HOOFDSTUK 8

 

 

 

De volgende morgen hing Emma een beetje rond in het kamp in de hoop om Stewart te zien. Langzaam slenterde ze langs de huizen van de mensen die in het kamp werkten en daarna naar de winkel.

In de winkel zag ze Lance en vrolijk riep ze: ‘Hallo. Hoe gaat het met jou vandaag?’

‘Nog beter nu ik jou weer zie, schatje. Moet je er niet op uit vandaag?’

‘Ik ga straks. Ik ben een beetje lui vanochtend.’

‘Als je op zoek bent naar Stewart’ - hij keek haar met een geamuseerd gezicht aan - ‘die is er niet.’

‘Oh!’ Ze was van haar stuk gebracht door zijn direktheid. ‘Ik... ik was niet naar hem op zoek.’

‘Neem me niet kwalijk, liefje. Ik dacht dat je dat het grootste gedeelte van je tijd deed. ’

‘Allemachtig, Lance!’ Ze vond het vervelend, maar vroeg zich tegelijkertijd verwonderd af of haar gevoelens inderdaad zo duidelijk zichtbaar waren. ‘Ik denk dat ik mijn dagen wel kan doorbrengen zonder dat jij tot die vreemde konklusies komt.’

‘Goed, schatje.’ Hij plaagde haar weer. ‘Alsjeblieft geen feministische toespraken meer. Ik zou al meer dan blij zijn wanneer ik wist dat je je niet steeds afvroeg waar Stewart uithing.’

‘Dat doe ik niet,’ herhaalde ze geërgerd. ‘Kunnen we niet over iets anders praten.’

‘Natuurlijk, maar als jij er een leuke dag van wilt maken, zou ik me maar niet te zeer vermoeien.’

‘Waarom niet?’

‘Er wordt vanavond een film vertoond.’

‘Oh!’ Ze was onmiddellijk op haar hoede.

‘Heb je zin om er met mij heen te gaan, Emma?’

‘Ik kan niet, Lance. Het spijt me.’

‘Je hebt al een afspraak?’

Ze knikte.

‘Stewart?’

‘Ja.’

‘Ik begrijp het.’ Lance’s gezicht was opeens een strak en koel masker geworden en zijn opgeruimde bui was voorbij. ‘Goed, Emma. Ik zie je nog wel.’ Hij draaide zich om en ging weer aan het werk, en Emma liep, geïrriteerd door zijn kinderachtigheid, de winkel uit.

Ze slenterde naar het plaatjes bij het hek bij de rivier, waar ze zo van was gaan houden. Met haar kin op haar handen staarde ze over de rivier de wildernis in. Ze dacht na over het gesprek met Lance. Was het voor anderen dan zo duidelijk wat ze voor Stewart voelde? Voelde Stewart misschien hetzelfde voor haar? Begon het zo langzamerhand geen obsessie voor haar te worden?

Ze was zo verzonken in haar gedachten dat ze niet gemerkt had dat er iemand aan was gekomen, totdat ze een stem hoorde zeggen: ‘Hallo, Emma.’

‘Johnny!’ Ze draaide zich om en was meteen een stuk vrolijker. ‘Ik heb je helemaal niet horen aankomen.’

‘Dat weet ik. Je was wat mijn moeder noemt, in een andere wereld.’

‘Maar nu ben ik weer terug,’ zei ze opgewekt. ‘En op tijd ook. En Johnny, heb je zin om mee te gaan rijden?’

‘Dolgraag,’ zei hij enthousiast.

‘Zullen we dan over tien minuutjes bij mijn auto afspreken?’ Ze ging naar haar kamer en terwijl ze de camera’s pakte, zag ze de tekening en de prachtige plant naast het bed. Ze hing de camera’s over haar schouder, stopte nog een stuk biltong in haar tas en ging naar de auto.

‘Waar zullen we heen gaan vandaag, Johnny?’ vroeg Emma toen ze het kamp uit reden.

‘Maakt niet uit. Ik vind alles leuk,’ zei hij nonchalant.

‘Betrapt!’ Ze draaide zich lachend naar hem toe. ‘Ik zie een tekenpotlood uit je zak steken. En dat daar zou best eens een tekenblok kunnen zijn.’

‘Ik kan je ook nooit voor de gek houden,’ zei hij en moest ook lachen.

‘Zullen we dan maar naar de nijlpaarden gaan.’

Terwijl ze er heen reden, babbelde de jongen er vrolijk op los, zodat Emma’s goede humeur al snel helemaal terug was.

‘Hoe gaat het met je tekening?’ vroeg ze aan Johnny.

‘Dat gaat goed. Ik heb al een heleboel details uitgewerkt, maar er moet nog veel gebeuren.’

‘Ik ga graag naar de nijlpaarden,’ zei Emma. ‘Het is één van mijn lievelingsplekjes. Je vader heeft vast en zeker wel iets belangrijkers te doen dan naar de nijlpaarden te gaan.’

‘Ja.. . en helemaal op dit ogenblik. ’Hij trok een ernstig gezicht.‘Ze zijn achter die olifant aan, die in de valstrik is gelopen.’

