Karatsjaj-Tsjerkessië

Er zijn plekken waar je heen wilt, simpelweg omdat ze intrigerend klinken. Zo heb ik ooit een vakantie naar Odessa ondernomen. Ik had geen flauw idee waar het lag, maar het klonk gewoon mooi. Uiteindelijk was Odessa de grootste teleurstelling van de vakantie, en heb ik veel mooiere steden gezien in Oekraïne, waar het bleek te liggen.

In Amerika had ik dat met de stad Amarillo in Texas, waar ik met mijn vader speciaal een omweg voor maakte toen wij dwars door de Verenigde Staten reden. Dat bleek uiteindelijk geen teleurstelling: in Amarillo staat het enige monument ter wereld dat speciaal is gewijd aan het element helium, bestaande uit vier bolletjes die het heliumatoom moeten voorstellen.

Maar dit soort plaatsen hoeven niet ver weg te liggen. Zo rijd ik op weg naar vrienden in Antwerpen elke keer met de trein langs de plaats Luchtbal, waar ik graag nog eens een kijkje zou willen nemen, maar de trein stopt er nooit. Ook het Drentse dorp Norg spreekt bij mij om onverklaarbare redenen tot de verbeelding. Datzelfde gevoel had ik al enkele jaren bij het bergstaatje Karatsjaj-Tsjerkessië in het Russische Kaukasusgebergte. Toen fotograaf Rob Hornstra mij vroeg of ik samen met hem een reis wilde maken, moest ik gelijk denken aan Karatsjaj-Tsjerkessië. Zonder een duidelijk plan en zonder opdrachten van de krant, vlogen wij in die richting.

Ik schrijf in die richting, want in Karatsjaj-Tsjerkessië ligt geen vliegveld. We vlogen naar Krasnodar, dat wellicht niet de dichtstbijzijnde plaats is, maar waar Zjenja woont, de spontaan zingende journalist die ik in Abchazië had leren kennen. Onderweg naar zijn huis vertelde Zjenja nonchalant dat hij van de week met de dood was bedreigd via een anoniem telefoontje en dat iemand van het OM hem had gebeld met het advies om ‘te stoppen met werk’. Dit naar aanleiding van twee artikelen die hij had geschreven voor Novaja Gazeta.

Desondanks had hij zojuist een stukje geschreven over de ‘week zonder abortus’, die de gouverneur van Krasnodar de week ervoor, geheel tegen de wet, en waarschijnlijk tegen de grondwet, had ingevoerd. Vrouwen konden een week lang niet terecht in klinieken voor een abortus, zogenaamd om het aantal abortussen tegen te gaan. De conclusie van Zjenja’s stukje was natuurlijk dat het aantal abortussen in de week erna was verdubbeld. Dit stukje, waar hij zijn leven mee op het spel zette, schreef hij voor een door het Westen gefinancierde website om zijn salaris wat bij te spekken. Per stukje verdient hij overigens 150 roebel, omgerekend vier euro.

We liepen wat door het centrum van Krasnodar, langs een wasserette met de lyrische naam ‘Zeepopera’. Op de markt dronk Rob voor het eerst van zijn leven een glas kvas. Rob vond het al niet zo lekker, en het wilde niet helpen toen hij vroeg waar kvas van wordt gemaakt en Zjenja ‘brood’ antwoordde, wat op zich wel waar is.

Bij de kvastank kwamen we de oom van Zjenja tegen die erop stond dat wij een fles wodka met hem leeg gingen drinken. Eerder werkte die oom als ‘ecologisch ingenieur’, dat tussen aanhalingstekens staat omdat hij in de Sovjettijd had meegewerkt aan iets wat uitgroeide tot een ecologische ramp. Van de ene op de andere dag hadden de Sovjets namelijk besloten een zee te bouwen in de buurt van Krasnodar. Er was verder niet nagedacht over eventuele bijeffecten, zoals de verandering van het klimaat. Met als gevolg dat Krasnodar sindsdien geen warme zomers en koude winters meer heeft, maar een soort van Nederlands weer. Nu werkt de oom als pianostemmer.

’s Avonds laat aten wij sjasliek in het stadspark, waar ook een struisvogelboerderij was. Die was natuurlijk al gesloten, maar we wisten de bewaker ervan te overtuigen dat wij ‘struisvogelstudenten’ uit Nederland waren. Het ‘hoofd struisvogels’ werd opgetrommeld en gaf ons een kleine rondleiding. De struisvogels waren echter al aan het slapen en waren nogal pissig dat wij hen hadden wakker gemaakt. Thuis zat de oom van Zjenja al klaar met de fles wodka, augurkjes en karaokemachine.

De volgende ochtend vertrok onze bus naar Tsjerkessk, de hoofdstad van Karatsjaj-Tsjerkessië. Ik wist nog steeds niet wat ik er ging doen en kende er ook niemand, maar Zjenja had beloofd via via wat mensen voor ons op te trommelen. Wachtend op de bus bladerde Zjenja wat door het magazine van een Nederlands dagblad. Het was een special over moslims. ‘Waarom gaat dit blad alleen maar over moslims?’ vroeg hij. ‘Omdat het in Nederland nu in de mode is om tegen moslims te zijn. En daarom zijn ze voor.’ Licht verward veranderde Zjenja van onderwerp. ‘En waarom heeft deze kok een tros tomaatjes op zijn schouder liggen? En waarom staat deze meneer op de foto in een badjas met een wc-rol onder zijn arm?’ Hier wist ik het antwoord ook niet op. Dus keken we samen naar een advertentie voor Spanje. De slogan luidde: ‘Een lach. Je bent in groen Spanje.’ Na een paar keer geoefend te hebben kon Zjenja de zin foutloos uitspreken.* Altijd handig.

