HOOFDSTUK 1

 

 

 

‘Wat mooi,’ zei Emma Anderson opgewonden. Ze bracht de auto tot stilstand, draaide het raampje naar beneden en keek naar het idyllische stuk wildernis om haar heen.

Op de open plek, omringd door acacia’s met hun schaduwrijke bladerkroon, graasde een kudde reeën - impala’s, zoals ze deze dieren weldra zou noemen. Ze bogen hun sierlijke halzen naar het gras, waarbij ze hun oortjes licht bewogen, en leken haar nauwelijks op te merken.

Slechts één der dieren, groter dan de anderen en met een krachtig lijf en hoorns - vermoedelijk de vader, dacht Emma - stond waakzaam naar haar te kijken. Alsof hij voldaan had vastgesteld dat zij ongevaarlijk was, ging hij even later door met grazen.

Hier moet ik een foto van nemen, dacht Emma. Snel greep ze de camera, die op de stoel naast haar lag. Wat een prachtig begin van mijn reis, dacht Emma. Ze moest zichzelf dwingen kalm te blijven, zo opgewonden was ze toen ze de lichtmeter in haar handen had. Vlug, anders waren ze er misschien alweer vandoor.

Eindelijk was ze klaar. Ze leunde uit het raampje, maar hoe ze de camera ook hield, het beeld zag er heel anders uit, veel minder fraai. Ze zag de grote bok op de voorgrond, maar de jonge dieren en de mooie bomen wilde ze eveneens op de foto hebben.

Opeens wist ze wat er fout was - de hoek waaronder ze de foto wilde nemen. Ze moest een beetje meer naar rechts en wat dichterbij... Dan moest ze echter de auto uit.

Ogenblikkelijk schoot haar de waarschuwing te binnen die ze bij de toegangspoort had gekregen. Maar nee, dat zou te dwaas zijn. De waarschuwing om niet uit te stappen, gold zeker niet voor dit geval. Er was nergens geen gevaar te bespeuren en ze zou zich zeker niet ver van de auto wagen. Ze opende het portier, pakte de camera en terwijl ze uitstapte, realiseerde ze zich niet dat er inmiddels een auto aan was komen rijden.

‘Grote genade!’ riep ze uit. ‘U maakte me aan het schrikken!’

‘Wat denkt u hier eigenlijk te gaan doen,’ riep de man haar met een norse blik toe.

‘Gewoon een foto nemen. De reeën - ze zijn zo mooi..

‘Kan dat soms niet vanuit de auto?’

‘Nee, eigenlijk niet, want dan heb ik niet de juiste hoek, begrijpt u.’

‘Dat begrijp ik eigenlijk niet. Zegt u mij eens, miss, nu we het toch over begrijpen hebben, hebt u misschien de waarschuwingsborden niet begrepen?’

‘Ja, natuurlijk. Maar hier zijn uitsluitend reeën. Hoe dan ook,’ vervolgde ze, terwijl zijn afkeurende blik haar bloed sneller deed stromen, ‘u had het recht niet om me zo te besluipen. U maakte me werkelijk aan het schrikken.’

‘U dacht misschien dat een leeuw wat attenter zou zijn,’ vroeg de man sarkastisch.

‘Een leeuw?’ reageerde ze ontsteld.

‘Ja, er zijn leeuwen in het Kruger National Park, dame.’

‘Dat weet ik wel, maar...’

‘Maar u denkt dat ze hier in geen velden of wegen te bekennen zijn.’

‘Ja, inderdaad,’ antwoordde ze zelfbewust. ‘Ik heb nu al een flink eind door het Park gereden en dit zijn de eerste dieren die ik heb gezien.’

‘Achter dat bosje kan een leeuw zitten,’ zei hij en terwijl ze verschrikt om zich heen keek, vervolgde hij: ‘Hij zit er niet, maar het zou kunnen. En u zou het niet weten totdat hij te voorschijn sprong.’

‘Kom nu,’ protesteerde ze, terwijl ze probeerde kalm te blijven. ‘Het is zo vredig hier.’

‘Laat u niet misleiden door de rust en de stilte. Dit is Afrika, geen dierentuin. Het zit hier vol wilde dieren die dolgraag, en dat weet ik zeker,’ sprak hij lachend, ‘een stuk lief, zacht vlees zouden lusten.’

‘U gaat echt te ver,’ reageerde ze afgemeten.

‘Ik denk van niet. Bovendien staat er een forse boete op wat u zojuist hebt gedaan. Wees maar blij dat u er zo afkomt. En nu terug in de wagen en er niet meer uit voordat u in het kamp bent.’

De man, lang en met een door de zon gebruinde kop, stapte in zijn jeep en reed weg. Emma wachtte een paar minuten, startte

toen de motor en reed ook weg. Ze had absoluut geen zin die man nog eens tegen te komen.

Ze trilde nog helemaal na van het gebeuren. Ze was er meer van ondersteboven dan ze zichzelf wilde toegeven. De man had zich onuitstaanbaar grof, of liever gezegd aanmatigend, gedragen. Wat voor kwaads had ze tenslotte eigenlijk gedaan? Ze was nauwelijks een meter van de auto weggegaan en bij gevaar had ze er meteen weer in kunnen springen. Trouwens, de reeën zouden niet zo vredig aan het grazen geweest zijn als er gevaar had gedreigd. Nee, de man was gewoon naar tegen haar geweest.