‘Ik heb zoiets gehoord,’ zei Emma. ‘Is hij al gevonden?’

‘Nog niet, maar ze denken wel dat ze hem op het spoor zijn. Ze zijn er vandaag weer achter aan.’

‘Wie zijn zij, Johnny?’

‘Allemaal parkopzichters en anderen die ook helpen zoeken.’

‘Je vader?’

‘Ja, mijn vader is er en Stewart ook.’

‘Oh!’ verzuchtte Emma.

‘Daarom ben ik niet bij mijn vader vandaag,’ legde Johnny uit. ‘Ze zijn al heel vroeg op pad gegaan. Een gedeelte van de tocht gaat te voet door de jungle. Mijn vader zegt dat ik nog te jong ben voor dat soort dingen.’

Ze brachten een heerlijke rustige dag door bij het meertje met de nijlpaarden. Johnny werkte aan zijn schets en Emma lag op de rotsen en genoot van de zon op haar lichaam en van het gebabbel van Johnny.

Het was al laat in de middag toen ze weer terug kwamen in het kamp en Emma vroeg zich af of de parkopzichters al terug waren. Johnny was gaan kijken of zijn vader er al was en kwam terug met het nieuws dat de mensen nog steeds weg waren. De poort zou weldra dicht gaan en naar alle waarschijnlijkheid zouden ze de nacht in een ander kamp doorbrengen.

Emma voelde zich teleurgesteld. Ze had zich er zo op verheugd de avond met Stewart door te brengen. Ze vroeg zich bovendien af of hij niet in gevaar zou zijn. ‘Heb je zin in een braai met mij, Johnny?’ vroeg ze aan de jongen.

‘Oh, Emma, dat zou ik heerlijk vinden, maar mijn moeder wacht op me.’

Emma was niet in de stemming om uitgebreid voor zichzelf te koken en daarom maakte ze iets eenvoudigs klaar. Overal rondom zich zag Emma de kleine vuurtjes, ze rook de prikkelende geur van het vlees en ze hoorde de opgewonden stemmetjes van de kinderen, zodat ze zich opeens eenzaam voelde en een beetje buitengesloten.

Na het eten deed Emma nog even het afwasje en begon een wandeling door het kamp. Omdat er een film zou komen, waren de meeste mensen eerder klaar met eten dan anders. Met kleedjes en kussentjes gingen ze naar de open plek waar het scherm al klaar stond voor de vertoning.

Nadat ze een plaatsje had gevonden in de openlucht - bioscoop, ging ze zitten en maakte het zich gemakkelijk. Geamuseerd en belangstellend keek ze in het rond. Hoewel het niet voor het eerst was dat er een film gedraaid werd, hing er altijd een atmosfeer van spanning en opwinding op deze avonden.

Ineens merkte ze dat er iemand bij haar stond. Ze keek op. Het was Lance. ‘Helemaal alleen?’ vroeg hij op een vreemde verbaasde manier.

‘Ja.’

‘Heeft je verloofde je in de steek gelaten?’

‘Oh, Lance, je bent onmogelijk!’ Ze lachte naar hem, vastbesloten er niet serieus op in te gaan. ‘Stewart is er vandaag op uit geweest om een gewonde olifant op te sporen. Ik denk niet dat hij daar rekening mee had gehouden toen hij me gisteren voor de film vroeg.’

‘Hm.’ Lance keek haar opmerkzaam aan. ‘Goed, wat voor andere ondeugden ik dan ook mag hebben, ik ben niet iemand die lang wrok koestert. Mag ik bij je komen zitten?’

‘Natuurlijk.’ Ze was blij dat hij er was. Ondanks haar besluit om toch naar de film te gaan, ook al was ze alleen, wist ze dat het toch leuker was in gezelschap. Bovendien was ze op Lance gesteld. Ondanks zijn bij vlagen kinderachtige gedrag was hij aardig en onderhoudend. ‘Ik zou het erg fijn vinden als je hier kwam zitten.’ Ze zag dat hij een kleedje bij zich had. ‘Sta eens even op,’ zei hij en toen ze dat deed, legde hij het onder hen neer. ‘Gemakkelijker zo?’ ‘Inderdaad.’ Ze glimlachte en opeens wist ze dat ze van de avond zou genieten.

Eindelijk begon de film. Het was een documentaire over het leven van de bijen. En daarna kwamen er nog twee andere films.

Het was een lange dag geweest, evenals de dag ervoor. Emma had zich eigenlijk nog niet gerealiseerd hoe moe ze was. Hoewel ze de films er goed vond, werden haar ogen steeds zwaarder en begon ze te knikkebollen. ‘Ik denk dat ik maar naar bed ga, Lance.’

‘En mij hier helemaal alleen achterlaten?’

‘Oh, Lance, ik ben zo moe!’

‘Och, Emma, blijf nog even. Er komt zo een nieuwe film, blijf toch.’

‘Oh... goed dan.’ Ze leunde tegen hem aan en liet haar hoofd tegen zijn schouder rusten. Ze probeerde haar ogen open te houden en naar de film te kijken.

