HOOFDSTUK 2

 

 

 

Emma raakte snel gewend aan het leven in het kamp. Erg vroeg al, nog voor zonsopgang, deed ze de deur van haar hut open en staarde naar de snel verdwijnende duisternis van de nacht. Daarna kleedde ze zich aan. Het was behoorlijk koud ’s ochtends en daarom trok ze een stevige trui aan en een warme sjaal om. Ze pakte bovendien nog een jack, dat ze uit kon doen wanneer de zon eenmaal op was en het warmer was geworden - en het kon warm worden overdag, had ze ontdekt.

Zo gekleed stapte ze naar een van de enorme boilers met kokend water en maakte voor zichzelf een beker oploskoffie.

Ze hield van dit ogenblik. Ze verorberde haar ontbijt en nam af en toe en slok van de warme koffie die ze met haar beide handen vasthield. Ze genoot ervan om te zien hoe het kamp langzaam ontwaakte.

Terwijl het nog halfduister was, zag ze de eerste kinderen al in hun warme truitjes en met sjaals om opgewonden uit de bungalows te voorschijn springen. Moeders vulden de thermosflessen met kokend water en de vaders veegden de dauwdruppels van de autoruiten.

In het Kruger National Park gingen de toegangspoorten open bij zonsopgang en weer dicht bij zonsondergang, ’s Nachts mocht er niet in het Park gereden worden, omdat dan de kans dat er dieren op de onverlichte wegen overreden werden, te groot was.

Het was Emma opgevallen dat, al lang voordat de poort openging, er een lange rij auto’s voor de hekken stond. Het leek erop alsof de mensen extra vroeg opstonden omdat ze dachten dat er juist in de vroege ochtend interessante dingen te zien waren. De dieren kwamen dan terug van de waterplaatsen waar ze hun nachtelijke dorst hadden gelest.

Ze hield van de opwinding die nu in het kamp heerste. Bij zonsondergang waren de mensen moe van de warme dag en de lange afstanden, die ze hadden afgelegd. Maar ’s ochtends hing er een tintelende atmosfeer en iedereen hoopte die dag de leeuwen te zien.

Ook voor Emma waren deze grote koninklijke beesten in de eerste dagen al een obsessie geworden. Het zien van impala’s, apen en zelfs giraffen was niets bijzonders. Ook aan olifanten raakte je gewend. Maar leeuwen, luipaarden en cheetahs, dat bleef een sensatie. Ze hadden een onpeilbare uitstraling, waardoor mensen opgewonden in de stilstaande auto’s heen en weer bewogen om maar iets te zien van de staart van een verdwijnende leeuw en totaal geen oog meer hadden voor de spelende aapjes aan de andere kant van de auto.

Emma sloot zich aan bij de rij auto’s voor de poort op het moment dat de eersten al het kamp binnen reden. De vroege morgen was opwindend. Het struikgewas zat nog onder de dauw en de dieren graasden in groepjes langs de kant van de weg. Ze liepen rustig terug van de rivier, waar ze gedronken hadden.

Soms reed Emma van de hoofdweg af over één van de kleine zijweggetjes, waardoor ze een beter uitzicht over de rivier had. Ze zette de auto soms stil en keek dan door de bladeren naar het wild. Meestal zag ze niet veel, maar in ieder geval waren er altijd de honderden pootafdrukken van de impala’s, wrattenzwijnen en giraffes. Ze kon ze niet goed van elkaar onderscheiden. Stewart zou dat wel goed kunnen, dacht ze.

Toen de zon hoger stond, werd het warmer en kreeg Emma een hongerig gevoel. Ze besloot naar het kamp terug te gaan. Daar verwisselde ze haar trui voor een blouse en besloot voor zichzelf een ontbijt klaar te maken.

Het vakantiegevoel en de ontspannen sfeer van het leven in het kamp maakten Emma’s verblijf tot een voortdurend feest. Met andere vrouwen stond ze vaak bij het vuur eieren met spek te bakken, om dan na haar tweede kop koffie even snel te gaan winkelen of een babbeltje met Lance te maken op het kantoor. Daarna ging ze terug naar de hut en zette op de kaart een tocht voor de dag uit. Bepakt met camera’s en lenzen trok ze er dan op uit.