De buschauffeur reed als een maniak en had bovendien een slecht gevoel voor richting, want onderweg werden wij aangehouden door een oplettende politieagent, die het bordje met eindbestemming Teberda van de bus had gezien en vertelde dat dit niet de weg naar Teberda was. In een of ander goor toilet van een wegrestaurant hing een bordje met de tekst VERBODEN SCHOENEN TE WASSEN IN DE WASBAK. BOETE 150 ROEBEL. Alsof ik mijn schoenen in die poepwasbak zou willen wassen.

Aangekomen in Tsjerkessk was er nog geen ontvangstcomité te bespeuren, dus keken we wat naar de buschauffeur die een dikke laag insecten van zijn vooruit veegde. We lummelden wat en Rob stak een sigaret op. Toen de sigaret opgerookt was kwam hij erachter dat zijn koffer nog in het ruim van de bus lag. De bus was echter al tien minuten daarvoor vertrokken. Wij renden naar een groepje taxichauffeurs, en kozen de chauffeur uit die op ons het snelst en betrouwbaarst overkwam. Ons beoordelingsvermogen was duidelijk beïnvloed door de paniek, want we kozen een zeventigjarige man met zo’n wildgroei aan neushaar dat het bij het praten voortdurend tegen zijn bovenlip botste. Dat maakte hem geen slechte chauffeur natuurlijk, maar het was wel een teken aan de wand.

Voor zover dat gaat met een hoogbejaarde man rende hij naar zijn Lada, gevolgd door drie collega’s. Om de Lada aan te duwen, zo bleek. Na ongeveer honderd meter sloeg de motor gelukkig aan. Daar reden we, in een gammele Lada met gammele chauffeur, met tien minuten achterstand op een roekeloos rijdende buschauffeur, die bovendien oriëntatiegestoord was, zodat we een beetje moesten raden wat voor route hij had gereden.

Bij een kruispunt ontwaarden wij de bus. Met het licht op rood sprong ik uit de auto en begon wild met mijn armen te zwaaien – maar op Kaukasische wegen heb je meer nodig om indruk te maken. Het licht sprong weer op groen, ik sprong in de auto, en de bejaarde sprong op zijn pedaal. Ik had geen idee hoe hard wij reden aangezien zijn snelheidsmeter kapot was, maar volgens hem reden we honderd. Uiteindelijk zag de buschauffeur ons in zijn spiegel. Dat was net op tijd, want even later was hij de snelweg opgereden en hadden wij hem nooit meer in kunnen halen.

Terug op het busstation werden wij opgevangen door het ontvangstcomité. Ik nam aan dat het vrienden waren van Zjenja, maar Lejla en Ruslan bleken lid te zijn van de Jonge Garde, een soort Poetinjugend voor slechtopgeleide opportunisten die op deze manier later een baan bij de overheid willen krijgen. Wie bij de overheid zit kan namelijk onbeperkt geld verduisteren en steekpenningen in zijn of haar zak steken. Rusland is waarschijnlijk een van de weinige landen waar jonge mensen het liefste van alles bij de overheid willen werken. Het was mij een raadsel hoe Zjenja, zij het via via, met deze figuren bevriend was.

De Jonge Gardisten reden ons naar hotel ‘Natuurkundige’, het beste hotel van Tsjerkessk. Voor het hotel stond een standbeeld van Mendelejev. Is Mendelejev hier misschien geboren, vroeg ik. Nee, was het antwoord. Heeft hij dan misschien hier het periodiek systeem verzonnen, vroeg ik. Nee. Kennelijk vonden ze ‘Natuurkundige’ gewoon een goede naam voor een hotel. Binnen hingen lampen die waren gemodelleerd naar ijzeratomen, wat niet speciaal mooi is. Ik moest denken aan Amarillo.

De volgende dag stelde Ruslan voor ons zijn republiek te laten zien voor een vrij astronomisch bedrag. Maar dat was inclusief een chauffeur genaamd Azamat en een historicus genaamd Mahomed, wat mooi uitkwam want die laatste kon wat licht werpen op deze republiek waar ik nog steeds niets van wist. Bovendien had Ruslan als jonge Poetinist allerhande nuttige vergunningen die ons door verschillende grensposten zouden kunnen loodsen. We reden in de richting van het Karatsjaj-gedeelte van de republiek. Het andere gedeelte heet verrassend genoeg Tsjerkessië. Eigenlijk waren het dus twee kleine landjes. Verspreid over die landjes, per slot van rekening is dit de Kaukasus, wonen weer de Obozijnen, maar daar wist ik toen nog niks van.

Zelfs voor een klein landje is de geschiedenis van de Karatsjaj niet erg vrolijk. We reden langs een kale platte berg. Mahomed vertelde dat op die berg ooit een schitterende stad lag waar tienduizend Karatsjaj woonden. Tot Timoer Lenk in de veertiende eeuw langskwam en er iedereen een kopje kleiner maakte. Alle koppen werden op een stapel gegooid. Op die plaats staat nu de langste plantenkas ter wereld, in de buurt van het dorpje ‘Belangrijk’.

Interessant detail: Timoer Lenk spaarde de kinderen van de stad op de berg. Zij werden verbannen en zwierven jarenlang wat rond. De kinderen die die zwerftocht overleefden kwamen eenmaal volwassen terug om de troepen van Timoer Lenk een kopje kleiner te maken. Dat was echter geen succes, zij werden opnieuw in de pan gehakt. Sindsdien verstopten de Karatsjaj zich in de bergen, voor de zekerheid. Zij leefden zo geïsoleerd dat de meeste buurlanden alleen maar via via van hen hoorden, zoals volgens Mahomed via ‘Armeense naaldenverkopers’ die alleen maar roddel en achterklap verspreidden, waardoor de Karatsjaj nog meer gehaat werden door andere volkjes. Die Armeense naaldenverkopers zijn gewoon niet te vertrouwen. De chauffeur Azamat onderbrak het verhaal van Mahomed met de belangrijke mededeling dat hij thuis een cd-rom had met zinnen uit honderd talen. Het waren redelijk random zinnen. Zo kon Azamat in het Hebreeuws ‘Ik eet geen vlees’ zeggen. Ik leerde hem: ‘Een lach. Je bent in groen Spanje.’

