HOOFDSTUK 1
Vanuit de gebouwen van de Kinrow Stoeterij, waar vandaag de allerlaatste veiling in Engeland van de volbloeden van haar oom ten,einde liep, werden de bekende buitengeluiden rauw onderbroken door hardop bieden en de hamer van de veilingmeester. Peta Milford, die uitkeek over de uitgestrekte weiden, onderdrukte opnieuw een zucht vanwege de tegenslag van oom Claud.
Ze hield van deze stallen, hun vaderdieren en hun fokmerries, het zachte groene gras, de frisse lucht en de milde regens.
Zelf kwam ze uit Cornwall, maar, net als haar oom en tante die hun armen naar haar hadden uitgestrekt na de tragedie van haar ouders, scheen het land zich ook voor haar te hebben opengesteld.
Zoals het vaak gaat met familieleden die niet vlak bij elkaar in de buurt wonen, had ze oom Claud het laatst gezien toen ze een klein meisje was en tante Alice was nieuw voor haar. Maar binnen een uur had ze geweten dat ze een plaatsje had in hun harten.
Mr. Gillett, haar advocaat, had voorgesteld dat ze bij wijze van vergoeding het administratieve werk van haar oom zou overnemen — op een stoeterij als Kinrow zou er volop te doen zijn - maar oom Claud had gezegd: ‘Pennelikkerij voor een Milford? Nee, dat lijkt me niets, Peta, niet als er paarden in de buurt zijn hè?’
‘Claud,’ was tante Alice taktvol tussenbeiden gekomen, ‘misschien is Peta niet even dol op paarden als jij. Misschien kan ze niet eens rijden.’
‘Een Milford die niet kan rijden?’
‘Dank u, tante Alice,’ had Peta gezegd, ‘maar ik houd wèl van paarden en ik kan rijden... ik kan me niet voorstellen hoe het zou zijn zonder rijden.’
‘Als dat een aanwijzing is voor oom om een bevel uit te voeren, zal ik gehoorzamen,’ had oom Claud gelachen. ‘Zet haar op de loonlijst, Alice, als Peta Milford, stalhulp.’
‘O, oom, meent u dat?’
‘Natuurlijk. Kom, dan kun je kennismaken met de jongens en meisjes.’
De ‘jongens en meisjes’ waren de vaderdieren en de fokmerries geweest, want Kinrow had weinig personeel, het aantal paarden in aanmerking genomen; alleen oom Claud, een accountant die tante Alice hielp met de boeken, ouwe Joe, jonge Harry en nu Peta.
Ze had de edelste van de edelste paarden gezien; zwarte, bruine, kastanjebruine, voskleurige en schimmels. Grote paarden, kleine paarden, allemaal met bloedlijnen die maakten dat je jezelf maar een straatkind vond, lachte oom.
Maar het was Fancy, die geen bekende afkomst had of geen bloedlijn bezat, waarop oom het meest was gesteld en die hij aan Peta had gegeven.
‘Voor jou, meisje. Ik heb hem gekocht omdat hij me aanstond. Voor een paardeman is dat voldoende reden.’ Hij klopte de schimmel op de hals.
‘Ik houd nu al van hem.’ Peta had het brede voorhoofd boven de rustige ogen gestreeld. ‘Mag ik hem eens proberen?’
‘Hij is van jou, doe maar waar je zin in hebt.’
Hij had niet verwacht dat ze hem zo snel al aan zijn woord zou houden, maar Peta had zonder op een zadel te wachten haar schoenen uitgeschopt en was erop geklommen.
Peta had een rondje door de wei gegaloppeerd en was teruggekomen naar oom Claud. Er hadden tranen van dankbaarheid in haar ogen gestaan en oom had haar over haar donkerbruine haren gestreeld en gezegd: ‘Zie je wel, ik wist wel dat jullie het met elkaar zouden kunnen vinden.’
Met hun armen om elkaar heen waren ze naar binnen gegaan om thee te drinken.
Er waren twaalf idyllische maanden gevolgd. Maar Kinrow was nu ter dood veroordeeld: er was een autoweg gepland die er dwars doorheen zou lopen en er zouden huizen worden gebouwd.
Maar, zuchtte oom Claud iedere keer dat het onderwerp ter sprake kwam, hij was er vanaf het eerste jaar voor gewaarschuwd. Als het zover was, zouden ze wel zien. Hij had vrolijk gelachen naar zijn vrouw en zijn nichtje, maar tante Alice - Peta herinnerde zich nog pijnlijk hoe - had zacht gezegd: ‘Eens is het zover, Claud, eens is het zover.’
