9

 

Schrikbewind

 

 

Op 23 november 2006 overleed Aleksandr Litvinenko in een Londens ziekenhuis. De laatste dagen van de drieënveertigjarige FSB-agent waren praktisch live uitgezonden door de Britse en een paar Russische media. ‘Nog maar drie weken geleden was hij een gelukkige, gezonde man met een grote bos haar die acht kilometer per dag hardliep,’ schreef de Daily Mail op 21 november.1 Bij het artikel was een foto van Litvinenko afgedrukt, uitgemergeld en kaal, in een open operatiehemd en met elektroden op zijn borst. ‘Mr. Litvinenko kan zijn hoofd nauwelijks optillen, doordat zijn nekspieren volkomen verzwakt zijn. Hij kan nauwelijks praten en slaakt alleen korte, pijnlijke kreten.’ De dag na de publicatie van dit artikel raakte Aleksandr Litvinenko in coma. De volgende dag werden in zijn urine eindelijk sporen aangetroffen van het gif dat hem fataal was geworden. Het was polonium, een uiterst zeldzame en zeer giftige radioactieve stof. Enkele uren later begaf Litvinenko’s hart het voor de tweede keer in twee dagen en overleed hij.2

Litvinenko was een klassieke klokkenluider. In 1998 had hij opgetreden in een op tv uitgezonden persconferentie, met vier van zijn collega’s bij de geheime politie. Zij verklaarden dat ze onwettige opdrachten hadden gekregen van de FSB, waaronder het bevel Boris Berezovski te doden. Die persconferentie was georganiseerd door Berezovski, die Litvinenko had ontmoet na een daar los van staande moordaanslag in 1994, die Litvinenko had onderzocht. Beide mannen stelden hun kennismaking op prijs en beiden leken overdreven hoge verwachtingen van elkaar te hebben. Berezovski dacht dat hij bescherming kon ontlenen aan het feit dat hij een eerlijke FSB-agent kende. Litvinenko vertrouwde erop dat de invloedrijke miljardair hem kon helpen bij het veranderen van de gebreken van het systeem. Litvinenko zat sinds zijn achttiende bij de geüniformeerde dienst. Hij was een van de jongste luitenant-kolonels die de Russische geheime dienst ooit had gehad. Hij was het systeem dat hem had opgevoed volkomen toegewijd, maar hij behoorde tot de zeldzame soort die niet in staat is de onvolmaaktheden van het systeem – van élk systeem – te accepteren, en die volkomen doof is voor de argumenten van de mensen die de dingen accepteren zoals ze zijn.

Vladimir Poetin werd in augustus 1998 hoofd van de FSB, in een tijd dat tegen de vorige leiding beschuldigingen van corruptie werden geuit. ‘Toen hij werd benoemd, vroeg ik aan Sasja wie dat was,’ vertelde Litvinenko’s weduwe Marina me jaren later. ‘Hij zei dat sommige mensen beweerden dat hij als agent nooit een platte pet had gedragen. Dit betekende dat ze op hem neerkeken – hij had zich niet stap voor stap omhooggewerkt.’ Maar Berezovski organiseerde een ontmoeting tussen zijn protegé, het hoofd van de geheime dienst, en zijn vriend, de klokkenluider. Dit was de periode waarin Poetin dacht dat zijn werkomgeving hem zo vijandig gezind was dat hij met Berezovski sprak in de verlaten liftschacht van het FSB-hoofdkwartier. Berezovski wilde dat de twee mannen elkaar als bondgenoten zouden beschouwen. Litvinenko had tabellen bij zich die volgens hem onzuivere connecties aantoonden tussen afdelingen van de FSB onderling en de routes die illegale instructies én geld volgden. Hij vertelde Poetin ook over het bevel om Berezovski te vermoorden, waarvan Poetin volgens de informant én de oligarch niet op de hoogte was. Poetin was niet geïnteresseerd, zoals Litvinenko naderhand aan zijn vrouw en Berezovski vertelde. Het gesprek duurde maar tien minuten. Hij kwam ontmoedigd thuis en maakte zich zorgen over de toekomst – en hij was, zoals gewoonlijk bij zulk soort mannen, vastbesloten er iets aan te doen.

Zijn volgende zet was een persconferentie over illegale praktijken van de FSB. Naast het bevel Berezovski te vermoorden beweerde hij instructies te hebben gekregen om vooraanstaande zakenmensen te ontvoeren en te molesteren. Poetin reageerde met een televisieverklaring waarin hij Litvinenko’s karakter in twijfel trok en beweerde dat hij in gebreke was gebleven met de betaling van alimentatie aan zijn eerste vrouw (zijn tweede vrouw hield vol dat zij de betalingen elke maand persoonlijk had gedaan en dat ze dat aan de hand van bonnetjes kon bewijzen).

Drie maanden later werd Litvinenko gearresteerd omdat hij drie jaar eerder een verdachte zou hebben mishandeld. De zaak stelde weinig voor en in november 1999 sprak een militaire rechtbank hem vrij. Hij mocht de rechtszaal echter niet uit. Er doken FSB-agenten op die hem op grond van andere beschuldigingen opnieuw arresteerden. Die zaak werd zonder proces afgewezen, maar direct werd een derde zaak begonnen. Een militaire rechter liet hem echter op persoonlijke borgtocht gaan, hangende een nieuw proces. Toen Litvinenko echter hoorde dat die rechtszaak in een klein stadje op zo’n honderd kilometer van Moskou zou worden gehouden, waar zich waarschijnlijk maar weinig journalisten en buitenstaanders heen zouden wagen, besloot hij Rusland te ontvluchten.

In september 2000 zei hij tegen Marina dat hij naar een stad in Zuid-Rusland zou gaan om een bezoek te brengen aan zijn bejaarde ouders. Hij belde haar bijna een maand later op en gaf haar opdracht op vakantie te gaan. ‘Ik zei: “Dit is geen geschikte tijd,”’ vertelde Marina mij. ‘Tolja, onze zoon, was net met zijn muzieklessen begonnen, waarom zouden we op vakantie gaan? Hij zei: “Maar je wilde zo graag op vakantie. Je moet nu gaan.” En ik besefte – soms sprak hij op zo’n toon dat ik me realiseerde dat ik niet moest nadenken en het gewoon moest doen.’ Ze boekte een reis van twee weken naar Spanje en ging erheen met hun zoontje van zes. Na afloop van die twee weken zei Litvinenko tegen haar dat ze om twaalf uur ’s nachts naar het vliegveld van Málaga moest gaan. Doodsbang en beduusd kwam ze aan en werd ontvangen door een bekende die haar en Tolja met een privévliegtuig, dat waarschijnlijk van Berezovski was, naar Turkije bracht. Aleksandr wachtte haar op in de badplaats Antalya.

‘Het leek wel een film,’ zei ze. ‘We geloofden onze ogen niet.’ Alleen had niemand het scenario van hun ontsnapping geschreven. Berezovski’s werknemer die Marina had vergezeld vanaf Málaga, moest weg. Nadat ze twee dagen lang hun hereniging hadden gevierd in een hotel in Antalya, begon het tot Aleksandr en Marina door te dringen dat ze vluchtelingen waren en nergens heen konden. Berezovski had beloofd hen financieel te steunen, maar hij had geen idee hoe hij hen logistiek moest helpen. Daarom belde hij zijn vriend Alex Goldfarb in New York en vroeg hem naar Turkije te vliegen om de zaken te regelen. Goldfarb ging akkoord, al kostte zijn betrokkenheid bij Litvinenko’s ontsnapping hem zijn baan bij George Soros. Goldfarb bracht Litvinenko naar de Amerikaanse ambassade in Ankara, waar de klokkenluider werd ondervraagd en beleefd werd afgewezen. Hij was agent van de geheime dienst geweest maar geen spion, en de Verenigde Staten hadden geen belangstelling voor zijn informatie. Door naar de ambassade te gaan had Litvinenko zich echter blootgegeven aan Russische agenten die, zo wist hij, de ambassade in de gaten hielden. Hij was doodsbang en had nu harder dan ooit een oplossing nodig.