De weg werd steeds kronkeliger en wij kwamen steeds minder auto’s tegen, maar des te meer koeien. De koeien stonden voortdurend precies op het midden van de weg in de lengterichting, zodat de auto’s steeds op een haar na langs de koeien reden. Mij is altijd verteld dat je nooit midden op een autoweg moet staan, maar de koeien leken redelijk onbezorgd. Azamat legde uit dat de koeien dat expres doen. De passerende auto’s zorgen namelijk voor ventilatie, en houden de muggen weg.

We reden langs een monument ter nagedachtenis aan de deportatie van de Karatsjaj in de Tweede Wereldoorlog. Net als de Tsjetsjenen en de Kalmukken had Stalin de Karatsjaj naar Siberië en Kazachstan verbannen, omdat deze volkeren zouden hebben gecollaboreerd met de Duitsers, en net als zij konden de Karatsjaj pas na twaalf jaar weer terugkeren. Dat geldt voor nog een handvol volkeren, van de Kaukasus tot aan de Baltische Staten. Het bijbehorende museum was gesloten vanwege een ‘technische onderbreking’, wat zo’n beetje alles kan betekenen. In Moskou zag ik ooit een hotdogkraam met het bordje: VIERENTWINTIG UUR PER DAG GEOPEND. TECHNISCHE ONDERBREKING TUSSEN 23:00 EN 7:00 DAGELIJKS. Wel namen wij een kijkje bij het monument, dat vrij treurig uitkeek over de platte berg waar Timoer Lenk had huisgehouden.

De tocht ging verder in de richting van Karatsjajevsk, de hoofdstad van het Karatsjaj-gedeelte. We legden een beleefdheidsbezoek af bij de net afgebouwde moskee waar de imam nogal trots meldde dat de kroonluchter in China gemaakt was. Buiten reed een stoet toeterende auto’s voorbij met tapijten op hun dak. Zo vieren de Karatsjaj hun bruiloften. Er kan elke dag getrouwd worden, maar in het bijzonder op een donderdag. Alleen op dinsdag kan je beter niet trouwen, en kun je je beter ook niet scheren, vertelde Mahomed.

Rob wilde een foto van een veteraan maken en dus gingen wij langs bij Vladimir, het hoofd van de plaatselijke veteranenorganisatie. Ik vreesde het ergste – de combinatie veteraan en Rusland betekent meestal een hemeltergend lange en onbegrijpelijke monoloog. Maar het bleek een fascinerende man. Ten eerste was Vladimir zelf geen veteraan. Zijn vader had in het Russische leger gevochten aan het front, net als alle andere volwassen mannen. De deportaties vonden plaats in het midden van de oorlog, toen er alleen nog maar vrouwen en kinderen in Karatsjaj waren overgebleven. Dat maakte de deportatie er nog belachelijker op. ‘Gelukkig werd mijn vader een maand voor onze deportatie neergeschoten aan het front in Stalingrad.’ Daarmee wilde hij zeggen dat zijn vader nooit van de deportatie van zijn gezin heeft geweten.

Vladimir werd met zijn moeder naar de steppen van Kazachstan gedeporteerd. Tot overmaat van ramp hadden Sovjetagenten, wellicht Armeense naaldenverkopers, in Kazachstan de roddel verspreid dat de Karatsjaj ‘menseneters’ waren. Daarom werd Vladimir enige tijd met stenen bekogeld. Twaalf jaar lang woonde Vladimir in het kamp. Om te overleven verbouwden de gevangenen hun eigen groenten. Vladimir kon zich herinneren dat er op een dag een Kazach langskwam en aan een aardappel likte. De Kazach had geen idee waar een aardappel voor diende.

Heel Karatsjaj hangt aan elkaar van dit soort schrijnende verhalen. Een Karatsjaj die het in het Rode Leger tot generaal had geschopt hoorde dat zijn familie was gedeporteerd en dat hij zelf ontslag moest nemen. De generaal drong er bij Stalin op aan om in ieder geval tot het einde van de oorlog in het leger te mogen blijven. Na de oorlog kreeg hij geen enkele onderscheiding en vertrok hij gedienstig naar zijn vrouw en kinderen die naar een kamp in Kirgizië waren gedeporteerd.

Vladimir stuurde ons naar een fotogenieke veteraan, die bij aankomst stond te wachten in een traditioneel uniform, een soort witte jurk met kleine zakjes voor geweerpatronen. Op zijn hoofd stond een geitenwollen muts, wat op zich niet hoefde want het was dertig graden. Hij gaf mij zijn visitekaartje waarop stond genoteerd: ‘Azamat Soejoentsev. Volksdichter van de republiek Karatsjaj-Tsjerkessië, laureaat van de Kasbot-literatuurprijs, lid van de Schrijversunie van de Sovjet-Unie en van Rusland, Doctor in de wetenschappen, professor.’

‘Winnaar van dé Kasbot-literatuurprijs?’ vroeg ik hem. De man glunderde. Soejoentsev was niet te beroerd om al zijn 28 boeken en 11 dichtbundels tevoorschijn te toveren. Hij bleek al net zo kort en bondig als zijn visitekaartje. Zijn vrouw had met ons te doen en bracht ons een kommetje ayran, een soort zure yoghurt, om het gesprek te onderbreken. Het is wat vaster dan de Turkse ayran, je moet het met een lepel opeten. Volgens de vrouw kon je aan de zuurgraad van de ayran proeven of het ging regenen of niet. Zuur betekende regen. Ze vertelde dat deze ayran een plaatselijke specialiteit was. Het toeval wilde dat ik een week ervoor aan het fietsen was met mijn vader op het Duitse Waddeneiland Langeoog. Op de punt van het eiland lag een boerderij die een Oost-Fries gerecht serveerde waarvan ik de naam ben vergeten, maar dat exact hetzelfde smaakte als deze ayran, 3500 kilometer verderop. Op Langeoog gaven ze er wel een stuk brood bij.