Dat begrepen ze enkele maanden later. Tante Alice was gestorven aan iets waarvan ze aldoor had geweten dat het hopeloos was. Oom Claud was kapot van verdriet geweest. Het nieuws dat Kinrow nu werkelijk zou moeten verdwijnen had hem ternauwernood beroerd. Alleen Peta had erom gerouwd.
Ze was vastbesloten om met hem mee te gaan, waar hij ook heen ging. Toen hij had gezegd dat het Australië zou worden, was ze niet verbaasd geweest. Tante Alice was een Australische.
‘Australië is niet het beste land om paarden te fokken, Peta,’ had hij gezegd. ‘Het beste zou zijn een combinatie van de zachte regens van Ierland en de kalksteen van Kentucky. Maar als ik toch weg moet en wel zo vlug mogelijk, dan moet ik naar Alice’s land. Vind je dat goed meisje?’
‘Ja, oom, natuurlijk.’
‘Het gebied dat ik op het oog heb, is Tasmanië. Ik ben van plan een aantal hengsten en merries mee te nemen en daar opnieuw te beginnen.’
‘Ja, oom.’ Vanaf de plaats waar ze zat had Peta triest naar Fancy gekeken.
‘En, natuurlijk,’ had oom geknikt, ‘hij daar.’
‘Hij? U bedoelt toch niet - u kunt niet bedoelen - ik bedoel, Fancy is niet nodig. Ik bedoel...’
Sinds wanneer is een oude vriend niet nodig?’ had oom gezegd. ‘Ik houd net zoveel van hem als jij. Waar wij heen gaan, gaat hij ook. Hij en Omar en Brilliant Bess - gaan deze maand.’ Hij wachtte even en voegde eraan toe: ‘Met hun verzorgster, Peta Milford.’
‘En u, oom?’
‘Ik handel de zaken hier af en kom later. Ik heb nog heel wat te doen. Als jij per boot vertrekt en alles regelt voor de quarantaine van het eerste stel, dan terugkomt voor het tweede en daarmee hetzelfde doet, zal ik wel ongeveer klaar zijn. Goed?’
En weer, herinnerde Peta zich, had ze hem verzekerd: ‘Natuurlijk.’
Maar Mr. Gillet, haar advocaat, was geschrokken.
‘Australië, jé, Peta.’ Hij was een intieme vriend van haar overleden ouders geweest. ‘Maar niet déér naar toe, naar Tasmanië.’
‘Wat mankeert er aan Tasmanië?’
‘Niets, dat is de moeilijkheid juist.’
'Wat bedoelt u, Mr. Gillett?’
‘Ik ben er een paar jaar geleden geweest. Het eiland is heel anders dan het noorden. Het is... nou ja, het is Engels. En niet zomaar Engeland, maar het is als het gedeelte van Engeland waar jij vandaan komt.’
‘Cornwall?’
‘Ja, Peta. Het zou oude wonden openrijten, kind. Je zou alles nog eens opnieuw doormaken.’
‘Volgens oom is het daar beter geschikt voor de paardenfokkerij dan in het noorden. We gaan naar Australië vanwege tante Alice, dat is het beste. ’
‘Voor Kinrow wel, voor je oom wel, maar voor jou, Peta?’
‘Ik heb een bladzijde omgeslagen, Mr. Gillett. Ik ga erheen. Ik vertrek zodra de veiling achter de rug is, ik ga als begeleidster voor een aantal hengsten en merries, tijdens verschillende transporten.’
‘Zoals je wilt, Peta.’ Mr. Gillett had haar uitgelaten.
De eerste dag van de verkoping was succesvol geweest en oom Claud was vol vertrouwen geweest betreffende de volgende dagen. Tenslotte was de Kinrow-lijn een goede lijn.
‘De veilingmeesters zijn nu de baas hier,’ had oom Claud gezegd. ‘Jij en ik zijn nog maar toeschouwers. Als je wilt, kun je iets voor me doen, Peta. Je kunt de stallen in het oog houden. De meeste bieders ken ik wel, maar niet allemaal. Gisteren zag ik iemand die zich ophield op een plaats waar het publiek niet mag komen. Als je hem soms ziet, meisje...’
‘Dan zal ik hem wegsturen,’ knikte Peta.
Dat was ze nu van plan geweest, kijken of er indringers waren en niet zitten dromen over de weilanden - dromen was een fout van Peta en dat gaf ze toe - maar zoals gewoonlijk had de schoonheid van Kinrow haar gevangen.
‘Nog een bod, Mr. Petterson?’ Afwezig hoorde ze de veilingmeester roepen en ze vroeg zich af waar de beroemde Mr. Trentham was, want iedere dag was het geweest: ‘Ja, Mr. Trentham?... Verkocht aan Mr. Trentham... Nog één, Mr. Trentham?’ En later, tijdens het eten, haar ooms tevreden: ‘Een uitstekende dag - dankzij Mr. Trentham.’ Die Trentham moest wel miljonair zijn.
