Duizendmiljoen

Michiel zou er wel iets van willen zeggen, maar het
helpt toch niet. Hij kijkt hoe Thijs zijn mes, waar nog
volop pindakaas aan zit, in de boterpot steekt. Net
naast de plek waar van de vorige keer nog een klod-
der chocoladepasta zit. Op Thijs zijn bord ligt een
boterham met boter en daar overheen een stevige laag pindakaas. Maar voor Thijs is dat niet genoeg. Hij is zielig. En wie zielig is, mag dubbel beleg, vindt Thijs.

„Wat is er nou eigenlijk gebeurd?” vraagt Michiel,
terwijl Thijs een nieuwe laag boter over de pindakaas smeert.

„Ik deed het voor de nep, maar Ruud zei dat het
voor het echie was,” zegt Thijs met een verdrietige
stem. Aan zijn mes zit een klodder boter met pinda-
kaas, waar hij op zijn boterham geen plek meer voor
kan vinden. Even staart Thijs ernaar. Er zijn ver-
schillende oplossingen, die allemaal niet mogen. Te-
rug in de pot is verboden. Michiel zit nu al te kijken.
En aflikken is gevaarlijk.

„Wat was dan voor de nep?”

„Nou, we hadden geruild. Maar voor de nep.”

,Je kunt toch niet al je dubbele kwijtraken met rui-
len?”

Thijs zucht. Met zijn vinger veegt hij de boter met
pindakaas van zijn mes. Het kan gewoon niet anders.
Terwijl hij Michiel strak aankijkt, steekt hij de vin-
ger vol boter en pindakaas in zijn mond.

Michiel haalt diep adem om iets te zeggen.

Thijs slikt snel door. „Ik zou er eentje van Ruud
krijgen,” zegt hij en hij kijkt als iemand die niet eens
weet dat je van een mes zou kunnen eten.

„Ééntje?” vraagt Michiel verbaasd. „Tegen al je dub-
bele? Je had er wel dertig.”

„Het was toch ook voor de nep,” zucht Thijs. „Maar
toen zei Ruud opeens…” Zijn lippen beginnen een
beetje te trillen bij de herinnering.

„Wat een rotjoch,” zegt Michiel. „Voor één
sticker… Dat moet je niet pikken, Thijs. Heb je het
tegen de juf gezegd?”

Thijs schudt stilletjes van nee.

„Zal ik morgen op de speelplaats dan eens even
langskomen? Hé, Thijs? Zeggen dat hij ze terug moet
geven?”

„Hij is niet gek of zo,” mompelt Thijs. „Hij neemt
ze heus niet mee naar school.” Ondertussen reikt hij
met zijn hand naar het pak hagelslag.

Michiel ziet het gebeuren. Hij wil nog iets roepen,
maar dan hangt Thijs zijn shirtje al in de boterham
met boter en pindakaas en nog eens boter.

Thijs kijkt er beteuterd naar. Met zijn mouw pro-
beert hij zoveel mogelijk schoon te vegen. Veel ver-
schil maakt het niet. Met gebogen hoofd strooit hij
hagelslag uit het pak op zijn boterham.

„Kun jij me niet wat geld geven?” vraagt hij aan Mi-
chiel.

„Ik? Waarom zou ik dat doen?”

„Omdat ik mijn stickers kwijt ben. Ik heb geen een
dubbele meer.”

„Maar dat kan ik toch niet helpen?” zegt Michiel,
die verbaasd zit te kijken hoe Thijs nog een keer de
boterpot naar zich toe trekt. ,Je gaat toch niet…”

„Maar jij hebt toch een heleboel geld? Wel honderd
of zo?” vraagt Thijs.

„Ik heb honderdnegentien gulden vijfentwintig,”
zegt Michiel, „maar daar heb ik heel lang voor ge-
spaard.”

„Ik heb ook heel lang gespaard,” zegt Thijs terwijl
hij met trieste gebaren nog maar een beetje boter over de hagelslag doet. „En ik heb niks. Zelfs geen dubbele stickers meer. Je kunt me toch gewoon wat geven?”