In een hotel verderop bestelden wij wat Ossetische taart, maar de elektriciteit viel uit en dus moesten wij een uurtje wachten op de taart. Boven de bar hing een levensgroot portret van een Deense dog. Om de tijd te doden dronken wij vrij goor Karatsaj-bier. Azamat vond het ook goor, vertrok naar de auto en kwam terug met een heupflesje ‘voor noodgevallen’. Het was een zelf gebrouwen drankje, een soort kruidenbitter en ook niet speciaal lekker. Ruslan legde uit dat het van aardappel gemaakt was.* Licht beschonken reden wij verder in de richting van de heilige geboortegrond van de Karatsjaj.

Langs de weg zaten vrijwel onafgebroken vrouwen op bankjes te breien, oud en jong, wat er wel gezellig en romantisch uitzag in het zachte licht van de namiddag. Maar Mahomed vertelde dat dit voor hen de enige manier was om wat bij te verdienen: zij maakten truien voor de Russische wintersportmarkt. Hier en daar graasden wat schapen, de befaamde Karatsjaj-schapen om precies te zijn. Ze zijn befaamd omdat het cholesterolvrije schapen zijn. Daar had ik zo mijn twijfels over, want de schapenstaart, die uit puur vet bestaat – ik spreek uit ervaring – was juist extra lang.

Langs de weg in de buurt van een riviertje lag een heilige steen. Volgens de Karatsjaj was het een meteoriet. Dan had die meteoriet wel een heel zacht landinkje gemaakt want een krater was er niet. Na de deportatie, in het kader van de vernietiging van de cultuur van de Karatsjaj, werd de plaats van de meteoriet gebruikt als stortplaats voor vuilnis. Een meertje verderop werd gebruikt voor het dumpen van radioactief afval. Pas tijdens de glasnost werd de steen weer opgegraven. Mahomed wees naar een gammele rode brug. Achter die brug woonde naar verluidt een Karatsjaj-kluizenaar die de Sovjets waren vergeten te deporteren. Misschien woont hij er nog steeds, niemand die het weet want niemand wil hem lastigvallen.

In de buurt van de stad Kart-Dzjurt wees Mahomed naar niet-bestaande dorpjes en begraafplaatsen die in hun jarenlange afwezigheid waren leeggeroofd en vernietigd. De Karatsjaj was wijsgemaakt dat de deportatie maar een paar dagen zou duren in plaats van de twaalf jaar waar het op uitdraaide. Het meeste van de waardevolle spullen hadden zij daarom onder de grond van hun huis verstopt. ‘Iedereen die niet lui was’, in de woorden van Mahomed, ging vervolgens de buit opgraven. ‘Maar dat is niet het ergste,’ vervolgde Mahomed. Ook het archief werd in brand gestoken, net als in Tsjetsjenië. De stenen van de huizen van de Karatsjaj werden voor wegenbouw gebruikt. De hekjes die rond de graven van de Karatsjaj stonden staan nu doodleuk rond tuintjes in Krasnodar.

Langs de weg stond een verlaten houten gebouwtje. We besloten er een kijkje te nemen want Rob was bezig met een serie over verlaten gebouwen in Rusland. De deur was op slot maar de vloer was zo verrot dat wij door een gat in de grond naar binnen konden klimmen. Het bleek een lagere school te zijn en het leek alsof de laatste leerlingen halsoverkop het gebouw hadden verlaten. Aan de muur hing een rooster uit 1985. De schoolbankjes stonden er nog. Op de grond lag een grote poster van Joeri Andropov, de kortstondige opvolger van Brezjnev. Op de schoolbanken lagen werkstukken. Kinderen hadden er minutieus planten ingeplakt en er de Russische wetenschappelijke naam bij geschreven. Elke bladzij was zorgvuldig bedekt met een vloeipapiertje. Dat niemand de moeite had genomen de werkstukjes mee naar huis te nemen maakte mij verdrietig. Ik stak een paar werkstukjes in mijn tas. Dat ik daarna in het aardrijkskundelokaal in het drolletje van een zwerfhond stapte maakte het er niet beter op.

Heel Rusland is bezaaid met dit soort verlaten schooltjes, huizen en fabrieken. Naar schatting twintigduizend dorpen en steden zijn sinds de perestrojka verlaten. Nog eens zo’n aantal staat aan de rand van de afgrond en in elk zo’n stad speelt zich een tragedie af. Zo was ik later op bezoek in de stad Karamken in de buurt van Magadan in het verre oosten van Rusland. In de bloeitijd woonden er 7000 mensen. Nu waren dat er nog maar 137. Het was een kwestie van tijd voordat Karamken een ‘liquidatiestatus’ zou krijgen, wat betekent dat de staat geen toekomst meer ziet in de stad, en hij geen subsidies en dergelijke meer ontvangt. Mensen woonden in een soort oorlogszone, omringd door halfvervallen flatgebouwen en verlaten fabriekshallen. Een verkoopster in de enige werkende kruidenier van de stad had drie dochters op school zitten. De dochters zaten in hun eentje in de klas. De school werd waarschijnlijk opgeheven. Toen ze over haar dochters vertelde barstte de verkoopster in huilen uit. ‘Mijn stad sterft,’ snikte ze.

In een ander lokaal stond Rob foto’s te nemen van de schoolbankjes terwijl Mahomed vol ongeloof toekeek en mij vroeg wat er interessant was aan deze rommel. In Rusland gaat een heel tijdperk naar de verrotting en de enige die het iets kan schelen zijn buitenlandse journalisten en fotografen. Intussen werd het al donker en moesten wij terug naar Tsjerkessk, tot chagrijn van Mahomed en Azamat die graag nog waren doorgereden naar de geboorteplaats van de Karatsjaj.