Ze haalde haar schouders op en draaide haar rug naar de weiden... en zag de man. Hij stond in Fancy’s stal, wat betekende dat hij niet veel verstand van paarden had, want Fancy hadden ze voor hun plezier.
En hij zou wel geen koper zijn. Dit was de man waarover oom Claud had geklaagd. Gluurders die meer wilden dan waarmee de bonafide klanten zich tevreden moesten stellen. Waarschijnlijk spioneerde hij voor de één of ander.
‘Vooruit, mister, gaat u daar eens vandaan!’
Hij draaide zich niet dadelijk om. Eerste rechtte hij zijn rug en werd - ontmoedigend voor Peta - nog langer dan hij al was. Toen draaide hij zich langzaam om.
Ze wist dat ze zich had vergist, maar koppig herhaalde ze: ‘Privé-terrein. Wegwezen!’
‘Wie zegt dat?’
‘Ik!’
‘Wie nog meer?’
‘Ik. En wat ik zeg gebeurt hier.’
‘Gebeurt wanneer?’
Hij rolde nu een sigaret, wat haar nogal verbaasde. Ze dacht dat hij een Amerikaans accent had. Maar rolden Amerikanen, die altijd zoveel haast hadden, zelf hun sigaretten? Mensen uit het westen misschien, mensen uit Texas.
‘Hebt u me goed bekeken?’
Een Amerikaan. Het klonk beslist Amerikaans.
‘Goed genoeg. En hebt u ook genoeg gezien?’
Er klonk opgeworden geroezemoes. De stem van de veilingmeester klonk: ‘En nu, heren, komen we aan het hoogtepunt van vandaag, Santa Rosa, een schitterende bruine jonge hengst van...’
‘Neemt u me niet kwalijk.’
De grote man duwde Peta opzij.
Het ergerde Peta dat hij er zo gemakkelijk vanaf kwam. Ongetwijfeld was hij niet degene waarvoor oom Claud haar had gewaarschuwd, maar even zeker was dat hij zich op verboden terrein bevond.
‘Laat me u hier niet meer zien.’ Iets dwong haar om het laatste woord te hebben.
Maar zelfs dat lukte niet.
‘Als u er dan nog steeds bent,’ riep hij terug, ‘kunt u daar zeker van zijn.’
Peta was woedend en ze riep: ‘Volgens mij heeft u trouwens niet veel verstand van paarden. Fancy, waar u zoëven naar stond te kijken, is niet te koop. Het is gewoon mijn eigen paard.’
Daar kon hij het mee doen.
Maar de man draaide zich om - even maar - hij had duidelijk haast om terug te gaan naar de verkoping.
‘Zal ik u eens iets zeggen,’ zei hij hatelijk, ‘ik heb ook geen hoge dunk van Fancy. Hij is dom en hij doet precies wat hem wordt gezegd. Arm paard!’
Dat zou al erg genoeg geweest zijn als zijn nogal lijzige stem niet het volgende ogenblik van tussen de gebouwen waar hij was opgedoken duidelijk had geroepen: ‘Vijfduizend.’
‘Zes.’ Peta herkende de stem van Mr. Mason van een stoeterij uit de buurt.
Ze ging niet naar binnen om te kijken. Ze stond daar maar en luisterde, luisterde geschrokken. Nog vóór het laatste bod - dat van hèm kwam - wist ze wie de bieder was.
Trentham. De man die bijna al het eersteklas materiaal van Kinrow had gekocht, de klant zonder wie oom Claud niet zo opgewekt had kunnen zijn.
En zij had gezegd: ‘Vooruit, wegwezen!’
Het was een vreugde om oom Claud tijdens het avondeten te zien genieten van het succes van de veiling. Het maakte dat die andere, vernederende ervaring uit Peta’s gedachten verdween. Hij kwam natuurlijk terug, als de naam Trentham zou worden genoemd, maar tot dan...
‘We hebben het goed gedaan, Peta.’ Echt iets voor oom Claud om haar erbij te betrekken, dacht Peta. ‘Nu kunnen we in Tasmanië beginnen.’
‘Het wordt dus definitief Tasmanië?’
‘Ja, ik heb geïnformeerd naar de verschillende typen klimaat in Australië en het Appeleiland lijkt het beste voor ons te zijn.’
‘Is het een appeleiland?’
‘De beste appels ter wereld komen er vandaan.’
‘Dat zal Fancy fijn vinden,’ glimlachte Peta.