,,Ja, ik kijk wel uit.” Michiel weet nog precies hoe
moeilijk het was om bij de honderd te komen. En
hoeveel hij nog moet om een elektrische gitaar te
kunnen betalen.

„Wil je dan soms ook niet wisselen?” vraagt Thijs
met een stem die behoorlijk op huilen begint te lij-
ken.

„Wat heb je nou aan wisselen?” vraagt Michiel.

„Nou, dan geef ik jou één geld en dan krijg ik een
heleboel terug. Honderd of zo.” ‘Eigenlijk onzin dat
hij dat allemaal uit moet leggen,’ denkt Thijs.

Michiel haalt zijn schouders op. Hij kijkt hoe Thijs
nu eindelijk zijn boterham oppakt om ervan te gaan
eten. Thijs houdt hem op de toppen van zijn vingers
en kijkt naar al het heerlijks dat hij erop gedaan heeft.
Is er tenminste nog iets leuks.

„Maar je hebt niet eens één geld,” zegt Michiel om
ervan af te wezen. „Van wat je vorige keer over had,
heb je snoep gekocht.”

Dat was Thijs even vergeten. Wanhopig laat hij zijn
armen op de tafel zakken. „O nee!” roept hij dan, als
hij merkt dat hij in zijn handen nog een boterham

had. Die glijdt van zijn vingers, landt even op de ta-
fel en rolt dan door naar de grond. Daar blijft hij stil
liggen. Met het beleg aan de onderkant. „Mijn boter-
ham,” is alles wat Thijs kan zeggen.

„Ik kom je helpen,” zegt Michiel en hij loopt al om
de tafel heen. Thijs schuift hij met stoel en al opzij.
Hij rilt even wanneer hij de boterham met pindakaas, hagelslag en drie keer boter van de vloer los haalt. Het gescheurde plakkerige ding houdt hij zover mogelijk voor zich uit, wanneer hij ermee naar de vuilnisbak loopt.

„Thijs, haal jij een flink stuk wc-papier,” roept hij
over zijn schouder.

Thijs laat zich van zijn stoel glijden. Dat kan hij wel.
Daar is hij zelfs erg goed in. In de wc geeft hij een
flinke slinger aan de rol. In mooie kringels landt het
papier op de grond. De rol maakt een fijn geluid, alsof je eigenlijk in een sportwagen rijdt. Thijs laat hem nog een paar keer draaien en doet ondertussen net of hij keihard een bocht omgaat.

„Thijs!” hoort hij dan opeens achter zich. Michiel
staat in de deuropening. „Wat doe je nou?” Het wc-
rolletje ratelt nog even na en hangt dan stil. Leeg.

„Watje zei. Papier halen,” zegt Thijs. Met twee ar-
men raapt hij de berg witte slingers van de grond. „Ik draag het wel,” zegt hij tegen Michiel.

„Maar dat is toch veel te veel,” zegt Michiel.

„O,” zegt Thijs, een beetje verbaasd. Die Michiel
weet ook niet wat hij wil.

„De rest moet maar in de wc,” zegt Michiel, wan-

neer hij een stuk papier van de berg heeft afge-
scheurd.

„Mag ik het doen?” vraagt Thijs.

„Mij best,” zegt Michiel. Met het afgescheurde wc-
papier loopt hij terug naar de eettafel.

Thijs laat ondertussen het begin van de sliert papier
die over is in de wc zakken. De rest blijft nog even
op de grond. Dan duwt hij op de doortrekker. Aan
alle kanten komt het water te voorschijn. Het bruist
en kolkt en trekt als een woedend dier het papier van de grond en sleurt het mee de diepte in. Thijs rilt even en doet een stapje naar achteren om vandaar te kijken hoe het afloopt. Wanneer alles is verdwenen, loopt hij weer terug naar Michiel.

„Het is wel zo’n beetje schoon,” zegt die en hij wijst
naar een plek op de grond. „Het plakt alleen nog een beetje.”

„Denk je dat ze boos worden?” vraagt Thijs voor-
zichtig. Ze mochten met zijn tweeën eten. Maar al-
leen als het geen troep werd. Een plakkerige vloer is
vast troep.