Af en toe ving ze een glimp op van een lange, slanke man in een safaripak en afgezien van een enkele groet, was het kontakt beperkt gebleven. Emma dacht dat ze er eigenlijk blij om zou moeten zijn.

Op een ochtend ging ze naar de winkel en keek in het boekenrek.

‘Je zoekt iets speciaals?’ vroeg één van de mensen die er werkten en die ze had leren kennen.

‘Eigenlijk wel ja. Misschien hebt u een boek met daarin de verschillende soorten dieren. U zult het misschien wel vreemd vinden.’ Ze maakte een hulpeloos gebaar. ‘Ik zie zoveel prachtige dieren en vogels en ik weet niet eens hoe ze heten. Is er zo’n boek?’

‘Jazeker, zo’n boek is er wel,’ zei het meisje en ze pakte een stapeltje boeken, die ze aan Emma gaf. ‘Deze is goed. Die trouwens ook. Waarom bekijk je niet even rustig wat je wilt hebben?’

Emma had twee boeken uitgezocht en wilde al geld uit haar portemonnaie halen, toen ze een stem achter zich hoorde zeggen: 'Ik kan je helpen als je dat wilt.’

Ze keek om en zag een jongen naast haar staan die opnieuw tegen haar zei: ‘Ik kan je helpen als je dat wilt.’

‘Op welke manier kun je mij dan helpen?’ vroeg ze vriendelijk.

‘Ik hoorde je net iets zeggen over dieren. Als ik in de auto met u mee zou gaan, zou ik kunnen zeggen wat voor dieren het zijn.’ Hij was ongeveer twaalf jaar oud, had een gezicht vol sproeten en zandkleurig haar. Hij stond daar op zijn blote voeten te praten met zijn handen in zijn zakken, alsof hij al een grote kerel was. Met een stoer gezicht vroeg hij haar nogmaals: ‘Wil je dat?’

‘Hoe komt het dat je zoveel van dieren weet?’ vroeg Emma. ‘Dis is Johnny.’ Een van de mensen in de winkel had gehoord waar ze het over hadden. Terwijl hij glimlachte naar Johnny, ging hij verder: ‘Johnny is de zoon van een van de parkopzichters. Hij zal je alles vertellen wat je wilt weten.’

‘Dat zou geweldig zijn. Ik ga over tien minuten weg. Als je echt mee wilt, denk ik dat je het wel eerst even tegen je moeder moet zeggen.’ En kort daarop reden ze samen de poort uit en zaten weldra als goede vrienden met elkaar te praten. ‘Ik weet een fantastische route Miss Anderson,’ zei Johnny.

‘Dat is prachtig, maar noem me maar Emma, dan worden we pas echt goede vrienden.’

‘Goed, Emma... ’ Johnny sprak het zo zacht en langzaam uit, alsof hij er nog aan moest wennen. Emma had moeite om niet in lachen uit te barsten.

‘Emma, ik heb die naam nog nooit eerder gehoord. Maar ik vind hem wel mooi,’ zei hij ten slotte.

‘Ik ben blij dat je hem mooi vindt. Maar nu, Johnny, moet je me zeggen hoe ik moet rijden.’ En terwijl ze de richting insloeg die hij aanwees, begon ze langzamer te rijden, omdat ze deze weg niet eerder gereden had.

‘Woon je in het park?’ vroeg ze geïnteresseerd.

‘Ja, mijn vader is een opzichter.’

‘Hoe zit het dan met naar school gaan?’

‘Oh, ik ga in de stad op school. Maar nu heb ik vakantie.’ Hij keek haar nieuwsgierig aan en vroeg: ‘Wat doe jij?’

‘Op het ogenblik ben ik bezig om een foto-reportage te maken voor iemand die een boek schrijft.’