‘Ik ook, kindje. Zelfs als ze me niet van Kinrow af hadden geschopt, was het hier toch niet meer hetzelfde geweest zonder Alice. Ik zal me daar dichter bij haar voelen. Ze was een fantastisch iemand, Peta. We hebben elkaar op latere leeftijd ontmoet... zij was met vakantie in Engeland. Natuurlijk hield ze van haar eigen land maar ze is nooit meer teruggegaan. We vonden het dikwijls jammer, Alice en ik, dat het al de herfst van ons leven was en niet de zomer,’ zuchtte oom Claud, ‘en dat we geen kinderen konden krijgen. Maar toen kwam jij, Peta, en jij vulde die leegte. Alice hield van je.’
‘Ik hield van tante Alice. Net als u, oom Claud, zal ik me dichter bij haar voelen, zelfs al was Mr. Gillett niet erg enthousiast over Tasmanië. Dat wil zeggen, voor mij.’
‘Omdat het op Engeland lijkt? Ja, daar heb ik over gehoord. Steden die Bridgwater, Melton Mowbray, Tumbridge en Kempton heten. Herbergen met uithangborden. Peta, zou het net zo zijn als thuis, zoals Gillett zei? Het landschap is waarschijnlijk net als je eigen Cornwall.’ ‘Ik heb tegen Mr. Gillett gezegd dat ik een bladzij heb omgeslagen.’ ‘Flinke meid,’ zei hij waarderend en om haar af te leiden begon hij wat te vertellen over de veiling, over het geharrewar tussen Mason en Trentham. Trentham had natuurlijk gewonnen.
‘Natuurlijk,’ zei Peta. ‘Geld wint altijd.’
‘Geld dat goed wordt gebruikt meestal wel. Die Trentham heeft gevoel voor timing.’
‘Hij is Amerikaan, hè?’
De telefoon rinkelde.
‘Ja, Peta. Hij gaat tenminste naar Kentucky, hoewel de paarden geloof ik, en hij zelf misschien ook, naar ik hoorde, naar eh - wie is het, Jean? Ouwe Watson? Ja, ik ga even met hem babbelen.’
Peta hielp Jean met de borden en tegen de tijd dat het babbeltje achter de rug was, ging oom Claud enthousiast verder over zijn plannen.
‘Je vertrekt bijna meteen met de ‘Amory’, Peta, een heel modern vrachtschip, hoorde ik. Het spijt me dat het geen passagiersschip is, meisje, maar Omar, Brilliant Bess en Fancy kunnen niet mee met een passagiersschip.’
‘Oom, ook al waren Omar, Brilliant Bess en Fancy er niet, dan zou ik toch het liefst zo reizen... maar wat gebeurt er met de anderen?’
‘Jij gaat vooruit met de ‘Amory’, levert ze af en, terwijl ze in quarantaine zijn, vlieg je terug om het volgende stel op te halen. Drie op één schip is genoeg voor een stalhulp.’
‘Ik zou er wel meer kunnen hebben.’
‘Het is zo genoeg.’
‘Wanneer komt u, oom Claud?’
‘Ik kom per vliegtuig, als Sebastian, Meridian en Fair Flash aankomen... ja, dat is het stel dat als tweede groep gaat. Het schip vertrekt vrijdag. Goed, meisje?’
‘Schitterend. Het lijkt wel of ik het wist toen ik me dit jaar voor m’n cruise heb laten inenten. Het is nu alleen nog een kwestie van koffers pakken. Over een maand ben ik terug.’
‘Ja, de ‘Amory’ is een snel schip, het gaat rechtstreeks via Afrika, dat is voor jou niet zo leuk, Peta, maar ik ben blij voor de paarden.’ Hij liefkoosde haar. ‘Ik ben moe, ik ga naar bed, Peta, ik ben voor niemand meer te spreken.’
‘Zelfs niet voor - Trentham?’ Nu begon ze zelf over hem.
‘Hij zou vanavond vertrekken. Hij zal intussen wel op weg zijn naar de States.’Oom geeuwde en ging de kamer uit.
De ‘Amory’ vertrok op de vastgestelde vrijdag. ‘Ik weet niet wat voor lading er aan boord is,’ zei oom Claud. ‘Maar ik weet wel dat er behalve de onze nog andere paarden zijn met een verzorger.’
‘Hoeveel passagiers zijn er, oom?’
‘Nog geen twaalf, denk ik. Was je hut naar je zin, Peta?’
‘Hij is schitterend. En de verblijven voor Omar, Bess en Fancy ook.’
‘Ik heb een tijd gepraat met de kapitein. Hij houdt van paarden, dus ik denk dat je van hem alle medewerking krijgt. Nog iets te vragen, meisje?’