„We zeggen gewoon dat het al was,” stelt Michiel
hem gerust.

Thijs klimt weer op zijn stoel en legt een nieuwe
boterham op zijn bord. Peinzend kijkt hij de tafel
rond. „Mag ik de… chocoladepasta?” vraagt hij.

„Niet eerst de boter?”

„Nee, die doe ik daarna.”

Michiel kijkt naar de boter. Het lijkt net of hij de
bruine chocoladevlekken al kan zien.

Thijs doet ondertussen de pasta in een dikke klei-
laag op zijn boterham. „Lekker,” zegt hij als hij ziet
hoeveel er op zijn mes achterblijft. „Wanneer is het
eigenlijk zakgelddag?” vraagt hij dan, blij dat hij ein-
delijk een oplossing voor zijn probleem heeft be-
dacht.

„Morgen,” antwoordt Michiel.

„En dan kan ik stickers kopen, hè?”

,Je krijgt een gulden. Als je één zakje stickers koopt,
krijg je veertig cent terug.”

„Veertig?”

Ja.”

„Zo hé! Dan heb ik veertig en dan kan ik ook nog
met Ruud ruilen.”

,Je gaat toch niet weer met dat joch ruilen?”

Thijs kijkt Michiel weifelend aan. „Ik denk dat het
nu wel lukt,” zegt hij dan.

„Wat lukt?”

„Ik denk dat ik hem nu wel krijg.”

„Wat bedoel je nou?” vraagt Michiel, die er steeds
minder van snapt. „Wie krijg? Wat krijg?”

„Die van duizend natuurlijk.”

„Hè?”

„Die sticker van duizend.” Thijs praat wat zachter
nu, alsof het eigenlijk geheim is. „Dat zijn heel spe-
ciale. Er staan drie streepjes op. Daar zie je het aan.”

„Wat bedoel je nou?”

Thijs zucht. Iederéén weet dit toch. „Als je de sticker van duizend hebt, krijg je duizend geld,” legt hij
uit.

„Duizend gulden?” vraagt Michiel. Zijn stem gaat
opeens heel hoog. Van duizend kan hij makkelijk een
elektrische gitaar kopen. En een versterker erbij.

,,Ja, dat zei ik toch.”

„En van wie krijg je dat dan?”

„Ik weet niet. Je moet hem opsturen en dan krijg je
het.”

„Wie zegt dat dan allemaal? Hoe weetje dat?”

„Van Ruud. Die heeft er een. Hij had een zakje en
daar zat hij in. Er zijn er maar een paar van op de he-
le wereld.”

„En hij heeft er één en die wil hij ruilen?”

„Eigenlijk niet. Maar als je heel veel stickers geeft,
dan doet hij het misschien.”

„Zegt hij dat?”

,Ja.”

Michiel schudt zijn hoofd. Duizend gulden… „En
die zitten zomaar in zo’n zakje?” vraagt hij aan Thijs.
„Die speciale?”

,Ja. Maar dan moetje wel héél veel geluk hebben,”
zegt Thijs.

Michiel staart voor zich uit. Thijs roert een spoor
van chocola door de boter. Maar Michiel ziet het niet.
Dat zo’n rotjoch nou net die sticker heeft, terwijl hij
al zo lang voor een gitaar aan het sparen is. Duizend
gulden…

„Voor hoeveel stickers zou hij het doen, denk je?”
vraagt Michiel dan opeens, terwijl hij ondertussen
probeert uit te rekenen hoeveel stickers je voor hon-
derdnegentien gulden vijfentwintig kunt kopen.

„Ik denk…” zegt Thijs peinzend, „ik denk voor on-
geveer duizendmiljoen. Hij is niet gek of zo.”

„Nee,” zegt Michiel en zijn schouders zakken er een
stukje bij naar beneden.

Thijs kijkt hem eens aan en schuift dan de boter en
de pindakaas en de chocoladepasta en de hagelslag
naar hem toe. „Allemaal tegelijk is het lekkerst,” zegt
hij.