Ze wist niet wanneer ze precies in slaap gevallen was. Toen ze wakker werd, was de film afgelopen. Haar hoofd was iets meer opzij gevallen en ze lag nog steeds tegen de borst van Lance. Tegenover haar rees de gestalte van een man op.. . Stewart!

‘Oh!’ zei ze en de adem stokte haar in de keel. Met een ruk ging ze overeind zitten. ‘Stewart! Ik dacht dat je niet terug gekomen was.’

‘Dat zie ik,’ zei hij grimmig.

‘Stewart.. .’ Ze wist hoe het er voor hem uit moest zien, zoals hij daar naar hen stond te kijken. Zij samen op het kleedje en zij met haar hoofd tegen de borst van Lance.

‘Ja?’

‘Ik weet dat ik tegen je gezegd had dat ik met jou naar de film zou gaan, maar je was er niet... ik zat hier alleen en toen is Lance bij me komen zitten ...’ Ze hield op met spreken, want ze realiseerde zich dat ze de situatie alleen maar ingewikkelder en daardoor erger maakte. Trouwens, schoot het door haar heen, waarom verontschuldigde ze zich eigenlijk. Ze had niets fout gedaan. Het was niet juist om je dan te verontschuldigen, hadden ze haar wel eens verteld. Het was dan alsof je toegaf dat je fout was.

ik begrijp niet waarom we hier allemaal zo moeilijk doen,’ zei ze nijdig.

‘De enige die moeilijk doet, ben jij,’ merkte Stewart rustig op. ik geloof dat ik niets gezegd heb - en Lance ook niet.’

‘Het is de manier waarop je kijkt - alsof ik iets verkeerd gedaan heb. Ik heb naar je gezocht, maar ik dacht dat jullie nog niet terug waren.’

‘We zijn pas heel laat teruggekomen. De poorten waren al lang dicht.’

‘Dat wist ik niet. En ... en... ik zag je helemaal niet.’

‘Ik moest nog iets bespreken.’

‘Oh ... de olifant.’ Ze herinnerde het zich opeens.

‘Hebben jullie hem gevonden?’

‘Ja, we hebben hem gevonden.’

‘Was hij in orde?’

‘Zijn halve slurf was er af getrokken door de valstrik. Hij was er slecht aan toe.’ Hij sprak op de kalme, ongevoelige toon, die zij haatte.

‘Wat hebben jullie met hem gedaan?’ vroeg ze.

‘We hebben hem neergeschoten.’

‘Oh, wat verschrikkelijk... wat verschrikkelijk.’ Ze hield haar hand voor haar mond.

‘Ja.’ Hij keek hen allebei nog een moment ongevoelig aan, als als een volslagen vreemde. Daarna wenste hij hen een goede nacht en liep weg.

‘Wel,’ merkte Lance op toen Stewart weg was, ‘hij is wel charmant, die aanbidder van je.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Hij kan niet zoveel hebben, geloof ik.’

‘Ja... Nee ... Ik had beloofd dat ik bij hem zou zijn vanavond,’ legde ze uit.

‘Maar je dacht dat hij er niet was. En je wilde niet alleen gaan.’ ‘Dat is waar.’

‘Dus deed je een beroep op mij, de eerste reserve.’

‘Dat is onzin. Je weet dat dat niet waar is.’

‘Weet je dat wel zeker, Emma?’

Ze keek hem aan. Door haar hoofd speelde de gedachte dat wat hij zei gedeeltelijk waar was. Ze vond hem aardig en was op zijn gezelschap gesteld, maar haar gevoelens voor Lance en die voor Stewart konden eenvoudig niet met elkaar vergeleken worden. Je kon maar van één man houden. De andere konden vrienden zijn - goede vrienden, maar verder niets.

‘Zoals jij het zegt, klinkt het zo naar. Ik heb je nooit als een soort reserve of plaatsvervanger beschouwd.

‘Maar je houdt niet van me.’ Het klonk eerder als een mededeling dan als een vraag. ‘Het is jammer, Emma. Omdat je van een man houdt die nooit van jou zal houden. Ik heb je daar de eerste dag al voor gewaarschuwd. Herinner je je het nog?’

Emma gaf geen antwoord. Ze stond op en zei: ‘Ik denk dat het tijd wordt om naar bed te gaan.’

Lance bracht haar naar haar hut. Onderweg namen ze nog een kop chocola uit één van de koffie-automaten.

Ze kleedde zich vlug uit, want het was al behoorlijk koud geworden. Ze deed haar pyjama aan en voordat ze in bed kroop, keek ze nog even naar de plant die op het nachtkastje stond.

Ze kon niet meteen slapen en luisterde naar de geluiden van buiten. Ze hoorde het geluid van miljoenen sjirpende krekels.

Wat had Stewart gedacht toen hij Lance en haar zo had zien zitten? Wist Lance dat Stewart terug gekomen was en dat hij nog iets moest bespreken? Natuurlijk niet, want zelfs Johnny wist niet of de mannen terug waren. Maar ergens voelde ze dat Lance het geweten moest hebben...