Armenië
Naast mij in het vliegtuig naar Jerevan, de hoofdstad van Armenië, zat een oude man. In zijn handen hield hij een of ander document. Vanaf het moment dat hij ging zitten tot het moment dat hij weer opstond uit zijn stoel, tweeënhalf uur later in Jerevan, hield die man zijn ogen niet van zijn papiertje. Veel stond er niet op. Voor zover ik kon spieken was het een tijdelijke verblijfsvergunning voor Rusland. Rare man, dacht ik toen. Vier maanden later begreep ik die man. Die dag ontving ik eindelijk mijn langetermijnvisum voor Rusland, precies vijf maanden nadat ik met mijn aanvraag begon.
Na het indienen van de aanvraag werd mij verteld maar eens te bellen als de Russische kerstdagen waren afgelopen. In Rusland duren die feestdagen een dag of tien. Na de feestdagen belde ik de ambtenaar op het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken die verantwoordelijk was voor het verstrekken van mijn visum. Laten we hem Akaki Akakijevitsj noemen. Het probleem was echter dat Akakijevitsj niet opnam. Hij gaf een geheel nieuwe betekenis aan het begrip luie ambtenaar. Twee weken lang heb ik hem gebeld. De laatste dagen zette ik zelfs elk halfuur mijn wekker. Maar geen Akakijevitsj. Soms nam er wel iemand op, die vertelde dat Akakijevitsj net de deur uit was, gevolgd door het advies, ongeacht het moment van de dag: ‘Probeer het morgen nog eens.’ Waarop ik dan vroeg: ‘Is hij er morgen dan?’ Waarop het antwoord kwam: ‘Zou kunnen.’ Als ik bij hem in persoon langsging kreeg ik de boodschap dat ik eerst een telefonische afspraak met Akakijevitsj moest maken.
Uiteindelijk had ik een doorbraak via een bevriende Russische journalist die weer iemand bij Buitenlandse Zaken kende. Zijn advies: gewoon een keer met die Akakijevitsj afspreken en samen dronken worden, dan heb je daarna geen problemen meer. Ja, maar hoe kreeg ik hem te pakken? Uiteindelijk gaf hij mij het nummer van de assistent van Akakijevitsj. De assistent wist mij te vertellen dat ik een nieuw verzoek moest indienen. Toen ik vertelde dat het nogal moeilijk communiceren was met Akakijevitsj antwoordde zij: ‘Dat vind ik gek. Akakijevitsj spreekt goed Engels!’
Ik belde de Nederlandse ambassade om te kijken of zij iets konden doen. Zelfs de ambassade had anderhalve dag nodig voordat ze Akakijevitsj aan de lijn hadden. Daarna werd ik gebeld door de ambassade met de mededeling dat ze ‘helaas niets meer voor mij konden doen en dat ze vaker problemen met deze man hadden, zelfs diplomaten, en dat het toch het beste was om gewoon vriendelijk te blijven’. Juist op het moment dat ik de hoop had opgegeven belde de Grote Akakijevitsj in eigen persoon mij, de nederige Nederlandse journalist. Het gesprek ging als volgt:
In het Russisch:
Akakijevitsj: ‘Spreek ik met Julig Brunf Sontstins?’
Ik: ‘Jawel.’
Akakijevitsj: ‘Ik bel u over visumprocedure nr. 658 inzake (onverstaanbaar) inhoudende (nog meer jargon).’
Ik: ‘Meneer Akakijevitsj, zou u zo vriendelijk willen zijn over te schakelen op het Engels? U moet weten, ik spreek nog niet erg goed Russisch en dit soort belangrijke dingen wil ik graag duidelijk hebben en…’
Akakijevitsj hangt de hoorn op.
Ik bel Akakijevitsj terug, lang leve de nummerherkenning.
Akakijevitsj: ‘Ik luister.’
Ik: ‘This is Julig Brunf Sonstins speaking, I…’
Akakijevitsj: ‘U bent nu in Rusland, dus wij praten Russisch.’