Ze reed langzaam - de maximumsnelheid in het Park was vijfendertig kilometer per uur - en keek naar de bomen en de bosjes om zich heen. Af en toe stopte ze om naar een paar wrattenzwijnen te lachen of naar een giraffe te kijken, die vorstelijk en hooghartig aan blaadjes stond te knabbelen waar andere dieren niet bij konden. Vaak zag ze reeën - impala’s - in sierlijke bogen voor haar wagen de weg over springen.

Ik zal hier intens van gaan houden, dacht ze opeens. Drie maanden zou ze door dit fantastische gebied rijden. Uren doorbrengen bij de drinkplaats van de dieren, met de camera in de aanslag. Dit was eigenlijk meer vakantie dan werken.

De zon stond al hoog aan de hemel en Emma voelde zich hongerig toen ze na een bocht een aantal auto’s langs de weg zag staan.

Een ongeluk, dacht ze, maar toen zag ze dat de mensen ergens naar stonden te wijzen en dat anderen door verrekijkers tuurden.

Emma vroeg zich af wat er aan de hand was, want ze zag slechts enkele grazende impala’s. Ze stopte naast een kleine blauwe wagen. Door het raampje vroeg ze aan de vrouw achter het stuur:

‘Waar kijkt iedereen naar?’

‘Leeuwen!’ De vrouw wees op een groepje bomen.

‘Leeuwen?’

‘Drie. Daar achter de bomen.’

‘Maar ik zie daar helemaal niets,’ antwoordde Emma.

‘Dat klopt, ze liggen in het gras.’

Emma pakte haar verrekijker en tuurde naar het struikgewas.

‘Ik zie echt niets,’ riep ze.

‘Ze zitten er, ik zag daarnet hun manen.’

‘Echt waar?’

‘Ja, ik denk van wel, maar met al die lage takken en die mierenhopen weet je het nooit zeker. ’

Ongelovig staarde Emma naar het dichte struikgewas. ‘Hoe zijn jullie er eigenlijk achter gekomen?’

‘Wij niet. De mensen daar in die rode auto zagen ze het eerst. De leeuwen staken de weg over toen ze terugkwamen van de rivier. Misschien blijven ze nog wel uren op die plek liggen,’ verzuchtte de vrouw.

‘Nu, ik ben niet van plan zo lang te wachten. Ik ga naar het kamp.’ Voorzichtig manoeuvreerde Emma haar auto langs de stilstaande wagens. Ietwat teleurgesteld reed ze weg. Drie leeuwen achter een bosje - ze kon zich nauwelijks voorstellen dat er iets gevaarlijkers te vinden was dan de vlinders om haar heen.

Zonder te snel te rijden, vervolgde ze haar weg naar het kamp. Ze had de komende drie maanden nog alle tijd om rond te kijken. Nu wilde ze uitpakken, een bad nemen en iets eten.

Eindelijk bereikte ze Skukuza. Direkt nadat ze door de poort was gekomen, bracht ze de auto even tot stilstand om de sfeer in het kamp te proeven.

Juist toen ze weer door wilde rijden, merkte ze het gewroet in de grijze modder naast de wagen op. Ze wist niet wat ze zag. Wrattenzwijnen! In het kamp! Onmogelijk - en toch waren ze er, rollend in de natte modder bij de lekkende kraan. Er was niemand in de buurt. Misschien wist ook wel niemand dat ze er waren. Ze moest dit voorval snel gaan melden, voordat de beesten iemand zouden verwonden.

‘Ja, die wrattenzwijnen,’ zei even later de vrouw in het kantoor, met een vaag lachje. ‘Leuke beestjes, vind je niet? Ze zijn dol op dat plekje bij de kraan.’

‘Dus u weet dat ze er zijn?’ vroeg Emma. Eigenlijk een nogal domme vraag, vond ze zelf.

‘Ja. Dat groepje heeft ons helemaal geaccepteerd. Ze zijn gewend aan mensen en doen niemand kwaad.’ De vrouw rommelde wat in een stapel papieren. ‘Laat eens kijken. Ah, hier hebben we het al. Miss Emma Anderson. En u blijft drie maanden.’

‘Ja.’

‘Prachtig. U zult zich tegen die tijd bijna als één van ons voelen. De jongens zullen blij zijn met een nieuw gezicht.’

‘De jongens?’ vroeg Emma nieuwsgierig.

‘Parkopzichters en het personeel hier in het kamp. Miss Anderson, ik heb een leuke hut voor u. U mag werkelijk van geluk spreken dat hij vrij is. Ik zal even iemand halen die u er naar toe kan brengen en... Oh, daar is Lance Mason.’ Ze wachtte even tot de jongeman naderbij was gekomen. ‘Lance, zit je dienst er op? Oh, goed. Dit is Miss Emma Anderson, het meisje dat een paar maanden bij ons zal blijven. Wil je zo vriendelijk zijn haar even naar haar hut te brengen?’

‘Met het grootste genoegen.’ Hij glimlachte naar Emma en toonde daarbij zijn witte tanden in zijn fraai gebruinde gelaat. ‘Waar heb je je auto staan? Op de parkeerplaats? Laten we gaan.’

Een half uur later zat Emma op de brede veranda van het restaurant, uitkijkend over de rivier. Lance Mason had haar naar haar hut gebracht en haar uitgenodigd voor de lunch. Ze was nog maar net klaar geweest met uitpakken of hij verscheen al weer en daarna waren ze naar het restaurant gewandeld.

Nu, achter haar fruitsalade met ijs, voelde ze zich gelukkig en volledig op haar gemak. De vakantie atmosfeer in het Park stemde haar opgewekt. De ruime veranda zat vol met mensen, die ontspannen genoten van een drankje en elkaar vertelden wat ze die morgen gezien hadden. Het vlees werd in de openlucht bereid en de mensen stonden met veldkijkers naar de wildernis aan de overkant van de rivier te turen.

