HOOFDSTUK 7

 

 

 

Ditmaal zorgde Peta ervoor dat ze klaar stond op het moment dat Nat bij Lavender House aankwam.

Hij had een trailer achter de wagen met Big Kim en Fancy die een goed uitzicht hadden naar buiten. Oom Claud had het altijd belangrijk gevonden dat paarden naar buiten konden kijken.

Nats ongeduld riskerend liep ze eerst naar de trailer om met de paarden te praten maar toen ze eromheen liep, hield hij het portier grinnikend voor haar open.

Voorzichtig reden ze weg, alleen wat snelheid vermeerderend op de grote weg naar Muchison, waar ze hetzelfde tempo bleven aanhouden om de reis voor de paarden zo glad mogelijk te laten verlopen.

Ze reden door bossen van rozehout en sassafras, langs fabrieken die mirte verwerkten en donker zaagsel verstoven, denne-aanplant, boerderijen waar postzakken uithingen voor de postbode, windmolens, boomgaarden en velden met bonen.

Nat reed rechtstreeks door naar Burnie dat lieflijk tegen de groene heuvels lag met aan de andere kant de zee. Ze passeerden Ulverstone en Devonport. ‘Ik heb erover gedacht om in Devon een vliegtuig te charteren maar ik ken die andere firma beter,’ zei Nat.

Alles verliep naar wens. Het vliegtuig stond te wachten; de bemanning, bestaande uit twee piloten en een radio-navigator waren gereed; de paarden werden binnen vastgezet en toen gingen Nat en Peta zitten. De motoren brulden, het toestel taxiede, ze stegen op en een paar minuten later hadden ze de kust verlaten. Onder hen lag de Bass Strait als een helderblauwe spiegel. De kust verdween, nu zagen ze het vasteland van Australië.

Steden verschenen en verdwenen, flats, bergen, rivieren... en toen begonnen de hardgele stukken van het droge gebied, de grote zoutpannen, de kleipannen en kort daarop de ongelooflijke kleuren van de grote woestijnen, het rood, paars en blauw van de sprookjes uit duizend-en-één-nacht.

Ze maakten een korte tussenlanding in Alice Springs maar alleen om de paarden te verzorgen en een kop thee te drinken. Peta had dolgraag de stad bekeken maar ze moest zich tevredenstellen met een blik vanuit de lucht.

‘We zijn er over een half uur,’ vertelde Nat nadat hij even met de piloten had gesproken.

Maar het geluid van de motoren veranderde al eerder. Toen ze naar beneden keek, zag ze niets dat op het eind van de reis leek te wijzen.

Pas enige tijd later zag ze een aantal verspreide gebouwen met ijzeren daken. Toen zag ze de farm. Een rood dak. Aan alle kanten veranda’s. Een oase van bomen eromheen, waarvan sommige citrusbomen waren.

Ze waren nu geland en de bewoners van de farm kwamen met jeeps naar hen toe.

‘Is dit Downs?’ vroeg Peta aan Nat.

‘Ja. Maar op zo’n paar honderd hectare heb je natuurlijk meer dan één centraal punt nodig. Dit is Narganoo, dat betekent ‘rood’, maar ze hebben er een groen paradijs van gemaakt.’

‘Waar is de renbaan?’

‘Die is er niet.’

‘Maar...’

‘Dat gedeelte van de Downs ligt zo’n honderdvijftig kilometer hier vandaan.’

‘Honderdvijftig!’ riep ze uit.

‘Hij glimlachte. ‘Dat is maar een kippe-eindje hier. Het was Helens voorstel dat we zouden logeren - tenminste, dat jij zou logeren - bij de Fiedlers. Het centrum van de Downs zal nu wel vol zitten. Maar ook daar moet je geen normale renbaan verwachten.’

Peta stelde twee vragen tegelijk. ‘Dus de Fiedlers weten van mijn komst? En waar ga jij heen?’

‘Ziet het ernaar uit dat ze er niets vanaf weten?’ Nat zwaaide naar de naderende jeeps. ‘Ik weet zeker dat Mrs. Fiedler dolblij is eens een andere vrouw te zien. Ik hoop dat je met de laatste mode op de hoogte bent. Ik ga naar de Downs - de eigenlijke Downs - om te kijken hoe het daar is. Ik neem de jongens mee, en daar bedoel ik zowel onze bemanning als Kim en Fancy mee - om de paarden daar te installeren. Later installeer ik jou daar ook.’ Toen Peta een beetje ongelukkig keek bij de gedachte dat ze bij volkomen onbekende mensen moest achterblijven, lachte hij. ‘Binnen vijf minuten is het of je ze je leven lang hebt gekend. Dat zei Helen tenminste tegen me.’

Nat had gelijk.

