PROLOOG
Ik werd wakker doordat er iemand aan me schudde. Kate keek doodsbang. ‘Op de radio hebben ze het over Galina,’ zei ze half fluisterend. ‘En een pistool. Volgens mij... ik begrijp het niet.’
Ik stond op en strompelde naar het keukentje, waar Kate het ontbijt aan het klaarmaken was en luisterde naar Echo Moskvy, de beste nieuws- en praatzender van het land. Het was zaterdagochtend en ongewoon licht en helder voor een novemberdag in Moskou. Ik maakte me niet echt zorgen. Op een of andere manier deed Kates angst me niets. Wat ze ook had gehoord – of met haar beperkte Russisch verkeerd had begrepen –, het zou het begin kunnen zijn van weer een opzienbarend verhaal. Als belangrijkste correspondent van het meest vooraanstaande Russische opinietijdschrift Itogi had ik het gevoel dat ik recht had op alle belangrijke verhalen. En belangrijke verhalen waren er in overvloed. In een land dat helemaal opnieuw moest beginnen, was iedere stad, iedere familie, iedere institutie in zekere zin onontgonnen gebied. Het was 1998. Sinds begin jaren negentig was praktisch ieder artikel dat ik schreef een verhaal dat nog nooit verteld was. Ik bracht zo’n beetje de helft van mijn tijd buiten Moskou door en reisde naar conflictgebieden en goudmijnen, weeshuizen en universiteiten, verlaten dorpjes en snel groeiende steden in olierijke gebieden, en schreef erover. Het tijdschrift, dat dezelfde magnaat als eigenaar en financier had als Echo Moskvy, beloonde me door nooit vragen te stellen over mijn extravagante reisschema en door mijn artikelen vaak op de cover te zetten.
Met andere woorden: ik was een van die jonge mensen die het meest hadden geprofiteerd van de jaren negentig. Veel mensen, zowel ouder als jonger dan ik, hadden het zwaar te verduren gehad in die overgangsjaren. De oudere generatie had haar spaargeld verloren door de hyperinflatie en haar identiteit door de teloorgang van zo’n beetje alle Sovjetinstellingen. De jongere generatie groeide op in de schaduw van de angst en – vaak – de mislukkingen van hun ouders. Maar in het jaar dat de Sovjet-Unie uiteenviel, was ik vierentwintig geweest, en mijn leeftijdgenoten en ik hadden in de jaren negentig onze eigen loopbaan uitgevonden en nagedacht over de inrichting van een nieuwe maatschappij en haar instituties. Ook al nam de criminaliteit in Rusland epidemische vormen aan, toch voelden we ons bijzonder veilig. We deden onderzoek naar de onderwereld en schreven er bij gelegenheid over, zonder het idee te hebben dat ze van invloed zou kunnen zijn op ons eigen leven. Bovendien was ik ervan overtuigd dat alles alleen maar beter zou worden. Ik had zojuist een vervallen, voormalig woningbouwflatje in het hart van Moskou gekocht en was bezig het op te knappen, om daarna de flat op te zeggen die ik samen met Kate huurde, een Engelse redactrice die voor het tijdschrift van een oliemaatschappij werkte. Ik zag mezelf al een gezinnetje stichten in dat opgeknapte appartement. En op deze bewuste zaterdag had ik een afspraak met de aannemer om materiaal voor de te verbouwen badkamer te gaan uitzoeken.
