem buiten. Het was schemerdonker en een scherpe wind floot tussen de huizen door alsof hij de achtertuinen wilde schoonvegen. Uit het verlichte buurhuis klonk een radio. Hij staarde, alsof hij door die bakstenen kon heenkijken, verstijfd in zijn wanhopig gepieker. Zometeen gingen de lichten gewoon aan en het slot bleek niet op slot te zitten en hij zou de holle stem van de televisie horen, en als hij de achterdeur dan opendeed zou ze daar heel gewoon zitten omringd door de warmte die zij voor zichzelf hadden geschapen.
In doodse stilte liepen hem een man en vrouw voorbij en gingen een huis iets verder in de straat binnen. Hij duwde tegen het hek alsof hij zijn vingers wilde breken. Het was onwrikbaar. Toen zette hij zijn volle gewicht tegen de omheining, alsof hij alle paaltjes door midden wilde breken. Hij gromde en kreunde, wendde alle kwaadaardigheid die in hem was aan, totdat zijn schouder als gebroken aanvoelde. Maar de omheining stond fier overeind, onvermurwbaar. Toen hij naar de tuin keek, zag hij dat de rozestruik verrot was en dat de uiteinden van de takken verdorden, maar hij herinnerde zich zijn schoonheid, de vallende bloembladeren, een krans van bladeren en roze stippen op de grond.
Toen liep hij naar het huis van de buren en klopte aan. ‘Waar is Jean?’ vroeg hij, zodra het licht uit de keuken over hem heenviel.
‘Het spijt me zo,’ zei mevrouw Harby. ‘Haar man heeft haar vanmiddag met een taxi opgehaald. Ze heeft je koffer bij mij achtergelaten. Wil je een kop thee?’
‘Was er verder nog iets?’
‘Ik heb in een wip de thee klaar, als je wilt.’
‘Nee, bedankt.’
Ze haalde een brief uit haar schortzak. ‘Die moest ik je geven, ’t Is zonde, meer kan ik er ook niet van zeggen.’
Hij balanceerde de zware koffer op het stuur van zijn fiets. Waarom was ze zo weggegaan, zonder een woord te zeggen? Als hij met haar had kunnen praten, zou ze het nooit gedaan hebben. Ze hadden voor altijd van elkaar kunnen houden maar toen ze de drempel van een volkomen bevredigend leven bereikten, hadden ze daar niet overheen gedurfd. Maar hij wist het niet. Je wist het nooit, en hij vroeg zich af of je dan je hele leven door moest gaan zonder het te weten, en tegelijkertijd besefte hij dat deze gedachte iets te maken had met de reden waarom zij hun wereldje had opgeblazen en hem verlaten had.
Hij zette zijn fiets tegen een muur en de koffer ernaast. Straatlantaarns verlichtten de glooiende, betegelde straat. Niets had hem ooit zo volkomen afgedaan geleken. De fabrieksgeluiden zeurden in zijn hoofd, een kleine verlichting van de pijn.
Hij liep naar de volgende lantaarn en verscheurde de ongeopende brief in het schijnsel in zoveel mogelijk snippers, balde ze in zijn vuist boven zijn hoofd. Toen zijn arm pijn ging doen, spreidde hij zijn vingers. De wind griste de snippers weg, sleepte ze mee in de donkere avond achter de lantaarn, zo snel en licht alsof honderd vogels wegvluchtten voordat het begon te sneeuwen. Hij bleef daar nog een tijdje staan, balde opnieuw zijn vuist. Na een poosje liep hij verder.