
Thijs gilt. Van angst en plezier door elkaar
heen.
Met vlugge beentjes klimt hij op de bank en gebruikt
de zachte kussens als een springmat. „De bank was
vrij!” roept hij snel. „Afspraak! Dat was afspraak.”
„Niks afspraak,” buldert Michiel, „dit
monster
maakt geen afspraken!” Met zijn vingers als klauwen
uitgestrekt komt hij nog een stukje dichterbij.
„Neeee!” roept Thijs.
Michiel wordt groter en groter. Zijn armen hoog
bo-
ven zijn hoofd, zijn sterke vingers krom en klaar om
toe te slaan.
„Neeee!” Thijs gilt nu. Zijn been schiet tussen
de
kussens van de bank en struikelend valt hij achter-
over. Zijn hoofd bonst tegen de rugleuning. Die is
wel zacht, maar evengoed voelt Thijs een doffe bonk
in zijn hoofd. „Vuile rot Michiel,” huilt hij, „zo gaat
dat helemaal niet.”
Michiels armen hangen een beetje nutteloos in
de
lucht. „Het is toch niet echt, Thijs,” zegt hij.
„Maar ik ben wel met mijn hoofd tegen de bank
ge-
knald,” antwoordt Thijs. Hij moet er nog een beetje
extra van huilen.
,,Je struikelde toch zelf.”
„Niet! Jij wou… jij wou… Wat jij wou, hoorde
er
helemaal niet bij, Michiel!”
,,Joh, ik deed toch maar alsof.”
„Stommerd.”
„Stommerd? Stommerd?” Michiels armen gaan
bij-
na vanzelf weer omhoog.
Maar Thijs draait precies op tijd opzij en laat
zich
snel van de bank rollen. Hij krabbelt overeind, geeft
Michiel vliegensvlug een pets op zijn kont en rent
dan in één ruk door de kamer uit. Halverwege de trap gaat hij even
zitten. Hij hijgt ervan. „Dat was een mooie knal,” zegt hij tegen
zichzelf. In gedachten doet hij het allemaal nog even overnieuw.
Vooral de klap op Michiels kont. Hij haalt eens flink uit met zijn
arm. „Baaam!” Thijs grinnikt tevreden bij de herinnering. Vanuit de
huiskamer hoort hij Michiel op zijn gitaar spelen. Dat betekent
vrede, hoopt Thijs.
Uren later schrikt Thijs wakker. Hij ligt in
bed. Het
is donker in huis. En stil. Alleen op de gang brandt
een klein lampje. Dat moet ervoor zorgen dat hij niet
bang wordt. Maar hij is het wel.
„Michiel,” fluistert hij. Meteen is hij weer
muisstil.
Als hij geluid maakt, ontdekken ze hem. In het an-
dere bed hoort hij hoe Michiel zich omdraait. Thijs
durft niet te vragen of hij wakker is. Er is iets in de
kamer. Een zwart iets. Thijs kan het niet zien. Hij
voelt het. En het iets voelt hem. Het zit overal om
hem heen. Thijs hoort het ritselen en knisperen. Het
zit onder zijn bed. En erachter. En erboven. Het zit
in zijn bed. Thijs voelt het duidelijk aan zijn voeten.
Het iets is koud. Het is een iemand. Kille vingers kruipen langs
Thijs zijn benen. Dan hoort Thijs een krassend geluid. „Niet doen!”
gilt hij en hij schiet met een ruk overeind in zijn bed.
„Wat is er?” klinkt het vanuit het andere bed.
Thijs weet niet hoe hij het moet zeggen. Hoe
een
donker iets in zijn bed kroop en aan zijn benen zat.
Hij probeert zijn ogen zo groot te maken dat hij kan
zien waar het iets nu is. Hij hoort geritsel in het bed
van Michiel. „Zit hij bij jou? Michiel? Heeft hij je?
Michiel?”
„Nee joh. Ik wou naar je toe komen.”
Thijs knikt in het donker stil voor zich uit.
Dan ziet
hij opeens Michiel naast zijn bed staan. In het don-
ker lijkt het net of hij geen gezicht heeft. Maar het is
Michiel. Hij komt naast hem op het bed zitten. Hij
doet even zijn arm om Thijs zijn schouders.
,Je bibbert helemaal,” zegt Michiel.
Thijs weet het, maar ermee stoppen lukt niet.
„Heb je eng gedroomd?” vraagt Michiel.
„Het was geen droom,” zegt Thijs en hij begint
me-
teen nog harder te beven. „Het was iets.”
„Wat dan?”
„Iets in de kamer.”
„Waar dan?”
„Overal. In mijn bed. Het was iemand.” Thijs
kan
het niet goed uitleggen.
Stil zitten ze naast elkaar. Er rommelt iets
boven
hun hoofd. Thijs schuift nog wat dichter naar Mi-
chiel. Dan krast er iets tegen de ramen.
„Dat is hem!” zegt Thijs. „Hij zit op me te
wach-
ten.”
Michiel hoort het ook. Geritsel en gekras. En
dan,
ergens op de zolder, een dof gerommel. In het don-
ker om hen heen beweegt iets.
„Hij komt naar ons toe,” zegt Thijs.
„Ach nee joh,” zegt Michiel. „Het lampje, laten
we
het lampje aandoen.”
In het gelige licht ziet Michiel er groot en
stevig uit.
Thijs niet. Bibberend zit hij op zijn kussen.
„Het stormt buiten,” zegt Michiel. Hij gluurt
even
door een kier tussen de gordijnen. „De boom,” zegt
hij, blij dat hij de oplossing gevonden heeft.
„Wat is er met de boom?”
