7

 

De dag dat de media stierven

 

 

De dag van de verkiezingen, 26 maart 2000, was ik in Tsjetsjenië. Ik wilde de vraag ontlopen of ik naar de stembus zou gaan voor verkiezingen die in mijn ogen een schijnvertoning waren, na een campagne die het best kan worden omschreven als een schertsvertoning. In de drie maanden nadat Jeltsin was teruggetreden, had Poetin geen enkele politieke uitspraak gedaan, wat, zo leken hij en zijn spindoctors te denken, een deugd was. Dansen voor stemmen was beneden zijn waardigheid. Zijn campagne had in wezen bestaan uit het boek waaruit het beeld van hemzelf als een schurk oprijst. Daarnaast was hij een week voor de verkiezingen onder grote belangstelling van de pers met een gevechtsvliegtuig op het vliegveld van Grozny geland. Zijn enige politieke boodschap leek te zijn: ‘Ik laat niet met me sollen.’

Om die reden nam ik een uitnodiging van het persbureau van het leger aan om de verkiezingen vanuit Tsjetsjenië te verslaan. Ik besefte wel dat ik niet veel bewegingsvrijheid zou krijgen en dat Russische functionarissen me met argusogen zouden volgen, maar ik dacht dat ik op die manier enigszins een inschatting zou kunnen maken van de situatie in een gebied dat ik vrij goed kende. Ik was zo’n drie jaar ervoor voor het laatst in Tsjetsjenië geweest, kort nadat het staakt-het-vuren was ingegaan.

Vóór de Eerste Tsjetsjeense Oorlog (1994-1996) was Grozny een stad met bijna een miljoen inwoners. Na afloop ervan woonden er nog minimaal een half miljoen mensen. Ik kende de stad vrij goed. Ze had een te behappen omvang, een paar heuvels en duidelijk afgebakende wijken, de meeste met genoeg hoge gebouwen om je te kunnen oriënteren. Vlak na de bombardementen op de stad tijdens de eerste oorlog hadden sommige Europese waarnemers Grozny met Dresden vergeleken, de Duitse stad die tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog met de grond gelijk was gemaakt door de Britten en Amerikanen. Dat leek mij een redelijke vergelijking – maar Grozny had desondanks zijn karakteristieke uiterlijk behouden.

Nu was dat verdwenen. Ik zag geen hoge gebouwen. Ik ontwaarde geen monumenten, hoewel er veel waren geweest. De stad zag er overal hetzelfde uit en rook overal hetzelfde: verbrand vlees en betonstof. Het was beangstigend, oorverdovend stil. Als een bezetene nam ik de uithangborden in me op, de enige herinnering aan menselijk leven en menselijke communicatie in de stad: CAFÉ, INTERNET, AUTO-ONDERDELEN, HIER WONEN MENSEN. Dat laatste stond op een bordje dat de bewoners hadden opgehangen toen ze na de vorige oorlog naar hun huizen waren teruggekeerd in de hoop plunderingen en schietpartijen te voorkomen.

In wat vroeger een stad was, hing een tiental luidsprekers als hoorbare richtingaanwijzers voor stembureaus of veldkeukens die waren ingericht door het federale ministerie voor Noodsituaties. Getweeën of gedrieën liepen de mensen, vooral vrouwen, zwijgend over straat richting het geluid dat afkomstig was van de dichtstbijzijnde luidspreker, ongetwijfeld in de hoop een veldkeuken in plaats van een stembureau aan te treffen.

Wij journalisten werden door onze gidsen van het leger naar een van de negen stembureaus geleid. Toen we rond twaalf uur aankwamen, was daar een massa mensen, opnieuw voornamelijk vrouwen, die er al sinds zonsopkomst stonden. Ze waren gekomen in de hoop op humanitaire hulp. Misschien had iemand beloofd dat er bij de stembureaus voedsel en kleren zouden worden uitgedeeld, misschien waren ze er gewoon op grond van een gerucht heen gegaan. ‘DEMOCRATIE IS DE DICTATUUR VAN DE WET’ stond op het bord boven de ingang van het gebouwtje, een verwijzing naar een oxymoron van Poetin dat de kieswet regelrecht schond. Er was geen humanitaire hulp te bekennen.

Een oude vrouw kwam naar me toe en vroeg me te schrijven dat zij nu op straat moest leven.

‘Heeft u gestemd?’ vroeg ik haar.

‘Ik heb gestemd,’ antwoordde ze.

‘Op wie heeft u gestemd?’

‘Geen idee,’ antwoordde ze. ‘Ik kreeg een stembiljet en ik heb het erin gestopt.’

Uren later zag ik bij een stembureau in een ander gedeelte van de stad een paar mensen uit de verte naderen. Ik rende op ze af voordat mijn begeleiders me konden tegenhouden en hoopte zo enkele inwoners van Grozny buiten het stembureau te pakken te krijgen. Het bleken drie mensen te zijn, van wie twee erg oud, die ik al bij de eerste stemplaats had gezien. Alle drie sleepten ze lege kisten achter zich aan. Nadat de bus met journalisten was vertrokken, vertelden ze me, hadden lokale functionarissen tegen hen gezegd dat er geen humanitaire hulp zou komen. Ze hadden er uren over gedaan om terug te lopen naar waar ooit hun huizen hadden gestaan.

Nu ik eventjes buiten het zicht van de begeleiders was, nam ik de gelegenheid te baat deze mensen te vragen waarom ze naar Grozny waren teruggekeerd. Het oude stel gebaarde de jongere vrouw om mij haar verhaal te vertellen. Ze weigerde en zei: ‘Wat heeft het voor nut erover te praten?’ maar durfde uiteindelijk de ouderen niet te negeren. ‘We zijn teruggekomen voor de stoffelijke overschotten van onze familieleden. Ze brachten ons naar hen toe. Ze waren allemaal vastgebonden met ijzerdraad. Maar er is één hoofd dat ze nooit hebben gevonden.’ Acht familieleden van haar behoorden tot de duizenden die gevangen waren genomen en vervolgens geëxecuteerd door de Russische troepen. De vrouw en haar directe familieleden waren maanden geleden al uit Grozny naar familie in een klein dorpje gegaan. De acht familieleden hadden geen geld gehad om de stad te verlaten. Telkens als je een controlepost van de Russische militairen moest passeren, moest je betalen. Terwijl we stonden te praten, kwam een andere vrouw op ons af, met twee nichtjes in haar kielzog. Een bleke achtjarige en een kribbige tiener. ‘Hun vader is omgekomen bij de beschietingen,’ vertelde ze. ‘Hun moeder kon het niet aan en stierf, en hun grootmoeder stierf ook. De meisjes hebben hen op het erf begraven. De vader hebben we gisteren opgegraven, het lichaam gewassen, maar omdat de mannen niet naar buiten durven om hem te begraven ligt hij daar maar in huis.’ Ze vroeg aan de tiener of deze haar verhaal wilde bevestigen, maar het meisje begon te huilen en liep weg.

Deze mensen vertelden me dat ze hadden gestemd op een mensenrechtenactiviste die zo weinig stemmen had gekregen dat de meeste media haar niet eens noemden. Maar ik zag ook een heleboel Poetin-stemmers tussen de Tsjetsjenen. ‘Ik heb schoon genoeg van oorlog,’ vertelde een man van middelbare leeftijd in Grozny me. ‘Ik ben het zat als een stokje van de ene boevenbende naar de andere te worden doorgegeven.’ Ik keek om me heen. We bevonden ons in een wijk van Grozny waar vroeger voornamelijk particuliere woonhuizen stonden. Nu waren er alleen metalen hekken die de spookwoningen van elkaar scheidden. ‘Heeft Poetin dit niet op zijn geweten?’ vroeg ik.

‘Er woedt al tien jaar oorlog,’ antwoordde de man, die maar een klein beetje overdreef, want de gewapende opstand in Tsjetsjenië was in 1991 begonnen. ‘Wat had hij daaraan kunnen veranderen? Wij willen sterk gezag, verenigd gezag. Wij zijn mensen die een scheidsrechter nodig hebben.’

Tot de tien onbekende kandidaten die bij deze verkiezingen kansloos de strijd aanbonden met Poetin, behoorde een Tsjetsjeen. Hij was in Moskou miljonair geworden in de vastgoedbusiness en had voorafgaand aan de verkiezingen duizenden kilo’s meel naar Tsjetsjeense vluchtelingenkampen gestuurd. ‘Het heeft geen zin op hem te stemmen,’ vertelde de plaatsvervangende chef van een van die kampen in de naburige republiek Ingoesjetië mij. ‘Ik zou op hem kunnen stemmen, maar in Rusland doet niemand dat.’ Hij zou op Poetin stemmen: ‘Hij is een goeie vent. Hij heeft ons dit niet uit eigenbelang aangedaan. Heel veel andere mensen hadden er belang bij hier weer mee te beginnen.’