Kate gebaarde naar de gettoblaster alsof hij giftig was en keek me vragend aan. Galina Starovojtova, wier naam de nieuwslezer steeds weer noemde, was lid van de Staatsdoema, een van de bekendste Russische politici en een vriendin van me. Eind jaren tachtig, toen het Sovjetrijk op instorten stond, werd de etnografe Starovojtova een voorvechtster van democratie en de meest vooraanstaande zegsvrouw van de bevolking van Nagorno-Karabach. Deze Armeense enclave in Azerbeidzjan werd getroffen door het eerste van de vele gewapende etnische conflicten die gepaard gingen met het uiteenvallen van het Oostblok. Zoals diverse andere academici die in de politiek waren gegaan, leek ze voortdurend in het nieuws. Hoewel ze sinds haar kindertijd in Leningrad had gewoond, kozen de inwoners van Armenië haar als hun afgevaardigde voor de eerste, quasidemocratisch gekozen Opperste Sovjet, en in 1989 stemde een overweldigende meerderheid op haar. In de Opperste Sovjet werd ze een van de bepalende gezichten van de Mezjregionalnoje Dvizjenie Jedinstvo (Interregionale Beweging Eenheid; afgekort tot MEDVED, oftewel ‘Beer’), een prodemocratische minderheidsfactie waarvan de leiding verder bestond uit Andrej Sacharov en Boris Jeltsin. Meteen nadat Jeltsin in 1990 was gekozen tot president van Rusland – tot dan toe voornamelijk een ceremoniële maar wel zeer gewilde functie – werd Galina zijn eerste adviseur, die hem officieel bijstond in etnische kwesties en onofficieel op alle andere gebieden, met inbegrip van regeringsbenoemingen. In 1992 overwoog Jeltsin Galina voor te dragen als minister van Defensie. Een dergelijke aanstelling, nota bene van een burger en een vrouw die pacifistische opvattingen niet schuwde, zou een groots gebaar zijn geweest in de klassieke Jeltsin-stijl van begin jaren negentig, een signaal dat Rusland – en misschien wel de hele wereld – nooit meer hetzelfde zou zijn.
Dat niets ooit nog hetzelfde zou moeten zijn, was de kern van Galina’s politieke agenda, die zelfs naar de maatstaven van de prodemocratische activisten van begin jaren negentig nogal radicaal was. Als lid van een klein groepje advocaten en politici probeerde ze tevergeefs de Kommoenistitsjeskaja partija Sovjetskogo Sojoeza (Communistische Partij van de Sovjet-Unie; KPSS) aan te klagen. Ze schreef een wetsontwerp voor loestratsija (lustratie),1 een woord dat was afgeleid van de oude Latijnse term voor ‘reiniging’, een methode die in gebruik begon te komen in de voormalige Oostbloklanden om het proces aan te duiden waarbij voormalige leden van de Partij en medewerkers van de geheime dienst uit openbare functies werden geweerd. In 1992 kwam ze erachter dat het Komitet Gosoedarstvennoj Bezopasnosti (Comité voor Staatveiligheid, ofwel KGB) intern weer een Partij-onderdeel had opgericht.2 Dat was regelrecht in strijd met het decreet van augustus 1991 dat was gevolgd op de mislukte coup en waarbij de Russische Communistische Partij was verboden.3 Tijdens een openbare vergadering in 1992 probeerde ze Jeltsin met dat feit te confronteren, waarop hij haar zonder pardon had weggestuurd. Dat luidde het einde in van haar carrière in zijn regering en zijn almaar toegeeflijker houding jegens de geheime diensten en de vele reactionaire communisten die aan de macht bleven of ertegenaan schurkten. Na haar ontslag zette Galina zich in voor de lustratiewet, die het niet haalde, waarna ze uit de Russische politiek stapte en haar toevlucht zocht in de Verenigde Staten, eerst aan het United States Institute for Peace in Washington en vervolgens als docente aan Brown University in Providence, Rhode Island.