‘Geen dier te bekennen,’ zei Emma terwijl ze naar het panorama voor zich keek.

‘Denk je dat,’vroeg Lance lachend.‘Kijk daar .. . nee, daar waar ik met mijn vinger naar toe wijs. Zie je dat niet?’

‘Ik ... nee ... waar?’

‘Iets meer naar rechts. Ja, daar bij die bomen. Zie je dat bruine daar?’

‘Maar alles is daar bruin,’ protesteerde Emma.

‘Ja, maar je hebt bruin en bruin. Wat ik zie, is een giraffe. Zie je hem nu ook? Hij beweegt zich in de richting van de rivier.’

‘Komt hij hier naar toe,’ vroeg Emma opgewonden.

‘Waarschijnlijk wel, maar dat kan nog wel even duren. Ik denk niet dat hij haast heeft. Maar als je lang genoeg wacht, wie weet?’

‘In dat geval...’ Ze draaide zich naar hem toe. ‘Ik denk dat er heel wat wild moet zitten ...’

‘Je moet gewoon geluk hebben,’ legde Lance haar uit.

ik hoop dat ik dat inderdaad heb. Dat is de reden waarom ik hier ben.’

‘Dat wilde ik je net vragen,’ merkte Lance nieuwsgierig op. ik vroeg me af wat een Engels meisje - ja, dat had ik al uit je accent en de romige kleur van je huid opgemaakt - van plan is om drie maanden in dit park te gaan doen.’

Emma keek om zich heen en zei: ‘Een vriend van me is bezig met het schrijven van een boek. Hij geeft me gevraagd om daar de foto’s voor te maken.’

‘Weet je eigenlijk veel van dieren af?’

‘Erg weinig.’

‘Maar waarom... Neem me niet kwalijk, ik wil niet onbeleefd zijn...’

‘Ik weet niet veel van dieren,’ bekende Emma, ‘maar ik weet wèl wat van fotografie. En toen ik de kans kreeg, dacht ik dat het een leuke opdracht zou zijn.’

Ze hield op met spreken en dacht opeens aan Jimmy, met wie ze nu getrouwd zou zijn als... als. .. Maar och, het was nu eenmaal gebeurd en ze was niet van plan Lance er iets over te vertellen.

‘Denk je dat het me zal lukken,’ was alles wat ze zei.

‘Daar ben ik zeker van. Ik zal je als het even kan wel meenemen en zeggen waar je op moet letten.’

‘Wat lief van je. Ben je parkopzichter?’

‘Nee, ik help in de winkel en op het kantoor, van alles en nog wat,’ antwoordde hij met een vage glimlach.

‘Wat leuk.’ Ze lachte terug. ‘Mr. Mason ...’

‘Lance, als je wilt.’

‘En ik ben Emma. Lance, ik ben verbaasd over die wrattenzwijnen. Ik zag ze toen ik hier aankwam. Ik dacht dat er nooit dieren in het kamp kwamen.’

‘In de regel niet. Dit kleine groepje vormt een uitzondering. Skukuza zou niet meer hetzelfde zijn zonder zijn wrattenzwijnen. Maar hoe dan ook, als je naar de kleinere kampen wilt gaan, is het verstandig niet te lang buiten te blijven ’s avonds laat, wanneer de lichten uit en de vuren gedoofd zijn.’

‘Je bedoelt ‘Soms kan er wel eens een hyena over de omheining komen op zoek naar etensresten.’ Hij moest lachen om haar angstige blik. ‘Kijk niet zo bezorgd. Er gebeurd nooit iets met de mensen in het park.’

‘ Als ze zich aan de regels houden. ’ Emma en Lance keken beiden op naar de man die naast hun tafeltje stond.

‘Jij!’ Emma voelde dat het bloed naar haar wangen stroomde toen ze in het harde gezicht keek van de man die ze een paar uur geleden tegen was gekomen.

‘Steward? Emma,’ riep Lance, die niet wist wat hij met de situatie aan moest. Kijkend van de één naar de ander, vroeg hij: ‘Jullie kennen elkaar?’

‘We zijn elkaar... tegengekomen,’ was het antwoord. Grijze ogen in een gebruind gezicht keken uitdagend naar Emma. ‘Ik kan bepaald niet zeggen dat we aan elkaar zijn voorgesteld,’ voegde hij eraan toe.

Nadat Lance hen aan elkaar had voorgesteld, zei hij: ‘Ik begrijp het niet. Waar sloeg die opmerking over je aan de regels houden op?’

‘Ik liep toevallig langs jullie tafeltje en ving iets op van het gesprek.’ Met een gemeen lachje naar Emma zei hij vervolgens: ‘In dat verband leek de opmerking mij wel op zijn plaats. Er zijn écht wilde dieren hier, Miss Anderson. Als ik het goed heb, is er vanochtend nog iemand door de leeuwen verscheurd.’

‘Jij bent werkelijk de meest onmogelijke...’ barstte Emma los. Ze hield op omdat hij al weer wegliep. ‘Is hij altijd zo onbehouwen,’ vroeg ze even later, kijkend naar de verdwijnende, atletisch gebouwde man.

‘Hij is niet bepaald de parel der diplomatie, onze Stewart Bristow,’ merkte Lance op, terwijl hij haar nieuwsgierig gadesloeg.

‘Werkt hij hier?’

‘Hij is parkopzichter.’

Dan zou ze hem ongetwijfeld nog vaak tegenkomen!