Zijn baas, een vijftigjarige verweerde man die Hamzat heette, vertelde me: ‘Ze zeiden dat we op Poetin moesten stemmen omdat hij hoe dan ook president wordt.’ Hamzat zat tijdens de Eerste Tsjetsjeense Oorlog negenentwintig dagen in een Russische gevangenis. Hij had nog steeds littekens op zijn hoofd en een onherstelbare deuk in zijn schouderblad waar hij met een geweerkolf was geslagen. Hij liet me een foto van zijn zoon zien, een jongen van zestien jaar met dikke lippen en krullen, die nu zelf gevangenzat in Rusland. Hamzat had het kamp gevonden waar zijn zoon werd vastgehouden, maar de bewakers eisten duizend dollar losgeld – wat voor beide partijen in het conflict volkomen gebruikelijk was. Hamzat vertelde me niet wat er vervolgens gebeurde, maar andere bewoners van het vluchtelingenkamp wel: ze organiseerden een geldinzameling in het kamp maar wisten nauwelijks een tiende van de vereiste som bijeen te brengen. De jongen zat nog steeds gevangen.

Het kamp bestond uit een veld vol overtollige legertenten en een trein van tien wagons die erheen was gesleept. Dat was een gebruikelijke oplossing voor het gebrek aan ongeschonden huizen. Ikzelf verbleef in een legertrein een paar plaatsen verderop. Hamzats bureau was ondergebracht in een wagon. Aan de buitenkant hing een papier met eenenzestig met de hand geschreven namen onder de kop ‘Ondergebracht in de gevangenis van Naoersk, later naar het ziekenhuis in Pjatigorsk gebracht’. Achter de namen waren de leeftijden van zestien tot tweeënvijftig jaar aangegeven. Dit bleken gevangenen te zijn die voor een bezoek van de pers aan de beruchtste gevangenis van Tsjetsjenië naar een ziekenhuis waren gebracht. Een medegevangene had de lijst gemaakt in de hoop op die manier familieleden te helpen bij de zoektocht naar hun dierbaren. Iemand had met een blauwe balpen achter een van de namen geschreven: ‘Vermoord’.

Overeenkomstig de militaire regels werd ik bijna altijd vergezeld door Russen in uniform. Ik was veel liever aan de Tsjetsjeense kant gebleven – niet zozeer omdat ik meer sympathie had voor hun streven als wel omdat ik de constante angst aan de Russische kant dodelijk vermoeiend vond. Omdat er dagelijks soldaten in een hinderlaag liepen, konden de jonge dienstplichtigen en hun officieren zich niet ontspannen, zelfs niet als ze met drank in een roes probeerden te komen, zoals ze elke avond deden om de schoten te smoren waar nooit een eind aan leek te komen. Overdag werd er ook overal om ons heen geschoten, zelfs op de dag van de verkiezingen. Toen ik een van de vroeger dichtbevolkte buurten van Grozny in wilde gaan, smeekten mijn twee begeleiders me niet verder te gaan. ‘Er is daar trouwens toch niemand,’ voerde een van hen aan. ‘Waarom wil je daarheen? Zo worden we allemaal omgelegd.’ Hij bedoelde vermoord. Die soldaten – die op bevel van hun superieuren allemaal op Poetin stemden – werden geacht Grozny in handen te hebben. Maar de Russen zouden hier nog jarenlang dagelijks mensen verliezen.

Een nieuw, door de Russen benoemd districtshoofd in Grozny begon op het juiste moment Poetin te loven. ‘Vandaag is een gouden man in Rusland aan de macht gekomen,’ verklaarde hij. ‘Een standvastig man.’ Voor de verkiezingen hadden lokale organisatoren de kelders in de buurt uitgekamd en lijsten met kiezers opgesteld. Ze kwamen tot 3400 en zorgden voor evenveel stembriefjes, maar tegen de middag waren die op. ‘Ik zei nog tegen ze dat er mensen bij zouden komen,’ klaagde het districtshoofd, ‘maar ze wilden niet luisteren! Maar waar komen al die mensen vandaan? Ze zijn toch echt niet uit holen onder de grond komen kruipen!’

In werkelijkheid waren ze wel degelijk van onder de grond vandaan gekomen, niet alleen in de zin dat ze in de kelders van hun verwoeste huizen hadden gezeten, maar veel van de mensen die kwamen stemmen – voornamelijk oudere vrouwen – kwamen elk met twee of drie paspoorten naar het stembureau, dat van henzelf en dat van familieleden van wie ze, veronderstelde ik, hoopten dat ze nog in leven waren. De mensen die hun paspoort kwijt waren, gebruikten een speciaal formulier om hun stem uit te brengen, hoewel dit ook betekende dat hun eigen legitimatiebewijs ergens anders kon worden gebruikt om te stemmen. Ik testte mijn theorie bij de verschillende kiesdistricten. Ik mocht overal stemmen, op grond van mijn Moskouse documenten of niets.

Voordat de Tweede Tsjetsjeense Oorlog begon, in 1999, telde de republiek officieel 380.000 inwoners. Tegen de tijd van de verkiezingen was het aantal stemgerechtigden echter uitgedijd tot 460.000, niet alleen door de Russische troepen maar ook door de dode zielen wier echte en imaginaire paspoort werd gebruikt.1 Iets minder dan dertig procent stemde op Poetin, zijn slechtste resultaat in heel Rusland. Maar in totaal kwam de man zonder gezicht, die geen politiek podium had en die geen campagne voerde, met meer dan tweeënvijftig procent van de stemmen uit de verkiezingen tevoorschijn. Een tweede ronde was niet meer nodig.2

 

Op 7 mei 2000 werd Vladimir Poetin geïnaugureerd als president van Rusland. Strikt genomen was dit de eerste keer in de geschiedenis dat een dergelijke ceremonie plaatsvond. Jeltsin was voor zijn eerste termijn gekozen toen Rusland nog deel uitmaakte van de Sovjet-Unie. Poetin had dus de gelegenheid een ritueel vorm te geven. De ceremonie zou oorspronkelijk in het modernistische Staatspaleis van het Kremlin plaatsvinden, waar de Communistische Partij haar congressen hield en waar de regering van Jeltsin conferenties belegde, maar werd op zijn aandringen naar het historische Grote Paleis in het Kremlin verplaatst, waar de tsaren ooit woonden.3 Poetin liep over een lange rode loper door de zaal, slingerend met zijn linkerarm terwijl hij zijn rechterarm met een lichte knik in de elleboog merkwaardig stilhield, een manier van lopen waar de Russische kijkers spoedig mee vertrouwd zouden raken en die een Amerikaanse waarnemer deed vermoeden dat Poetin een geboortetrauma had gehad of misschien een neonataal herseninfarct.4 Ik ben eerder tot de veronderstelling geneigd dat het loopje precies is wat het lijkt: de stijl van iemand die zijn handelingen in het openbaar mechanisch en met tegenzin uitvoert, zodat hij met elke stap zowel extreme waakzaamheid als extreme agressie toont. Zijn loop kwam op de Russen ook over als puberale aanstellerij, net zoals de gewoonte zijn horloge aan zijn rechterpols te dragen (hoewel Poetin linkshandig is). Deze mode sloeg onder ambtenaren op elk niveau onmiddellijk aan. De grootste horlogefabriek van het land, in Tatarstan, bracht korte tijd later een nieuw model op de markt, het Kremlinhorloge voor linkshandigen, en stuurde het eerste exemplaar uit de reeks als cadeau voor Poetin naar Moskou.5 Hij werd nooit met het goedkope horloge van Russische makelij in het openbaar gezien, hoewel hij de jaren erna met diverse verschillende uurwerken om werd gefotografeerd, meestal een witgouden Patek Philippe Perpetual Calendar van zestigduizend dollar.6

Er waren vijftienhonderd genode gasten bij de inauguratieplechtigheid, van wie een buitensporig aantal in uniform gekleed was. Met name één gast verdiende speciale aandacht: Vladimir Krjoetsjkov, voormalig hoofd van de KGB en organisator van de coup van 1991. Een verslaggever ter plekke omschreef hem als ‘een oude man van gering postuur die maar moeilijk kon staan en slechts één keer opstond, toen het volkslied werd gespeeld’.7 Je pikte Krjoetsjkov er zo uit, want hij zat apart van de overige gasten. Hij behoorde niet echt tot de toenmalige Russische politieke elite. Niemand durfde echter openlijk bezwaar te maken tegen de aanwezigheid van een man die geprobeerd had de Russische democratie met wapens te onderdrukken. Hij had zeventien maanden in de gevangenis gezeten en in 1994 gratie gekregen van het parlement. De meeste krantenverslagen over de inauguratie meldden zijn aanwezigheid helemaal niet. Kommersant vermeldde Krjoetsjkov in de twintigste alinea van de vierendertig die deze voornaamste zakenkrant aan de plechtigheid wijdde. Als journalisten in een glazen bol hadden kunnen kijken, zouden ze hem waarschijnlijk een prominentere plaats hebben gegeven, want Rusland vierde niet alleen de wisseling van leider maar ook een wisseling van regime – waarbij Krjoetsjkov het nieuwe regime was komen verwelkomen.