Uiteindelijk was de boodschap dat ik wel een visum kon krijgen, maar niet in Rusland. Aangezien ik een reis naar Armenië had gepland kon ik het visum in Jerevan ophalen. Opgetogen liep ik op een zonnige aprilochtend naar de Russische ambassade in Jerevan, waar dan eindelijk mijn visum klaarlag. Alles was geregeld: Akakijevitsj had persoonlijk gebeld, de uitnodiging van Buitenlandse Zaken lag al klaar, ik hoefde alleen mijn visum in mijn paspoort geplakt te krijgen en basta.
En inderdaad, de uitnodiging was aangekomen en iedereen ging voor mij aan het werk, met z’n vijven, zoals dat ook in Rusland gaat. Mijn paniekaanval begon toen het hoofd paspoorten, een mevrouw, vroeg in welk hotel ik van plan was te verblijven in Moskou. Wat bleek: zij konden alleen toeristenvisa voor drie maanden afgeven. En alsof dat nog niet alles was moest ik daar ook nog ongeveer 200 euro voor neervorken.
Zoals elk verstandig mens zou doen heb ik haar uitgescholden en ben ik boos weggelopen. Bij gebrek aan een Nederlandse ambassade liep ik bij de Duitse langs. Daar stond een vriendelijke mevrouw mij te woord; ze vertelde dat ze ‘helaas niets voor mij konden doen en dat ze vaker problemen met deze man hadden, zelfs diplomaten, en dat het toch het beste was om gewoon vriendelijk te blijven’. ‘Pak wat je pakken kan,’ voegde ze daaraan toe.
De volgende dag besloot ik toch maar het toeristenvisum te halen. Ik moest per slot van rekening weer terug naar Rusland. Aangekomen bij de Russische ambassade in Jerevan had ik nog mazzel: er stond een hele meute Armeniërs te wachten tot de deuren opengingen. Een ambassademedewerker liep naar buiten en zei: ‘Wegens een technische storing is de ambassade vandaag helaas gesloten.’ Voor mij werd goddank een uitzondering gemaakt.
Wat er in de vier maanden die erop volgden gebeurde zal ik even buiten beschouwing laten. Het belangrijkste is dat ik, na twintig bezoeken aan verschillende instellingen, waar ik gemiddeld veertig minuten in de rij stond, na honderdvijftig telefoontjes aan Akakijevitsj, waarvan er drie werden beantwoord, en na een zelfmoordpoging die niet lukte (Akakijevitsj belde net terug toen ik mij op wilde hangen), eindelijk mijn visum kreeg.
In afwachting van mijn bezoek aan de Russische ambassade verbleef ik in Jerevan in een klein pension bij een Armeense moeder en dochter. Nou ja, pension, het kwam erop neer dat ze een kamer voor mij hadden. De moeder was Frans-Armeens en bleef consequent Frans met mij praten hoewel ik nauwelijks Frans versta. Dat haar Engels niet zo goed was had ik al opgemaakt uit een briefje dat op de doortrekstang in het toilet was geplakt. Daar stond op: ‘Please wash your mouth in the toilet.’
Die avond nodigde de moeder mij uit in de woonkamer, waar haar dochter ook zat. Opnieuw werd mij niet helemaal duidelijk wat ze zei, maar de algemene strekking was dat ik met haar dochter moest gaan trouwen, en wel zo snel mogelijk. Om de een af andere reden zat er haast achter. De dochter zat er beschroomd bij, wat de situatie er niet makkelijker op maakte. Kortom, een typisch ‘vroeg-naar-bed-moment’.
De volgende ochtend waste ik mijn mond in het toilet en sloop naar buiten. Ik ging op weg naar het monument voor de Armeense genocide, net even buiten Jerevan. Dit was, behalve mijn visum, de belangrijkste reden dat ik naar Armenië was gekomen. In 1915 gingen ergens tussen de tweehonderdduizend en twee miljoen Armeniërs dood. Volgens de Armeniërs zijn de Turken schuldig aan deze genocide. Volgens de Turken zijn de Armeniërs omgekomen in de chaos van de oorlogstijd en gaat het niet om genocide. Die dag herdachten de Armeniërs hun doden.