‘Maar je zei toch dat je niet zoveel van dieren af wist?’

‘Ik hoop dat ik dat snel zal leren.’ Ze moest lachen omdat ze genoot van de direktheid van zijn vragen. ‘Wil jij het me allemaal leren?’ ‘Natuurlijk, daarom ben ik met je mee gegaan.’

‘Dat meen je toch niet?’

‘Echt waar.’ Hij keek haar met zijn grote ogen aan.

‘Je wilt zeggen dat je alleen naar me toe bent gekomen om me iets over dieren te vertellen?’ Ze keek hem glimlachend aan. ‘Het is ontzettend aardig van je Johnny. Maar waarom wilde je nu echt met me mee?’

‘Goed dan,’ zei hij met een uitdrukking van berusting op zijn gezicht. ‘Je ziet er zo leuk uit en ik had echt wel zin in een tochtje. Mijn vader neemt me zo vaak mee als hij kan, maar soms kan dat niet en een groot deel van het jaar ben ik weg voor school. Op een fantastische dag als vandaag heb ik helemaal geen zin om in het kamp te blijven hangen.’

‘Natuurlijk, dat begrijp ik. Wat wil je doen als je groot bent, Johnny?’

‘Oh . ..’ Hij staarde wat onzeker voor zich uit.

‘Wil je parkopzichter worden, net als je vader?’

‘Ja . . . nee, kijk, eigenlijk ...’ Hij stopte even en keek haar aan op een manier alsof hij even ergens over na moest denken. Toen zei hij: ‘Je gaat toch niet lachen als ik je het vertel?’

‘Natuurlijk niet.’

‘Kijk . ..’ Hij zat voorover met zijn kin in zijn handen, ik zou hier willen leven als parkopzichter, net als mijn vader... maar er is nog iets wat ik ook zou willen doen.’

‘En wat is dat?’ Emma begon nu werkelijk geïnteresseerd te raken in de jongen.

ik wil kunstenaar worden.’

‘Een kunstenaar,’ riep Emma verbaasd uit. ‘Vind je schilderen dan zo leuk, Johnny?’

ik vind tekenen en schilderen leuker dan wat dan ook. En ik houd ook ontzettend van de dieren en het park. Dus, als ik hier zou wonen, kon ik opzichter worden en op de dieren letten en ze nog schilderen bovendien! Begrijp je?’

‘Twee vliegen in één klap.’ Emma moest lachen, terwijl ze naar de jongen naast zich keek, met zijn haar in de war en zijn blote voeten. Wie had kunnen denken dat daarin een kunstenaar school.

‘Mag ik een keer zien wat gemaakt hebt?’ vroeg ze hem.

‘Altijd, als je dat echt wilt.’

‘Dat wil ik zeker.’

‘Goed. En mag ik dan ook jouw foto’s een keer bekijken?’

‘Dat zou ik erg fijn vinden,’ sprak ze serieus. ‘Maar ik moet er natuurlijk eerst een paar ontwikkeld hebben. Wat jij doet, is veel moeilijker. Ik hoef alleen maar op een knopje te drukken en jij moet alles schilderen.’

‘Ja.’ Hij moest even nadenken. ‘Dat is misschien wel waar, maar toch zie je soms fantastische foto’s.’

‘Kijk daar,’ zei ze plotseling, toen een klein diertje met een sprong van de weg af in het struikgewas verdween. ‘Is dat een impala? Ik heb ze al vaker gezien, maar ik weet het niet zeker.’

‘Dat is een duiker,’ legde hij uit.

‘Oh.’

‘Daar zijn er niet zoveel van.’

‘Ik heb steeds gedacht dat het allemaal impala’s waren, maar dat is dus niet zo?’

Hij keek haar zó bedachtzaam aan, dat ze moeite had om niet te gaan lachen. Ze verwachtte dat hij een verwijtend antwoord zou geven, maar alles wat hij zei was: ‘Je weet echt niet veel van dieren, geloof ik.’

‘Ik ben bang van niet.’