Nog maar een paar maanden eerder, op 18 december 1999 – twee weken voordat hij waarnemend president werd –, had Poetin gesproken tijdens een banket ter viering van de dag waarop de geheime dienst van de Sovjet-Unie was opgericht. Dit was een obscure landelijke feestdag, die de jaren erna meer bekendheid zou krijgen, met spandoeken met felicitaties erop boven de straten en tv-reportages over de feestelijkheden. ‘Tot mijn genoegen kan ik u meedelen,’ verklaarde Poetin bij het banket, ‘dat de FSB-agenten die eropuit zijn gestuurd om undercover in de federale regering te opereren, met succes hun eerste opdrachten hebben volbracht.’8 In de zaal vol topfunctionarissen van de geheime dienst klonk bulderend gelach. Poetin probeerde het later te bagatelliseren en zei dat het maar een grapje was, maar dezelfde dag had hij een gedenkplaat op het gebouw van de FSB hersteld, om de buitenwereld eraan te herinneren dat Joeri Andropov, de enige baas van de geheime dienst die het tot secretaris-generaal van de Communistische Partij had geschopt, daar had gewerkt.

Tussen december en de inauguratie had Poetin weinig andere dingen in het openbaar gedaan, aangezien de campagne voor de verkiezing van Poetin en de man zelf schijnbaar parallel aan elkaar hadden bestaan. Hij had zijn premier gekozen, een man wiens imposante gestalte, lage bas en het knappe uiterlijk met de parelwitte tanden van een Hollywoodacteur zijn gebrek aan politieke ambitie verdoezelden. Michail Kasjanov leek de bureaucratie in het bloed te zitten. Hij was opgeklommen in de gelederen van de Sovjetministeries, stapte probleemloos over naar functies bij ministers in achtereenvolgende kabinetten van Jeltsin en was onlangs minister van Financiën geworden.

‘Hij riep me op 2 januari bij zich,’ slechts drie dagen nadat Jeltsin was teruggetreden, vertelde Kasjanov me. ‘Hij zette de voorwaarden voor mijn aanstelling uiteen. Hij zei: “Zolang jij met je fikken van mijn zaken afblijft, krijgen we geen mot.”’9 Kasjanov, die totaal niet gewend was aan straattaal, was uit het veld geslagen niet zozeer door de inhoud van Poetins woorden als wel door diens woordgebruik. De grondwet verleende de premier uitvoerige zeggenschap over de geüniformeerde diensten. Poetin liet hem weten dat hij die macht moest prijsgeven als hij premier wilde worden. Kasjanov ging zonder tegenstribbelen akkoord en vroeg als tegenprestatie dat Poetin hem economische hervormingen zou laten doorvoeren. Poetin stemde ermee in en benoemde hem als zijn eerste plaatsvervangend premier met de belofte dat hij hem direct na de inauguratie tot premier zou benoemen.

Kasjanov nam de feitelijke leiding van de regering op zich. Poetin begon met de voorbereiding van wat hij zijn ‘zaken’ had genoemd. In zijn eerste decreet als waarnemend president verleende hij Boris Jeltsin immuniteit van rechtsvervolging. Met zijn tweede vestigde hij een nieuwe Russische militaire doctrine, waarmee een einde kwam aan de oude ‘no first strike’-politiek met betrekking tot kernwapens en werd benadrukt dat deze tegen aanvallers mochten worden ingezet ‘als andere middelen om tot een oplossing van het conflict te komen uitgeput zijn en ontoereikend worden geacht’. Korte tijd later voerde een volgend decreet de verplichte trainingsoefeningen voor reservisten opnieuw in (elke gezonde Russische man werd beschouwd als een reservist) – die na de terugtrekking uit Afghanistan tot opluchting van Russische echtgenotes en moeders was afgeschaft. Twee van de zes alinea’s van het decreet waren geheim, wat erop wijst dat die mogelijk licht wierpen op de vraag of reservisten er rekening mee moesten houden dat ze naar Tsjetsjenië zouden worden gestuurd. Een paar dagen later vaardigde Poetin een bevel uit waarin veertig ministers en andere functionarissen het recht kregen informatie als geheim te classificeren, een ondubbelzinnige schending van de grondwet. Hij voerde ook weer militaire training op openbare en particuliere scholen in. Dat vak, waar jongens leerden een kalasjnikov uit elkaar te halen, schoon te maken en weer in elkaar te zetten, was tijdens de perestrojka afgeschaft. In totaal hadden zes van de elf decreten die Poetin de eerste twee maanden als waarnemend president uitvaardigde, betrekking op de strijdkrachten. Op 27 januari maakte Kasjanov bekend dat de defensie-uitgaven met vijftig procent zouden worden verhoogd – en dat in een land dat nog steeds niet voldeed aan zijn internationale schuldverplichtingen en waarvan het grootste deel van de bevolking steeds verder in armoede afgleed.10

Als de mensen in of buiten Rusland bereid waren geweest beter op te letten, hadden ze gezien dat alle aanwijzingen omtrent de aard van het nieuwe regime een paar weken na Poetins bestijging van zijn tijdelijke troon al aanwezig waren. Maar het land was druk bezig een imaginaire president te kiezen en de rest van de westerse wereld zou pas jaren later gaan twijfelen aan die keuze.

 

Tijdens Poetins inauguratie was ik opnieuw in Tsjetsjenië. Geconfronteerd met wat nu doorging voor politiek en politieke journalistiek, wilde ik heel erg graag het gevoel hebben dat ik iets nuttigs deed. Terwijl het politieke systeem van het land voor mijn ogen afbrokkelde, prees ik me gelukkig dat ik onderzoek kon doen voor de artikelen die ik belangrijk vond en die ik ook kon publiceren. Dit keer reisde ik met officieren en vrijwilligers die zichzelf hadden georganiseerd en die op zoek waren naar vermiste soldaten in Tsjetsjenië. Het waren er toen zo’n duizend, van wie de helft al sinds de vorige oorlog werd vermist.

In het weekeinde van de inauguratie keerde ik terug uit Tsjetsjenië. Op de tweede dag dat ik weer op kantoor zat, toevallig ook Vladimir Poetins tweede officiële dag als president, deden speciale eenheden van de politie een inval bij het hoofdkwartier van Vladimir Goesinski’s Media-Most, het bedrijf waartoe mijn tijdschrift behoorde. Tientallen gecamoufleerde mannen met zwarte bivakmutsen en gewapend met automatische geweren met afgezaagde loop baanden zich een weg door de kantoren van het net gerenoveerde gebouw in hartje Moskou, ongeveer anderhalve kilometer van het Kremlin. Ze tuigden enkele personeelsleden af en gooiden stapels papier in kartonnen dozen die ze vervolgens in busjes laadden. De officier van justitie, de presidentiële regering en de fiscale politie legden later verwarde en verwarrende verklaringen af waarin zij uitleg gaven over de inval. Ze zeiden dat ze fiscale onregelmatigheden vermoedden. Ze zeiden dat ze de interne veiligheidsdienst van Media-Most van misdragingen verdachten. Ze zeiden zelfs dat ze het mediabedrijf ervan verdachten de eigen journalisten te bespioneren. Eigenlijk wist iedereen die zich in Rusland in de jaren negentig met zaken had beziggehouden of zelfs alleen maar zaken had waargenomen, donders goed wat voor inval dit was. Dit was een dreigement. Dit soort invallen werd gewoonlijk op touw gezet door de georganiseerde misdaad om te laten zien wie de baas was – en wie een dikke vinger in de pap had bij de politie. Maar deze inval was in verschillende opzichten ongewoon: de schaal (tientallen agenten, busladingen vol documenten), de locatie (hartje Moskou), de timing (op klaarlichte dag) en het doelwit (een van de zeven belangrijkste ondernemers van het land). Ongewoon was ook de vermeende initiator ervan, die volgens bedrijven van Media-Most niemand minder dan Vladimir Poetin was. Hij zei zelf niets van de hele zaak af te weten. Tijdens de inval had hij in het Kremlin een bespreking met Ted Turner, met wie hij herinneringen ophaalde aan de Goodwill Games in Sint-Petersburg in de jaren negentig en de toekomst van de media besprak.11

De maanden na de inval in het hoofdkantoor van Media-Most waren van het type dat altijd lastig is om je te herinneren en te beschrijven: de tijd tussen de diagnose en het onvermijdelijke resultaat, de dag waarop je hoort hoe het verhaal zal aflopen en de dag waarop het werkelijk afloopt. De ruwweg zeventig mensen die bij mijn tijdschrift werkten en de honderden mensen die werkten bij Goesinski’s dagblad en televisiekanaal, NTV – hetzelfde kanaal dat de reportage over de explosies in de flats had uitgezonden – wisten op de dag van de inval ongetwijfeld dat dit het begin van het einde was van het grootste particuliere mediabedrijf van Rusland. Toch werkten we door alsof er niets was gebeurd, alsof over de problemen van het bedrijf net zo bericht moest worden als over elk ander onderwerp.