Goldfarb zette uiteindelijk een ingenieus plan in elkaar. Met z’n vieren kochten ze tickets met een overstap in Londen, waar de Litvinenko’s zich op de luchthaven gelijk zouden melden bij de autoriteiten. Dat deden ze en ze belandden in Londen, waar Berezovski hun huur en het schoolgeld voor Tolja betaalde.

Na een paar maanden rondhangen begon Litvinenko te schrijven. Samen met de Russisch-Amerikaanse historicus Joeri Felshtinski, die Litvinenko had ontmoet toen Felshtinski korte tijd werkzaam was bij Berezovski’s mediabedrijf in Moskou, schreef hij een boek over de explosies in de flats in 1999. Met behulp van zijn professionele ervaring analyseerde Litvinenko het bewijsmateriaal dat op de Russische tv al was besproken en wees op talloze ongerijmdheden in de officiële versie van de FSB over de verijdelde explosie in Rjazan. Hij en Felshtinski onderzochten ook aanwijzingen die waren ontdekt door verslaggevers van Novaja Gazeta, een Moskous weekblad gespecialiseerd in onderzoeksjournalistiek. Die journalisten hadden twee dienstplichtige militairen gevonden die in het najaar van 1999 een magazijn van de luchtmacht in Rjazan waren binnengeslopen op zoek naar suiker voor hun thee. Ze vonden wat ze verwachtten: tientallen zakken van vijftig kilo waar SUIKER op stond. Maar het goedje dat ze uit de zakken haalden, gaf hun thee zo’n bizar smaakje dat ze het hele incident, inclusief hun eigen inbraak en diefstal, bij hun meerdere meldden. De verantwoordelijke officier liet de substantie analyseren en ontdekte dat het hexogeen was, het explosief. Litvinenko en Felshtinski vonden ook aanwijzingen dat het luchtmachtmagazijn werd gebruikt door de FSB, die, geloofden zij, de explosieven daar had opgeslagen.3

Geleidelijk kwamen er nog meer aanwijzingen boven water.4 Een parlementslid van de oppositie, Joeli Rybakov – een van de twee mannen die hadden geweigerd op te staan bij het Sovjet-Russische volkslied – gaf Litvinenko het transcript van de Staatsdoemazitting van 13 september. De voorzitter had de vergadering onderbroken met de woorden: ‘We hebben zojuist het bericht ontvangen dat een woongebouw in Volgodonsk gisteravond is opgeblazen.’ In werkelijkheid zou het gebouw in Volgodonsk pas drie dagen later worden opgeblazen. Kennelijk had de infiltrant in het bureau van de parlementsvoorzitter – die Litvinenko later kon identificeren – de voorzitter het verkeerde bericht op het verkeerde moment gegeven, maar was hij van tevoren op de hoogte geweest van de geplande explosie in Volgodonsk.

Een andere klokkenluider, Michail Trepasjkin, een voormalige FSB-agent die had deelgenomen aan de beruchte persconferentie van Litvinenko in 1998, sloot zich aan bij het onderzoek. Hij slaagde erin de connecties tussen de FSB en de flats in Moskou op te sporen. Hij identificeerde een zakenman in wiens naam woonruimte in beide gebouwen was gehuurd, de FSB-agent die de zakenman de schuld in de schoenen schoof en zelfs twee van de mannen die in de arm waren genomen om de feitelijke explosies te organiseren. Trepasjkin had bovendien bewijs gevonden – dat was veruit het schokkendst – dat de compositiefoto van een verdachte was vervangen door een andere. Twee mannen waren aangehouden, en Trepasjkin, die advocaat was, wilde twee overlevenden van de explosies vertegenwoordigen bij de rechtszaak, zodat hij dat forum kon gebruiken om zijn bewijsmateriaal op tafel te leggen. Maar Trepasjkin werd een week voor de behandeling gearresteerd wegens illegaal vuurwapenbezit. Hij zou vijf jaar in de gevangenis zitten. De behandeling van de zaak vond plaats achter gesloten deuren. De twee verdachten kregen levenslang, maar nooit kwam naar buiten wie zij waren en wat het motief voor hun daden was.

 

Op de avond van 23 oktober 2002 kwamen een paar vrienden bij me langs om iets te drinken. Ik had een kindje van drie en een kindje van één en zat haast elke avond thuis. Mijn vrienden, onder wie een televisieproducent, stelden voor om de tv aan te zetten om naar een gloednieuwe talkshow te kijken die ik nog nooit had gezien. Het programma was nog maar net begonnen of het werd onderbroken voor een nieuwsbericht. In een theater in Moskou was een gijzelingsdrama aan de gang. In deze periode voerde ik de redactie over een kleine, onafhankelijke website met politieke analyses, polit.ru. Ik zou in de drie dagen erna in totaal zo’n drie uur slapen. Mijn verslaggevers hielden om beurten de wacht bij het theater en ik plaatste het nieuws op onze site.

De gijzeling in het theater begon iets na negen uur ’s avonds. In de musical die die avond speelde, zat een scène waarin een echt vliegtuig uit de Tweede Wereldoorlog op het toneel verschijnt. Op dat moment verschenen gemaskerde mannen met machinegeweren op het toneel en langs de wanden van de zaal. Een aanzienlijk deel van de toeschouwers dacht heel eventjes dat het bij de show hoorde. Er zaten die avond zo’n achthonderd mensen in de zaal. Met uitzondering van enkele tientallen jonge kinderen en buitenlanders die de gijzelnemers korte tijd later lieten gaan – en een deel van de acteurs, van wie velen ook kinderen waren, die erin slaagden uit het kleedkamerraam te klimmen – zouden ze achtenvijftig uur in de zaal doorbrengen, waar ze uitgeput raakten, uitdroogden, doodsbang en uiteindelijk wanhopig waren. Hoewel ze bevel hadden gekregen hun mobiele telefoons aan de terroristen te overhandigen, slaagden verscheidenen van hen erin een aantal keer tijdens de crisis het voornaamste nieuwsradiostation te bellen, zodat een stad die verstijfd was van angst en spanning rond het theater, gedurende de gijzeling stemmen kon horen uit datzelfde theater.

Op de derde dag van de gijzeling betraden verscheidene functionarissen van het kabinet om ongeveer zeven uur ’s ochtends de aula van een nabijgelegen universiteitsgebouw, waar verwanten van de gijzelaars de voorgaande drie dagen hadden doorgebracht. ‘Ze waren heel blij en opgewonden,’ herinnerde een van de familieleden zich later. ‘Ze liepen naar de microfoon. Het werd doodstil in de zaal. Ze kwamen met deze aangename boodschap: “De operatie is vlot verlopen.” Ze zeiden dat alle terroristen waren gedood en dat er onder de gijzelaars geen slachtoffers waren gevallen. Applaus en vreugdekreten barstten los in de zaal. Iedereen bedankte de autoriteiten omdat ze hun dierbaren hadden gered.’5 Alles aan deze triomfantelijke verklaring was gelogen.

De belegering van het theater in Moskou is een van de succesvolst uitgevoerde reddingsoperaties uit de geschiedenis, maar zelden is een operatie ook op zo’n absurde wijze verknald. Tijdens de gijzeling onderhandelden de gijzelnemers, die de indruk wekten niet goed georganiseerd en gedesoriënteerd te zijn, met zo’n beetje iedereen – en lieten geleidelijk aan een deel van de gijzelaars gaan. Een bonte verzameling artsen, politici en journalisten mocht het gebouw in en uit om te onderhandelen over betere omstandigheden voor de gijzelaars. Familieleden van de gijzelaars, die wanhopig op zoek waren naar een vreedzame oplossing, verzamelden zich op de tweede dag van de gijzeling voor een bijeenkomst en stelden een petitie op die ze indienden met ruim 250 handtekeningen:

 

Geachte president,

Wij zijn de kinderen, familie en vrienden van de gijzelaars die zich in het theater bevinden. Wij doen een beroep op uw verstand en mededogen. Wij weten dat het gebouw is ondermijnd en dat gebruik van geweld ertoe zal leiden dat het theater wordt opgeblazen. Wij zijn er zeker van dat geen concessie te groot is om in te willigen als het leven van zevenhonderd mensen op het spel staat. Wij vragen u niet toe te staan dat mensen omkomen. Ga door met onderhandelen! Accepteer enkele van hun eisen! Als onze dierbaren omkomen, geloven wij niet meer dat onze staat sterk is en zijn regering oprecht. Maak ons niet tot wees!6

 

Een paar uur later belde een van onze verslaggevers op om te zeggen dat het ziekenhuis vlak naast het theater was geëvacueerd. Het leger maakt zich op voor de bestorming van het gebouw, concludeerde ik, en er werd al ruimte vrijgemaakt voor mogelijke slachtoffers.