‘Ik wist niet dat jullie elkaar hadden ontmoet,’ merkte Lance op.

‘Ik heb hem dan ook niet op een feestje leren kennen. Eigenlijk was het belachelijk. Vanochtend ..Emma biechtte op wat er gebeurd was. ‘Was dat nu echt zo gevaarlijk? Ik stond naast de auto.’

‘Laten we zeggen dat het niet erg verstandig was, Emma. Eigenlijk heb je nog geluk gehad dat je er zonder boete afgekomen bent.’ Geruststellend glimlachte Lance haar toe. ‘Kop op, meid. Tenslotte is er niets gebeurd en in het vervolg weet je wel beter. Ik heb vanmiddag vrij. Voel je iets voor een gezamenlijke rit? Misschien hebben we geluk en kun je een paar mooie foto’s maken.’

Emma zat voorovergebogen in haar stoel en keek opgewonden om zich heen toen ze het kamp uitreden. Bij de eerste splitsing sloeg Lance linksaf.

‘Ken je de weg door Lower Sabie?’vroeg hij.

‘Lower Sabie,’ riep ze uit. ‘Oh, ja. Daar heb ik van gehoord. Het is een van de mooiste stukken wildpark ter wereld. Rijden we daar doorheen?’

‘De tocht is nu begonnen, liefje.’ Hij haalde zijn hand van het stuur en greep de hare even beet. ‘Ik hoop dat je genoeg wild ziet om er voor te zorgen dat je deze eerste dag hier nimmer zult vergeten.’

‘Dit is fantastisch!’ Emma kon haar ogen niet afhouden van het landschap dat voorbijgleed. ‘Ik kan niet geloven dat dit echt is. Oh, Lance, wat opwindend!’

‘Verwacht nu niet dat je voortdurend dieren zult zien,’ zei hij vertederd. ‘Wij zijn hier niet in een dierentuin met de dieren keurig in hokjes langs de kant van de weg.’

‘Geen dierentuin.’ Die woorden hoorde ze voor de tweede keer die dag. De eerste keer waren ze hard en koel tegen haar gezegd. Ogen vol minachting in een hard, gebronsd gelaat. Ze schudde even haar hoofd om de gedachte aan Stewart Bristow uit te bannen. Hij zou haar plezier niet nog eens bederven!

‘Ik weet heus wel dat het geen dierentuin is,’ reageerde ze vrolijk. ‘Oh, Lance, kijk!’ Ze zagen bavianen en kleine aapjes, die zich van tak naar tak slingerden en door het gras voor de auto renden.

‘Doe je raam dicht,’ zei Lance op bevelende toon.

‘Ja, maar...’ Ze had met haar hoofd buiten de wagen gehangen en draaide zich nu naar hem toe.

‘Dicht!’ snauwde hij. ‘Vlug!’

Ietwat verbijsterd gehoorzaamde ze. Op hetzelfde ogenblik dook er een dier op uit het struikgewas, groter dan de anderen.

‘Een mannetjes baviaan,’ legde Lance uit.

‘En ... het raam?’

‘Gevaarlijk. Zo gevaarlijk als wat.’

Het enorme beest liep naar de wagen en trok zich aan zijn voorpoten langs het raam naast Emma op. De afschrikwekkende kop werd tegen de ruit gedrukt.

‘Lieve help!’ Ze trok zich verschrikt een eindje terug.

‘Wat een afgrijselijk beest, hè, Emma,’ zei Lance lachend. ‘Maar je hoeft niet bang te zijn. Hij zal je niet opeten nu het raam gesloten is.’

‘Wat had er kunnen gebeuren als het nog open was geweest?’

‘Hij kan bijvoorbeeld je nek omdraaien,’ sprak Lance in volle ernst. ‘Hij pakt je dan met die grote knuisten bij je haar en dan is er weinig meer wat je kunt doen.’

‘Daar had ik helemaal niet aan gedacht.’ Ze trilde over haar hele lichaam. ‘Dat het zo gevaarlijk kan zijn!’

‘Dat is het ook niet,’ vertelde hij opgeruimd. ‘Als de mensen zich maar aan de regels houden, kan er niets gebeuren - daar heeft Stewart gelijk in. In de wagens worden de mensen niet aangevallen. Maar verder blijven de dieren gevaarlijk.’

‘Ja, ja, ik weet het..

‘Het is iets wat veel mensen schijnen te vergeten. Je hebt er geen idee van hoeveel mensen uitstappen of met open ramen naar de dieren kijken. Het lijkt er soms op alsof ze denken dat het gedresseerde circusbeesten zijn die uit je hand komen eten. Het is verbazingwekkend hoe dwaas de mensen kunnen zijn.’

‘Zoals ik bijvoorbeeld,’ merkte Emma treurig op.

‘Jij was echt niet de ergste,’ zei hij vriendelijk. ‘Leer van deze ervaring dat je het geen tweede keer moet doen,’ voegde hij er lachend aan toe.

Was Stewart Bristow maar zo aardig, dacht Emma. Stewart Bristow ... Ze wilde niet meer aan die onaangename man denken!

Behalve Emma en Lance waren er nog twee andere wagens gestopt om naar de apen te kijken. In één ervan zat een klein jongetje, dat door een smal kiertje van het raam chips naar buiten gooide. De aapjes begonnen erom te stoeien en sprongen op de wagens. Emma moest er om lachen.

‘Hoe krijgen we de aapjes er af?’ vroeg ze.