Ik kan me niet herinneren hoe ik het nieuws over Vladimir Goesinski’s arrestatie op 13 juni hoorde. Misschien hoorde ik het via de autoradio, maar dat lijkt me onwaarschijnlijk. De zomer van 2000 was de tweede zomer waarin ik op de fiets door Moskou reed, wat toen een nieuwe manier was om je in de stad te verplaatsen. Ik was die maand zelfs bezig met een reportage over fietsen door de stad. Misschien vertelde een collega me over de arrestatie. Misschien belde een vriendin me op om het me te vertellen. Maar hoe ik het nieuws ook vernam, het belangrijkste wat ik hoorde was niet eens dat een van de invloedrijkste mannen van het land, die toevallig mijn salaris betaalde, was gearresteerd, maar dat hij was gearresteerd wegens een tenlastelegging die voortvloeide uit de privatisering van een bedrijf met de naam Roesskoje Video. Dit verhaal moest ik schrijven.

 

Roesskoje Video was een televisieproductiebedrijf dat in handen was geweest van Dmitri Rozjdestvenski, de Sint-Petersburger die inmiddels al twee jaar gevangenzat. Vanaf het moment dat ik naar Sint-Petersburg ging om over de moord op Galina Starovojtova te schrijven, had ik zijn wederwaardigheden een tijdlang gevolgd zonder het te begrijpen.

Mijn bronnen in die stad – onder wie Starovojtova’s medewerker die de schietpartij had overleefd – wilden me per se meenemen naar een ouder echtpaar dat in een groot, mooi ingericht appartement aan het Gribojedov-kanaal woonde. Zij vertelden me in de loop van diverse ontmoetingen gespreid over een paar maanden het verhaal over hun zoon, Dmitri Rozjdestvenski, een goed opgeleide, vierenveertigjarige televisieproducent die het behoorlijk goed voor elkaar had onder Sobtsjak (aan wiens herverkiezingscampagne hij had meegeholpen) en die nu in de gevangenis zat.

Het leek erop dat iemand nog een appeltje te schillen had met Rozjdestvenski. In maart 1997 was zijn boekhouding gecontroleerd. In mei kreeg hij een brief van de lokale functionaris van de geheime dienst waarin stond dat de zender die zijn televisiestation gebruikte, waarvan hij gedeeltelijk eigenaar was, een bedreiging voor de staatsveiligheid vormde. Vervolgens werd Rozjdestvenski verschillende malen ondervraagd in verband met Sobtsjak. ‘Ze verdachten Dmitri ervan Sobtsjaks geld te hebben witgewassen,’ vertelde zijn moeder me. ‘Maar Dmitri had geluk. Sobtsjak betaalde zijn bedrijf niet eens voor de productie en het uitzenden van zijn verkiezingsspotjes.’ In maart 1998 werd Dmitri Rozjdestvenski aangeklaagd wegens belastingontduiking. Een speciaal team van de openbare aanklager doorzocht die maand op een avond de woningen van eenenveertig mensen die verbonden waren met Rozjdestvenski’s bedrijf, onder wie freelancers.

‘Toen begonnen ze echt druk op hem uit te oefenen,’ vertelde de oude vrouw me. Haar zoon werd bijna dagelijks ondervraagd. Zijn appartement, kantoor en datsja werden herhaaldelijk doorzocht. In augustus 1998 kreeg Dmitri’s vrouw een hersenbloeding. ‘We waren toen in de datsja,’ zei zijn moeder. ‘Hij vertrok dagelijks voor ondervragingen en we wisten nooit zeker of hij wel terug zou komen. Ik kon daar wel mee omgaan – mijn eigen vader belandde onder Stalin drie keer in de gevangenis – maar [Dmitri’s vrouw] Natasja bleek de zwakste.’

In september 1998 werd Dmitri Rozjdestvenski aangeklaagd wegens verduistering en gearresteerd. Twee maanden later ontmoette ik zijn ouders voor het eerst. In de twintig maanden erna sprak ik de Rozjdestvenski’s verscheidene keren en zij hielden me op de hoogte van de zaak tegen hun zoon. Dmitri werd van de ene naar de andere gevangenis gebracht, belandde in Moskou en later in een gevangenis van de geheime dienst buiten Sint-Petersburg. De aanklacht tegen hem werd telkens gewijzigd. Eerst werd hij ervan beschuldigd een auto te hebben verduisterd, vervolgens zou hij reclame-inkomsten hebben verduisterd en daarna zou hij zich wederrechtelijk gelden hebben toegeëigend voor de bouw van een buitenhuis. Uit wat ik hoorde, waren zijn privézaken en zakelijke belangen zo sterk en rommelig verknoopt dat de aanklagers waarschijnlijk altijd wel een manier zouden blijven vinden om hem zo lang als ze wilden achter de tralies te houden. Wat ik niet kon begrijpen, was waarom iemand Rozjdestvenski wilde opsluiten.

Zijn ouders zeiden me dat het Vladimir Jakovlev was, Sobtsjaks opvolger als burgemeester, die wraak nam voor Rozjdestvenski’s betrokkenheid bij Sobtsjaks herverkiezingscampagne. Maar Sobtsjak was door wel meer mensen gesteund. Maakten ze van Rozjdestvenski de zondebok omdat anderen, zoals Poetin, nu onaantastbaar waren? Misschien. Of zat Jakovlev helemaal niet achter de wraakneming maar was het een van Rozjdestvenski’s voormalige zakenpartners, tot wie Poetin en verscheidene andere invloedrijke Sint-Petersburgers behoorden die een televisieproductiebedrijf hadden opgericht dat was verbonden met de casino’s van de stad? Dat was ook mogelijk. Of was het, zoals Starovojtova’s medewerker dacht, een macaber geval van chantage door een ondernemer die zonder succes had geprobeerd Rozjdestvenski te dwingen zijn bedrijf te verkopen? Ook dat was mogelijk.

Ik bleef de Rozjdestvenski’s bezoeken omdat ik niet wist hoe ik het verhaal over hun zoon moest vertellen. Elke nieuwe ontwikkeling maakte dat ik er nog minder van begreep. De ondernemer die Rozjdestvenski zou hebben gechanteerd, werd uiteindelijk gearresteerd en beschuldigd van een aantal huurmoorden, waaronder die op een loco-burgemeester die over projectontwikkeling ging. Hij was in 1997 op klaarlichte dag neergeschoten op de Nevski Prospekt. Eén ding was duidelijk: wat er ook met Rozjdestvenski aan de hand was, het had weinig te maken met de rechtszaak tegen hem en alles met de manier waarop in Sint-Petersburg politiek werd bedreven en zaken werden gedaan.12

Nu was Vladimir Goesinski door deze zaak en dit bedrijf waarvan de meeste Russen nog nooit hadden gehoord, op een of andere manier in de gevangenis beland. Ik ging zitten en begon de halve dossierlade vol papieren die ik over de zaak had verzameld – voornamelijk beschuldigingen en ondersteunende documenten – te ordenen, zoals ik de voorgaande twee jaar al verscheidene keren had gedaan. Voor het eerst ontdekte ik er een logica in, ook al zag ik er nog steeds geen zaak in – net zomin als de machtige juristen van Media-Most. ‘Er is geen aanklacht,’ vertelde een knappe middelbare vrouwelijke bedrijfsjurist me, oprecht verbijsterd.13 ‘Ik begrijp niet eens wat het misdrijf zou moeten zijn. Ik begrijp niet waar ze de cijfers vandaan hebben die ze hier noemen. Hier zeggen ze dat de oprichting van het bedrijf zelf illegaal was, maar ze halen een wet aan waarin niets relevants staat. En zelfs als de oprichting van het bedrijf in strijd was met de wet, dan nog had Media-Most daar niets mee te maken.’ Het grotere bedrijf had Roesskoje Video gekocht, naast tientallen andere regionale productiebedrijven en tv-zenders, toen het bezig was een landelijk amusementsnetwerk op te zetten. Het bedrijf in Sint-Petersburg was niet eens een van de grotere reclamevehikels in het netwerk. Het werd hoofdzakelijk gekocht vanwege zijn reusachtige verzameling B-films die het netwerk kon gebruiken om de programmering op te vullen terwijl het zijn eigen productie opzette.

‘Het zou grappig zijn als het niet zo droevig was,’ zei de juriste. ‘Ik wou dat de Russische criminaliteit echt zo was,’ waarmee ze wilde zeggen: bestaande uit dubieuze onregelmatigheden.

Russische criminaliteit leek daar niet op, maar veel Russische rechtszaken zouden precies op deze gaan lijken: in elkaar geflanst en vol tegenstrijdigheden. Ik besefte dat mijn oorspronkelijke theorie over Dmitri Rozjdestvenski’s zaak juist was. Dit was inderdaad iemands persoonlijke vendetta. Maar de schuldige was noch de huidige gouverneur van Sint-Petersburg, zoals sommigen beweerden, noch een gevangen maffiabaas, zoals anderen dachten.