Die avond nodigde Ruslan ons uit wat te gaan drinken met zijn vrienden. Rond twaalf uur ’s nachts wachtten wij voor de deur van hotel Natuurkundige. Licht beschonken kwam Ruslan langs met een Tsjerkessisch paartje en Muha, een Obozijn. Om alles nog ingewikkelder te maken leven verspreid in Karatsjaj-Tsjerkessië Obozijnen. Zij spreken een eigen taal, namelijk het Obozijns, wat een van de moeilijkste talen ter wereld schijnt te zijn. Het Obozijnse alfabet is reusachtig en telt alleen al 63 medeklinkers. Muha citeerde een bekende Obozijnse zin. Het leek een beetje op West-Vlaams, maar dan achterstevoren afgespeeld.

Ook Muha en de Tsjerkessen zaten in de Jonge Garde-beweging en kwamen net terug van een reis naar Abchazië, waar zij op kosten van de Jonge Garde, oftewel het Kremlin, heen waren gestuurd. Ik gaf ze geen ongelijk. Als er geen werk en geen geld is, wie zegt daar dan nee tegen. Zonder enige straatverlichting van betekenis, op een eeuwige vlam na, waar de Tsjerkessische skatejeugd zich had verzameld, liepen wij naar een bowlingcentrum waar de rest van de jeugd van Tsjerkessk zich scheen op te houden. Uiteraard werd de directeur van het bowlingcentrum van de komst van twee buitenlanders op de hoogte gesteld en zij gaf ons twee muntjes die wij konden gebruiken in de basketbalspeelautomaat. Nee, je voelt je niet opgelaten als je met z’n tweeën basketballen in een netje moet gooien omringd door een horde jonge Karatsjaj, Tsjerkessen en hier en daar een Obozijn.

Geheel ongevraagd werd een fles wodka op tafel gezet. Ruslan bracht tot ergernis van de anderen een zeer lange toost uit. Schaamteloos deed hij zijn ‘Poetin is de beste president’-praatje. De anderen gaven ons een blik die zei: ‘Ik zit alleen bij die Poetinjugend voor de strandtrips.’ Muha fluisterde hem in dat Poetin intussen geen president meer was, maar dat mocht niet helpen. Ruslan maakte het te gortig toen ik hem vroeg of hij ooit in het buitenland was geweest en hij antwoordde: ‘Ik hoef niet naar het buitenland want ik ben een patriot.’ Deze logica ging de anderen te ver en zij sleepten Ruslan naar huis voor er nog meer schade werd berokkend.

De volgende dag liepen wij naar het park van Tsjerkessk, aan de Koebanrivier. Daar raakten wij in gesprek met drie oude mannen die, zoals het hoort in Rusland, piepkleine strakke zwembroekjes aanhadden waar hun dikke buik overheen viel. Het waren een Armeniër, een Tsjerkes en een Karatsjaj. Verderop trok een jongen zich omhoog aan een rekstok. Om de Kaukasus compleet te maken kwam hij uit Tsjetsjenië en was in de oorlog naar Tsjerkessië gevlucht. Ik vroeg aan de Tsjerkes waarom de Karatsjaj en de Tsjetsjenen wel, en de Tsjerkessen niet waren gedeporteerd in de oorlog. De man antwoordde bedroefd: ‘Omdat wij honderdvijftig jaar geleden al eens zijn gedeporteerd.’

De Tsjerkes vertelde mij over de fascinerende en treurige geschiedenis van zijn voorouders. De Tsjerkessen zijn namelijk al eens gedeporteerd door de Russen in de negentiende eeuw, waardoor er nog maar weinig van hen in Rusland wonen. Zij waren verreweg de taaiste vijand bij de verovering van de Kaukasus. Heel het leven van de Tsjerkessen stond in het teken van de strijd. Voordat zij tegen de Russen vochten, vochten zij tegen andere volkjes, en als die niet in de buurt waren vochten ze onderling, op zoek naar paarden of mensen om die als slaaf te verkopen. Als slaaf was je overigens nog niet zo slecht af: alleen slaven werden namelijk vrijgesteld van de keiharde militaire opleiding. Al vanaf jonge leeftijd leerde een jongen te vechten en er waren speciale wapens voor kinderen vervaardigd om ze te laten wennen.

De relatie tussen de vader en de zoon was die van officier en soldaat. Er zat nog een rang tussen, namelijk de moeder, die de communicatie tussen de twee verzorgde, wat mij niet gezellig lijkt tijdens het avondeten. Als de moeder niet thuis was sprak de vader zijn zoon aan in de derde persoon. Vanaf zijn tiende werd de zoon van huis gestuurd naar een goede vriend van de vader waar hij zijn militaire opleiding voltooide.

Eenmaal volwassen was een man verplicht om deel te nemen aan nachtelijke roofovervallen in andere dorpen. Als je dat niet deed zou een vader nooit zijn dochter aan je geven. Als een Tsjerkessisch dorp werd overvallen gingen die dorpelingen op hun beurt weer uit moorden en roven in het andere dorp als wraak. Bij die roofovervallen was een goed paard onmisbaar en de vriendschap van een Tsjerkessische man en zijn paard ging vrij ver: paarden werden niet als dieren gezien, maar als broers.

De dochters waren overigens niet beter af dan de zonen: elke vader had het recht zijn dochter als slaaf te verkopen. Dat gebeurde vaak om de bruidsschat van een andere dochter mee te financieren. Tsjerkessische vrouwen hadden de reputatie knap te zijn en kwamen vaak in de harem van een of andere Turkse sultan terecht.

Het is niet verbazingwekkend dat de strijd tussen de Russen en de Tsjerkessen lang en bloedig was. De enige manier voor de Russen om de weerbarstige Tsjerkessen kapot te maken was hen te deporteren, wat zij vanaf 1862 deden. Van de 400 duizend bleven er maar 80 duizend over in Rusland. Een groot deel overleed tijdens de lange boottocht naar het Osmaanse Rijk.