De twee landen zijn al jaren verwikkeld in een hevige historische strijd. Dat bleek wel toen ik bij het ministerie van Buitenlandse Zaken in Jerevan binnenliep, waar ik onmiddellijk een stapel genocideboeken in mijn handen gedrukt kreeg. De grens tussen de twee landen is gesloten, wat vooral voor Armenië een probleem is aangezien het land niet aan de zee grenst. Om de zaken nog ingewikkelder te maken zijn de sterkste lobbygroeperingen afkomstig uit de Armeense diaspora in Frankrijk en de Verenigde Staten. Dat terwijl veel Armeniërs in Armenië een minder harde opstelling jegens Turkije willen. Zij zijn immers het slachtoffer van de handelsblokkade.
Tienduizenden Armeniërs kwamen samen bij het monument, een soort Stonehenge in sovjetstijl: een eeuwige vlam, omringd door twaalf enorme basalten zuilen. Elke zuil vertegenwoordigde een provincie uit het toenmalige West-Armenië, het huidige Oost-Turkije, waar het gros van de doden viel. Een oude man speelde op een kleine, traditionele Armeense fluit, de duduk. ‘Vannacht heb ik niet geslapen,’ vertelde hij. De hele nacht had hij op zijn duduk gespeeld. Lange en treurige liedjes ter nagedachtenis aan zijn grootouders, die in 1915 zijn omgebracht in de stad Van in het huidige Turkije. ‘Als geiten zijn zij omgebracht,’ vertelde hij geëmotioneerd in gebroken Russisch. ‘Zo zagen ze ons: als geiten.’
Even later schuifelde de Armeense historicus Vahakn Dadrian langs met een bosje blauwe hyacinten in zijn hand geklemd. Ik ken hem van de achterflap van zijn geschiedenis van de Armeense genocide, dat wordt beschouwd als een standaardwerk. Anders dan de meeste genocideliteratuur is het boek objectief en afstandelijk. Maar dit was geen dag voor afstandelijkheid: ‘Ik zit vol verdriet, frustratie en woede. De Turkse regering ontkent en zal blijven ontkennen. Toegeven zou een teken van zwakte zijn voor premier Erdogan.’ Het initiatief van de Turkse regering om een raad van wijze historici in te stellen noemde Dadrian ‘een strategie om tijd te winnen’. Het stemde Dadrian droevig dat er weinig westerse media of staatshoofden aanwezig waren. ‘Opnieuw rouwen alleen Armeniërs om de Armeniërs,’ zei Dadrian verdrietig.
Na zo veel treurnis was ik blij om aan een ander verhaal te werken, waarvan het onderwerp zich ook in de heuvels buiten Jerevan bevindt. Daar ligt namelijk een sanatorium in een zoutmijn. Naar het schijnt heeft het zout een goede invloed op je gezondheid. Het was er in ieder geval koel. Het grappige is dat de zoutmijn gewoon nog wordt ontgonnen. Een karretje met zout rolde uit de ouderwetse mijnlift, en een aantal patiënten met bouwhelmen liep de lift in. Daarna schoot de lift schokkerig de grond in. Ik ben geen groot fan van Russische liften, dus neem ik meestal de trap. Maar in dit geval was er geen trap, en gingen wij 285 meter de grond in. Beneden deed niets mij meer denken aan de industriële toestanden boven de grond. Een lange gang leidde naar een gigantisch complex van zalen en kamertjes. Het onderscheidde zich niet veel van een gemiddeld sovjetsanatorium, ware het niet dat het bijna driehonderd meter onder de grond zit en dat de vloer, de muren en het plafond uit zout gehouwen zijn. Dit zou het decor kunnen zijn voor een James Bond-film. In de gang speelde een jongen een potje biljart. In de kantine dronken mensen ‘zuurstofcocktails’, waarvan de inhoud, op de zuurstof na, geheim was. Even verderop hielden zusters hun consult, ieder in haar eigen zoutgrotje, keurig gezeten achter een bureau met telefoon. In de muur fonkelden de zoutkristallen. ‘Dit wordt de zesde keer dat ik hier ben,’ vertelde Olga Manukian (54), die wachtte op de lift naar beneden. Nadat poliepen uit haar neus waren verwijderd had Manukian last van astma gekregen. Voor elke behandeling bracht zij zes uur door in de zoutmijn.