Op zaterdagmorgen om halfzes, de derde dag van de gijzeling, belden twee van de gijzelaars Echo Moskvy, de belangrijkste nieuws- en praatzender van de stad. ‘Ik weet niet wat er aan de hand is,’ zei een van hen huilend in de telefoon. ‘Er is gas. Iedereen zit in de zaal. We vragen u, alstublieft, wij hopen dat we geen tweede Koersk zijn.’ Zij kreeg geen woord meer uit haar keel en gaf de telefoon door aan haar vriendin, die zei: ‘Het lijkt erop dat ze geweld gaan gebruiken. Laat ons alstublieft niet in de steek als er een kans is, we smeken u.’ Het is hartverscheurend duidelijk dat de gijzelaars noch hun dierbaren buiten het theater er vertrouwen in hadden dat ze konden worden gered door de Russische strijdkrachten. Dat maakte de verwijzing naar de Koersk wel duidelijk. Ze verwachtten niet dat de regering respect zou hebben voor mensenlevens.

Het reddingsplan was in werkelijkheid briljant. Commando’s gebruikten ondergrondse doorgangen om het theater te laten volstromen met gas waardoor iedereen in slaap zou vallen, zodat de terroristen de explosieven die verspreid over de zaal waren aangebracht niet tot ontploffing konden brengen – overal stonden in het zwart geklede vrouwen die ogenschijnlijk vesten vol explosieven droegen. Vervolgens konden de slapende terroristen worden ingerekend en konden de gijzelaars worden bevrijd door militairen die vanuit diezelfde ondergrondse doorgangen zouden opduiken én door de voordeuren het gebouw zouden betreden.

Geen enkel onderdeel van deze opzet verliep volgens plan. Het duurde enkele minuten voordat de terroristen insliepen. Waarom ze de explosieven niet tot ontploffing brachten, is onduidelijk, en het leidde tot gissingen dat er helemaal geen explosieven waren. De gijzelaars, die leden onder slaapgebrek en ernstige uitdrogingsverschijnselen – op z’n minst voor een deel doordat de twee verschillende commando-eenheden die rond het theater waren gestationeerd, geen overeenstemming konden bereiken over het doorlaten van een voorraad water en vruchtensap die de terroristen bereid waren te aanvaarden – vielen snel in slaap en hadden medische hulp nodig om weer wakker te worden. Die hulp kregen ze echter niet meteen. In plaats daarvan werden ze het gebouw uit gedragen en op de trappen naar het theater gelegd, vaak op hun rug in plaats van hun zij, zoals had gemoeten. Veel mensen stikten op de trappen voor het gebouw in hun eigen braaksel, zonder ooit nog bij bewustzijn te zijn gekomen. Vervolgens werden de doden én de mensen die slechts buiten bewustzijn waren, in bussen geladen, waar ze rechtop werden gezet. Veel mensen in de bus stikten doordat hun hoofd achteroverviel. De gijzelaars werden niet naar het ziekenhuis ernaast gebracht, maar hoofdzakelijk met bussen naar ziekenhuizen in Centraal-Moskou, waar de artsen ze niet konden helpen omdat het leger en de politieleiding weigerden te zeggen wat voor soort chemisch middel was gebruikt in het theater. Verscheidene gijzelaars raakten in coma en stierven in het ziekenhuis, sommigen pas een week na het einde van de gijzeling. In totaal kwamen honderdnegenentwintig mensen om het leven.

De regering kraaide victorie. Op televisie werden herhaaldelijk afbeeldingen getoond van de terroristen, die allemaal door Russische militairen waren geëxecuteerd in hun slaap: mannen en vrouwen die ineengezakt in een theaterstoeltje of over een tafel heen lagen, met zichtbare kogelverwondingen aan hun hoofd. Toen ik een artikel schreef over het gebrek aan respect voor een mensenleven dat de regering tentoon had gespreid door de overwinning uit te roepen terwijl er honderdnegenentwintig onnodig omgekomen waren, kreeg ik zelf een reeks doodsbedreigingen. De triomf op het terrorisme mocht niet in twijfel worden getrokken. Dat was maanden voordat sommige mensenrechtenactivisten durfden te zeggen dat Rusland een reeks internationale conventies en zijn eigen wetten had geschonden door gas te gebruiken en geweld toe te passen terwijl de terroristen nog bereid waren te onderhandelen. Maar heel weinig Russen hebben gehoord dat de terroristen, die geleid werden door iemand van vijfentwintig die nog nooit buiten Tsjetsjenië was geweest, eisen hadden gesteld die haast lachwekkend gemakkelijk ingewilligd hadden kunnen worden, waarmee de vrijlating van alle gijzelaars mogelijk veiliggesteld was. Ze wilden dat Poetin publiekelijk zou verklaren dat hij een einde wilde maken aan de oorlog in Tsjetsjenië en blijk zou geven van zijn goede wil door troepen terug te trekken uit een van de districten van de afgescheiden republiek.

Maar ondanks hun op het oog simpele eisen vroegen de terroristen dat Poetin zich tegen zijn natuur zou gedragen. De jongen die nooit kon ophouden met vechten – die na schijnbaar tot bedaren te zijn gekomen opnieuw woest werd en aanviel – die nu president was en die had beloofd ‘ze tot op de plee te achtervolgen’, zou zeker liever honderdnegenentwintig van zijn eigen burgers opofferen dan publiekelijk laten weten dat hij vrede wilde. Dat wilde hij niet.

Twee weken na de gijzeling in het theater was Poetin al weer in Brussel voor een top tussen de Europese Unie en Rusland die hoofdzakelijk was gewijd aan de bespreking van de internationale islamitische terroristische dreiging. Bij een persconferentie na de besprekingen stelde een verslaggever van de Franse krant Le Monde een vraag over de inzet van zware artillerie tegen burgers in Tsjetsjenië. Poetin oogde kalm en glimlachte zelfs lichtelijk rond de hoeken van zijn mond en zei: ‘Als u bereid bent een radicale aanhanger van de islam te worden en als u bereid bent u te laten besnijden, nodig ik u uit in Moskou. Wij zijn een land van vele geloven. Wij beschikken over specialisten op dit gebied. Ik zal adviseren dat de operatie zodanig wordt uitgevoerd dat daar nooit meer iets zal groeien.’ De tolk durfde Poetins antwoord niet helemaal te vertalen en het haalde The New York Times van de dag erop zelfs niet. De krant vertaalde zijn laatste zin zedig als: ‘U bent welkom en alles en iedereen wordt getolereerd in Moskou.’7 Maar de video van zijn uithaal naar de verslaggever was nog altijd een hit op RuTube negen jaar nadat Poetin zijn dreigement uitsprak – en gaf blijk van zijn absolute onvermogen zelfs maar te doen alsof hij nadacht over een vreedzame oplossing voor het conflict in Tsjetsjenië.8

Aleksandr Litvinenko woonde op dat moment in een rijtjeshuis in Noord-Londen aan een smalle straat tegenover Ahmed Zakajev, een gewezen acteur uit de Tsjetsjeense hoofdstad Grozny die eind jaren negentig het intelligente, charmante gezicht van een onafhankelijk Tsjetsjenië was geworden. Hij was een sleutelfiguur in de Tsjetsjeense regering van na het staakt-het-vuren en de Tsjetsjeense vertegenwoordiger in het Westen. In 2000 raakte hij gewond en verliet hij Tsjetsjenië om zich te laten behandelen, en uiteindelijk vroeg hij politiek asiel aan in Groot-Brittannië. Nu woonde hij in Noord-Londen van een bezoldiging die hij ontving van zijn vroegere onderhandelingspartner Boris Berezovski – net als Litvinenko, die in de tweede helft van de jaren negentig veel in Tsjetsjenië had gezeten, aan de kant van de Russische troepen. De nog in leven zijnde kameraden van Zakajev beschouwden hem als de premier van Tsjetsjenië in ballingschap.