’s Avonds aten Rob en ik in een zojuist geopend openluchtrestaurant in de vorm van een kasteel, kompleet met torentjes en kantelen, dat passend genoeg ‘Kasteel’ heette. Het eten kwam met luide en valse karaoke. Aslan, Muha en Ruslan kwamen langs en voor we ‘nee, dankjewel’ konden zeggen stond er alweer een fles wodka op tafel. Ik vroeg Ruslan of er hier net als in Tsjetsjenië wel eens een vrouw werd gestolen om vervolgens mee te trouwen. Ruslan en Muha moesten lachen. Wat bleek: Ruslan had de negentienjarige zus van Muha een paar jaar geleden ontvoerd. Ik vroeg Muha wat hij daarvan vond: ‘Nou, Ruslan is een van mijn beste vrienden dus als het toch moet gebeuren, dan maar door Ruslan.’ Overigens was Ruslan na acht maanden alweer van haar gescheiden.

Gaande het gesprek bleek dat het stelen van vrouwen eerder regel dan uitzondering was in Tsjerkessië. Het gaat als volgt: een man ziet een leuk meisje, dat hij eventueel heeft gesproken. Hij geeft vrienden opdracht haar te ontvoeren. Zij leveren het meisje af bij het huis van de jongen. De jongen zegt: ‘Wij zijn nu verloofd.’ De vrienden gaan intussen naar de ouders van het meisje en melden dat hun dochter is gestolen en dat de bruiloft op die en die dag is.

Op de dag van de bruiloft komt een delegatie van de familie van de bruid, maar niet de ouders, naar de bruiloft. Zij vragen de bruid: wil je echt met deze man trouwen? Zij kan op dat moment in theorie nee zeggen. Maar ze weet dat ze opnieuw ontvoerd kan worden door dezelfde man, wat soms twee of drie keer gebeurt. En ze weet dat zij al niet meer als ‘rein’ wordt beschouwd, omdat ze de weken voorafgaand aan het huwelijk in het huis van de man heeft gezeten. Elke keer dat ze wordt ontvoerd is zij minder ‘rein’ totdat geen man haar meer wil hebben behalve de man die zijn zinnen op haar heeft gezet. Bovendien, en dit is nog het moeilijkst te begrijpen, zijn het gewoon de mores in Tsjerkessië. Volgens alle drie de jongens zijn meisjes van 23 of 24 diep ongelukkig omdat zij nog niet zijn gestolen. Dus zegt de ontvoerde vrouw meestal ja.

De drie zaten vol met ontvoeringsverhalen. Zo was de moeder van Aslan ontvoerd door zijn vader. En was zijn buurmeisje vorige week gestolen. Zij had al gehoord dat er een jongen achter haar aan zat en had zich in huis verstopt. Toen zij even de tuin in liep om een sigaretje te roken, sloegen de vrienden van de bruidegom toe. Zelf had Aslan ook al eens een meisje gestolen dat zich had verstopt en was gaan luchten. Hij had haar zo over de schutting getrokken, daarbij enigszins gehinderd door de tante van het meisje, die hem aan het wurgen was.

Meestal heeft het meisje in ieder geval een paar woorden met de jongen gewisseld voordat zij ontvoerd wordt. Maar soms heeft het meisje de jongen nog nooit ontmoet. Ruslan vertelde over een ontvoering waar hij laatst aan mee had geholpen. De jongen had het meisje alleen maar op straat zien lopen en vond haar wel leuk. Ruslan pikte haar op van straat en gooide haar op de achterbank. ‘Toen moest ze huilen, en de eerste vraag die zij stelde was: “Met wie ga ik dan trouwen?”’ Hij sprak de laatste zin uit als de clou van een ongelooflijk goeie bak. Aslan en Muha hielden het niet van het lachen.

Tijdens deze verhalen bleef de wodka maar komen. In de Kaukasische dranketiquette is een speciale rol weggelegd voor de oudste en de jongste van het gezelschap. De oudste, in dit geval Rob, mag de toost uitbrengen of die aan iemand anders delegeren. De jongste, in dit geval Aslan, zorgt voor wat hij ‘de techniek’ noemt: dat de glazen vol blijven, dat de drank blijft komen en dat er genoeg schijfjes citroen en pistachenootjes zijn. Kortom, dat het niemand aan iets ontbreekt.

De maaltijd werd nog steeds begeleid door de intens vals zingende vrouw. Toen wij de rekening kregen stond er 300 roebel voor de ‘muzikale begeleiding’. Tijd voor Aslan, die immers ‘de techniek’ deed die avond, om de directrice van het restaurant erbij te halen. Het bleek dat de vals zingende karaokevrouw en de eigenaar van Kasteel dezelfde persoon waren. Dat leek mij logisch: zij was de enige die ermee weg kon komen. Onverstoord zei Aslan: ‘Ik vind het prima om voor muziek te betalen, maar niet als het niet om aan te horen is, zoals in uw geval.’ Directe mensen, die Tsjerkessen.

Aslan bleek marsjroetkachauffeur te zijn, dus reden wij in zijn marsjroetka naar discotheek ‘Octopus’, ‘Sproet’ op zijn Russisch, wat ik grappig vond klinken. Boven aan het lijstje van grappige discotheeknamen in de voormalige Sovjet-Unie staat nog steeds de ‘Limpopo’ in Jalta. In Sproet verzamelde de lokale elite zich en de jongens zaten wat geïntimideerd om zich heen te kijken. In het bijzonder Muha, die in het restaurant nog had gepocht dat hij twintig man tegelijk aankon.

Intussen had Aslan de discotheekleiding op de hoogte gesteld van de Nederlandse gasten. Even later kondigde de dj een speciaal Nederlands nummer aan voor ‘onze gasten uit Nederland, waar je cannabis mag roken’. Ik zat hard te denken wat voor nummer dat zou zijn. 2 Unlimited? George Baker? Maar het was natuurlijk ‘Du hast den schönsten Arsch der Welt’.