Mrs. Fiedler - ‘Ik ben Jenny, Peta. Ja, Helen heeft ons geschreven’ -sloeg haar armen om haar heen en zei ademloos: ‘Trek je maar niets van al die emoties aan. Ik heb in zo’n tijd geen vrouwelijk gezelschap gehad. Roslyn zit hier honderdzestig kilometer vandaan en dat is naar onze maatstaven vlakbij maar ik vind het honderdzestig kilometer te ver.’ Na die sentimele begroeting vroeg ze: ‘Hoe is de roklengte op het ogenblik? Wat trek je aan op het bal? Wat is nu precies in en wat is uit? Wat is dat voor kleur lippenstift? Is dat parfum soms...’

Nat barstte in lachen uit.

De farm was prachtig, vond Peta, toen de jeep bij de ingang stopte. Er was een koele, groenglanzende salon met bamboestoelen. Overal in huis lagen vrolijk gekleurde matten op de vloer. Haar eigen kamer bleek in oranje te zijn gehouden.

Ze dronken thee in een reusachtige keuken. De grote tafel stond vol broodjes en koekjes en cake. ‘O, nee,’ zei Jenny toen Peta haar vol ontzag aankeek. ‘We hebben een kok.’

Nat dronk een kop thee mee, maar sloeg Bert Fiedlers uitnodiging om ook een week op Nargaroo te blijven af. ‘Tenslotte moet ik eerst leren,’ zei Nat, ‘en dan pas plezier maken.’

‘Dat dacht ik wel,’ knikte Bert Fiedler 'Daarom heb ik de vrachtwagen al klaar staan. De weg valt mee maar je moet wel bij daglicht rijden.’

Peta vroeg waarom het vliegtuig niet rechtstreeks naar de Downs was gevlogen.

‘Is er geen landingsruimte genoeg?’

‘Normaal gesproken volop, maar nu is het er even druk als op London Airport, Peta, elke paar minuten landt er een vliegtuig,’ zei Bert. ‘Dit is de grootste race van allemaal. Het is niet voor het eerst dat iemand die een oogje op de Melbourne Cup heeft, hier begint.’ Hij grinnikte naar Nat. ‘Het spijt me dat je niet blijft,’ voegde hij er aan toe. ‘Het mannelijk gezelschap dat ik heb is niet helemaal mijn soort; jou zie ik liever, ’t Is een kerel uit de stad die bezig is aan een artikel over de Downs. Hij is vandaag weg met de Vliegende Dokter. Maar je leert élk gezelschap op prijs stellen, als je hier zit.’

Nat vertrok na de thee met de piloten en de radio-navigator.

‘Wanneer moet Peta worden afgeleverd?’ riep Bert Fiedler Nat na, die achter het stuur van de geleende vrachtwagen was gaan zitten.

‘Over twee dagen. Tegen die tijd heb ik wel een geschikt onderkomen voor haar gevonden. Tot ziens!’

‘Tot ziens!’ riepen ze in koor en ze keken hem na tot hij uit het gezicht was verdwenen.

Jenny liep met Peta mee naar haar kamer en bewonderde alles wat ze had meegebracht en nu uitpakte.

‘Wat is het heerlijk dat je er bent!’

Beetje bij beetje paste Peta de stukjes van deze fantastische Downs-race aan elkaar. Kilometers in de omtrek, hoorde ze, zou er geen meter van de Downs - de eigenlijke Downs - onbezet zijn. Vliegtuigen, vrachtwagens en jeeps, caravans, tenten. En een complete kermis.

Dan de officiële theetenten die door de vrouwen werden ‘bemand’.

‘Ik kom op de tweede dag,’ zei Jenny. ‘Ik moet je mijn schort eens laten zien. Heel onpraktisch en volkomen dwaas natuurlijk. Moet je je voorstellen, grote potten thee en enorme sandwiches serveren in een roze kanten schort...’

Bert Fiedler kwam aanlopen en vertelde Peta over de eigenlijke wedstrijd.

‘Er is geen afzetting, als je na de eerste kilometer omdraait, moet je om een groep toeschouwers heen.’

‘Is dat niet gevaarlijk?’

‘O, ja.’ Bert haalde zijn schouders op. ‘Er raakt altijd wel iemand gewond. Maar er is een dokter aanwezig en een verpleegster.’

‘Er is elke avond bal,’ viel Jenny hem in de rede. ‘Ik heb voor iedere avond een andere jurk. Kom maar kijken.’

‘Vrouwen!’ snoof Bert. ‘De hemel zij dank dat ik die kerel hier heb, al had ik liever jouw man.’

‘Mijn man?’ Peta wilde het uitleggen maar Jenny trok haar opgewonden mee om haar haar jurken te laten zien en Bert luisterde naar een geluid in de verte.

‘Dat is de Cessna van de dokter. Ik zal de jeep naar hem toesturen.’

‘Kom mee, Peta,’ drong Jenny aan. ‘Het duurt nog wel twintig minuten eer ze er zijn.’

De vrouwen hadden net Jenny’s derde jurk bewonderd, toen de jeep kwam aanrijden.