Litvinenko en Zakajev bekeken samen documenten en videomateriaal van de gijzeling in het theater en deden een verbijsterende ontdekking: een van de terroristen was niet gedood. Sterker nog, hij leek het gebouw vlak voor de bestorming door de Russische troepen te hebben verlaten. Zij stelden vast dat het om Chanpasj Terkibajev ging, een voormalige journalist die naar hun overtuiging lang voor de Russische geheime dienst had gewerkt.9 Zakajev ontmoette Terkibajev op 31 maart 2003 in Straatsburg, waar zij allebei heen waren gegaan voor een vergadering van het Europees Parlement als vertegenwoordigers van het Tsjetsjeense volk, Terkibajev met en Zakajev zonder goedkeuring van Moskou. Begin april bezocht Litvinenko Sergej Joesjenkov, de liberale kolonel met wie Marina Salje had samengewerkt voordat ze Moskou ontvluchtte, die zich nu bezighield met een parlementair onderzoek naar de gijzeling in het theater, en hij gaf hem alle informatie die hij had verzameld over Terkibajev.10 Twee weken later werd Joesjenkov in Moskou op klaarlichte dag doodgeschoten. Litvinenko was er zeker van dat dit het directe gevolg was van zijn onderzoek naar de theatergijzeling.

Maar Joesjenkov had de documenten die hij van Litvinenko had gekregen al aan iemand anders gegeven. Anna Politkovskaja was een journaliste van midden veertig die het grootste deel van haar professionele leven een betrekkelijk obscuur leven had geleid en onthutsende artikelen schreef waarvoor zij uiterst grondig onderzoek had gedaan over allerlei sociale misstanden. Tijdens de Tweede Tsjetsjeense Oorlog bleek zij een op het roekeloze af dappere verslaggeefster die weken aaneen in Tsjetsjenië verbleef en zich schijnbaar niet bewust was van de beperkingen die Russische militairen oplegden, en ze legde aantijgingen van misstanden en oorlogmisdrijven vast. Binnen enkele jaren was ze voor de Tsjetsjenen veruit de betrouwbaarste Rus geworden. Ze had grijs haar, droeg een bril en was moeder van twee volwassen kinderen, en ze leek in niets op een naar schandalen wroetende journalist of oorlogsverslaggever, wat haar in een aantal gevallen waarschijnlijk gered heeft. Tijdens de theatergijzeling mocht ze het gebouw in voor een onderhandelingspoging met de terroristen, en ze schijnt er mede voor te hebben gezorgd dat ze bereid waren water en vruchtensap te laten brengen.

Politkovskaja spoorde Terkibajev op, die zij naar eigen zeggen herkende van haar bezoek aan het theater, en interviewde hem. Hij bleek heel ijdel te zijn, op het ridicule af, en ze wist hem moeiteloos te laten opscheppen over zijn betrokkenheid bij de gijzeling: dat hij toen in het theater was geweest, de terroristen ernaartoe had gebracht, dat hij hen met verscheidene bestelbusjes vol wapens langs controleposten in Tsjetsjenië en buitenposten van de politie voor Moskou had geleid, en dat hij een nauwkeurige plattegrond van het theater in zijn bezit had, waar het zowel de terroristen als de federale troepen aan had ontbroken. Voor wie hij werkte? Moskou, zei hij.11

Politkovskaja trok behoedzaam haar conclusies uit het interview. Terkibajev loog vaak en veel, dat was wel duidelijk. Maar de feiten stonden vast. Hij was werkelijk bij de gijzelnemers geweest, hij leefde nog, hij liep vrij rond, onder andere als lid van officiële delegaties in het buitenland. Het leek erop dat zijn bewering dat hij voor een van de geheime diensten werkte, moest kloppen. En hij zei nog iets belangrijks tegen Politkovskaja. De reden waarom de terroristen hun explosieven niet tot ontploffing hadden gebracht, zelfs niet toen ze het gas in de zaal opmerkten – wat een onmiskenbare prelude tot een aanval op het gebouw was – was dat er geen echte explosieven waren geweest. De vrouwen die aan de rand van de rijen waren geposteerd, en die de gijzelaars in de gaten hielden en hun vinger op de knop, droegen geen echte dynamietvesten. Als dat waar was – en er was alle reden dat aan te nemen – dan was iedereen die was omgekomen bij de bestorming voor niets gestorven. En daar was het Kremlin vermoedelijk van op de hoogte, aangezien Chanpasj Terkibajev het gebouw had verlaten voordat de commando’s het hadden bestormd.

 

Op 3 juli 2003 overleed een tweede lid van de onafhankelijke commissie die onderzoek deed naar de explosies in de flats in 1999. Joeri Sjtsjekotsjichin, een uitgesproken liberaal politicus en een journalist met een neus voor schandalen – hij was adjunct-hoofdredacteur van Novaja Gazeta en als hoofd van het onderzoeksteam de directe baas van Politkovskaja – was twee weken ervoor met geheimzinnige symptomen in het ziekenhuis beland. Hij klaagde over een brandend gevoel in zijn hele lichaam, en hij moest steeds overgeven. Een week later lag hij in coma, de huid over zijn hele lichaam schilferde af en zijn haar was uitgevallen. Hij overleed aan meervoudig orgaanfalen veroorzaakt door een onbekend gif.12 Artsen in het best geoutilleerde ziekenhuis van Moskou, die een ‘allergisch syndroom’ diagnosticeerden, konden zijn aftakeling geen halt toeroepen noch zijn pijn significant verminderen.

Sjtsjekotsjichin had zoveel zaken onderzocht dat zijn vrienden en collega’s, die bijna allemaal geloofden dat hij was vermoord, niet konden zeggen welke van zijn zelfmoordmissies tot zijn uiteindelijke dood had geleid. Zakajev was ervan overtuigd dat Sjtsjekotsjichin was vermoord om te voorkomen dat hij informatie zou publiceren die hij had verzameld over de gijzeling in het theater: bewijzen dat sommigen van de vrouwelijke terroristen veroordeelde criminelen waren die ten tijde van de gijzeling officieel nog vastzaten in Russische gevangenissen. Met andere woorden, hun vrijlating was vermoedelijk geregeld door iemand die boven de wet stond – wat opnieuw wees op mogelijke betrokkenheid van de geheime dienst bij de organisatie van deze terreurdaad.13

Zodra ze op 1 september 2004 hoorde over de gijzeling van de school in Beslan, haastte Politkovskaja zich vanzelfsprekend naar de luchthaven om naar Noord-Ossetië te gaan. Veel andere verslaggevers deden hetzelfde, onder wie een journalist die ook goed bekend was in Tsjetsjenië, Andrej Babitski – de man die aan het begin van Poetins bewind door Russische troepen was ontvoerd. Babitski werd aangehouden op de luchthaven van Moskou, zogenaamd omdat hij explosieven bij zich had. Er werd niets gevonden en hij werd vrijgelaten, maar in Beslan zou hij nooit aankomen. Politkovskaja boekte drie achtereenvolgende vluchten, die stuk voor stuk werden geannuleerd voordat zij aan boord kon gaan. Uiteindelijk bemachtigde ze een plaats in een vliegtuig naar Rostov, de grootste stad in Zuid-Rusland, zo’n 650 kilometer van Beslan. Het laatste stuk van de reis wilde ze afleggen in een huurauto. Ze was van plan niet alleen als verslaggever maar ook, zoveel als maar mogelijk was, als onderhandelaar op te treden, net zoals ze twee jaar eerder bij de gijzeling in het theater had gedaan.14 Voordat ze uit Moskou vertrok, had ze uitvoerig met Zakajev in Londen gesproken en hem aangespoord elke Tsjetsjeense leider te mobiliseren in een poging met de terroristen te praten en te onderhandelen over de vrijlating van de kinderen. Zij stelde voor dat de rebellenleiders daarvoor hun schuilplaats zouden verlaten, zonder zelf voorwaarden te stellen. Zakajev had daarmee ingestemd.