De directeur legde uit welke helende krachten de zoutmijn zou hebben. De zuivere lucht en de minuscule mineraalkristallen die in die lucht zweven, zouden goed zijn voor de longen. Met name astmapatiënten zouden daar baat bij hebben. De behandeling zou niet alleen effect hebben op de patiënt, maar ook op nakomelingen van die patiënt. Eenmaal terug in het pension vertelde ik het verhaal in slecht Frans aan de pensionhoudster. Ze keek mij enthousiast aan en riep: ‘Dan kunnen jullie daar trouwen en een kind verwekken. C’est magnifique!’
De volgende ochtend rende ik het huis uit zonder zelfs maar mijn mond in het toilet gewassen te hebben. Ik moest naar Nagorno-Karabach, een obscure enclave in Azerbeidzjan die door geen enkel land op de wereld behalve Armenië wordt erkend. Het scheen een nogal ruige rit te zijn en de weinige gedeelde taxi’s die erheen reden vertrokken in het ochtendgloren. Ik nam plaats in een van de taxi’s, waar ik werd aangekeken door een chauffeur die niet begreep wat ik in de obscure enclave te zoeken had. Het wachten op volgende passagiers kon nog even duren, dus liep ik een voetgangerstunnel in, op zoek naar ontbijt. In de tunnel kwam ik een man tegen die erop stond dat ik een kopje thee met hem ging drinken. Ik vertelde de man dat dat niet ging aangezien er een taxi op mij stond te wachten, en dat ik dus in de buurt moest blijven. De man glimlachte en trok een luikje open. Achter het luik zat een Armeense familie gezellig naar de televisie te kijken. We klommen van de tunnel de kamer binnen en ik voelde mij net Tom Tippelaar. De situatie werd nog absurder toen de man thee aan het inschenken was. ‘Waarom blijf je toch maar Russisch praten? Russisch is de taal van de bezetter. Laten we Duits praten,’ zei de man. ‘Waar heeft u Duits geleerd?’ vroeg ik in mijn slechte Duits. De man antwoordde: ‘Aan het front, in gevecht met de Duitsers.’ Een tweede kopje thee sloeg ik af, omdat ik bang was dat de taxi zonder mij vertrok. Dat was jammer, want het zou nog twee uur duren voor er genoeg passagiers verzameld waren.
Alsof de ruzie met de Turken niet voldoende is verkeren de Armeniërs in staat van oorlog met het andere buurland, Azerbeidzjan. De twee landen vechten sinds de Sovjet-Unie uit elkaar viel om de enclave Nagorno-Karabach. Na een lange en bloedige oorlog waarin meer dan dertigduizend soldaten om het leven kwamen is Nagorno-Karabach nu in handen van Armenië.
Tussen de Armeense grens en Nagorno-Karabach loopt een smalle corridor, die onder controle staat van het Armeense leger. Erheen vliegen gaat niet. Het is wel eens geprobeerd, maar elk vliegtuig dat opstijgt vanuit Stepanakert, de hoofdstad van Nagorno-Karabach, wordt neergehaald door Azerische troepen. De weg van Armenië naar Stepanakert is dus de levensader van de bergstaat. Nergens staat een bordje, maar de grensovergang is duidelijk voelbaar als het busje Armenië verlaat en de zogenaamde ‘bufferzone’ inrijdt. Elf jaar verwaarlozing van de weg doet het busje en alle passagiers heen en weer schieten als de chauffeur probeert de gaten te vermijden, of op en neer als hij daar niet in slaagt.
Aangekomen in Stepanakert probeerde ik een vergunning te krijgen voor een bezoek aan de verlaten Azerische stad Agdam in de bufferzone, die ik na een hoop vage beloftes in Jerevan natuurlijk niet kreeg. Dus maar een beetje rondvragen bij de taxichauffeurs. Eentje ‘kende de soldaten daar’ en wilde mij wel langsbrengen ‘voor een zeker bedrag’. Dus gingen we op weg in een oude rode Lada-stationwagon met zo veel barsten in de voorruit dat de chauffeur zijn hoofd uit het zijraampje moest steken om te kijken of er geen tegenliggers aankwamen, wat natuurlijk niet het geval was.