Kennelijk was er iets vreselijk verkeerd gegaan tussen Dmitri Rozjdestvenski en Vladimir Poetin, met wie hij had samengewerkt bij de mislukte herverkiezingscampagne van Sobtsjak. Dit verklaarde waarom de officier van justitie in deze zaak, nadat ik die bijna twee jaar had gevolgd, een dreigement tegen me uitte bij ons laatste gesprek op 29 februari 2000. ‘Laat het rusten,’ zei hij. ‘Geloof me, Masha, je moet hier echt niet dieper in duiken. Daar krijg je spijt van.’ Ik schreef al jaren over rechtszaken in Rusland, en nog nooit had iemand – zelfs beschuldigde criminelen of hun vaak onfrisse trawanten – zich zo tegen mij uitgelaten. Wat was er zo belangrijk en beangstigend aan deze zaak? Enkel het feit dat deze werd gevoerd namens de man die nu waarnemend president van Rusland was. De openbare aanklager, Joeri Vanjoesjin, had samen met Poetin rechten gestudeerd. Hij was gelijk na zijn studie bij de openbare aanklager in dienst getreden, net zoals Poetin naar de KGB was gegaan, maar toen Poetin terugkeerde naar Leningrad en voor Sobtsjak ging werken, sloot Vanjoesjin zich bij hem aan op het stadhuis. Toen Poetin zes jaar later naar Moskou vertrok, ging Vanjoesjin weer voor de openbare aanklager werken en werd hij onderzoeker gespecialiseerd in ‘heel belangrijke zaken’, wat een bestaande juridische categorie is. De zaak tegen Rozjdestvenski voldeed niet aan de officiële criteria voor een ‘heel belangrijke zaak’, maar was kennelijk heel belangrijk voor een heel belangrijk iemand.

Een andere naaste medewerker van Poetin, Viktor Tsjerkesov, die na veel gelobby van Poetin en luide protesten van voormalige dissidenten was benoemd tot hoofd van de afdeling Sint-Petersburg van de FSB, was zich ermee gaan bemoeien toen de zaak tegen Rozjdestvenski maar traag van de grond leek te komen. Nadat een onderzoek van de boekhouding geen basis voor strafvervolging had opgeleverd, stuurde Tsjerkesov een brief aan Rozjdestvenski waarin hij hem meedeelde dat de zender die Roesskoje Video gebruikte, een gevaar vormde voor de nationale veiligheid. Toen Roesskoje Video deze zender niet meer gebruikte, nam een ander televisiebedrijf deze over. Hij vormde geen bedreiging meer.14 Een jaar later sloot Tsjerkesov zich in Moskou aan bij Poetin en werd hij zijn eerste plaatsvervanger bij de FSB.

Rozjdestvenski’s ouders hoopten dat hun zoon zou worden vrijgelaten toen zijn oude vriend Vladimir Poetin hoofd van de geheime dienst werd, vervolgens regeringsleider en tot slot staatshoofd. Vanjoesjin hield de zaak echter warm, ook al liepen de aanklachten op niets uit. Hij bleef gewoon andere, even twijfelachtige voorwendselen oprakelen om hem achter de tralies te houden. Aan het eind van de zomer van 2000 zou een rechtbank eindelijk rekening houden met Rozjdestvenski’s gezondheidsproblemen en hem hangende het proces vrijlaten.15 Rozjdestvenski overleed in juni 2002 op achtenveertigjarige leeftijd.

Toen ik de documenten doornam die ik al bijna twee jaar had, ontdekte ik hetzelfde dat Natalja Gevorkjan had geleerd toen zij tegen Poetin over de journalist Andrej Babitski was begonnen: ‘Hij is een kleinzielige, wraakzuchtige man,’ zei zij. De zaak tegen Goesinski was net als de zaak tegen Rozjdestvenski een persoonlijke vendetta. Goesinski had Poetin niet gesteund bij de verkiezingen. Hij was vriendelijk en had aanzienlijke zakelijke betrekkingen met de burgemeester van Moskou Joeri Loezjkov, een leider van de oppositionele anti-Familiecoalitie. Goesinski’s televisiezender had het programma uitgezonden over de ontploffingen in de appartementencomplexen twee dagen voor de verkiezingen.

Goesinski’s arrestatie hield niet echt verband met Roesskoje Video. De man achter de arrestatie had toevallig gedetailleerde kennis van de zaak-Roesskoje Video – en dat voldeed als het er alleen maar om ging een van de machtigste mannen van Rusland achter de tralies te krijgen. Als er onregelmatigheden waren in de oprichtingspapieren van het bedrijf, was Poetin daar ook van op de hoogte. Bij het doorvlooien van mijn dossiers vond ik een door Vladimir Poetin ondertekend document waarin de structuur van het bedrijf werd geautoriseerd.

Vladimir Goesinski zat maar drie dagen in de cel. Zodra hij op persoonlijke borgtocht was vrijgelaten, verliet hij het land, waarmee hij de eerste politieke vluchteling van Poetins regime was – slechts vijf weken na diens inauguratie.

 

In tegenstelling tot de eigenaar van het bedrijf waarvoor ik werkte, was ik nog in Moskou. En het had er alle schijn van dat ik diep in de problemen zat, precies zoals openbare aanklager Vanjoesjin me had voorspeld. Ik had een artikel geschreven over de zaak-Roesskoje Video. Een paar dagen nadat Goesinski het land had verlaten, werd het gepubliceerd. Als illustratie diende het door Poetin ondertekende document. Voordat ik er erg in had, stond er vierentwintig uur per dag een man op een ladder voor de deur van mijn appartement. ‘Wat doet u hier?’ vroeg ik telkens als ik de deur opendeed en hem zag staan. ‘Reparaties,’ gromde hij dan.

Een paar dagen later werd mijn huistelefoon afgesloten. De telefoonmaatschappij zei dat zij er niets mee te maken had, maar het duurde dagen voordat ik weer een aansluiting had. Dit waren klassieke KGB-methoden, bedoeld om mij duidelijk te maken dat ik nooit veilig en nooit alleen zou zijn. Deze aanpak was niet veranderd sinds de jaren zeventig, toen vergelijkbare belagers hun intrek namen in het trapportaal van mensen om ze te laten weten dat ze in de gaten werden gehouden. Deze wetenschap maakte het er voor mij niet gemakkelijker op. De inbreuktactiek werkte nu net zo goed als deze dertig jaar eerder had gedaan. Binnen enkele dagen had ik het gevoel dat ik gek werd van een onbestemde angst.

Ik nam een journalistieke gelegenheid te baat om het land een paar weken te verlaten. En ik besloot naar een andere baan te gaan zoeken. Mijn baan was de beste ter wereld en ik zette daarbij mijn leven herhaaldelijk op het spel, in Tsjetsjenië, voormalig Joegoslavië en andere oorlogszones van na de Sovjettijd. Maar ik was niet voorbereid te leven onder constante dreiging, hoe vaag die ook was. Er was een vacature voor bureauchef Moskou bij het Amerikaanse weekblad U.S. News & World Report, en die kans greep ik met beide handen aan.

Goesinski onderhandelde in de tussentijd, terwijl hij heen en weer pendelde tussen Engeland en Spanje waar hij een huis bezat, met de Russische staat over het lot van zijn media-imperium. Goesinski bezat persoonlijk zestig procent van het bedrijf. Het gasbedrijf Gazprom, een monopolist in handen van de staat, bezat nog eens dertig procent, en de overige tien procent was eigendom van particulieren, voornamelijk topmanagers van het bedrijf zelf. Goesinski had heel veel geld geleend bij een staatsbank om de oprichting van zijn satellietnetwerk te financieren. Minder dan een jaar ervoor had hij nog gegronde hoop dat zijn schulden zouden worden kwijtgescholden. Op grond van zijn ooit warme relatie met Jeltsin en de rol die hij had gespeeld bij de herverkiezingscampagne van 1996, leek dit een reële verwachting, althans in de ogen van Goesinski.16 Nu had hij een betalingsachterstand op een deel van het krediet, en wilde de staat de rest vervroegd terug en eiste aandelen in plaats van cash – zodat de gasmonopolist de bedrijven in handen kon krijgen. Goesinski probeerde de schuld zodanig te herstructureren dat geen van de aandeelhouders een meerderheidsbelang zou krijgen, wat de redactionele onafhankelijkheid van de media zou garanderen.