‘Nee, ik lever de paarden af in de quarantaine stallen en ik vlieg terug.’
‘Je ticket is in orde. Je hoeft alleen maar de datum te bepalen. Dat zou ik ook wel hebben gedaan, maar de precieze aankomst van een vrachtschip staat niet altijd van tevoren vast. Nu, tot ziens, Peta, goede reis en tot gauw.’
‘Tot gauw, oom Claud.’ Ze gaf hem een kus, liep met hem mee naar de loopplank, kuste hem nog een keer en toen ging ze naar haar hut, omdat ze wist dat hij niet van de kade zou weggaan zolang zij nog aan dek stond en omdat er een frisse wind stond die niet goed was voor oudere heren die daar niet aan gewend waren.
Het was inderdaad een schitterende hut met zelfs een piepklein zitgedeelte. De stewardess kwam vragen of er iets van haar dienst was.
‘Alles is in orde, ik voel me prima. Wanneer varen we af?’
‘We zijn al vertrokken,’ lachte de stewardess.
‘Hoeveel passagiers zijn er?’
‘Zes en de andere vijf zijn mannen.’
‘Nou ja,’ zei Peta schouderophalend. ‘Ik heb tenminste één verwante ziel. Er zijn toch nog meer paarden aan boord, met een begeleider?’
‘Ja, maar zijn steward voelt zich niet zo gelukkig met hem. Hij ziet er niet best uit, de arme kerel.’
‘Nu al ziek?’
‘Geen zeeziekte, hij zag al bleek toen hij aan boord kwam. ‘De stewardess haastte zich de hut uit.
Peta ging naar beneden om naar Omar, Bess en Fancy te kijken en ze constateerde dat ze er prima bijstonden. Ze weigerde een aanbod van een oudere heer aan wie ze was voorgesteld door de kapitein om nog een slaapmutsje te drinken en ging, omdat het een inspannende dag was geweest, naar bed.
Het ontbijt werd de volgende morgen in haar hut gebracht en ze genoot van die luxe. Maar ze verspilde geen tijd, kleedde zich aan en ging naar beneden. Daarna maakte ze een rondje over het schip, ontdekte een beschut dek en installeerde zich daar om een boek te lezen. De heer van de vorige avond kwam, met twee anderen van dezelfde leeftijd, bij haar zitten en ze babbelden tot de lunch.
'Mr. Andrews, de andere paardenverzorger, voelt zich jammer genoeg niet goed,’ zei de kapitein tijdens de maaltijd. ‘Maar hier hebben we onze Mr. Travers.’
Peta keek op naar een lange slanke man, meer van haar eigen leeftijd dan de andere passagiers, met blauwe ogen en blond haar, die glimlachend naar de tafel toe kwam lopen. Hij was aardig, wist ze heel zeker.
Na afloop van de maaltijd ging Peta, welwillend nagekeken door de oudere passagiers en de kapitein, met Peter Travers aan dek.
In de dagen die volgden beschouwde Peta het als heel gewoon dat zij en Peter Travers eikaars gezelschap zochten.
Tenminste, dat hield ze zichzelf voor; haar hart zei iets anders. Het was niet het leven aan boord - de vrachtboot had zelfs meer luxe dan een passagiersschip - het was Peter zelf.
Ze had nooit eerder zo’n snel ontluikend gevoel van vriendschap ondervonden. Een beetje verward vroeg ze zich af: komt het doordat ik onbewust op iemand als hij heb gewacht dat ik zo gelukkig ben?
Hij was rustig, niet nieuwsgierig, bescheiden.
Omdat de andere paardenverzorger nog steeds ziek was, was er niemand met wie Peta over haar werk kon praten. Toen ze erover was begonnen met Peter, had ze gemerkt dat hij ternauwernood luisterde.
Een keer had ze verwijtend gevraagd: ‘Peter, hoor je me niet?’
‘Sorry, Peta. Nee, kindje... niet veel van wat je zei.’
‘Wat hoor je dan wel?’
‘Alleen het liedje dat ik wil horen.’
‘Liedje?’ vroeg ze.
‘Als een man niet in de maat loop met zijn metgezellen dan komt dat omdat hij een ander ritme hoort; laat hem lopen op het liedje dat hij wél hoort.’
Ze had hem aangekeken. Ja, had ze gedacht, Peter hoorde een ander ritme met zijn fijnbesneden gezicht en zijn dromerige ogen.
De ‘Amory’ voer langs de Afrikaanse kust. Peter en Peta lagen naast elkaar in een dekstoel en praatten over de plaatsen waar ze waren geweest, niet de gebruikelijke verhalen over verre landen, maar in Peters versie... dromerig, romantisch.