Politkovskaja was voortdurend op haar hoede – ze was inmiddels het doelwit van voortdurende doodsbedreigingen en ze had gezien hoe haar hoofdredacteur Joeri Sjtsjekotsjichin door vergiftiging om het leven was gekomen – en bracht haar eigen eten mee naar het vliegtuig en vroeg alleen om een kop thee. Tien minuten later was ze buiten bewustzijn. Tegen de tijd dat het vliegtuig landde, was ze in coma. Volgens de artsen die haar in Rostov behandelden, was het een wonder dat ze er weer uit kwam. Artsen in Moskou, waar ze twee dagen later heen werd gebracht, concludeerden dat ze was vergiftigd met een niet bekendgemaakt gif dat ernstige schade aan haar nieren, lever en endocriene klieren had veroorzaakt.

 

Politkovskaja, die maanden nodig had om te herstellen en nooit meer helemaal gezond werd, werd er effectief van weerhouden de tragedie in Beslan te verslaan en te onderzoeken. Anderen namen deze handschoen op. Een van die onderzoekers was Marina Litvinovitsj, voormalig spindoctor van Poetin. Na de gijzeling in het theater had ze haar baan bij de politieke consultants van het Kremlin opgegeven, niet zozeer omdat ze het oneens was met de aanpak ervan door de FSB, als wel omdat ze buiten het crisisteam was gehouden. Ze liefhebberde wat in de oppositiepolitiek net toen die oppositie ophield te bestaan, ging werken voor oligarch Michail Chodorkovski, die onmiddellijk werd gearresteerd, en was opeens in Beslan omdat ze haar aanzienlijke vaardigheden en connecties ergens voor wilde inzetten.

‘Ik was bang om te gaan,’ vertelde ze me. ‘Ik was nog nooit in de Kaukasus geweest.’ Uit schaamte wilde ze me niet precies vertellen wat ze had verwacht, maar ze was overduidelijk een product van tien jaar oorlogspropaganda, waaraan ze zelf had meegewerkt. Het laatste wat ze zo dicht bij Tsjetsjenië had verwacht aan te treffen, waren mensen zoals zijzelf. ‘We gingen van het ene gezin naar het andere, van het ene huis naar het andere, waar mensen kinderen hadden verloren, en overal waar we kwamen, schonken ze een glas wodka “ter herdenking” in. En iedereen huilde en ik huilde, en ik huilde tranen met tuiten in Beslan. En zij vertelden me hun verhalen en ze huilden en ze vroegen om hulp. Tegen die tijd leek in Rusland iedereen Beslan alweer vergeten te zijn en daarom vroegen ze aan iedereen die kwam om hulp. Ze wisten niet wat voor soort hulp en aanvankelijk wist ik het ook niet. Ik zei banale dingen, ik zei dat ze zich moesten organiseren. Dat was onzinnig om te zeggen tegen vrouwen die hun leven lang huisvrouw waren geweest – die, áls ze al een baan buitenshuis hadden, misschien in een familiezaak werkten. En geleidelijk aan begon ik daar meer tijd door te brengen en ik werkte aan een paar zaken. We zetten een organisatie op. Toen begonnen we ooggetuigenverslagen te verzamelen. En toen begon het proces.’

Net als bij de theatergijzeling waren de meeste gijzelnemers zonder vorm van proces geëxecuteerd door de Russische militairen. Volgens de officiële telling was er één overlevende, en dit keer werd hij berecht. De rechtszaak zou twee jaar duren en de getuigenis van de man en, belangrijker nog, verklaringen van ooggetuigen gaven opnieuw een vernietigend beeld van de behandeling door en mogelijke betrokkenheid van de Russische regering bij de gijzelingscrisis. De rechtszaak, die werd gevoerd in het kleine Beslan en voornamelijk door doodongelukkige plaatselijke inwoners werd bijgewoond, zou in volledige obscuriteit hebben plaatsgevonden als Litvinovitsj niet iets heel simpels had gedaan. Zij zorgde ervoor dat alle zittingen werden opgenomen en dat het transcript op een website belandde, getiteld ‘De waarheid over Beslan’.

Met behulp van de getuigenverklaringen in de rechtszaal slaagde Litvinovitsj erin te reconstrueren wat er van uur tot uur en op de laatste dag bijna van minuut tot minuut was gebeurd in de school. Ze ontdekte dat er twee reddingspogingen waren ondernomen die elkaar in de weg hadden gezeten: een lokale die werd geleid door de gouverneur van Noord-Ossetië, Aleksandr Dzasochov (zijn officiële titel was president van Noord-Ossetië), en een andere onder leiding van de FSB vanuit Moskou. In de eerste uren van de gijzeling hadden de gijzelnemers een briefje met hun mobiele telefoonnummer en een eis doorgegeven. Ze noemden vijf mensen, onder wie Dzasochov, die naar binnen konden komen om met hen te onderhandelen. Dzasochov probeerde de school binnen te gaan maar werd tegengehouden door militairen die onder de FSB vielen. Hij regelde wel dat de voormalige leider van het naburige Ingoesjetië, Roeslan Aoesjev, het gebouw in kon. Het lukte Aoesjev zesentwintig gijzelaars naar buiten te krijgen, stuk voor stuk vrouwen met heel jonge kinderen. Hij bracht ook een lijst met eisen aan Vladimir Poetin mee terug. Ze wilden onafhankelijkheid voor Tsjetsjenië, terugtrekking van de Russische troepen en een einde aan het militaire optreden. Op de tweede dag van de gijzeling contacteerde Dzasochov Zakajev in Londen, en Zakajev haalde de president van de zogenaamde Tsjetsjeense republiek, Aslan Maschadov, over naar Beslan te komen en met de terroristen te onderhandelen – een afspraak die Politkovskaja feitelijk al had geregeld maar waartoe Dzasochov opnieuw een aanzet moest geven.

Alles wees erop dat de terroristen bereid waren te onderhandelen. In de meeste landen zou dit hebben betekend dat de impasse zich had voortgesleept zolang de kans bleef bestaan dat er gijzelaars konden worden gered. Maar net als tijdens de theatergijzeling wachtte Moskou niet tot de onderhandelingen waren uitgeput. Sterker nog, het lijkt erop dat de start van het militair ingrijpen precies was gepland ter voorkoming van een ontmoeting tussen de terroristen en Maschadov, die een goede kans maakte tot een vreedzame oplossing te komen.

Op 3 september om één uur ’s middags, enkele minuten nadat medewerkers van de nooddienst naar het gebouw waren gekomen om de stoffelijke overschotten mee te nemen – wat Aoesjev voor elkaar had gekregen – van verscheidene mannen die aan het begin van de gijzeling waren gedood door de terroristen, deden twee explosies het gebouw op zijn grondvesten schudden. De meeste gijzelaars zaten inmiddels al ruim twee dagen opeengepakt in de gymzaal van de school. Ze waren uitgedroogd – velen van hen dronken hun eigen urine – en doodsbang. Ze wisten dat de gymzaal ondermijnd was – de explosieven waren duidelijk zichtbaar aangebracht – en twee van de terroristen stonden op wacht met hun voet op een pedaal waarmee ze de explosieven tot ontploffing konden brengen.

Maar de twee explosies vlak na elkaar kwamen van buiten het gebouw. Litvinovitsj kon vaststellen dat beide het gevolg waren van rechtstreeks door Russische troepen op de overvolle gymzaal gerichte granaatwerpers. ‘Het leek wel alsof er iets naar binnen was gevlogen, een gigantische vuurbal,’ getuigde een van de voormalige gijzelaars. Net als de meeste volwassenen in de gymzaal was zij een moeder die er met haar kind gevangenzat. ‘Ik keek in de verte,’ zei een andere voormalige gijzelaar, ‘en ik zag dat waar de deur naar het schoolplein was geweest, nu een reusachtig gat in het plafond zat, en dat brandde heel erg fel.’

‘Toen ik bijkwam, lagen er lichamen boven op me,’ getuigde een van de voormalige gijzelaars. ‘Alles stond in lichterlaaie,’ zei een ander. ‘Ik lag boven op dode lichamen. Er waren ook doden die op een bank zaten.’ Een derde getuigde: ‘Ik keek opzij en zag dat mijn dochter haar hoofd en haar arm kwijt was en dat haar voet helemaal verbrijzeld was.’