Terwijl de onderhandelingen steeds vijandiger verliepen, lekte iemand – beide partijen gaven elkaar de schuld – een document naar de pers dat Goesinski voor zijn vertrek uit het land had getekend. Hij leek er schriftelijk mee te hebben ingestemd dat een meerderheidsbelang van zijn bedrijf werd overgedragen aan Gazprom in ruil voor zijn persoonlijke vrijheid. Het meest belastend was dat het document niet alleen door Goesinski en de baas van de mediatak van Gazprom was getekend – die speciaal voor de gelegenheid was gereorganiseerd – maar ook door minister van Perszaken Michail Lesin.17 Dit was met andere woorden een klassiek voorbeeld van een georganiseerd misdrijf, waarin de ruil van iemands bedrijf voor iemands persoonlijke veiligheid werd geformaliseerd, en de staat was een van de partijen. Toen het document eenmaal was uitgelekt, verklaarde Goesinski publiekelijk dat de minister hem persoonlijk had bedreigd, en hem had gedwongen de overdracht van zijn bedrijf te ondertekenen, ‘praktisch met het geweer op mijn borst’. Hij omschreef het hele proces als ‘staatsafpersing’.18

Poetin weigerde commentaar te geven op de situatie. Toch leek geen mens eraan te twijfelen dat het bevel om het mediabedrijf aan Goesinski te ontfutselen, rechtstreeks van hem afkomstig was. Zijn premier, Michail Kasjanov met de hagelwitte tanden, leek oprecht verbaasd en tamelijk geschokt door de onthullingen en gaf Lesin voor de camera publiekelijk een reprimande. Drie dagen later verscheen Michail Gorbatsjov nadat hij zich negen jaar had teruggetrokken uit de politiek voor een ontmoeting met Poetin om hem te verzoeken iets te doen aan de situatie rond Goesinski. De oudere man kwam mismoedig terug van het gesprek en vertelde de media dat Poetin weigerde te interveniëren.19 De volgende dag begon premier Kasjanov de kabinetsbespreking opnieuw met een reprimande aan zijn minister van Perszaken Lesin.20 Russische journalisten en volgers van de politiek vatten dit op als een duidelijk bewijs dat de premier zich hulpeloos voelde in een situatie die was georkestreerd door de president.

Dit soort overnames van grote en kleine particuliere bedrijven zou niet veel later aan de orde van de dag zijn. Maar het systeem dat Jeltsin had achtergelaten, was nog niet echt klaar voor ‘staatsafpersing’. De regeringen van Jeltsin waren er niet in geslaagd van de Russische rechtbanken een functionerend rechtssysteem te maken, maar het was ze wel gelukt er een kiem van ambitie in te zaaien. Deze rechtbanken, vooral op het lagere niveau, zouden nu een deel van Gazproms claims verwerpen, terwijl een stadsrechtbank de zaak tegen Goesinski op alle punten afwees. Het kostte het staatsgasmonopolie uiteindelijk bijna een jaar om Goesinski’s media-imperium in handen te krijgen. In april 2001, na een impasse van bijna een week toen het NTV-personeel weigerde een liveprogramma over de overname af te blazen, werd het oude redactiepersoneel op straat gezet. Een week later kwamen mijn ex-collega’s bij het tijdschrift Itogi op hun werk voor gesloten deuren te staan en bleek het voltallige personeel ontslagen te zijn.

 

Ik was al vertrokken, want ik had de zomer ervoor de baan bij U.S. News & World Report aangenomen. Voordat ik er begon, was ik voor een korte vakantie naar de Zwarte Zee gevlogen. Maar na een paar dagen in de zon moest ik weer terug naar het noorden. Een atoomonderzeeër met honderdachttien mensen aan boord was aan het zinken in de Barentszzee.

Van alle hartverscheurende gebeurtenissen die ik ooit heb moeten verslaan en waarvan de Russische bevolking getuige heeft moeten zijn, was de ramp met de Koersk waarschijnlijk het meest verpletterende. Negen dagen lang hielden de moeders, echtgenotes en kinderen van de mensen aan boord van de onderzeeër – en het hele land met hen – hoop dat een deel van de bemanning nog in leven was. Het hele land waakte terwijl de marine en de regering reddingspogingen deden. Noorse en Britse teams boden hulp aan maar werden afgewezen, zogenaamd vanwege veiligheidsoverwegingen. Het ergste van alles was dat de nieuwe president niets van zich liet horen. Hij was op vakantie aan de Zwarte Zeekust.

De Koersk levert een simpele metafoor voor de toestand van het land na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. De bouw ervan begon in 1990 toen de Sovjet-Unie op instorten stond. Hij werd in 1994 vaarklaar gemaakt, op het dieptepunt uit de Russische militaire geschiedenis, maar werd pas operationeel op het moment waarop de Russische ambities als supermacht, die tijdelijk op een laag pitje waren gezet tijdens de desintegratie van het rijk, zich weer langzaam lieten gelden. De atoomonderzeeër was reusachtig, net als die ambities ooit waren geweest – en weer zouden worden, met Poetin aan de macht, die beloofde de vijand tot op de plee te achtervolgen. De Koersk, die sinds de tewaterlating nauwelijks was onderhouden, verrichtte zijn eerste missie in de zomer van 1999, toen Poetin aan de macht kwam, en zou in augustus 2000 voor het eerst serieus op oefening gaan.

Het zou later duidelijk worden dat de onderzeeër en de bemanning daar niet klaar voor waren, net zomin als de hele Russische noordelijke vloot. Sterker nog, de oefening heette officieel helemaal geen oefening, ten dele omdat de deelnemende schepen en de bemanning niet in staat zouden zijn geweest te voldoen aan de juridische en technische vereisten van een volledige oefening. In plaats daarvan waren de onderzeeër en andere slagschepen die op 12 augustus de zee op voeren, opgeroepen voor een ‘verzamelingsvaart’, een onbestaande aanduiding waaraan dus ook geen duidelijke vereisten waren verbonden. De onderzeeër ging de zee op met een onervaren en ongetrainde bemanning die van verscheidene schepen afkomstig was. Als team hadden ze geen enkele ervaring. De onderzeeër was uitgerust met oefentorpedo’s, waarvan sommige hun houdbaarheidsdatum hadden overschreden, terwijl de overige niet behoorlijk waren onderhouden. Sommige torpedo’s hadden zichtbare roestgaten; andere hadden rubberen koppelingsringen die meer dan eens waren gebruikt, een schending van de veiligheidsvoorschriften. ‘De dood is bij ons aan boord,’ vertelde een van de bemanningsleden zes dagen voor het ongeluk aan zijn moeder, waarmee hij op de torpedo’s doelde.21

Het was duidelijk dat een van deze torpedo’s in brand is gevlogen en ontploft. Er vonden twee ontploffingen plaats aan boord, en de meeste bemanningsleden waren in één klap dood. Drieëntwintig overlevenden verplaatsten zich naar een onbeschadigd compartiment van het schip en wachtten af of ze zouden worden gered. Ze beschikten over de uitrusting waarmee ze het een tijdje konden uitzingen in de onderzeeër. Ze mochten er met reden op rekenen dat ze zouden worden gered – ze namen per slot van rekening deel aan een trainingsoefening, er waren verscheidene slagschepen in de buurt en het ongeluk moest vrijwel direct zijn ontdekt.

Maar hoewel de trillingen door de explosie werden opgevangen door een Noors seismisch station, leken de Russische schepen die veel dichter bij de onderzeeër lagen, het lot ervan niet op te merken. Het duurde negen uur voordat de vloot erkende dat er een ongeluk was gebeurd. Het duurde ongeveer nog eens zo lang voor de vakantie vierende president werd geïnformeerd. De reddingsoperatie begon, maar het ontbrak de reddingsteams kennelijk aan de noodzakelijke training om het werk aan te kunnen. Ze slaagden er zelfs niet in om vast te koppelen aan de onderzeeër.

De meesten van de drieëntwintig overlevenden hadden mogelijk zelf naar buiten kunnen klimmen – het ongeluk had in betrekkelijk ondiep water plaatsgevonden – maar dit gedeelte van de onderzeeër was, anders dan voorgeschreven, niet voorzien van een slang die noodzakelijk was voor de evacuatie van de bemanning. De drieëntwintig zeelui zaten in het donker tot een van hun luchtverversingsschermen in brand vloog waardoor het compartiment met giftige gassen werd gevuld en de mannen omkwamen.

Gedurende de ruim twee dagen dat zij onder water in leven waren, gaven de drieëntwintig mannen SOS-signalen ter ondersteuning van reddingspogingen, die eerst helemaal niet werden ondernomen en vervolgens zinloos waren. Toen het bijna voorbij was, werd hun geklop lukraak en wanhopig. Ze hoorden nooit een reactie op hun boodschap. De reddingswerkers volgden een ongeschreven regel van de vloot en hielden zich stil, zogenaamd om te voorkomen dat vijandelijke schepen hun locatie konden bepalen. Om dezelfde zwaarwegende reden werd al heel vroeg het aanbod afgeslagen van Britse en Noorse duikers om te helpen bij de reddingsoperatie. Toen een Noors reddingsteam uiteindelijk toestemming kreeg Russische wateren binnen te gaan en naar de Koersk af te dalen, acht dagen na het ongeluk, slaagden ze er bij de eerste poging met gemak in om vast te koppelen aan de onderzeeër. Toen het ze niet lukte om het luik te openen, maakten ze er een geschikt instrument voor en konden ze, negen dagen na het ongeluk, de onderzeeër binnengaan en bevestigen dat er geen overlevenden waren.22

Tien dagen lang zat het land gekluisterd aan de televisie in afwachting van nieuws over de Koersk. Of van de nieuwe president, de man die beloofd had de Russische militaire macht te herstellen. Aanvankelijk zei hij niets. Toen gaf hij vanaf zijn vakantieadres vaag commentaar dat erop leek te wijzen dat hij de redding van het materiaal aan boord van de Koersk belangrijker vond dan die van de bemanning. Op de zevende dag van de ramp stemde hij er eindelijk mee in naar Moskou terug te vliegen – en werd prompt in het nauw gedreven door een televisieploeg in Jalta, een vakantieoord aan de Zwarte Zee. ‘Ik heb gedaan wat nodig was,’ verklaarde Poetin, ‘want de komst van mensen die hierin niet gespecialiseerd zijn, de aanwezigheid van hoge functionarissen in het rampgebied, zou zinloos zijn en het werk eerder hinderen. Iedereen moet zich aan zijn taak houden.’