‘De springen er uit zichzelf wel weer af,’ antwoordde Lance. ‘De apen in Lower Sabie zijn gewend aan auto’s en mensen. Wanneer er mensen zijn, betekent dat voedsel en de apen vinden het prachtig om op de auto’s te springen. Bovendien zijn de mensen en vooral de kinderen dol op hen.’

‘Dat geldt ook voor mij.’ Emma zat nog steeds te lachen toen ze weer vertrokken.

Ze reden langzaam en zonder te praten, ieder kijkend naar wat er gebeurde aan zijn kant van de weg. Er was een tijdje geen dier te zien en Emma genoot van de omgeving.

De weg voerde langs de rivier. Aan de ene kant stonden parapluachtige acacia’s en doornig struikgewas, aan de andere kant bij de rivier hoog riet, diepgroene bosjes en grote bomen. Soms zag ze door de bladeren het voortstromende water.

Ze kwamen op een plek waar het gras was vertrapt, bomen waren omvergegooid en takken waren afgebroken.

‘Wat is hier gebeurd?’ vroeg Emma. Ze draaide zich naar Lance. ‘Al die mooie bomen ...’

‘Olifanten,’ zei hij.

‘Maar... al die bomen ...’

‘Olifanten eten bladeren. Misschien vreemd dat dieren van die grootte geen vlees eten, maar zo is het nu eenmaal. Ze rukken met hun slurf de takken van de bomen af en dan krijg je dit.’ Hij keek aandachtig in het rond. ‘Ze moeten hier pas geweest zijn.’

‘Hoe weet je dat?’ vroeg ze nieuwsgierig.

‘Zie je dat?’ Hij wees naar een paar grote, zwarte hopen midden op de weg. ‘Olifantenmest, als je begrijpt wat ik bedoel... en de damp slaat er nog af.’

‘Denk je dat we ze nog zullen zien?’

‘Als we geluk hebben. ’ Lance reed nu nog langzamer en keek goed om zich heen.

Na een bocht zagen ze drie auto’s. Toen ze langsreden, riep een der inzittenden: ‘Daar, drie olifanten.’ Hij wees naar een groepje bomen.

‘Dat geloof ik niet,’ zei Emma verbaasd.

‘Zie je die boom daar, daar achter die gebroken acacia? Zie je daar niets bewegen?’ vroeg Lance.

‘Ja.’

‘Daar zit een olifant achter. En wel meer dan één!’

‘Maar dat kan niet!’ riep Emma uit, die zich niet kon voorstellen dat zulke grote dieren zich daar konden verschuilen.

‘Je zult verbaasd staan. De bomen zien er misleidend uit.’

‘Lance, denk je echt dat het zin heeft om te wachten?’ Emma dacht aan de leeuwen eerder die morgen.

‘Ik denk van wel. Ze kunnen elk moment naar de rivier gaan.’

Ze stonden al een poosje te wachten en er waren nog een paar auto’s bijgekomen, toen er plotseling beweging in de bladeren kwam.

‘Dat is... Oh, dat is een oor!’ riep Emma uit toen ze de grote grijze flap boven het groen zag uitkomen.‘Oh, Lance... Een echte olifant!’

De takken weken uiteen toen de olifant langzaam te voorschijn kwam en de weg opliep.

‘Wat enorm groot!’ Emma’s adem stokte in haar keel. ‘Moet je die oren zien en die slurf. Oh, Lance!’

Daarna kwam er nog een olifant te voorschijn uit de bosjes, en daarna nog een. Gedrieën liepen ze schommelend naar de weg, af en toe een tak van de bomen rukkend.

‘Kijk daar eens, Emma,’ zei Lance kalm.

‘Dat kan niet! Ik droom!’ Uit de bosjes stapte opnieuw een olifant, gevolgd door wéér andere. Er komt geen eind aan, dacht Emma.

Ze greep naar haar camera en was klaar om een foto te nemen, wanneer ze de weg over zouden steken.

Het waren er zeker wel vijftig - grote en kleine, moeders en vaders en kinderolifantjes - en als een geordend geheel liepen ze met schommelende tred langs de stilstaande auto’s. Het was een van de meest indrukwekkende taferelen die Emma ooit aanschouwd had.

En toen waren ze verdwenen. Een paar minuten later hoorden ze de dieren echter weer trompetteren, toen ze bij de rivier waren.

‘Kijk, Emma, daar zijn ze.’ Lance wees door de bomen.

‘Ik weet wat ze daar allemaal zijn en toch zie ik er maar drie - oh, nee, daar is de vierde al. Oh, kijk, hij heeft zijn slurf vol water gezogen en spuit zich nu nat.’

‘Zo nemen ze een bad,’ vertelde Lance.

Ze bleven zich maar baden en trompetteren, wel een kwartier lang. Toen zei Lance opeens: ‘Camera klaar? Ze komen terug.’

En daar waren ze. Het hele stel nog een keer hobbelend over de weg, langs de wagens, om vervolgens in de bosjes te verdwijnen.

‘De voorstelling is voorbij.’ Lance schakelde en reed langzaam weg. De anderen deden dat eveneens.

‘Het kan leuk worden met jou hier,’ zei hij toen ze weer bijna bij het kamp waren. ‘Het is hier anders behoorlijk stil.’

‘Meen je dat?’ Zij keek hem verwonderd aan. Zo’n aardige en ondernemende jongeman moest toch snel vrienden maken. ‘Er zijn hier toch erg veel mensen.’

‘Voor het grootste deel bezoekers. Ze blijven hier één of twee dagen en trekken dan weer verder. Met die mensen bouw je geen werkelijk kontakt op.’