De eerste keer dat ik Galina ontmoette, kon ik haar niet zien. Ze werd aan het zicht onttrokken door honderdduizenden mensen die op 28 maart 1991 waren samengekomen op het Majakovski-plein in Moskou om steun te betuigen aan Jeltsin. Sovjetpresident Michail Gorbatsjov had kort daarvoor Jeltsin publiekelijk de les gelezen. Gorbatsjov had ook een decreet uitgevaardigd dat politieke protesten in de stad verbood.4 Die ochtend rolden er tanks de stad binnen die op zo’n manier werden opgesteld dat de mensen de verboden prodemocratische protestbijeenkomst bijna niet meer konden bereiken. Als reactie daarop deelden de organisatoren de bijeenkomst in tweeën op, om het voor de mensen makkelijker te maken naar ten minste één van de locaties te komen. Het was de eerste keer dat ik weer in Moskou was na tien jaar emigrantenbestaan. Toevallig verbleef ik in het appartement van mijn grootmoeder in de buurt van het Majakovski-plein. De Tverskaja, de hoofdstraat, bleek afgesloten, dus ik stak een paar binnenplaatsen over, kwam onder een boog weer op straat en stond meteen midden in een menigte. Ik zag alleen maar achterhoofden en een heleboel identieke grijze en zwarte wollen jassen. Maar boven de menigte uit hoorde ik een vrouwenstem schallen, die het had over het onschendbare grondwettelijke recht op samenscholing. Ik wendde me tot een man naast me; in één hand hield hij een gele plastic zak en met de andere had hij een kind vast. ‘Wie spreekt er?’ vroeg ik. ‘Starovojtova,’ antwoordde hij. Precies op dat moment begon de vrouw de menigte voor te gaan in een vijflettergrepige slogan die door de hele stad leek te galmen: ‘Ros-si-ja! Jel-tsin!’ In nog geen halfjaar tijd zou de Sovjet-Unie daadwerkelijk uiteenvallen en zou Jeltsin de leider worden van een nieuw, democratisch Rusland. Dat hier geen ontkomen aan was, werd een heleboel mensen, mijzelf inbegrepen, die dag in maart duidelijk, toen de Moskouse bevolking de communistische regering en haar tanks had getrotseerd en de openbare ruimte had opgeëist om haar stem te laten horen.
Ik kan me niet meer herinneren wanneer ik kennismaakte met Galina, maar we raakten bevriend in de tijd dat ze doceerde aan Brown University. Ze was in die tijd vaak te gast bij mijn vader thuis in de buurt van Boston. Ik reisde op en neer tussen de Verenigde Staten en Moskou, en Galina werd zoiets als een mentor voor me in de wereld van de Russische politiek, hoewel ze af en toe klaagde dat ze alleen nog maar wetenschapper was. Dat geklaag moet zijn opgehouden in december 1994, toen Jeltsin een militair offensief begon in de afvallige republiek Tsjetsjenië. Zijn toenmalige adviseurs verzekerden hem dat de opstand snel en zonder schade voor het federale machtscentrum zou kunnen worden neergeslagen. Galina beschouwde deze nieuwe oorlog als een onvermijdelijke ramp en als de grootste bedreiging tot dan toe voor de Russische democratie. In de lente ging ze naar de Oeral om een congres voor te zitten en om haar politieke partij, Demokratitsjeskaja Rossija (Democratisch Rusland), die ooit de machtigste politieke beweging van het land was geweest, nieuw leven in te blazen. Ik deed voor de belangrijkste Russische krant van toen verslag van het congres, maar op weg naar Tsjeljabinsk – een vlucht van drie uur, gevolgd door een busrit van drie uur – was ik zo stom me te laten beroven. Kort voor middernacht kwam ik overstuur en zonder een cent op zak in Tsjeljabinsk aan en trof Galina in de lobby van het hotel. Ze had een lange dag met inspannende gesprekken achter de rug. Voordat ik iets kon zeggen, troonde ze me mee naar haar kamer, waar ze me een glas wodka in handen duwde en aan een glazen koffietafeltje ging zitten om een stapel broodjes met salami voor me klaar te maken. Ze leende me geld voor mijn ticket terug naar Moskou.