De gijzelaars hadden twee dagen in een hel verkeerd en nu veranderde deze hel in een chaos. De terroristen waren schijnbaar in paniek – ze probeerden de levens van de gijzelaars te redden. Ze dreven degenen die konden lopen naar de schoolkantine, die beschermd was tegen directe brand. Ze spoorden degenen die in de gymzaal bleven aan om voor de ramen te gaan staan en de Russische militairen te laten zien dat de zaal vol zat met gijzelaars, dat ze vrouwen en kinderen aan het beschieten waren. De Russische militairen bleven tanks, granaatwerpers en vlammenwerpers inzetten en ze richtten eerst op de gymzaal en later ook rechtstreeks op de kantine. De terroristen probeerden herhaaldelijk vrouwen en kinderen onder te brengen in de vertrekken die beschut waren tegen het vuur. Buiten probeerde de lokale politie zonder succes de Russische troepen over te halen het vuren te staken. In totaal kwamen 312 mensen om, inclusief de niet-FSB-agenten die omkwamen in de brand terwijl ze probeerden de gijzelaars te redden.15

Voorafgaand aan de tweede herdenking van de tragedie in Beslan stelde Litvinovitsj in september 2006 een brochure samen met haar bevindingen. Politkovskaja, die uitgeschakeld was, schreef weinig over Beslan, maar haar bijdrage was opvallend. Ze had de hand weten te leggen op een politiedocument waaruit bleek dat een man die vier uur voor de gijzeling was aangehouden, de politie had ingelicht over het plan. Die waarschuwing was in de wind geslagen. Er was die Dag van de Kennis niet eens extra beveiliging op de school.16

 

Wat moest je hiervan denken? Sommigen waren ervan overtuigd dat Beslan van a tot z in scène was gezet en uitgevoerd door de geheime dienst, net als bij de explosies in de flats het geval was geweest. Deze theorie wint aan geloofwaardigheid door het feit dat Poetin tien dagen na de tragedie al met het initiatief kwam de gouverneursverkiezingen af te gelasten en dat hij dit voorstelde als een reactie op het terrorisme. Zakajev was er bijvoorbeeld van overtuigd dat de FSB een boevenbende Tsjetsjenen in de arm had genomen om het kantoor van de lokale gouverneur te bezetten – om Poetin een excuus te geven rechtstreekse federale controle over regionale besturen op te leggen – maar dat er iets verkeerd was gegaan en dat de terroristen uiteindelijk in de school waren beland.

Naar mijn mening is de werkelijkheid ingewikkelder. Dat de explosies in de flats moeten worden toegeschreven aan de geheime dienst, staat welhaast vast – bij gebrek aan gelegenheid om ál het beschikbare bewijsmateriaal te onderzoeken. De gijzelingen in het theater en in Beslan komen op mij niet zozeer over als goed geplande operaties als wel als de resultaten van een reeks verkeerde zetten, duivelse bondgenootschappen en mislukte plannen. Het lijkt wel vast te staan dat een aantal FSB-agenten langdurige relaties onderhield met terroristen en potentiële terroristen uit Tsjetsjenië. Ten minste een deel van deze relaties ging gepaard met de uitwisseling van diensten en geld. Het is duidelijk dat iemand – vermoedelijk de politie maar waarschijnlijk ook de geheime dienst – de terroristen moest helpen als ze zich in Rusland verplaatsten. Tot slot zijn er sterke aanwijzingen dat Poetins regering niet haar best deed om terroristische aanslagen te voorkomen en evenmin om crises vreedzaam tot een einde te brengen als deze zich voordeden. Bovendien zette de president consequent en in toenemende mate zijn reputatie op het spel als het ging om zijn vastberadenheid om ‘ze tot op de plee te achtervolgen’, ongeacht de omstandigheden maar ook wat betreft de vermeende wreedheid van de terroristen.

Leidde dit uiteindelijk tot een reeks zorgvuldig uitgedachte plannen om Poetins positie te versterken in een land dat het best reageerde op een politiek van angst? Niet per se, of niet helemaal. De mensen achter de gijzelingen in het theater en in de school en de mensen die deze mogelijk hadden gemaakt, hadden naar mijn mening oorspronkelijk verschillende beweegredenen. Ten minste een deel van de Tsjetsjeense rebellen wilde de Russen zo bang maken dat ze zouden begrijpen wat een nachtmerrie hun oorlog was. Een aantal mensen die hen hielp bij de uitvoering van de aanvallen op de Russen, handelde hoogstwaarschijnlijk uitsluitend uit winstbejag. Anderen, in beide kampen, hadden een persoonlijke rekening te vereffenen, en weer anderen hielden zich inderdaad bezig met ingewikkelde politieke intriges die al dan niet de hoogste regionen kunnen hebben bereikt. Eén ding is zeker: toen de gijzelingen eenmaal aan de gang waren, deden de speciale eenheden van de regering onder rechtstreekse supervisie van Poetin er alles aan het einde van de crises zo gruwelijk mogelijk te laten zijn. Daarmee werd de voortzetting van de oorlog in Tsjetsjenië gerechtvaardigd, evenals een harder optreden tegen de media en de oppositie in Rusland. Ten slotte werd met dit optreden alle mogelijke kritiek vanuit het Westen de kop ingedrukt. Dat Westen moest na 11 september 2001 in Poetin wel een medestrijder tegen het islamitisch terrorisme zien. Dat de Russische troepen in zowel Moskou als Beslan zodanig te werk gingen dat er zo veel mogelijk bloed werd vergoten, heeft dus een reden: het vergroten van de angst en het afgrijzen. Dat is de typische werkwijze van terroristen, en in die zin is de bewering gerechtvaardigd dat Poetin en de terroristen samenwerkten.

 

Marina Litvinovitsj verliet haar werk op 20 maart 2006 even na negen uur ’s avonds. Ze werkte nu voor Garri Kasparov, de schaakkampioen die politicus was geworden. Ze woonden en werkten zo onopvallend mogelijk in het centrum van Moskou. Hun kantoor bevond zich achter een deur zonder opschrift, waarachter twee van Kasparovs acht permanente lijfwachten stonden. Kasparov en zijn lijfwachten vertrokken ’s avonds altijd in zijn SUV en de weinige overige medewerkers gingen elk voor zich huns weegs met de auto, te voet of per metro. Litvinovitsj, die vlakbij woonde, ging gewoonlijk te voet.

Ongeveer een uur nadat zij het kantoor had verlaten, opende Litvinovitsj haar ogen om te ontdekken dat ze op een kelderafdakje lag en iemand probeerde vast te stellen of ze wel in orde was. Dat was ze niet. Ze was kennelijk bewusteloos geslagen door een klap of verschillende klappen op haar hoofd. Ze was zwaar toegetakeld, zat onder de blauwe plekken en miste twee van haar voortanden. Haar tas lag naast haar. Haar laptop, mobiele telefoon en haar geld zaten er nog in.

Ze lag die avond drie à vier uur op de eerste hulp, en de volgende dag bracht ze nog eens drie à vier uur door op het politiebureau. De politie toonde ongebruikelijk veel aandacht voor haar, maar hield vol dat ze niet was geslagen. Was de eenendertigjarige vrouw misschien niet gewoon flauwgevallen op straat en zo gek terechtgekomen dat ze overal blauwe plekken had? Ze wierp tegen dat ze een grote bloeduitstorting op een been had, die volgens de artsen vermoedelijk was veroorzaakt door een klap met een gummistok. Was ze dan misschien aangereden door een auto? Litvinovitsj wees erop dat haar kleren zo schoon waren dat ze de dag erna nog dezelfde broek en jas aanhad, en dat ze dus duidelijk niet was aangereden door een auto. Bovendien was dat een van de vele aanwijzingen dat ze was aangevallen door professionals. Ze moest wel zijn vastgehouden terwijl ze in elkaar werd geslagen, en vervolgens zorgvuldig op het afdakje zijn gelegd waarop ze uiteindelijk was bijgekomen.

De aanval was een waarschuwing. De smetteloze uitvoering en het feit dat Litvinovitsj’ waardevolle spullen onaangeroerd waren gebleven, onderstreepten dit. Een andere jonge politiek consulent, een voormalige collega van Litvinovitsj met een schitterende loopbaan in dienst van de regering-Poetin, legde het in zijn blog uit: ‘Vrouwen horen dit soort werk niet te doen. [...] Marina is gaan meedoen aan de oorlog en niemand heeft ooit beweerd dat deze oorlog zou worden gevoerd volgens de regels.’17 Met andere woorden, dit zou mensen die zich tegen het Kremlin verzetten, overkomen.