‘Maar er zijn toch ook mensen die wonen en werken in het kamp?’ ‘Natuurlijk. En zeker in Skukuza, dat is uiteindelijk het grootste kamp. Er zijn altijd mensen in het kantoor, de bibliotheek of het restaurant. Maaar het is net een klein dorp. Iedereen kent iedereen. Daarom is het zo leuk als er nieuwe mensen komen - zeker zo’n fantastisch persoontje als jij.’ Hij keek haar glimlachend aan.

‘Dank je,’ antwoordde ze gevleid en vroeg vervolgens: ‘En dan zijn er toch ook nog de parkopzichters?’

Lance gezicht leek even te betrekken. ‘Denk je aan Stewart?’ ‘Oh... oh, nee. Het was gewoon een vraag.’

‘Gewoon een vraag. Natuurlijk. Er zijn parkopzichters.’ Lance zweeg even en vervolgde: ‘Emma, neem de goede raad van een vriend aan. Pas op voor Stewart.’

‘Waarom vertel je me dat eigenlijk?’

‘Je vindt hem toch aantrekkelijk?’

‘Ik ken de man amper,’ barstte Emma los. ‘Ik heb hem precies twee keer gezien en dan nog maar heel even. Bovendien was hij beide keren behoorlijk bot.’

‘Goed, misschien had ik er niet over moeten beginnen.’ Hij keek haar somber aan. ‘Maar voor het geval ik gelijk heb... Val niet voor hem, Emma. Je bent een aardig meisje. Ik zou niet graag zien dat hij je hart brak.’

Het was al laat in de middag en de schaduwen waren reeds lang toen ze bij Skukuza arriveerden. Terwijl ze door de poort reden, draaide Lance zich naar haar toe. ‘Heb je trek in een braai - een barbecue - met mij? Het is dé manier waarop we in het kamp eten, vlees roosteren boven gloeiende kolen.’

‘Daar ben ik dol op.’ Ze was blij te zien dat hij weer in zijn humeur was.

‘Prachtig.’ Hij opende het portier voor haar. ‘Dan zie ik je straks.’

 

Emma stond bij de omheining en keek uit over de rivier. De zon zou snel ondergaan en op dit moment waren de bomen van het park gehuld in een waas van geheimzinnigheid.

Om zich heen hoorde ze geluiden van mensen die zich klaar maakten voor het avondeten. Op de een of andere manier was de atmosfeer in het kamp veranderd.

Kort daarvoor was ze nog even in de kampwinkel geweest, vrolijk slenterend langs de etenswaren, de opgezette aapjes, leren tasjes en prachtige sieraden, zonder dat ze eigenlijk zelf iets wilde kopen.

Het leukst vond ze nog wel de mensen. Er heerste een gezellige drukte, allemaal vakantiegangers die zich bewogen tussen de koopwaar. De kinderen die aan het oog van moeder waren ontsnapt, stonden bij de snoepafdeling. Vaders stonden elkaar te vertellen wat ze allemaal gezien hadden. De moeders hadden de karretjes volgeladen met fruit, melk, stukken lamsvlees en dan natuurlijk de worsten voor de braai - die ze weldra boerewors zou noemen. Ze had zelf ook wel een karretje vol willen laden, maar Lance had haar uitgenodigd voor een braai en kwam haar zo ophalen bij haar hut.

Ze liep de winkel uit en wandelde door het kamp, langs de bungalows waar de mensen vuurtjes maakten voor de barbecue.

Ze hield stil bij de omheining en keek uit over de rivier. Er was iets in die brede watervlakte en het vergezicht met de bomen dat haar fascineerde. Ze probeerde zich alle dieren voor te stellen die daar nu waren. De drie maanden zouden maar al te snel voorbij zijn.

‘Zie je iets?’ Ze had niemand horen aankomen.

‘Nee,’ antwoordde ze lachend, voordat ze goed en wel doorhad dat ze in het gezicht van Stewart, de parkopzichter, keek. Haar glimlach verstarde.

‘Ik bijt niet, hoor,’ zei hij met een grijns. ‘Je houdt je nu keurig aan de regels.’

‘Ik...’ Ze slikte de rest van de zin in, want ze wilde niet nog een keer in zo’n kinderachtige discussie belanden.

‘Bevalt het?’ Hij stond naast haar bij de omheining, leunend op zijn armen.

‘Oh ja. Het is... het is fascinerend,’ zei ze, strak voor zich uitkijkend.

‘De bomen of de beesten?’ Ze keek even naar hem op en hij glimlachte.

‘Ik bedoelde de bomen. Ik zie geen dieren. Het is te donker. Hoewel ik er niet aan twijfel dat er achter elke boom een leeuw zit.’

Hij moest lachen en plotseling was de spanning tussen hen gebroken. ‘Ja, al die bomen,’ ging ze verder. ‘Er is iets, ik weet niet hoe ik het zeggen moet. Die enorme uitgestrektheid... het geeft me een gevoel alsof de tijd niet... eh, een gevoel van...’

‘Van oneindigheid,’ zei hij.

‘Ja, dat is precies wat ik bedoel. Ik kon het woord niet vinden. Het is... nu ja, ik heb nog nooit een dergelijk gevoel gehad. In Engeland. ..’

‘Ik stel me voor dat je daar dit soort landschap niet hebt.’

‘Engeland is mooi. Het landschap is rustig en aantrekkelijk. Hier is het...’ Ze zocht naar woorden om haar gevoelens te omschrijven. ‘Hier is alles ruw en krachtig, woest. Er is niets aardigs aan, maar toch is het mooi, ontzettend mooi en zo groot.’