Na diverse andere flessen wodka gingen de lichten aan. Buiten de discotheek grapte ik dat ze voor mij ook maar een bruid moesten ontvoeren. We gingen in de marsjroetka, het Russische minibusje, van Aslan zitten die ons naar hotel Natuurkundige zou brengen. Het duurde een tijdje voordat de jongens kwamen. Rob ging een kijkje nemen. Hij trof ze daar druk bellend aan. Een van hen wees enthousiast naar een auto die aan kwam rijden met joelende vrienden. Wat bleek: zij waren al in een vergevorderd stadium van het ontvoeren van een meisje waar ik een blik op zou hebben geworpen tijdens ‘Du hast den schönsten Arsch der Welt’.

In plaats van naar hotel Natuurkundige reed Aslan verder naar zijn huis in de buitenwijken van Tsjerkessk voor een nachtmutsje. Een politieauto stopte het busje om Aslan op alcohol te controleren. De agent rook niks, wat ik knap vond want Aslan had die avond bij elkaar zeker een halve liter wodka achterovergeslagen. Misschien speelde mee dat de agent een zeker geldbedrag in zijn handen gedrukt kreeg. Even later werden wij opnieuw aangehouden door een politieagent en dit keer een die niet omkoopbaar was. Dat geloof ik in ieder geval graag, waarschijnlijk was zijn steekpenning gewoon te hoog. Hoe dan ook, er kroop een politieman achter het stuur die op het punt stond het busje naar het politiebureau te rijden en er niet van op de hoogte was dat er twee Nederlandse verstekelingen in het achterruim zaten.

Uiteindelijk werd het probleem alsnog opgelost: Ruslan, die overigens net zo dronken was als Aslan, overtuigde de agent ervan dat hij achter het stuur had gezeten. Met al zijn connecties belde hij een andere politieman op, die hoger in rang was. Hij belde hem uit zijn bed en dus stonden we een halfuur op een weiland met een slapende koe op hem te wachten. De agent kwam opdagen, verklaarde dat Ruslan hartstikke nuchter was, gaf de andere agent een uitbrander en vertrok weer naar zijn bed.

We reden verder naar het huis van Aslan, aten daar een onduidelijk aardappeltje en dronken nog maar eens op de Noord-Kaukasus. Aslan bood aan om ons terug te brengen in zijn marsjroetka maar dat leek ons geen goed idee. In het ochtendgloren stommelden we naar buiten naar een landschap dat mij sterk deed denken aan het einde van de wereld. Daar, in de middle of nowhere, om halfzeven ’s ochtends, stond een taxi met een slapende chauffeur ons op te wachten en bracht ons naar hotel Natuurkundige.

De volgende ochtend, of eerlijk gezegd middag, was de ontbijtzaal leeg op een vrouw na die er zat te eten in een badjas en met highlights aluminiumfolie in haar haar. Ze keek geconcentreerd naar de televisie, waar je alleen met je uiterste voorstellingsvermogen wat bewegende gezichten kon onderscheiden: de antenne bestond uit twee lege blikjes bier. Ze bleek een Obozijnse bruid te zijn die ging trouwen in het ‘Huis van de Cultuur’ dat aan ons hotel vastzat. Zij nodigde ons uit om op de bruiloft langs te komen.

Die middag namen wij een kijkje op het plein voor het cultuurhuis, waar de bruiloft begon. Een man deed staand op een paard ingewikkelde trucjes. De priester/imam/ambtenaar/vage kennis die het huwelijk inzegende, gebruikte daarbij het grootste gedeelte van de 63 medeklinkers in het Obozijnse alfabet. Het meisje keek niet erg vrolijk bij de inzegening en ik vroeg aan een man die op een keyboard speelde en die ook het cultuurcentrum bleek te runnen of zij was gestolen. Volgens de keyboardspeler was zij inderdaad gestolen, maar was de diefstal in scène gezet met goedkeuring van beide partijen. Het kwam er niet erg overtuigend uit. Binnen ging de bruiloft door. De vrouwen zaten in een zaal, de mannen zaten in de andere zaal. En ik altijd maar denken dat de bruiloft alleen was bedoeld om de ware te vinden.

Eerst belandden wij in de feestruimte voor de vrouwen, waar wij om begrijpelijke redenen niet erg welkom waren. De enige aanwezige man was een accordeonist die Obozijnse liedjes speelde, terwijl de vrouwen luid meezongen en in hun handen klapten. In de hoek van de zaal stond een soort altaartje van snoepjes en chocolaatjes met in het midden de bruidstaart. Het poppetje van de Obozijnse bruid was een barbiepop, de Obozijnse bruidegom was een barbiepop gehuld in een piepklein schapenvelletje.*

In de mannenruimte waren wij helemaal niet welkom, dus liepen wij naar boven naar de gemengde ruimte voor ‘de meest nabije vrienden en familie’ waar bruid en bruidegom de eerste dans maakten. Opnieuw kon ik geen glimlach op het gezicht van de bruid bespeuren. Twee Obozijnse gasten die al wat op hadden vertelden dat wij op moesten sodemieteren. Mijn Obozijns is niet goed, maar de boodschap was duidelijk.

De keyboardspeler kwam naar mij toe en gaf mij bij wijze van afscheid een cadeautas van een eerder feest mee, die hij daar nog had liggen. Op de tas stond 15 JAAR FSB VAN KARATSJAJ-TSJERKESSIE. De FSB is de opvolger van de KGB. Ja, waarom zouden die geen feestjes mogen geven? In de tas zat uiteraard een fles wodka, met een speciaal voor het feest gemaakt etiket.