‘Moet je horen, af en toe heb ik een dagje vrij. Sommige dagen ga ik namelijk niet met mijn vader mee. Dus ik denk dat we veel tijd samen kunnen door brengen en dan kan ik je over de dieren vertellen. Dat weet je weer wat voor je boek.’

‘Ik zou het echt heel fijn vinden als je dat deed,’ zei Emma dankbaar. Even was het stil. Toen vervolgde ze: ‘Ik denk dat je de meeste opzichters wel kent?’

‘De meeste wel.’

‘Ken je iemand die Sewart heet?’ vroeg ze terloops.

‘Oh, ja. Stewart is geweldig. Hij is mijn vriend,’ zei de jongen en er klonk bewondering door in zijn stem. ‘Ken je hem?’

‘Ik... ik heb een paar maal met hem gesproken.’

‘Ja, weet je wat het met Stewart...' Opeens hield hij op en riep opgewonden uit: ‘Kijk Emma, daar loopt een waterbok!’

‘Oh, daar! Is dat echt een waterbok?’

‘Jazeker.’

‘Hoe zie je dat?’

‘Zie je dat witte rondje aan de achterkant van zijn lijf?’

‘Ja.’

‘Zoiets noemen ze in de biologie een bepalend kenmerk.’

‘Wat weet jij ontzettend veel, Johnny,’ zei ze bewonderend.

‘Dank je,’ antwoordde hij nogal serieus. ‘En ik vind dat jij er aantrekkelijk uitziet.’

Het kompliment klonk zo oprecht, dat Emma zich omdraaide en de jongen een zoen gaf.

‘Ah,’ zei hij een beetje geschokt. ‘Ik zou willen dat vrouwen niet aldoor het gevoel hadden dat ze me steeds kusjes moeten geven. Maar toch, je bent echt aardig. Heb je behalve mij en Stewart andere vrienden?’

‘Steward is geen echte vriend, Johnny. Ik heb hem maar een paar keer gesproken. Verder ken ik Lance. Hij werkt in de winkel. Ken je hem?’

Ja.’

‘Is hij ook een vriend van je?’

‘Nee.’

‘Oh.’

‘Hij en Stewart mogen klaar niet zo,’ legde Johnny uit.

‘Oh ... is dat zo?’

‘Ja.’

Emma wilde eigenlijk nog meer vragen, maar Johnny was nog maar een kind. En hoewel ze wist dat ze haar vragen onschuldig kon stellen, vond ze toch dat ze geen voordeel uit de situatie mocht trekken.

Langzaam reden ze door en wanneer Johnny haar niets vertelde over de dieren, legde hij wel iets uit over de bomen en de prachtige bloemen langs de rivier.

Ze verbaasde zich over hem en luisterde, stil genietend van het jongensachtige enthousiasme en zijn enorme kennis van het leven der dieren in het park.

‘Zullen we samen een lekker glas frisdrank gaan drinken,’ vroeg ze hem, toen ze weer terug waren in Skukuza.

‘Ik. . . ik weet niet of...’ begon hij.

‘Het is zo heet, Johnny. Als ik niet iets kouds neem, dan smelt ik en bovendien vind ik het niet leuk om alleen te zitten.’

‘Ja, maar ik weet niet of mijn moeder..

Nu hij terug was in het kamp werd hij zich er weer van bewust dat Emma een bezoekster was.

‘Ik dacht dat we vrienden waren,’ zei Emma.

‘Dat zijn we ook.’

‘Nou dan?’

‘Maar...’ Hij aarzelde.

‘Je wilt zeggen dat ik hier een bezoekster ben. Maar ik blijf hier toch een hele tijd.’

‘Ja, dat is zo,’ gaf hij toe.

‘Goed, dan ga ik vast wat bestellen. Wat wil jij trouwens drinken? Misschien kun je meteen wat van je tekenwerk meenemen. Ik wil het dolgraag zien.’

Een kwartier later zaten ze naast elkaar achter lange glazen koude frisdrank met ijsblokjes, Emma had een stapel tekeningen voor zich.