De weg hier was zo mogelijk nog slechter dan in de corridor. Er zaten zo veel gaten in dat eigenlijk alle soorten terrein beter waren dan de weg zelf, die meer als richtingaanwijzer werd gebruikt. Voor de rest reden we kriskras over weilanden en tussen kapotgeschoten gebouwen door. Op een gegeven moment doemde een aantal reusachtige, gebroken zuilen op voor de Lada, als een postapocalyptisch Forum Romanum. Op deze plaats stond tot een paar jaar geleden de stad Agdam, waar honderdduizend Azeri’s woonden. Tijdens de oorlog zijn die samen met vijfhonderdduizend andere Azeris het land uitgeschopt. Voor de balans: vierhonderdduizend Armeniërs werden intussen uit Azerbeidzjan gedeporteerd.
De huizen waren intussen tot op de bodem leeggeroofd. De daken waren ook voor een groot deel weggehaald. Overal groeiden seringenstruiken tussendoor, die net in bloei stonden en een verrukkelijke geur verspreidden, wat alles gek genoeg alleen maar triester maakte. Her en der waren mannen bezig de waterleiding uit de grond te jatten om deze te verkopen als schroot. Het enige gebouw dat nog overeind stond was de moskee, die nu dienstdeed als koeienstal. De herder was net de koeien naar binnen aan het drijven. Toen we Agdam weer uitreden stapte de chauffeur uit om een bekende te begroeten. Ik heb dit verhaal nooit voor de krant gebruikt omdat ik het te ongeloofwaardig over vond komen. De vriend van de chauffeur was een eenbenige boer die hier een knoflookveldje had. De boer had zijn rechterbeen verloren door een landmijn in de oorlog. Zijn tweelingbroer was in de oorlog ook op een mijn getrapt en had ook zijn been verloren, in dit geval het linkerbeen. Samen verbouwden zij de knoflook. De andere broer was op dat moment water aan het halen. Dat was jammer, want ook ik had het verhaal pas geloofd als ik de tweelingbroer had gezien.
’s Avonds dineerde ik met een Griekse journalist die ik in Stepanakert had ontmoet. Hij vond het zielig dat zijn chauffeur buiten moest wachten, dus had hij hem voor het diner uitgenodigd. De chauffeur wist ook niet precies wat hij ermee aan moest, zat er wat opgelaten bij en was te beschroomd om iets te eten. Na het ongemakkelijke etentje kwam de chauffeur naar mij toe. Of ik nog een drankje wilde drinken. Dat verbaasde mij nogal van deze timide meneer, maar ik accepteerde het toch. We reden naar zijn huisje, waar de aap uit de mouw kwam: zijn dochter kwam ‘toevallig’ langs om een drankje mee te drinken. En sprak ook nog eens vloeiend Engels. Asjemenou! Nadat ik zijn verzoek om zijn dochter te trouwen vriendelijk had afgewezen reed hij mij terug naar mijn hotel.
De volgende dag had ik een interview met de president van Nagorno-Karabach. Er is een wet die opgaat voor het interviewen van hoge officials: hoe kleiner het land, hoe hoger de mensen die je te pakken krijgt voor een interview. Dat viel mij later op in Estland, waar ik na twee telefoontjes twee ministers te spreken kreeg. In Nagorno-Karabach, waar honderdachtendertigduizend mensen wonen, was het al helemaal geen moeite. Van het interview kan ik mij niet veel herinneren. Wel weet ik nog dat de man maar liefst vijf telefoons paraat had staan voor het geval er vijf zeer urgente situaties tegelijkertijd afgehandeld moesten worden. Dat gebeurde gelukkig niet tijdens het interview.