De volgende dag vertrokken wij naar Dombai, een Russisch wintersportoord waar een Sovjetrestaurant stond in de vorm van een vliegende schotel. De combinatie Sovjet en vliegende schotel was voor zowel mijzelf als Rob onweerstaanbaar en de drie uur rijden meer dan waard. Onderweg stopten wij bij een waterbron met buitengewoon vies water dat naar rotte eieren stonk, wat natuurlijk allemaal wonderen voor je lichaam deed. In de oorlog, toen de nazi’s dit gebied bezetten, hadden Duitse wetenschappers alle twaalf de bronnen onderzocht op chemische elementen en er bordjes bij geplaatst. Ik merkte op dat die Duitsers toch wel wat anders te doen hadden, zo midden in de oorlog. ‘De Duitsers zijn culturele mensen,’ vond de chauffeur.

Op de weg naar Dombai leek het even te gaan sneeuwen, wat natuurlijk niet kon midden in de zomer. De sneeuwvlokjes bleken echter duizenden witte vlinders te zijn die feeëriek door de lucht dwarrelden totdat zij tegen de autoruit te pletter sloegen. In Dombai verkochten ze de lelijke truien die ik gebreid had zien worden langs de weg naar Kart-Dzjurt. Een Russisch wintersportoord is net zo erg als het klinkt. Gelukkig ging er een kabelbaan de bergen in, weg van Dombai. Boven aan de berg lag nog sneeuw. Na enig gezoek vonden wij de vliegende schotel. De deur naar het restaurant klapte omlaag open, zoals dat ook bij de meest gangbare vliegende schotels het geval is. Zoals ik al vreesde was het café echter ‘vanwege technische redenen gesloten’. Een kijkje in het interieur was genoeg om te begrijpen dat die technische pauze al enkele jaren duurde. In een nabijgelegen café dat wel open was, kwamen wij bij van onze vondst. Toen ik naar het toilet vroeg kreeg ik een sleutel overhandigd van ‘hotelkamer nummer zes’. Daar kon ik het toilet gebruiken.

Onderweg terug stopten wij bij een openluchtmuseum, waar een expositie scheen te zijn met opgezette dieren. Rob verzamelde behalve verlaten huizen ook opgezette dieren, dus wij gingen er een kijkje nemen. Inderdaad was in een klein gebouwtje een collectie van verstofte opgezette dieren. In een bak lag nogal onceremonieel een opgezette forel. Verder stond in diezelfde zaal een fascinerende collectie boomstronken. Toen Rob een opgezet wild zwijn wilde fotograferen kwam de vrouw vanachter de kassa naar ons toe en zei: ‘Het fotograferen van opgezette dieren is verboden. Het is alleen toegestaan om de levende dieren in het openluchtgedeelte te fotograferen.’ Met openluchtgedeelte bedoelde zij buiten, in de natuur, waar kennelijk erg ijdele wilde dieren leefden. De opgezette en verstofte dieren daarentegen waren erg schuw.

De chauffeur stopte op een plek waar de Sovjets een park hadden geplant op een heuvel. De bomen waren zo neergezet dat zij gezamenlijk de zin VEERTIG JAAR OVERWINNING spelden. Kennelijk gingen de Sovjets er (destijds) van uit dat de bomen netjes omhoog zouden groeien, zonder takken bijvoorbeeld. Nu, 23 jaar later, was het gewoon een bos. Alleen de letter T was nog enigszins te ontcijferen. Bij het bos, dat kennelijk toch nog een bezienswaardigheid was, stonden twee broertjes met een kvastank. De oudste vertelde dat zij sinds de ochtend vijftien bekertjes à 14 cent hadden verkocht. Wij reden verder, naar de grens van Karatsjaj-Tsjerkessië met de rest van Rusland.

Een week lang had ik mij niet meer in Rusland gewaand en daar ook wel van genoten. Op weg naar het treinstation vanwaar wij terug naar Krasnodar zouden rijden, werden we er echter weer nadrukkelijk aan herinnerd dat we wel degelijk in Rusland waren. Het landschap werd algauw een stuk minder wild en mooi. Op de grenspost tussen de republiek en de rest van Rusland plukte een lompe agent ons buitenlanders uit de auto en bracht de vangst naar zijn baas. De baas had van alles aan te merken op de geldigheid van onze papieren en keek al uit naar de flinke zwik smeergeld die hij ongetwijfeld aan ons kon ontfutselen. Tot zijn oog viel op de ‘15 jaar FSB van Karatsjaj-Tsjerkessië’-tas die ik toevallig in mijn hand hield. Hij was van zijn stuk gebracht, misschien dacht hij dat wij hoge vrienden in de FSB van Karatsjaj-Tsjerkessië hadden. Hij gaf de papieren terug en we konden weer doorrijden. Sindsdien reist die tas altijd met mij mee.

De trein bleek natuurlijk niet te rijden. In plaats daarvan kochten wij kaartjes voor een trein die vier uur later zou vertrekken en om vijf uur ’s ochtends aankwam in Krasnodar. Dat hield in dat om halfvier ’s nachts een conductrice ons onverbiddelijk uit bed zou ranselen, want je hebt anderhalf uur nodig om wakker te worden en daar valt verder geen discussie over te voeren.

Voor het afgeven van de bagage moesten wij een bedrag van 57 roebel en 50 kopeken overhandigen aan het hoofd van de administratie, die ons vervolgens een bon zou geven die wij zouden moeten tonen aan de bagagedame. Het hoofd van de administratie had het echter te druk met het omroepen van de treinen, dus sleepten wij onze bagage naar een sjasliektent, de enige plek waar wij de tijd konden doden. De minimale portie vlees per persoon was een pond.

In het toilet waren er geen deurtjes voor de gore hurktoiletten. Toen ik mij omdraaide van het urinoir zag ik een jongen ongegeneerd er een drol uit persen. Op datzelfde moment maakte mijn telefoon een geluidje, ik had een sms van Zjenja. Met perfect gevoel voor timing schreef hij: ‘Een lach! Je bent in groen Spanje!’