De avond dat hij haar kuste wist Peta dat ze hierop had gewacht. Ze lag in zijn armen zonder zich ervan bewust te zijn dat ze voor haar twintig jaar een heel onervaren meisje was, verliefd op de eerste jongeman met wie ze kennis had gemaakt. Wérkelijk kennis had gemaakt, dat ze zich in een droomwereld van geluk bevond met die soort dromen die alleen jonge, onervaren meisjes hebben.
‘Ik houd van je, kleine Peta.’
‘Ik houd van jou.’
Het was niet nodig om over de toekomst te praten, wat hij deed, waar hij heen ging. De zee bleef blauw. En de dagen, betoverende dagen, vervlogen.
Het was gedurende het lange gedeelte naar de Kaap dat de kapitein Peta iets vroeg.
De verzorger van de andere paarden was nog steeds ziek - het gezicht van de kapitein stond bezorgd - maar gelukkig waren er geen moeilijkheden met de paarden. Eén van de bemanningsleden had ze verzorgd maar vanmorgen was hij met het verontrustende nieuws gekomen dat één van de merries er kwijnend bij stond.
‘Ik dacht, Miss Milford, dat u misschien wel even zou willen kijken als u toch naar beneden gaat.’
‘Natuurlijk,’ verzekerde Peta hem.
Eenmaal beneden, merkte ze dat het schip een beetje begon te slingeren en ze beet op haar lip. Haar oom had haar geïnstrueerd over de verzorging van paarden aan boord van een schip, maar jammer genoeg waren ze even gevoelig voor bewegingen als mensen. Ze kon alleen maar hopen dat Omar, Bess en Fancy gewend zouden raken aan het lichte slingeren. Toen ze bij hen kwam, zag ze dat haar hoop in vervulling was gegaan. Ze zagen er goed uit.
Nadat ze ze had gepoetst en van water had voorzien, bleef ze even met ze zitten praten en ging vervolgens naar de andere stal.
Wat ze zag maakte haar aan het schrikken. Niet de conditie van de paarden - hoewel de merrie er niet best uitzag - maar welke paarden het waren.
Voor een leek was ieder paard een paard. Misschien gaf een wit sterretje op het hoofd een aanwijzing, een bepaalde kleur, maar Peta had dergelijke dingen niet nodig om Mr. X, Little Bruce en Dixiebel te herkennen. Ze waren afkomstig van Kinrow. Als ze het zich goed herinnerde, waren ze voor vijfduizend elk verkocht. Aan... hém. Aan Trentham. Wat deden ze hier?
Ze keek nieuwsgierig rond en zag staan ‘Goa’. Goa, wist ze, was Indisch... Portugees-Indisch, dus de eigenaar was dat waarschijnlijk ook. Arme jongens en arm meisje, dacht ze, het zou een lange reis voor hen worden. Als het Suezkanaal open was geweest, zouden ze er al zijn. Ze vroeg zich af waarom ze niet over land of per vliegtuig waren verstuurd. Toen voegde zich bij haar medelijden een gevoel van wrevel. Ze had zich deze produkten van Kinrow voorgesteld in het sappige blauwe grasland van Amerika. In plaats daarvan had die huichelaar met al zijn duizenden ze alleen gekocht om ze weer door te verkopen. Woedend liep ze naar Dixiebell. Bij nader onderzoek bleek de merrie beslist niet in orde.
Ze bleef de hele dag bij Dixie en deed wat ze had geleerd dat ze moest doen. Het weer was echter slechter geworden en de merrie was zenuwachtig en misselijk. Om het nog erger te maken zag haar drietal er, toen ze even later keek, ook niet meer zo florissant uit... Niet zo erg, niet zoals Dixie, ze moesten alleen nog zeebenen krijgen.
Bezorgd voor de andere merrie, ging Peta naar de kapitein en vroeg of ze naar de ziekenverzorger kon gaan om hem om raad te vragen. Maar de kapitein had zelf moeilijkheden - de man was flink ziek - ze verhoogden hun snelheid en zouden Kaapstad aandoen om hem van boord te laten halen. Zoals Miss Milford wist hadden ze geen dokter aan boord omdat dat niet hoefde bij het geringe aantal passagiers, dat meevoer.
Peta had met de verzorger niet alleen willen praten over Dixie’s ziekte. Ze had willen weten of die Mr. Goa altijd handel deed met Mr. Trentham uit Amerika. Of de Amerikaan altijd kocht om door te verkopen. Als hij... maar ze kreeg er geen gelegenheid voor, want het weer werd slechter en ze kreeg het druk.