‘Ja, het is groot en woest,’ sprak hij voor zich uit. ‘Dat gevoel van ontzagwekkende ruimte. De horizon waar geen einde aan komt.’

‘Jij weet hoe ik me voel, nietwaar?’

‘Ja, Emma.’ Hij had haar naam voor de eerste maal gebruikt, zonder het zelf te merken. ‘Ik weet hoe je je voelt, omdat ik het zelf zo voel. Dat is ook de reden waarom ik hier ben.’

Ze keek hem geïnteresseerd aan. ‘Heb je nooit een ander soort leven gewild?’

‘Dit soort landschap, een leven tussen de dieren, daar houd ik van.’

Ze waren een tijdje stil, terwijl de duisternis om hen inviel. Toen greep hij haar bij de arm en zei: ‘Een vredesaanbod. Heb je zin om samen iets te eten?’

‘Oh, Stewart, ik kan niet.’ Ze dacht opeens dat ze er alles voor over zou hebben om nu met hem te gaan eten en niet terug te hoeven naar haar hut, waar Lance haar op zou komen halen.

‘Al een afspraak gemaakt?’

‘Ik heb Lance beloofd met hem te gaan eten. Hij had het over een soort barbecue.’

‘Een braai. Zo heet dat hier. Goed dan,’ zei hij, en ze wist dat de prettige stemming verbroken was. ‘Dan kun je nu maar beter teruggaan.’

‘Heb je geen zin om mee te eten? Lance, jij en ik?’

‘Nee, Emma, dat is niets voor Lance.’

‘Maar...’

‘Kom.’ Hij liet haar niet uitspreken. ‘Het is laat. Je zult wel honger hebben.’

‘Zie ik je nog?’ vroeg ze plotseling. En meteen vond ze het belachelijk dat ze iets dergelijks had kunnen vragen.

‘Maar natuurlijk,’ antwoordde hij. Ze meende een spottende toon in zijn stem te beluisteren.

‘Skukuza is net een klein dorp, weet je. Je zult me heus nog wel eens zien.’

De intieme atmosfeer die er even geweest was, was nu weg. Ze stond alleen bij de omheining en zag de lange, slanke man met krachtige passen in de duisternis verdwijnen. Dacht hij wellicht dat zij een gemakkelijke verovering was? Dacht hij misschien dat zij er op uit was een man aan de haak te slaan?

Boos schudde ze haar hoofd. Was ze hierom uit Engeland weggegaan? Verhoudingen, mannen, een huwelijk. Haar liefde voor Jimmy was haar opgebroken toen hij besloot met de dochter van de baas te trouwen, precies vier weken voordat hun huwelijk plaats had moeten vinden. Nu vroeg ze zich af of ze wel ooit werkelijk van Jimmy had gehouden of dat slechts de gedachte aan een huwelijk met een knappe man haar had aangetrokken. Maar hoe dan ook, haar verdriet, de vernedering en de verwijten waren wel degelijk echt geweest. Het was dan ook een geschenk uit de hemel geweest dat ze de kans gekregen had naar Afrika te gaan.

En nu ze er weer bijna bovenop was, had ze geen zin om dit alles nog eens mee te maken. Romantiek stond niet op het programma, zeker nu niet. De mannen die ze ontmoette, zouden kennissen, misschien zelfs vrienden, maar beslist niet méér dan dat zijn. Stewart of Lance, of welke man dan ook, moest eens proberen haar duurzaam opgebouwde zielsrust te verstoren!

‘Eindelijk!’ zei Lance, die bezig was om het vuur aan te maken. ‘Het spijt me,’ zei ze berouwvol. ‘Ik wist niet dat je er al was.’ ‘Geeft niet. Hoewel ik even dacht dat je me de bons had gegeven.’ ‘De bons gegeven?’ De woorden ontglipten haar.

Hij keek haar glimlachend aan. ‘Voor Stewart.’

‘Allemachtig!’ zei ze geërgerd. ‘Waarom zeg je dat nu?’

‘Kalm, Emma. Het was maar een grapje.’

‘Oh!’

‘Hoewel je zo laat bent, dat ik dacht dat je wellicht besloten had om met Stewart te gaan eten in plaats van met mij.’

‘Nee, dat heb ik niet gedaan.’ Ze wachtte even en zei toen: ‘Hoewel hij me wel uitgenodigd heeft.’

‘Wel uitgenodigd?’

‘Ja, Lance. Maar laten we de zaken duidelijk stellen. Ik heb ten opzichte van niemand verplichtingen en zo wil ik het ook houden. Ik ben bevriend met wie en wanneer ik dat wil.’

‘Wel, wel!’ Lance keek haar een ogenblik verbaasd aan. ‘Is dat een feministische toespraak tegen weer zo’n stuk onbenul van een man?’ ‘Nee, ik wil me alleen maar onafhankelijk opstellen,’ zei ze, trachtend kalm te blijven. ‘Je raakte even een gevoelig punt, zonder dat je het wist. En daarom viel ik nogal uit. Is de vriendschap nu voorbij?’ ‘Natuurlijk niet.’

‘Alles vergeven en vergeten?’

‘Het zou moeilijk zijn, lieve Emma, om jou ooit iets niet te vergeven.’

‘Oh, Lance, dank je.’ Ze had er nu werkelijk spijt van. ‘Maar ik meende wel wat ik zei.’

‘Boodschap begrepen, Emma. Hier is het vlees. Voor ieder een paar stukken lamsvlees en boerewors.’

‘Mm, dat ziet er lekker uit. Hoe moet ik dat klaarmaken?’