Na het gesprek maakte ik een wandeling over de onuitspreekbare Azatamartikneri Poghots, ‘de weg van de overwinnaars’. Daar maakte ik een praatje in een internetcafé/ cd-winkel/ijssalon waar de jeugd zich verzamelde. Net toen een jongen begon uit te leggen dat hij niet opnieuw oorlog wilde, kwam er een tank langsrijden. De tank deed hem kennelijk denken aan zijn vaderlandsplicht want hij stelde zijn verhaal vervolgens bij: ‘Iedereen zal zijn geboorteland verdedigen.’ En, na lang nadenken: ‘Ja, de Azeri’s ook waarschijnlijk. Het is niet anders.’
Zelfs de doden leken klaar voor een nieuwe oorlog. Op de oorlogsbegraafplaats, in de groene heuvels even buiten Stepanakert, lagen de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en de oorlog van de jaren negentig zij aan zij. In de grafstenen stonden de beeltenissen van de – overwegend jonge – mannen geëtst, allen in legerkledij. Sommigen hielden hun kalasjnikov in de aanslag, anderen hadden hun hand aan de pin van een granaat.
Enigszins gedeprimeerd reed ik ’s avonds in een gedeelde taxi terug naar Jerevan. Ik raakte in gesprek met een gezellige moederkloek, die helaas wel het grootste deel van de achterbank innam. Een moederkloek, eindelijk even geen oorlogsretoriek, dacht ik. De moederkloek bleek echter in het leger te werken als ballistisch deskundige. ‘Kort gezegd zorg ik ervoor dat de mortiergranaten de plaats van bestemming bereiken,’ vertelde ze. Tot aan de oorlog had zij nooit problemen met Azeri’s. En ook nu had zij geen haatgevoelens. ‘Ik heb twee zoons: de een heeft zijn twee jaar dienstplicht al gedaan, de ander moet nog. Ik denk dat elke moeder vreest voor het leven van haar zoon, en om die reden wil geen enkele moeder oorlog. Het zal niet anders zijn voor Azerische moeders.’
Even later vertelde ze evenwel dat zij haar zoon, toen hij twee jaar werd, een pistool in zijn handen drukte ‘voor het gevoel’. En dat heeft zijn vruchten afgeworpen. Vol trots vertelde ze dat hij vorige week op de testbaan dertien van de vijftien keer raak schoot. ‘Begrijp me niet verkeerd: ik wil echt dat er vrede komt, maar we moeten klaar zijn voor een nieuwe oorlog,’ vertelde ze. Aan het eind van de rit nodigde ze mij voor de volgende avond uit in haar appartement in Jerevan.
Benieuwd aan wie zij mij wilde uithuwelijken belde ik de volgende dag aan met een zak drop uit Nederland. Drop doet het nooit goed bij de Russen, dus had ik mijn hoop gericht op de Armeniërs. De ballistisch deskundige stond in de keuken een Nagorno-Karabachse specialiteit te bakken: een soort pitabrood gevuld met peterselie, basilicum en koriander. Ik kan mij in de ingrediënten vergissen, want die avond werd flink wat toetovka gedronken, een lokale wodka gemaakt van moerbei. De toetovka werd geschonken uit een porseleinen haan.
Toen ze dachten dat ik dronken genoeg was werden haar twee dochters naar binnen gedreven. Zij namen een dropje, vertrokken hun gezicht en gaven mij een blik die zei: ‘Nooit van mijn lang-zal-ze-leven ga ik naar dit land van zwarte troep die smaakt naar hoestdrank!’ Een omaatje dat voor de rest zwijgzaam de avond had doorgebracht riep: ‘Armeense vrouwen, dat zijn de beste ter wereld! Russische vrouwen zijn misschien knap, maar houden er altijd een minnaar op na. Een Armeense vrouw zal je altijd trouw blijven!’ Waarop ik zei: ‘Nou omaatje, als dat zo is, dan gaan we morgen toch trouwen!’
Daar is het overigens nooit van gekomen, de volgende ochtend vloog ik al. Om halfacht, dus ik was niet op mijn paasbest. Aangezien de aankomst soepeltjes was gegaan – voor Russische begrippen althans – dacht ik dat het op de terugweg niet anders zou zijn. Ik vloog weg van Zvartnots International Airport. Zvartnots. Laat de naam even op je inwerken. Ik ken geen Armeens, en ga er ook niet aan beginnen, het heeft een eigen schrift met 38 letters. Maar voor mij klinkt Zvartnots als ‘brenger van onheil’ of iets dergelijks.