Die opmerking gaf aan dat Poetin zichzelf beschouwde als een bureaucraat – een zeer belangrijke en machtige bureaucraat, maar niettemin een bureaucraat. ‘Ik dacht altijd dat je zou veranderen als je president werd, ook al ben je slechts benoemd in deze rol,’ zei Marina Litvinovitsj me, de slimme jonge vrouw die had gewerkt aan Poetins imago voor de verkiezingen. ‘Als de natie huilt, moet je met haar meehuilen.’

Litvinovitsj, die nog maar een jaar of vijfentwintig was, was ten tijde van de ramp met de Koersk een permanent lid van wat een permanent mediadirectoraat in het Kremlin was geworden. De hoofden van de drie grote televisiemaatschappijen en Litvinovitsj hadden één keer per week een ontmoeting met Poetins stafchef Aleksandr Volosjin om lopende zaken te bespreken en de verslaggeving erover te plannen. In augustus 2000 waren maar drie leden van de groep aanwezig: Litvinovitsj, Volosjin en het hoofd van de staatstelevisie en de radiomaatschappij. Alle anderen waren op vakantie, zoals gebruikelijk voor inwoners van Moskou in augustus. ‘Ik schreeuwde tegen Volosjin,’ herinnerde Litvinovitsj zich. ‘Ik schreeuwde dat hij [Poetin] ernaartoe moest. En uiteindelijk pakte Volosjin de telefoon, belde hij Poetin en zei: “Sommigen hier vinden dat u erheen moet.” En ik dacht bij mezelf: Poetin zou degene moeten zijn die belt en schreeuwt: “Waar blijft mijn vliegtuig?” En ik realiseerde me dat hij niet naar het noordpoolgebied zou zijn gegaan als ik niet bij die bespreking was geweest.’23

 

De verzameling militaire bases van de Russische noordelijke vloot is een wereld op zich, gesloten voor en vijandig jegens buitenstaanders, maar doorgaans berustend jegens en vol vertrouwen in de autoriteiten. In Vidjajevo, de thuishaven van de Koersk, werden geen journalisten toegelaten. Familieleden van de bemanning werden in gecharterde bussen gezet die hen in vliegende vaart langs de controleposten brachten. Een paar keer trotseerden enkele familieleden de vijf kilometer lange tocht (toen ze eenmaal waren gearriveerd was er geen vervoer meer voor ze) vanaf hun verblijf in Vidjajevo naar de controlepost, waar journalisten zich hadden geposteerd. Een groep vrouwen die uit Vidjajevo kwam, wilde een opname laten maken waarin zij eisten dat de reddingspogingen werden voortgezet. Een vrouw vroeg aan journalisten of ze een andere groep naar Moermansk, de grote stad in de buurt, wilden brengen, zodat ze herdenkingskransen konden kopen om in zee te gooien.

De plaatselijke bevolking bekeek deze angstige vrouwen met een mengeling van medelijden en angst. Iedereen hier, in deze plaatsen vol vervallen betonnen gebouwen van vijf verdiepingen zonder ruiten en vaak zonder centrale verwarming, was gewend aan gevaar en verval. ‘Ongelukken gebeuren,’ vertelden zeelui en hun echtgenotes me keer op keer. In de tussentijd boenden vrouwen gewapend met zwabbers en emmers de stoepen en pleinen met water en zeep in de hoop zich zo te beschermen tegen straling die uit de Koersk zou kunnen lekken – ook al hingen de autoriteiten aanplakbiljetten op waarop stond dat er geen stralingsgevaar was.

Tien dagen na de ramp verzamelden de familieleden van de bemanning zich eindelijk in een vergaderzaal in Vidjajevo, waar ze Poetin verwachtten te zien. Terwijl ze zaten te wachten – en ze wachtten uren – sprak de commandant van de militaire vloot, admiraal Vladimir Koerojedov, de toehoorders toe. De admiraal, een grote kerel met een ruw, verweerd gezicht, wist alle vragen op een geslepen manier te ontwijken. Een van de zeer zeldzame journalisten die toestemming kregen om deze gebeurtenis bij te wonen, een van de medeauteurs van Poetins officiële biografie, beschreef het tafereel als volgt:

 

‘Gelooft u dat de jongens nog leven?’ werd hem gevraagd.

En weet je wat hij antwoordde?

‘Dat is een goede vraag! Ik ga er net zo direct op antwoorden als u hem stelde. Ik geloof nog altijd dat mijn vader, die in 1991 overleed, nog leeft.’

Toen werd hem een andere vraag gesteld – waarschijnlijk ook een goede.

‘Waarom heeft u niet gelijk om hulp uit het buitenland gevraagd?’

‘Ik begrijp,’ zei hij, ‘dat u meer naar Kanaal 4 dan naar Kanaal 2 kijkt.’

‘Wanneer heeft u de autoriteiten verteld dat u niet over de vereiste uitrusting beschikt om ze te redden?’

‘Drie jaar geleden,’ zei hij.

Ik dacht dat iemand hem een dreun zou geven. Maar in plaats daarvan verloren ze min of meer de moed en ebde de belangstelling voor het gesprek weg.24

Koerojedov liet een gefrustreerd publiek achter. Vicepremier Ilja Klebanov, die de leiding over de reddingsoperatie op zijn bord had gekregen, was erbij. Een vrouw sprong op het podium, greep Klebanov bij zijn revers, schudde hem heen en weer en gilde: ‘Jij schoft, ga ze redden!’ Toen Poetin eindelijk arriveerde, vier uur na het afgesproken tijdstip, bij wijze van rouw gehuld in een zwart pak en een zwart hemd, waardoor hij echter eerder aan een maffioso deed denken, viel de menigte ook hem aan. Nu was zijn biograaf de enige journalist die in de zaal mocht blijven, en dit is een passage uit zijn beschrijving van de bijeenkomst in het artikel van de dag erna:

 

‘Gelast de rouw onmiddellijk af!’ onderbrak iemand hem vanuit het uiteinde van de zaal. [Voor de dag erna was een dag van nationale rouw afgekondigd.]

‘Rouw?’ vroeg Poetin. ‘Ik was net als u tot het laatste moment vol goede hoop, dat ben ik nog steeds, op z’n minst op een wonder. Maar één ding weten we zeker: er zijn mensen omgekomen.’

‘Hou je kop!’ schreeuwde iemand.

‘Ik doel op mensen van wie vaststaat dat ze zijn omgekomen. Er liggen zeker zulke mensen in de onderzeeër. Voor hen is de rouw. Dat is alles.’

Iemand probeerde iets tegen te werpen, maar dat liet hij niet toe.

‘Luister naar me, luister naar wat ik te zeggen heb. Luister gewoon naar me! Er zijn altijd tragedies op zee geweest, ook in de tijd dat we dachten dat we in een zeer succesvol land leefden. Er zijn altijd tragedies geweest. Maar ik had nooit gedacht dat de zaken er zo voor stonden’ […]

‘Waarom heeft het zo lang geduurd voordat u buitenlandse hulp inriep?’ vroeg een jonge vrouw.

Een broer van haar zat aan boord van de onderzeeër. De uitleg van Poetin was heel uitvoerig. Hij vertelde dat de onderzeeër aan het eind van de jaren zeventig was gebouwd, evenals al het reddingsmateriaal van de noordelijke vloot. Hij zei dat [minister van Defensie] Sergejev hem op de dertiende om zeven uur ’s morgens had gebeld, en tot dat moment had Poetin van niets geweten. […] Hij zei dat hulp uit het buitenland op de vijftiende was aangeboden en direct was aangenomen. […]

‘Hebben wij zelf niet zulke duikers?’ riep iemand wanhopig uit.

‘We hebben in dit land geen troep!’ antwoordde de president furieus.25

 

In het artikel stond dat Poetin twee uur en veertig minuten met de familieleden van de bemanning sprak en hen uiteindelijk wist te overtuigen – vooral omdat hij een uur besteedde aan een uitvoerige bespreking van compensatieregelingen voor hen. Hij beloofde ook de dag van rouw af te gelasten, die uiteindelijk, in een wending van macabere ironie, overal in Rusland werd gerespecteerd behalve in Vidjajevo. Maar Poetin kwam gehavend en verbitterd uit de bijeenkomst tevoorschijn. Hij was niet bereid zich ooit nog eens aan zo’n publiek bloot te stellen. Poetin zou zich na geen enkele ramp – en er zouden er nog heel wat volgen tijdens zijn ambtstermijn als president – meer publiekelijk laten confronteren met het leed.