„Die ritselt tegen de ramen. Door de wind. Zal
ik
het gordijn opendoen? Dan kun je het zien.”
„Nee!” roept Thijs.
Michiel schuift de kier tussen de gordijnen zo
goed
mogelijk weer dicht.
„En dat geluid op zolder dan?” vraagt Thijs.
„Dat zal ook wel van de storm zijn. Iets met de
dak-
pannen of zo.”
Thijs kijkt hem aan. Michiel zegt wel vaker
zomaar
wat. „Maar het was ook hier, in de kamer,” herinnert
Thijs zich.
„Nee joh, dat kan niet. Anders zouden we hem
nu
toch zien.”
„Hij zat in mijn bed.”
„Wat zou hij daar dan moeten doen?” vraagt
Mi-
chiel om Thijs gerust te stellen.
Maar Thijs wordt er niet gerust van. Opeens
weet hij
het allemaal weer. „Michiel…” zegt hij. Hij kijkt naar
zijn grote broer. „Hij kwam, hij wilde… hij zat
in mijn
bed om… om mijn piemel er af te hakken.” Bij de herinnering krimpt
hij nog een stukje verder in elkaar.
Michiel komt weer naast hem op bed zitten.
„Dat
kan toch niet, Thijs. Zulke dingen doen boeven he-
lemaal niet.”
„Het was ook geen boef. Dat zei ik toch: het was een iets en een iemand tegelijk. Het was een monster. Die doen dat.” Thijs weet het zeker. Tenminste, toen het licht nog niet aan was, wist hij het precies. „Of denk je dat deze dat niet doet?” vraagt hij aan Michiel.
„Volgens mij niet,” zegt Michiel. „Zoiets doen
al-
leen echt heel erg enge. En die bestaan niet. En Thijs, dat van
vanavond, dat was maar een spelletje, joh. Ik ben toch niet echt
een monster.”
„Nee, natuurlijk niet,” lacht Thijs. Hij gaat
onder-
tussen met zijn vingers langs de streepjes en rondjes die op zijn
dekbed staan. Gezellig zo, met Michiel.
„En boeven, wat doen boeven allemaal?” vraagt hij.
„Gewoon, dingen pikken. Maar ik wil nu
eigenlijk
slapen, Thijs.”
„In je eigen bed, bedoel je?”
,Ja, wat dacht je dan?”
„Moet het licht dan ook uit?”
,Ja joh, het is midden in de nacht.”
„En als hij dan terugkomt?”
„Het is de storm, Thijs. Er is helemaal geen
mon-
ster.”
„O nee.”
„Zullen we dan maar gaan slapen?”
„Hoe weetje dat eigenlijk allemaal, Michiel,
van die
boeven?”
„Thijs, ik ben moe. Ik wil naar mijn bed. Zal ik een knuffel uit je kast pakken?”
Daar moet Thijs even over nadenken. ,Ja,” zegt hij dan. „Doe maar Grote Beer met geen poten.”
Michiel doet de kast open. Op een grote hoop
lig-
gen ze daar, tussen oude schoenen en puzzels die te
makkelijk zijn geworden. Michiel pakt een pandabeer
met nog maar één oog. Die heeft hij vroeger zelf nog in bed gehad.
Daarnaast ligt een zeehond, met een scheur in zijn buik. En Aap,
waarvan één oor is afgesabbeld. En Grote Beer. Grote Beer is bruin
en
zacht. Waar eerst zijn poten zaten, is Grote Beer met
zwart garen dichtgenaaid. Vroeger was Grote Beer
voor Thijs niet alleen een knuffel. Soms was Thijs een
onoverwinnelijke strijder. En dan was Grote Beer zijn knots.
,,Ja! Grote Beer!” zegt Thijs als Michiel hem uit de kast te voorschijn haalt. Thijs klemt de zachte bruine knuffel stevig in zijn armen. Met Beer en al gaat hij op zijn kussen liggen.
„Beter?” vraagt Michiel. Hij trekt het dekbed
over
Thijs en Grote Beer heen. Van allebei ziet hij nog net
een randje.
„Beter!” zegt Thijs.
Michiel ziet dat panda uit de kast is gerold.
Hij raapt hem op en legt hem naast het kussen van Thijs. Is hij
dubbel beschermd. Dan doet Michiel het licht uit. Pikdonker is het
opeens. Met zijn handen voor zich uit loopt Michiel terug naar zijn
bed. Het is heel stil om hem heen. Behalve dat geritsel. Michiel
staat midden in de slaapkamer. Hij wacht even, om te wennen aan het
donker. En dan, terwijl hij daar zo staat, lijkt het of er nog
iemand is. Net als hij. Met zijn handen vooruit, zoekend in het
donker. De takken van de boom krassen met een piepend geluid tegen
het raam.
Op zolder rommelt het. Voetstappen lijken het wel.
Hij voelt iets langs zijn benen strijken. Iemand loopt
hier rond, in het donker.
„Kom op, Michiel,” zegt Michiel tegen zichzelf.
Het helpt niet erg. Gelukkig voelt hij zijn bed al. Snel
kruipt hij erin. Hij rilt even. Het is koud geworden
intussen. Hij trekt zijn benen zo dicht mogelijk te-
gen zich aan. En doet het dekbed over zijn hoofd.
Hem zullen ze niet zo makkelijk vinden.
Nog even kijkt hij door een kiertje naar het bed van Thijs. Dan pas ziet hij dat er iets naast zijn kussen staat. Hij kijkt nog eens goed en voelt dan met zijn hand. Pandabeer! ‘Gekke Thijs,’ denkt Michiel bij zichzelf. Hij pakt pandabeer bij zijn zachte vel, net als vroeger, en neemt hem mee, diep onder in zijn holletje.