 

Op zaterdag 7 oktober 2006 arriveerde Anna Politkovskaja bij haar appartementencomplex in hartje Moskou en werd ze in de lift doodgeschoten.

Wie kon het hebben gedaan? Iedereen. Politkovskaja kon heel lastig zijn. Naast haar buitengewoon empathische persoonlijkheid leek er een andere te bestaan, die geneigd was bij de minste of geringste provocatie uit te halen. Dat was een gevaarlijke eigenschap voor een journalist die onder andere een heleboel goedbewapende mannen als bron had voor wie geweld gewoon was en die er helemaal niet aan gewend waren dat vrouwen ze van repliek dienden. Ze kon onaardig zijn tegen haar zegslieden, zoals tegen Chanpasj Terkibajev, die ze afschilderde als ijdel en dom nadat hij oprecht had geprobeerd indruk op haar te maken. Ze koos partij, wat gevaarlijk is als je te maken hebt met stammenoorlogen. Maar bovenal stond ze bekend als een criticus van het regime-Poetin. Aleksandr Litvinenko was ervan overtuigd dat dit haar het leven kostte. ‘Anna Politkovskaja is vermoord door Poetin’ was de kop boven de necrologie die hij die dag op internet zette. ‘We waren het soms niet met elkaar eens en dan discussieerden we,’ schreef hij over zijn relatie met Politkovskaja. ‘Maar over een paar dingen waren we het volkomen eens. We waren allebei van mening dat Poetin een oorlogsmisdadiger is, dat hij schuldig is aan de genocide onder de Tsjetsjeense bevolking en dat hij moet worden berecht door een open en onafhankelijke rechtbank. Anja realiseerde zich dat Poetin haar zou kunnen vermoorden vanwege haar denkbeelden, en daarom minachtte ze hem.’18

Op de dag dat Politkovskaja stierf, werd Poetin vierenvijftig jaar. Journalisten noemden de moord onmiddellijk zijn verjaarscadeautje. Poetin repte met geen woord over Politkovskaja’s dood. De dag erna stuurde hij een felicitatie naar een kunstrijdster die zestig werd en een populaire acteur die zeventig werd, maar hij zei nog steeds geen woord over een moord die de hoofdstad en het land had geschokt. Drie dagen na de moord was hij in Dresden, de stad die ooit zijn thuis was geweest, voor een ontmoeting met de Duitse kanselier Angela Merkel. Toen hij in Dresden uit zijn auto stapte, stuitte hij op een demonstratie van zo’n dertig mensen met borden waarop stond ‘Moordenaar’ en ‘Moordenaars zijn hier niet langer welkom’.19 Op de persconferentie na zijn ontmoeting met Merkel werd hij eindelijk gedwongen door journalisten – en schijnbaar ook door Merkel zelf – om een publieke verklaring af te leggen over Politkovskaja’s dood. Opnieuw liet Poetin zien dat hij zich niet weet te gedragen als hij in het openbaar moet spreken over een zaak van emotionele betekenis. Hij leek te koken van woede terwijl hij sprak:

 

Die journaliste was inderdaad een felle criticus van de huidige Russische regering. Maar ik denk dat journalisten weten – deskundigen zijn zich hier in elk geval van bewust – dat haar politieke invloed in het land buitengewoon onbeduidend was. Zij was bekend in journalistieke kringen en bij mensenrechtenactivisten en in het Westen, maar haar invloed op de politiek in Rusland was minimaal. De moord op zo iemand – de koelbloedige moord op een vrouw, een moeder – is op zichzelf een aanval op ons land. Deze moord schaadt Rusland en zijn huidige regering, en de huidige regering in Tsjetsjenië, veel meer dan welk artikel van haar dan ook.20

 

Hij had gelijk. Politkovskaja was bekender in West-Europese landen als Frankrijk en Duitsland, waar haar boeken werden vertaald en veel aandacht kregen, dan in Rusland, waar ze allang op de zwarte lijst van de televisiezenders stond (ze was ooit een vaste en welbespraakte gast in de talkshows), waar de krant waarvoor ze werkte gold als marginaal, en waar – dat was het allerbelangrijkste – onderzoeksjournalistiek die explosief zou zijn geweest als Rusland een enigszins functionerende democratie was gebleven, domweg werd genegeerd. De regering reageerde nooit op haar interview met Chanpasj Terkibajev of haar bericht dat de politie waarschuwingen over Beslan in de wind had geslagen. Geen enkele politiefunctionaris verloor zijn baan, zelfs niet op ondergeschikt niveau. Er gebeurde helemaal niets, alsof er niets was gezegd of niemand het had gehoord. En de moord op Politkovskaja, waardoor Poetin gedwongen werd zijn onschuld te bewijzen, schaadde hem en zijn regering zeker meer dan zij bij leven had kunnen doen.

Het was bovendien zo’n verschrikkelijk geslepen verklaring, die Poetins kijk op journalisten zo duidelijk liet zien, dat ik geneigd ben te geloven dat hij oprecht was.

 

Op 1 november 2006, slechts drie weken na de moord op Politkovskaja, werd Aleksandr Litvinenko ziek. Omdat hij er altijd op bedacht was dat hij zou kunnen worden vergiftigd, dronk hij onmiddellijk vier liter water om welk goedje het ook was zijn lichaam uit te spoelen. Het baatte niet. Enkele uren later moest Litvinenko hevig braken. Hij leed ook ondraaglijke pijn. Het leek wel alsof zijn keel, zijn slokdarm en zijn maag in brand stonden. Hij kon niets eten of drinken, en bij het overgeven crepeerde hij van de pijn. Toen de symptomen na drie dagen niet afnamen, werd hij opgenomen in het ziekenhuis.

Litvinenko vertelde de artsen meteen dat hij vergiftigd zou kunnen zijn door agenten van de Russische regering. Dat zorgde ervoor dat er een psychiater aan zijn bed verscheen – en dat hij besloot zijn theorie voor zich te houden. De artsen zeiden tegen zijn vrouw, Marina, dat ze op zoek waren naar uitzonderlijke bacteriën die Litvinenko’s ernstige symptomen volgens hen hadden veroorzaakt. Een paar dagen geloofde ze hen en wachtte ze geduldig af tot haar man beter zou worden. Maar toen deze beproeving zo’n tien dagen duurde, zag ze dat Aleksandr duidelijk achteruit was gegaan. Het viel haar ook op dat zijn operatiehemd onder de haren zat. Later vertelde ze me:

 

Ik aaide over zijn bol. Ik droeg een rubberhandschoen en zijn haar bleef aan mijn handschoen zitten. Ik zei: ‘Sasja, wat is er aan de hand?’ Hij zei: ‘Ik weet het niet, mijn haar valt uit.’ Dat was het moment dat ik naast zijn bed ging staan en begon te gillen: ‘Schamen jullie je niet?’ Tot dat moment had ik geprobeerd m’n geduld te bewaren, maar dit was het moment waarop ik me realiseerde dat ik er niet meer tegen kon. Zijn behandelend arts kwam gelijk en ik zei: ‘Snapt u wat er aan de hand is, kunt u me uitleggen wat er aan de hand is?’ Toen haalden ze iemand van oncologie en een andere specialist erbij en begonnen ze te overleggen. En de oncoloog zei: ‘Ik leg hem op mijn afdeling, want hij ziet eruit als iemand die bestraald is.’ En hij haalde hem naar zijn afdeling, maar ze konden nog steeds niets vinden.