‘Dit is geweldig, Johnny.’ Ze keek naar een tekening van een kudu. Johnny had haar verteld dat het één van zijn lievelingsdieren was.

Zijn gezicht straalde van trots na haar kompliment, hoewel hij zijn best deed zich bescheiden voor te doen.

‘Ik vind het uitstekend. Je hebt hem precies zo weergegeven als hij in werkelijkheid is.’ Ze was stil en bestudeerde de tekening aandacht. ‘Weet je nog hoe we die kudu uit de bosjes te voorschijn zagen komen? Ik vond het meteen een vorstelijk dier. Dat heb je hier fantastisch uitgebeeld.’

‘Vind je?’ De jongen glom van plezier.

‘Die prachtige horens en de sierlijke stand van zijn kop en...’

‘Ik zie dat je onze kunstenaar ontdekt hebt.’

Emma en Johnny keken op. Achter de jongen stond Stewart. Hij legde zijn hand kameraadschappelijk op zijn schouder van Johnny, glimlachte en stond ontspannen naar hem te kijken. Emma’s hart sloeg een slag over.

‘Waarom kom je er niet bij zitten?’ hoorde ze zichzelf vragen.

‘Graag, maar dat zoete spul dat jullie daar drinken, is niets voor mij.’ Hij wenkte naar een van de obers en bestelde een bier. ‘En,’ vroeg hij, terwijl hij zich naar Emma toe draaide. ‘Wat vind je van Johnny?’

‘Hij is geweldig.’

‘Ik denk dat hij één van de allerbeste dierentekenaars zal worden!’ zei Stewart rustig. Hij glimlachte naar de jongen en toen Johnny terug lachte, zag Emma hoe sterk hun vriendschapsband was.

‘We zullen nog eens erg trots zijn op Johnny.’

‘Oh, Stewart!’ De jongen wist niet hoe hij zijn geluk moest verbergen.

‘En hoe zijn jullie elkaar tegen gekomen?’

Voordat Emma kon antwoorden, had Johnny al verteld van de ontmoeting in de winkel en dat ze daarna samen weg waren gegaan. ‘Weet je dat ze geen waterbok van een eland en geen eland van een impala kan onderscheiden,’ zei hij tegen Stewart.

‘Ik weet zeker dat ze dat snel zal leren onder jouw deskundige leiding,’ zei Stewart met een brede glimlach.

‘Oh ja, we worden hele dikke vrienden.’ De jongen zei dat met een innemende vriendelijkheid, maar Emma wist dat hij verlegen zou worden als ze hem dat zou vertellen.

‘Dat is prachtig,’ zei Steward. ‘Dat doet me veel plezier.’

‘Ik mocht niet mee met vader vandaag,’ zei Johnny starend naar zijn glas met frisdrank.’

‘Dat weet ik, ze zijn op zoek naar stropers.’

‘Hebben ze weer valstrikken gevonden?’

‘Het lijkt er veel op.’ Stewart draaide zich naar Emma. Eén van onze steeds terugkerende kopzorgen.’

‘Mocht ik daarom niet met hem mee?’ Johnny trok een ernstig gezicht.

‘Je weet hoe het is met stropers. Dan kan wel eens vervelend zijn!’ ‘Als ik groot ben...’ Johnny maakte een paar zelfverzekerde gebaren. ‘Dan komen ze niet meer terug.’

‘Goed, ik hoop dat je hen voor eens en voor altijd bang maakt.’ Stewart dronk de laatste slok van zijn bier en stond op. ‘Wel mensen, ik vond het erg gezellig, maar nu moet ik ervandoor.’

Hij glimlachte naar Emma. ‘Misschien, als je wat tijd hebt en deze jongeman geeft je de vrijheid, heb je zin om een dezer dagen eens met me mee te rijden?’

‘Dank je, dat vind ik erg leuk.’ Emma zag hoe hij wegliep en hoopte dat het heerlijke gevoel, dat zich van haar meester had gemaakt, nooit meer weg zou gaan.