 

Kort na elkaar gebeurden er twee dingen die Poetin sterkten in zijn mening dat zijn bezoek aan Vidjajevo een ramp was geweest. Op 2 september – drie weken nadat de Koersk was gezonken – kwam Sergej Dorenko, de presentator van Kanaal 1 die een jaar eerder het meeste veldwerk had verricht voor Berezovski’s campagne om Poetin te maken tot wie hij was, met een programma waarin hij Poetins aanpak van de ramp met de onderzeeër bekritiseerde. Dorenko had de hand weten te leggen op geluidsbanden van de bijeenkomst met de familieleden en liet gedeelten eruit horen waarbij vergeleken het artikel van de biograaf in de krant een lofrede was. In een van die excerpten was te horen hoe Poetin een tirade afstak. ‘U heeft het op tv gezien!’ schreeuwde hij. ‘Dan liegen ze. Ze liegen! Ze liegen! Er zitten mensen bij de televisie die al tien jaar lang proberen het leger en de marine kapot te maken. Die praten nu alsof ze de grootste voorvechters zijn van de militairen. Ze willen ze alleen maar afmaken! Ze hebben bakken met geld gestolen en nu kopen ze iedereen af en maken ze welke wet ze maar willen!’ Poetin eindigde met een schelle gil.

Dorenko, een charismatische macho met een diepe bariton, ontleedde bijna een uur lang Poetins gedrag, liet enkele van de meest ongepaste opmerkingen van de president nog eens horen, concentreerde zich op het feit dat hij nog op vakantie was, gebruind en ontspannen in lichtgekleurde vakantiekleding, en glimlachte en lol trapte met zijn metgezellen, voornamelijk hooggeplaatste functionarissen. Hij liet keer op keer zien dat Poetin had gelogen. Volgens de president was het op zee acht dagen lang stormachtig geweest, wat de reddingspogingen had gehinderd. In werkelijkheid, beweerde Dorenko, was het alleen de eerste paar dagen slecht weer geweest, maar zelfs dat was op de diepte waarop de Koersk zich bevond niet van invloed. Dorenko vergeleek Poetin met een scholier die te laat komt. ‘We weten niet voor wat voor soort docent Poetins smoesjes bedoeld zijn, maar we weten wel wat een leraar in zo’n geval zegt: “Het kan me niet schelen wat jouw mening is – ik wil alleen maar dat je op tijd komt.”’

Dorenko ging over op beelden van een interview dat Poetin de staatstelevisie had gegeven op de dag na het bezoek aan Vidjajevo. De president zag er officieel en beheerst uit en zei dat hij nog maar net honderd dagen geleden de last van de leiding over het land op zich had genomen. In werkelijkheid, zei Dorenko, was Poetin 390 dagen geleden benoemd tot premier en gezalfd als Jeltsins opvolger, en daarvoor was hij de baas van de FSB, ‘die geacht wordt de admiraals in de gaten te houden’.

‘Het regime respecteert ons niet en daarom liegt het ons voor,’ besloot Dorenko.

Volgens mij besefte Poetin op dat moment, een jaar na het begin van zijn wonderbaarlijke promotie, honderd dagen nadat hij president was geworden, dat hij de verantwoordelijkheid droeg voor het hele afbrokkelende bouwsel van een voormalige supermacht. Hij was niet meer gerechtigd te tieren tegen de mensen die de militaire kracht en imperiale trots van de Sovjets hadden vernietigd. Doordat hij president was geworden, was hij in de ogen van heel veel van zijn landgenoten nu een van die mensen geworden. Zijn transformatie deed enigszins denken aan die van een politicus die jaren in de oppositie heeft gezeten en plotseling aan de macht komt – afgezien van het feit dat Poetin helemaal nooit een politicus was geweest, zodat zijn woede een privézaak was geweest terwijl hij nu publiekelijk werd vernederd. Misschien had hij het gevoel dat hij was beetgenomen. De mensen tegen wie hij was uitgevallen toen hij zijn kalmte verloor in Vidjajevo – degenen die de militairen op televisie te schande hadden gemaakt en ‘welke wet ze maar willen’ hadden aangenomen – hadden hem aan de macht gebracht om van hem de zondebok te maken. En vervolgens gebruikten ze hun televisiemaatschappij om hem nog meer te vernederen.

Zes dagen na de show van Dorenko zat Poetin bij Larry King Live op CNN. Op Kings vraag ‘Wat gebeurde er?’ haalde Poetin zijn schouders op, glimlachte – duivels, zo leek het – en zei: ‘Hij zonk.’27 Die uitspraak werd berucht. Hij kwam over als cynisch, minachtend en diep beledigend voor alle mensen die bij de tragedie waren betrokken. Pas toen ik tien jaar later het transcript van de show herlas, realiseerde ik me wat Poetin had proberen over te brengen. Hij gaf aan dat hij niet zou aandringen op de koers die een of andere ongelukkige Russische spindoctor had bedacht – dat de Koersk een aanvaring had gehad met een Amerikaanse onderzeeër. Zet die idiote complottheorie maar uit je hoofd, beoogde zijn schouderophalen te zeggen. Hij zonk gewoon.

De wereld zag iets heel anders, waar Poetin een essentiële les uit leerde. Televisie – diezelfde televisie die hem had voortgebracht, een president die uit het niets tevoorschijn was gekomen – kon zich tegen hem keren en hem net zo snel en met hetzelfde zichtbare gemak weer kapotmaken.

Dus ontbood Poetin Berezovski, de man die hem aan de macht had geholpen en degene die nog altijd de baas was van Kanaal 1, en eiste dat de oligarch zijn aandelen in de televisiemaatschappij overdroeg. ‘Ik weigerde, in aanwezigheid van [stafchef] Volosjin,’ vertelde Berezovski me. ‘En Poetin veranderde van toon en zei: “Ik spreek je nog wel, Boris Abramovitsj,” en hij stond op om te vertrekken. En ik zei: “Volodja, dit betekent vaarwel.” Daarmee besloten we het, vol pathos. Toen hij de kamer uit was, wendde ik me tot Volosjin en zei: “En, Sasja, wat hebben we gedaan? Hebben we de zwarte kolonels aan de macht geholpen?” Volosjin krabde zich op zijn hoofd en zei: “Dat denk ik niet.”’ Toen hij jaren later moest getuigen voor een Londense rechtbank, kon Volosjin zich het gesprek niet meer precies herinneren en verklaarde hij alleen dat het doel was geweest Berezovski te vertellen dat ‘het concert afgelopen is, dat de show afgelopen is’.28

Berezovski zegt dat hij onmiddellijk een brief schreef aan zijn voormalige protegé, waarna hij de stafchef vroeg die door te geven. ‘Ik schreef over een Amerikaanse journalist die ooit zei dat voor elk ingewikkeld probleem altijd één eenvoudige oplossing bestaat en dat die oplossing altijd onjuist is. En ik schreef dat Rusland een enorm complex probleem is en dat hij een enorme vergissing beging als hij dacht dat hij het met simpele methoden kan oplossen.’29 Berezovski kreeg nooit een reactie op die brief. Enkele dagen later vertrok hij naar Frankrijk, waarna hij doorreisde naar Groot-Brittannië, waar hij net als zijn voormalige rivaal Goesinski in politieke ballingschap ging. Korte tijd later werd in Rusland een arrestatiebevel tegen hem uitgevaardigd en waren zijn aandelen in Kanaal 1 in handen gekomen van de staat.

Drie maanden na de inauguratie waren twee van de rijkste mensen van het land beroofd van hun invloed en feitelijk het land uit getrapt. Minder dan een jaar nadat Poetin aan de macht was gekomen, werden alle drie de federale televisiemaatschappijen gecontroleerd door de staat.

 

‘Ik heb altijd gezegd dat het geen zin heeft vrijwillig de gevangenis in te gaan,’ zei de weduwe van Andrej Sacharov, Jelena Bonner, in november 2000 tegen een groepje journalisten in Moskou.30 Berezovski had haar die zomer om advies gevraagd, vertelde ze, en zij had hem aangeraden in het buitenland te blijven. ‘In de tijd van de dissidenten adviseerde ik mensen die bedreigd werden altijd om te emigreren,’ legde ze uit. Zij had ons bijeengeroepen voor een persconferentie waarop Berezovski’s schenking aan het Sacharov-museum en Centrum voor Mensenrechten in Moskou, dat bijna had moeten sluiten, werd aangekondigd.

‘Wat leven we in een ellendige tijd,’ zei de directeur van het museum, voormalig dissident Joeri Samodoerov, ‘dat we mensen die we helemaal niet mogen, moeten verdedigen, zoals Goesinski en Berezovski. Ooit leefden we in een totalitaire staat met twee hoofdkenmerken: totaliserende terreur en totaliserende leugen. Ik hoop dat totaliserende terreur niet meer mogelijk is in ons land, maar we zijn nu in een nieuw tijdperk beland van totaliserende leugen.’