‘Blijf je eten, Doe?’ hoorde Peta Bert zeggen. ‘Goed zo, kom binnen.’ Daarna hoorden ze het geluid van flessen, glazen en mannenstemmen.

Peta ging naar haar eigen kamer om zich wat op te frissen voor het avondeten. Om Jenny een plezier te doen trok ze een leuke jurk aan en besteedde ze extra aandacht aan haar haren. Toen de bel ging, liep ze naar de groene salon waar Bert bezig was drankjes in te schenken.

‘Dit is onze Vliegende Dokter, Chris Walters,’ stelde Bert voor.

‘En deze vent is een stadsjongen, genaamd...’

‘Peta! Hoe is het mogelijk, Peta. Mijn Peta!’

Vanuit de schaduw in de hoek stapte een bekende gestalte naar voren.

‘Peter!’ fluisterde Peta.

 

Bert Fiedler baste vrolijk: ‘Kennen jullie elkaar? Mooi zo!’ De Vliegende Dokter toastte op hen. Jenny glimlachte alleen maar.

Ludy, één van Jenny’s meisjes, kwam binnen met een blad hartigheden. Er waren er kennelijk al verscheidene verdwenen onderweg van de keuken naar de salon maar daar trok niemand zich iets van aan. Het gesprek ging over koetjes en kalfjes en daar was Peta blij om. Er was heel veel dat ze Peter zou willen zeggen maar op dit ogenblik zou ze geen woord hebben kunnen uitbrengen.

Peter moest hetzelfde voelen want de blauwe ogen die de bruine van Peta ontmoetten, spraken boekdelen.

Peta schrok op toen ze haar naam hoorde noemen.

‘Zou je dat leuk vinden, Peta?’ vroeg Bert Fiedler.

‘Ik... ik geloof dat ik een beetje zat te dromen.’

‘Ik zie wel dat we een jongeman voor je zullen moeten zoeken, jongedame,’ zei Bert. ‘Dagdromen op een avond die is gemaakt voor romantiek!’

Hoewel ze hem niet aankeek, wist Peta dat Peter naar haar keek. Nachten van romantiek... ze herinnerde zich de nachten aan boord.

‘Wat wilde je me vragen, Bert?’ vroeg ze.

‘Doc vroeg je iets en ik herhaalde het alleen maar toen je bleef dromen.’

‘En dat was?’

De Vliegende Dokter zei: ‘Een tochtje, morgen. Ik moet naar Cuppy Creek.’

‘Er is tijd genoeg,’ merkte Bert op. ‘Je hoeft pas over een paar dagen in Downs te zijn.’

‘Ik vind het een uitstekend idee,’ klonk Peters stem. ‘Peta moet zoveel mogelijk zien. Dank je, Chris, we zullen ervan genieten.’

De dokter was niet al te enthousiast en zei een beetje bot: ‘Vandaag was je niet zo opgetogen. Ik dacht dat je er genoeg van had.’

‘Helemaal niet. Cuppy Creek - daar kan ik wel een artikel aan wijden. Rijst, hè?’

Kortaf zei de Vliegende Dokter: ‘Ja.’

Jenny excuseerde zich en ging informeren hoe het met het eten stond. Even daarna kwam ze terug met de boodschap dat alles klaar was en of ze maar aan tafel wilden gaan.

Vanaf de andere kant van de tafel keek Peter naar Peta. Hoe vaak had ze aan deze ontmoeting gedacht, vroeg Peta zich af, want ze had altijd geweten dat zij en Peter elkaar weer zouden terugzien.

Nu, bij het kaarslicht, was alle teleurstelling, alle kritiek die ze op hem had gehad, verdwenen. Verdwenen in die diepe blauwe blik van Peter, die lieve glimlach van zijn mond. In gedachten was ze weer op het schip, stond ze in Peters armen bij de reling. Wanneer zou ze weer in die armen liggen?

Na het eten dronken ze koffie met likeur, hoewel Bert triest zei dat hij liever een kop thee had; toen gingen ze naar de groene salon.

Jenny herinnerde zich ineens dat Hilly’s kleine inheemse kindje, Marybell, een vreemd soort huiduitslag had en ze vroeg of de dokter er even naar wilde kijken voordat hij naar bed ging. Kennelijk, dacht Peta, bleef de Vliegende Dokter vaak slapen bij degene bij wie hij ’s avonds aankwam. Er was natuurlijk ruimte genoeg.

Bert ging mee. ‘We blijven niet lang weg,’ zei Jenny. ‘We drinken straks nog een borreltje. O, ja, ik weet wel dat jij liever bier drinkt, Bert, maar het wordt...’ Toen ze naar buiten liepen stierf haar stem weg.

Vanaf de andere kant van de groene kamer keek Peter naar Peta. Toen stond hij op en kwam naar haar toe.

Ze merkte niet eens dat ze zelf ook opstond en naar hem toe liep. Ze merkte pas dat ze dat moet hebben gedaan toen ze zijn armen om zich heen voelde.