Het waren drie zware dagen naar de Kaap. Het schip slingerde, Dixie was ziek. De andere paarden verloren hun glans en hun goede humeur. Ze hoorde dat er ieder uur iemand naar de zieke stalknecht moest. Terwijl Peter - eerlijk gezegd kon ze het hem niet kwalijk nemen, dit was niet zijn ‘liedje’ zoals hij had gezegd - verveeld reageerde als ze het over haar werk had en dat zo duidelijk demonstreerde dat ze haar problemen - als ze bij hem was — spijtig opzij schoof.
Maar tenslotte kwam er een eind aan. De zee werd weer kalm, de wind ging liggen en de ‘Amory’ legde aan in Kaapstad waar de zieke man van boord werd gehaald.
Pas toen Peta en Peter terugkwamen van de Tafelberg en de Leeuwenkop en toen het schip weer op het punt van vertrek stond, vertelde de kapitein haar dat hij radiocontact had gehad met de staleigenaar. Hij was geschrokken van het gebeurde, vertelde hij, maar erg blij dat de man aan land was gebracht. Hij had gezegd dankbaar te zijn dat de andere stalhulp de verzorging van zijn dieren had overgenomen en had daarover zijn dank uitgesproken.
‘Een Indiër, hè?’ vroeg Peta.
‘Nee, geen Indiër.’
‘Maar Goa...?’
‘Maar dat is niet de - aha, dit had ik nodig.’ De kapitein pakte de radioboodschap aan van de steward.
‘Het is in orde met de man... Ze hebben hem geopereerd... met succes. Het was een darmaandoening.’ De kapitein was zo blij dat Peta zijn plezier niet wilde bederven.
Het verbaasde haar echter nog steeds dat de paarden via Australië gingen, want dat wist ze nu. Het zou natuurlijk gemakkelijker zijn geweest om ze vanuit Durban te verschepen dan vanaf de oostkust.
‘Misschien,’ zei Peter ongeïnteresseerd, ‘moeten ze eerst meedoen aan rennen in Australië.’
‘Misschien,’ beaamde Peta en ze onderdrukte een gevoel van wrevel over Peters gebrek aan belangstelling.
Op die vertederende jongensachtige manier van hem moest hij het hebben gevoeld, want hij boog zich naar haar over en bracht haar in herinnering: ‘Het ritme, liefje, en het andere liedje.’
‘Welk liedje hoor je, Peter?’
‘Jou.’
‘Dat is lief, maar... maar er is meer nodig.’
‘Ja?’ plaagde hij.
Ze moest wel glimlachen.
Het waren duizenden kilometers naar Freemantle en vandaar vele kilometers om de zuidkust heen, maar de zee bleef kalm en Dixiebell, die was opgeknapt toen het weer ook opknapte, bloeide net als de rest op.
Het schip deed alleen Sydney aan. Vele malen praatten Peter en Peta in het maanlicht aan dek over het eind van hun reis. Peter was geschrokken toen hij hoorde dat Peta direct terug zou vliegen naar Engeland.
‘Waarom niet?’ lachte ze. ‘Ik heb een maand geluierd.’
‘Maar, lieverd, ik wil je nu niet kwijtraken. Ik ga met je mee.’ ‘Maar dat zou onnodig geld uitgeven zijn, Peter.’
‘Niets is onnodig als ik daardoor bij jou kan blijven, Peta.’
‘Toch blijft het zinloos.’ Dit plan van Peter was onzinnig. Zeker toen hij kort daarop toegaf dat hij op financiële steun zou moeten rekenen.
‘Eerlijk, ik ben blut. Ik zou er geen geld voor hebben. Maar lieverd, eerlijke liefde kent geen valse schaamte, dus als je wilt dat ik meega, moet je het zeggen.’
‘Ik zou het wel willen, Peter, maar ik heb het geld ook niet. Mijn hut aan boord is al besproken. Daar moet je vroeg bij zijn op een vrachtschip. Het spijt me, Peter, het spijt me verschrikkelijk.’
Zijn lippen waren in haar donkerblonde haar, hij zei: ‘Het spijt mij ook, mijn liefste, weet je... ik ben niet het type om achter te blijven.’
‘Wat bedoel je, Peter?'
Het bleef even stil, toen lachte hij. ‘Ik maak natuurlijk maar een grapje. Ik zal op je wachten.’
‘Het duurt niet lang. Iets meer dan vijf weken. Tijd om naar oom Claud te gaan, in te schepen en de voorstelling te herhalen.’
‘Schatje, waag dat niet!’ Nu beet hij waarschuwend in haar oor. ‘Waag het niet deze voorstelling te herhalen.’
‘O, Peter!’
‘O, Peta!’
Zo eindigde het.