En onheil bracht het. Bij de incheckbalie was van een rij geen sprake; desondanks vocht ik mijzelf naar voren om alles als handbagage te laten registreren. Dat was een klein succesje en tegelijk ook mijn laatste. Vervolgens vroeg de stewardess of ik de luchthavenbelasting al had betaald. Het bleek dat die niet in de prijs van het ticket inbegrepen zat, zoals gebruikelijk. Zolang ik niet betaald had kon ze mij geen boarding pass geven. Dus moest ik mijn felbevochten plaats aan de balie verlaten, ergens twintig dollar betalen en met het papiertje terugkomen om paspoort en boarding pass terug te krijgen.
Vervolgens, nadat ik weer mijn ellebogen had gebruikt, vroeg ze of ik mijn paspoort had laten ‘registreren’. Ik vertelde dat dat bij alle andere vliegvelden bij de douane gebeurt. Niet op Zvartnots. Pas als ik mij had laten ‘registreren’ kon ik terug naar de balie om mijn boarding pass op te halen. De stewardess gaf mij de volgende cryptische mededeling mee: ‘Sector 5.’ Nadat ik met veel pijn en moeite sector 5 had gevonden (ergens tussen sector 8 en sector 7) en mij terugvocht naar de balie voor de boarding pass dacht ik dat het ergste leed geleden was. Ik had het mis. Voor de ingang van de gates stond een meute van een paar honderd passagiers van vier vertrekkende Iljoesjins (Russische Boeings), inclusief aanhang. Tegenover al deze mensen stond één vrouw, die alle kaartjes zeer nauwgezet bestudeerde. Anderhalf uur stond ik in iets wat het midden hield tussen een punkconcert en een krakersrel. Het kostte al mijn energie om mijn handbagage niet kwijt te raken in de draaikolk, laat staan dat ik dichter bij de vrouw kwam die nog steeds nauwgezet naar de kaartjes keek, en zich niet bewust leek van de humanitaire crisis in de vertrekhal.
Wat de chaos nog groter maakte was dat de aanhang van de passagiers per se mee wilde tot aan het strenge vrouwtje om daar afscheid te nemen en zich weer een weg terug te banen. Uiteindelijk ben ik maar heel erg hard gaan schelden in het Nederlands, wat kennelijk medelijden opwekte bij de mensen vóór mij, die mij voorlieten zo goed en zo kwaad als dat kon. Voor ik het wist zat ik in de Iljoesjin, bomvol met Armeense mannen die op zoek gingen naar werk in Moskou.
De lucht in het vliegtuig was niet te harden. Niemand was erg fris (inclusief ikzelf) aangezien er maar vier uur per dag water was in Jerevan, en mensen nog wel van verder kwamen, en iedereen net uit een concert dan wel een krakersrel kwam. Bij het ontbijt werd de lucht mij teveel. Het hielp niet dat mijn buurman een literfles wodka tevoorschijn haalde (het was dus halfacht ’s ochtends) en mij een dikke knipoog gaf. Hij was teleurgesteld dat ik niet mee wilde doen, maar sloeg alsnog enthousiast wodkaatjes achterover. Misselijk ging ik op zoek naar het toilet. Daar stond een man of tien te wachten. Ik kon wel raden waarom: een klein beetje rook kwam onder de deurtjes vandaan. Toen gebeurde er iets grappigs. Een van de mannen kon niet langer wachten en stak een sigaret op, zo hup, in het gangpad. Ja, zag je de anderen denken: als hij rookt, dan ik ook. In no time stonden tien mannen giechelend een sigaret te roken. Ik had nog nooit een cabine gezien die blauw stond. De stewardess ook niet, die was te gechoqueerd om er iets aan te doen, als ze al iets doen kon. Toen het mijn beurt was ging ik, ondanks de rook, zielsgelukkig op het toilet zitten. Even was ik weg van de waanzin.