Galina koesterde duidelijk moederlijke gevoelens voor mij – ik was even oud als haar zoon, die met zijn vader naar Engeland was verhuisd toen de politieke ster van zijn moeder net begon te rijzen – maar het tafereel met de broodjes maakte ook nog deel uit van iets anders. In een land met politieke rolmodellen variërend van een in leren jasje gehulde politieke ceremoniemeester van de Communistische Partij tot een haveloze apparatsjik, probeerde Galina een totaal andere verschijning te zijn, een politica met een menselijke kant. Tijdens een congres van Russische feministen schokte ze het publiek door haar rok omhoog te doen en haar benen te tonen. Ze wilde laten zien dat een mannelijke politicus die beweerde dat ze O-benen had, ongelijk had. Ze sprak met een van de eerste Russische glossy magazines over de problemen die iemand met obesitas, zoals zij, had om kleren te kopen. Tegelijkertijd bleef ze fanatiek en koppig haar plannen voor wetswijzigingen najagen. Eind 1997 probeerde ze bijvoorbeeld opnieuw haar lustratievoorstel door te drukken – en slaagde daar weer niet in. En in 1998 deed ze diepgaand onderzoek naar de campagnefinanciering van enkele van haar machtigste politieke tegenstanders, onder wie de communistische voorzitter van de Staatsdoema, het lagerhuis van het parlement.5 (De Communistische Partij was weer toegestaan, en zeer populair.)
Ik had haar gevraagd waarom ze had besloten weer de politiek in te gaan, terwijl ze heel goed wist dat ze nooit meer de invloed zou hebben die ze ooit had gehad. Ze had meerdere keren geprobeerd me antwoord te geven, maar haar beweegredenen waren nooit eenduidig. Uiteindelijk belde ze me op vanuit een ziekenhuis waar ze een ingreep moest ondergaan. Vlak voordat ze onder narcose werd gebracht, had ze geprobeerd een beeld van haar leven te krijgen, en uiteindelijk had ze iets gevonden dat haar beviel. ‘Er bestaat een oude Griekse legende over harpijen,’ vertelde ze me. ‘Dat zijn schimmen die alleen maar tot leven kunnen komen wanneer ze mensenbloed drinken. Het leven van een geleerde is als het leven van een schim. Als je meewerkt aan het vormgeven van de toekomst, ook al is het maar een heel klein stukje toekomst – en dat is wat de politiek doet –, dan kun je als schim tot leven komen. Maar daarvoor moet je mensenbloed drinken, met inbegrip van dat van jezelf.’
Ik volgde Kates blik naar de gettoblaster, die een beetje kraakte, alsof de woorden die uit de luidsprekers kwamen effect hadden op de kwaliteit van het geluid. De nieuwslezer zei dat Galina een paar uur eerder was doodgeschoten in het trappenhuis van een flat in Sint-Petersburg. De vorige avond was ze daar vanuit Moskou naartoe gevlogen. Zij en haar juridische medewerker Roeslan Linkov waren bij Galina’s ouders aangewipt en vervolgens naar haar appartement aan de Gribojedov-kade gegaan, een van de mooiste straten van de stad. Toen ze het flatgebouw binnengingen, was het donker in het trappenhuis. De schutters die op de trap wachtten, hadden de peertjes eruit gedraaid. Desondanks liepen ze de trap op, onderwijl pratend over een rechtszaak die een nationalistische politieke partij tegen Galina had aangespannen. Vervolgens klonk er een knal en was er een lichtflits te zien. Galina’s stem viel stil. Roeslan schreeuwde: ‘Wat doe je?’ en rende in de richting van het licht en het geluid. De volgende twee kogels waren voor hem.
Roeslan moet even buiten bewustzijn zijn geraakt en kwam toen weer lang genoeg bij om met zijn mobieltje een journalist te bellen. Het was de journalist die vervolgens de politie belde. En nu, liet de stem uit de gettoblaster me weten, was Galina dood en lag Roeslan, die ik ook kende en graag mocht, in kritieke toestand in het ziekenhuis.