‘Dat hoef jij niet klaar te maken. In Zuid-Afrika is het bij een braai de gewoonte dat de mannen het braaivlees klaarmaken en boven het vuur houden.’

‘En de vrouwen?’

‘Die blijven zitten en wachtten tot het gaar is.’ Hij moest lachen. ‘Het vuur is goed nu. Nu moet je met je vork in de worst prikken - ja, zo — en dan een beetje citroensap op het vlees en wat zout en peper...’

‘Het water loopt me in de mond!’ reageerde ze lachend.

‘Zo hoort het ook.’ Lance pakte een dubbelgebogen ijzeren rooster met een lang handvat en legde het vlees ertussen. Daarna plaatste hij het rooster op het vuur dat nu zacht gloeide. Naast het vuur had Lance vier broodjes met een soort korrels erop gelegd die Emma nog niet eerder gezien had.

‘Wat is dat?’ vroeg ze.

‘Malies,’ antwoordde Lance en toen hij haar verbaasde gezicht zag, legde hij haar glimlachend uit dat het maïsbroden waren.

‘Lance, maar dit is veel te veel voor ons.’

‘Laten we het er eerst maar eens goed van nemen.’

De geur van het geroosterde vlees had Emma in ieder geval een enorme trek bezorgd. Behalve de fruitsalade met ijs had ze die dag nog niets gegeten.

‘Mm, verrukkelijk. Helemaal het einde!’ Begerig zette ze haar tanden in het vlees dat Lance op haar had gelegd. ‘Oh, Lance, wat een vlees! Ik kan me niet herinneren wanneer ik iets zo verrukkelijks gegeten heb.’ Ze likte haar vingers af toen de gesmolten boter van de maïsbroodjes afliep. ‘Die broodjes zijn heerlijk. Ja, graag, geef me er nog maar één.’

Een braaivlees had zijn geheel eigen charme, ontdekte Emma. Al die heerlijk geuren boven de gloeiende en sissende kolen, het gelach van de anderen die verderop zaten, de ontelbare sterren aan de hemel, de Afrikaanse nacht en de geluiden van de wildernis op de achtergrond.

Na de maaltijd wandelden ze door het kamp en Emma genoot van al de kindertjes die nog even in hun pyjama buiten mochten spelen en de vaders die gemoedelijk achter een pul bier zaten te babbelen.

Ze wandelden door een gedeelte van het kamp waar het personeel woonde, toen Lance haar hand in de zijne nam. Iets later zag ze plotseling een lange, slanke man op hem afkomen. Emma wilde onmiddelijk haar hand terugtrekken. Toen dacht ze aan het besluit dat ze die avond genomen had en terwijl ze haar hand in die van Lance hield, keek ze zo strak mogelijk in het gezicht van Stewart. ‘Goedenavond,’ was alles wat hij zei, op een onpersoonlijke toon, waarnaar hij zonder te stoppen voorbij liep.

Waarom had Lance juist dit moment gekozen om haar hand te pakken? Snel zette ze die gedachte van zich af. Lance had haar een heerlijke avond bezorgd en was op geen enkele manier onaardig of bot geweest, zoals Stewart. Als hij zich na het heerlijke eten ontspannen en voldaan voelde en vond dat hij haar hand moest vastpakken, dan was dat niets meer dan een gebaar van vriendschap. Terwijl ze snel een zijdelingse blik op hem wierp, voelde ze zich bijna ondankbaar. Er was werkelijk geen reden waarom hij haar of Stewart in verlegenheid had willen brengen.

‘Hij... hij is zo zelf genoegzaam,’ zei ze even later, zonder erop te letten of Lance begreep wat ze bedoelde.

‘Dat is waar,’ antwoordde Lance. ‘Denk nog maar eens goed na over wat ik zei en laat je hart niet op hol brengen door die man. Zullen we teruglopen langs de rivier?’

Ze hielden stil, leunden over de omheining en keken naar het nachtelijk duister boven de wildernis. Lance pakte zijn sigaretten en bood haar er één aan. Toen ze bedankte, stak hij zelf een sigaret op.

Rondom hen klonk het gesjirp van de talloze krekels. ‘Het nachtelijk gezang van Afrika,’ zei Lance. Af en toe hoorden ze het gejank van de hyena’s en soms het op het geblaf van een hond lijkend geluid van bavianen. En toen een zware brul. Emma stond meteen rechtop.

‘Dat was een leeuw,’ zei Lance. ‘Wel even een eng geluid wanneer je het niet kent, hè?’

Het was koeler geworden en Lance bracht haar daarom naar haar hut. ‘Slaap lekker.’ Hij boog zich even voorover en voor ze het doorhad, had hij een snelle kus op haar haren gedrukt.

Ze sliep pas laat in. Ze had lang geluisterd naar de geluiden die ze buiten hoorde. Het kamp was stil geworden; ze hoorde nog één keer het gebrul van een leeuw - misschien was het wel dezelfde.

Ik ga hier van houden, dacht Emma. Het is woest en wonderlijk. Engeland en Jimmy leken nu heel ver weg. Ze realiseerde zich nu pas dat ze nauwelijks over Jimmy had nagedacht die dag, en toen ze dat wèl deed, had het haar geen pijn gedaan. Ze was bijna genezen.

Ze had zoveel gezien die dag. Ze dacht nog wat na over de twee mannen die ze ontmoet had en net voordat ze in slaap viel, verscheen er nog even een gezicht voor haar ogen. Het was niet het het gezicht van Jimmy, doch een cynisch gezicht met spottende grijze ogen en een onoprechte glimlach. Toen dommelde ze in.