Ze had een vaag idee dat hij voor een krant werkte. Journalistiek - of illustrator - dat zou bij hem passen. Het kwam niet bij haar op om meer details te weten te komen. Ze hield van hem, dat was het enige belangrijke.
Toen de paarden in de quarantainestal waren ondergebracht, vloog ze de volgende dag terug. Sydney zag er aanlokkelijk uit, maar hoe eerder ze wegging, hoe eerder ze terug was bij Peter.
Darwin... Singapore... Bangkok... Karachi... het leek wel een droom. Toen was ze op het vliegveld van Londen en oom Claud haalde haar af. Hij zag er goed uit.
Later vroeg ze zich af of oom Claud er werkelijk goed uitzag of dat het kwam doordat ze alles nu door een roze bril bekeek.
Kinrow was gesloopt, vertelde oom Claud. Hij wilde niet dat Peta erheen ging en ze wilde het zelf ook niet.
Ze logeerden in een Londens hotel, hij vertelde haar alles over haar tweede overtocht... ‘een groter schip dit keer, Peta, met vijftien passagiers en een knappe dokter. Zorg ervoor dat je niet verliefd wordt! Ik heb je nodig, meisje.’
‘Ik wordt heus niet verliefd.’ Peta voegde er in zichzelf aan toe: Nu niet meer.
Oom Claud zou over vijf weken per vliegtuig nakomen. Op die manier kon hij eerst zijn zaken afhandelen.
‘En dan, kindje, is de quarantaineperiode voor Omar, Bess en Fancy achter de rug en kunnen we opnieuw beginnen.’
‘Ja,’ zei Peta... en ze dacht, ik zou dit van tevoren hebben moeten bedenken, oom is zo praktisch, zo’n echte buitenman, Peter is zo - nou ja...
De ‘Roslyn’ vertrok de week daarna. Het was een heldere, bijna warme dag, toen het schip afvoer, dus bleef Peta ditmaal aan dek om naar oom Claud te wuiven tot ze hem niet meer kon zien. De sfeer om haar heen was vrolijk - ze zouden dit keer Las Palmas aandoen — later Kaapstad en Durban en, als ze eenmaal in Australische wateren waren, iedere grote havenplaats.
Dus waarom, vroeg Peta zich af, toen ze plotseling in de zonneschijn huiverde, beroerde een koude vinger ineens haar hart? Dat kwam natuurlijk omdat Peter er niet was. Ja, het kwam door Peter.
Er gebeurde niets bijzonders onderweg. Toen voeren ze de haven van Sydney binnen... en Peta keek en zocht...
Omdat het een handelskade was, waren er weinig mensen om de ‘Roslyn’ te begroeten. Peta kon ze op de vingers van haar twee handen tellen. En geen een vinger was voor Peter...
Er moest een misverstand zijn. Het schip was zeker eerder dan verwacht binnengelopen. Of het was later dan aangekondigd. Peter was naar huis gegaan en zou terugkomen. Of hij had een baan aangenomen... en hij zou komen zodra hij kon. Of...
Ze verzorgde de paarden en volgde toen de veewagen naar de quarantaine stallen.
Omar, Bess en Fancy zagen er uitstekend uit.
‘Ze mogen er volgende week uit, Miss Milford,’ glimlachte de paardenverzorger.
Ze installeerde Sebastian, Meridian en Fair Flash en ging toen naar het hotel dat oom Claud had besproken. Oom Claud zou woensdag arriveren.
Het was nu maandag. Ze had zich voorgenomen de tussentijd door te brengen met Peter om over hun toekomst te praten, over oom Claud; over duizenden dingen. Ze zou niet kibbelen met hem, de liefde zou ervoor zorgen dat alles in orde kwam.
Maar waar was hij? Waarom was hij haar niet komen afhalen? Waarom had hij niet geschreven? Ze had hem een lijst van de havens gegeven maar er was geen brief gekomen. Vrachtschepen waren natuurlijk niet altijd op tijd. Hoewel - en ze begon een onaangenaam gevoel te krijgen - de ‘Roslyn’ had strikt volgens schema gevaren.
Misschien wachtte hij in haar hotel op haar. Misschien had hij het schip gemist... typisch iets voor Peter... dus haastte ze zich erheen.
Maar Peter was er niet.
De volgende morgen was er wel iets en als haar vingers niet zo hadden getrild zou Peta hebben gezien dat het telegram van overzee kwam en dat het niet van Peter was, maar van oom Claud.
Eigenlijk niet van oom Claud. Er zou nooit meer een telegram van oom Claud komen.
SPIJT ME U MEDE TE DELEN STOP CLAUD MILFORD HARTAANVAL STOP MAANDAG GESTORVEN STOP BRIEF VOLGT STOP GILLETT.