 

Het duurde nog een week voordat Litvinenko’s artsen, de Britse pers en de Londense politie geloof begonnen te hechten aan het verhaal dat hij was vergiftigd. In zijn urine waren sporen van thallium aangetroffen, een zwaar metaal dat vroeger werd gebruikt in rattengif maar in westerse landen allang verboden was. Deze ontdekking gaf Litvinenko, zijn vrouw en zijn vrienden hoop. Hij zou een tegengif krijgen en weer beter worden. ‘Ik dacht dat hij misschien invalide zou raken – daar was ik op voorbereid,’ vertelde Marina mij, ‘maar ik dacht niet dat hij zou sterven. Ik zat te denken aan behandelingen die nodig zouden zijn.’ Die ontdekking verschafte de Britse media ook een reden om het verhaal te schrijven over de ‘Russische spion’, zoals ze hem zo nodig moesten noemen, die lag dood te gaan in een ziekenhuis in Londen, en Scotland Yard een reden om Litvinenko te ondervragen. De voormalige klokkenluider, die verzwakt was, niet kon slikken – hij kreeg al zijn voeding gedurende het hele ziekenhuisverblijf intraveneus – en extreem veel pijn leed als hij sprak, legde gedurende zijn laatste levensdagen een verklaring van zo’n twintig uur af. Maar de diagnose deed ook een toptoxicoloog die Goldfarb in de arm had genomen aarzelen. Litvinenko’s symptomen waren in zijn ogen niet echt die van een thalliumvergiftiging.

Litvinenko dicteerde een dag of twee voordat hij in coma raakte een verklaring die op zijn verzoek als hij zou sterven moest worden vrijgegeven. Alex Goldfarb schreef deze op. Hij begon met drie alinea’s waarin hij zijn dank uitsprak aan artsen, Groot-Brittannië en Marina, en vervolgde:

 

Terwijl ik hier lig, voel ik de onmiskenbare aanwezigheid van de engel des doods. Het kan nog altijd dat ik hem zal weten te ontlopen, maar ik vrees dat mijn voeten niet meer zo snel zijn als vroeger. Ik denk dat het tijd wordt dat ik enkele woorden richt tot de man die verantwoordelijk is voor mijn huidige toestand.

U mag er dan in slagen mij het zwijgen op te leggen, maar voor deze stilte zult u boeten. U hebt nu bewezen dat u inderdaad de meest meedogenloze barbaar bent waarvoor uw felste critici u uitmaken.

U hebt bewezen geen respect te hebben voor mensenlevens, vrijheid of andere waarden van een beschaving.

U hebt laten zien dat u uw positie niet verdient en u verdient het vertrouwen van beschaafde mensen niet.

Het lukt u misschien één man het zwijgen op te leggen, maar het lawaai van het wereldwijde protest zal tot uw dood weergalmen in uw oren, meneer Poetin. Moge God u vergeven niet alleen wat u mij maar ook mijn geliefd Rusland en zijn bevolking hebt aangedaan.21

 

De artsen stelden uiteindelijk een paar uur voor Litvinenko’s dood vast wat de oorzaak van de vergiftiging was. Het was polonium, een zeer radioactieve stof die alleen in minuscule hoeveelheden voorkomt in de natuur maar kan worden nagemaakt. Familieleden en dierbaren hoorden kort na Aleksandr Litvinenko’s overlijden van de politie wat de oorzaak was.

 

Vijf jaar nadat hij Litvinenko had leren kennen en had helpen ontsnappen, begon Goldfarb aan een boek over de man, samen met diens weduwe, Marina. Het zou binnen een jaar in verscheidene talen verschijnen. (De Nederlandse titel luidt Dood van een dissident. Alexander Litvinenko en het einde van de Russische democratie.) Goldfarb, een wetenschapper, sinds jaar en dag een politiek activist en van nature een scepticus, slaagde erin het verhaal over de moord op Litvinenko des te overtuigender te reconstrueren omdat hij nooit echt geloof had gehecht aan wat hij de complottheorieën van Litvinenko en Politkovskaja noemde. Maar zijn eigen theorie zou enkele van die van hen in de schaduw stellen. Het Russische beleid ten aanzien van Tsjetsjenië onderging ten tijde van de twee moorden een transformatie. Zonder een nederlaag te erkennen of zelfs maar openlijk te onderhandelen – wat Poetin allebeide vernederend zou hebben gevonden – trok Rusland zijn troepen terug uit Tsjetsjenië en gaf de vrije teugel en exceptionele geldelijke steun aan een zorgvuldig uitgekozen jonge Tsjetsjeense leider, Ramzan Kadyrov, in ruil voor trouw en de illusie van vrede en een overwinning. Voor de andere Tsjetsjeense krijgsheren betekende dit het einde. Kadyrov was meedogenloos jegens vijanden en rivalen. Goldfarb concludeerde op grond van uitvoerig indirect bewijs en enkele veelbetekenende vertrouwelijke interviews dat een van die krijgsheren Politkovskaja had laten vermoorden in de hoop dit Kadyrov in de schoenen te kunnen schuiven – en hem bij de Russische regering in diskrediet te brengen. Politkovskaja had zich luid en duidelijk kritisch uitgelaten over Kadyrov en had hem zelfs beledigd, maar volgens Goldfarb waren de mensen die werkelijk verantwoordelijk waren voor de moord op haar, Tsjetsjenen uit een rivaliserende clan.

Vervolgens, zo opperde Goldfarb, bevond Poetin zich ineens in de positie dat hij zijn onschuld moest proberen te bewijzen – en had hij het gevoel dat hij erin was geluisd. Voor een deel dankzij zijn adviseurs dacht hij echter dat hij er niet door Kadyrov was ingeluisd maar dat het kamp van Berezovski in Londen hem de schuld in de schoenen probeerde te schuiven. De veruit luidruchtigste figuur uit dat kamp was de verraderlijke FSB-agent Litvinenko, die Poetin inderdaad beschuldigde van de moord. Daarom liet Poetin hem ombrengen.22

Goldfarbs theorie klopt in logisch opzicht als een bus. Iedereen die erin voorkomt, heeft een motief en de middelen. Maar in mijn ogen is ze te gecompliceerd of misschien te specifiek. De moord op Litvinenko is onmiskenbaar het werk van de Russische regering met goedkeuring van de hoogste baas. Polonium-210, dat hem doodde, wordt alleen in Rusland geproduceerd. De productie en export worden streng gecontroleerd door federale nucleaire autoriteiten, en voor de onttrekking van de benodigde dosis aan de productieketen was interventie op het hoogste niveau in een van de eerste fasen van het productieproces nodig. De toestemming voor die interventie moet afkomstig zijn geweest van het bureau van de president. Met andere woorden, Vladimir Poetin gaf bevel tot de moord op Aleksandr Litvinenko.

Toen eenmaal was vastgesteld om welk gif het ging, kon de Britse politie gemakkelijk verdachten aanwijzen. Polonium is weliswaar onschadelijk zolang je het niet binnenkrijgt, maar het laat op alles waarmee het in contact komt radioactieve sporen achter. Daardoor kon de politie vaststellen wie het polonium naar Londen had vervoerd en op welk tijdstip en waar de vergiftiging precies plaatsvond. De twee mannen die ze identificeerden, waren Andrej Loegovoi, voormalig hoofd beveiliging voor Berezovski’s zakenpartner, die zelf een lucratieve particuliere beveiligingsfirma had opgericht in Moskou, en diens zakenpartner Dmitri Kovtoen. Om redenen die de Britse politie niet wil onthullen, is Loegovoi aangewezen als verdachte van de moord en Kovtoen als getuige. Rusland heeft verzoeken om uitlevering van Loegovoi geweigerd. Hij is zelfs tot parlementslid verheven, zodat hij immuniteit geniet tegen vervolging, inclusief uitleveringsverzoeken. Groot-Brittannië heeft de zaak puur als een criminele kwestie behandeld en geen politiek verzoek om uitlevering van Loegovoi ingediend.

Aan geen enkele andere moord uit de lange reeks van moorden op journalisten en politici zit zo’n uitgesproken en duidelijk verhaal vast. Het is natuurlijk mogelijk dat Anna Politkovskaja het slachtoffer werd van de machtsstrijd in Tsjetsjenië. Het is mogelijk dat Joeri Sjtsjekotsjichin werd vermoord door zakenlui of politici wier smerige spelletjes hij in de publiciteit had gebracht. Het is mogelijk dat Sergej Joesjenkov door een politieke rivaal werd vermoord, zoals de politie later beweerde. Het is mogelijk dat Anatoli Sobtsjak stierf aan een hartaanval. Maar al deze mogelijkheden lijken afzonderlijk genomen onwaarschijnlijk, en bij elkaar opgeteld zelfs absurd. De eenvoudige en evidente waarheid is dat Poetins Rusland een land is waar politieke rivalen en luidruchtige critici vaak vermoord worden, en het bevel komt in ieder geval zo nu en dan rechtstreeks van de president.