Als dit een roman was, zou mijn personage bij het bericht van de dood van zijn vriendin waarschijnlijk alles uit zijn handen laten vallen en, in de wetenschap dat het leven nooit meer hetzelfde zou zijn, in allerijl iets gaan doen – wat dan ook, in reactie op wat er gebeurd was. In het echte leven weten we zelden of ons leven definitief is veranderd of wat we moeten doen wanneer er iets ergs voorvalt. Ik ging materiaal voor de verbouwing van de badkamer in mijn nieuwe appartement uitzoeken. Pas toen de voorman die met me meeging, tegen me zei: ‘Heb je het gehoord van Starovojtova?’ bleef ik plots staan. Ik weet nog dat ik naar mijn laarzen keek en naar de sneeuw, grijs en aangetrapt onder de voetstappen van duizenden nieuwe huizenbezitters. ‘We hadden een contract getekend om een garage voor haar te bouwen,’ zei hij. Op een of andere manier was dat het moment waarop het tot mij doordrong dat mijn vriendin die garage nooit zou gebruiken, dat ik voelde hoe hulpeloos, bang en woedend ik was. Ik sprong in mijn auto, reed naar het station en vertrok naar Sint-Petersburg om te proberen een artikel te schrijven over wat er was gebeurd met Galina Starovojtova.
De jaren erna bracht ik soms weken achter elkaar in Sint-Petersburg door. Hier lag weer zo’n verhaal dat niemand ooit verteld had – maar het was een verhaal dat alles oversteeg wat ik tot dan toe geschreven had, een verhaal dat veel meer was dan dat over de moord, in koelen bloede, op een van de bekendste politici van het land. Wat ik aantrof in Sint-Petersburg, was een stad – de op een na grootste stad van Rusland – die een staat binnen een staat vormde. Het was een plek waar de KGB – de organisatie waartegen Starovojtova haar belangrijkste en meest hopeloze strijd gevoerd had – almachtig was. Plaatselijke politici en journalisten waren ervan overtuigd dat hun telefoons en kantoren werden afgeluisterd, en ze leken gelijk te hebben. Het was een plek waar regelmatig moorden op belangrijke politici en zakenmensen plaatsvonden. En het was een plek waar je makkelijk achter de tralies kon belanden als een zakelijke deal slecht was afgelopen. Met andere woorden, het leek sterk op wat Rusland zelf binnen enkele jaren zou worden, toen het eenmaal bestuurd werd door de mensen die Sint-Petersburg in de jaren negentig bestuurden.
Ik ben er nooit achter gekomen wie de opdracht heeft gegeven voor de moord op Galina Starovojtova (de twee mannen die jaren later voor de moord werden veroordeeld, waren slechts stromannen). Noch heb ik ooit kunnen achterhalen waarom het gebeurde. Waar ik wel achter kwam, was dat er gedurende de jaren negentig, terwijl jonge mensen als ik aan een nieuw leven begonnen in een nieuw land, een parallelle wereld naast de onze had bestaan. In Sint-Petersburg waren veel van de belangrijkste kenmerken van de Sovjetstaat intact gebleven en vervolmaakt. Het was een systeem van regeren gericht op de vernietiging van zijn tegenstanders – een paranoïde, gesloten systeem dat ernaar streefde alles in zijn macht te krijgen, en alles wat het niet in zijn macht kon hebben, weg te vagen. Het was onmogelijk precies uit te vinden waarom Starovojtova vermoord was, omdat haar reputatie als tegenstander van het systeem haar getekend had, haar ten dode opgeschreven had. Ik was in veel oorlogsgebieden geweest, ik had onder granaatvuur gewerkt, maar nog nooit had ik een verhaal moeten schrijven dat me zoveel angst inboezemde. Nooit eerder had ik verslag moeten doen van een werkelijkheid die zo kil en zo wreed was, zo onverbloemd en meedogenloos, zo corrupt en zo volstrekt gewetenloos.
Binnen een paar jaar zou heel Rusland in die werkelijkheid leven. Hoe het zover heeft kunnen komen, is het verhaal dat ik in dit boek zal vertellen.